[Inhoud]
Columbus, De Ontdekker van Amerika.
Naar het Engels van
J. S. C. Abbott,
Vertaald door
J. H. Geraets Jr.
Hoofd der school te Velsen
Met 11 Afbeeldingen.
Amsterdam.—1887.—W. Versluys.
Inhoud]
Christophorus Columbus.
Eerste Hoofdstuk.
Moeilijkheden, waarmede Columbus in zijn jonge jaren had
te kampen.
In de prachtige zeestad Genua, de trotse bijgenaamd, werd
omstreeks het jaar 1435 een knaapje geboren, dat nu in alle landen als
Christophorus Columbus bekend is. Het juiste jaar zijner geboorte kent men
niet. Hij was de zoon van geringe lieden, en zijn vader, die een degelijk en
vlijtig man, en wolkammer van beroep was, moest hard werken, om in het
onderhoud van zijn gezin te voorzien.
De haven van Genua lag vol met schepen uit al de
handelshavens van de toen bekende wereld. Op de kaden wemelde het van
zeelieden, die allerlei talen spraken en de meest uiteenlopende
klederdrachten vertoonden. De knaap was van nature nadenkend en bezat, bij
een grote liefde voor avonturen, een levendige verbeelding. Wanneer hij zoo
langs de straten slenterde en naar de grote schepen keek, ontwaakte een
sterke begeerte in hem, om verafgelegen landen te bezoeken.
Zijn vader had vier kinderen, drie zoons en één dochter.
Hij moet een verdienstelijk en verstandig man zijn geweest, want hij schijnt
aan al zijne kinderen het onderwijs te hebben doen geven, dat de gewone
school aanbood. Christophorus had goed leren lezen, schrijven en rekenen.
Ook had hij enige vorderingen gemaakt in het Latijn en het tekenen. Zelfs
bezocht hij de hogeschool te Cavia, waar hij zich vlijtig oefende in
meetkunde, aardrijkskunde, sterrenkunde en zeevaartkunde.
Hij was nog maar 14 jaren oud, toen zijn vader hem aan de
zorg van een bloedverwant, wiens naam Colombo was, toevertrouwde, en met Wie
hij zijn eerste zeereis deed. Deze ervaren zeeman was reeds zeer beroemd
wegens zijn bekwaamheid in de
[4]zeevaartkunde.
Bij de Genueesche vloot bekleedde hij den rang van admiraal en voerde hij
het bevel over een eskader.
De zeeën werden toen zoo onveilig gemaakt door zeerovers,
dat elk koopvaardijschip goed van wapenen moest worden voorzien, om dadelijk
strijdvaardig te wezen. Al weten wij niet, wat Columbus op zijn eerste
zeereis wedervoer, toch is ’t bekend, dat zij een oorlogstocht was. Colombo
zeilde als bevelhebber van een eskader van Genua uit, om koning René, die
zijn rijk trachtte te heroveren, ter hulp te snellen. Dit gebeurde in 1459.
De oorlog duurde vier jaren. Het eskader van Colombo werd om zijn
onverschrokkenheid zeer geprezen.
Later gaf Christophorus Columbus in een brief aan
Ferdinand en Isabella een kort verhaal van een tocht, dien hij gedaan had om
een galei uit de haven van Tunis te verjagen. Zijn scheepsvolk had bij
toeval vernomen, dat de galei door twee andere schepen beschermd werd, en
daardoor was het zoo beangstigd geworden, dat het weigerde den tocht voort
te zetten. Schijnbaar willigde Columbus hunne wensen in, en zij verkeerden
dan ook in de mening, dat hij besloten had terug te keren ten einde
versterking te halen. Hij veranderde echter van koers, en haalde alle zeilen
op. Weldra viel de nacht in. Toen de morgen aanbrak, zeilde het schip de
haven in, waarin de galei lag.
De uitslag is onbekend, maar het voorval herinnert ons
levendig de nog belangrijker krijgslist, waartoe hij later zijn toevlucht
nam, ten einde zijne moedeloze schepelingen aan te vuren, om de reis over de
onstuimige zee naar de nieuwe wereld voort te zetten. Destijds werd de
Atlantische Oceaan zoo goed als niet bevaren. enige weinige ondernemende
zeelieden waren langs de kusten van Noord-Europa gevaren, en zuidwaarts naar
de westkust van Afrika gestevend. Maar de wereldhandel bepaalde zich
hoofdzakelijk tot de Middellandse zee. Dat waren dagen van ruw geweld,
wetteloosheid en misdaad.
Elk koopvaardij schip was genoodzaakt wapenen te voeren.
Zeerovers, wier schepen menigmaal hele vloten vormden, maakten alle zeeën
onveilig. Ieder zeeman moest wel een soldaat wezen, altijd klaar, om naar de
wapenen te grijpen, ten einde een aanvallenden vijand af te slaan. Onder
zulke omstandigheden werd Columbus gevormd. Van zijne vroegste zeetochten is
ons niets bekend en wij weten alleen, dat hij een groot deel der toen
bekende wereld doorkruiste. Zoo bezocht hij o.a. Engeland, en beploegde zijn
voorspoedige kiel de wateren van de Noordzee, tot hij de noordelijke kusten
van IJsland bereikte. Het is niet
[5]onwaarschijnlijk,
dat hij daar losse geruchten vernam van de tochten, welke, eeuwen vroeger,
de Noormannen naar de door het ijs omgeven kusten van Labrador en Groenland
hadden gedaan, en van de eindeloze meer zuidwaarts liggende kusten, van
welker uitgestrektheid niemand zich een denkbeeld maken kon. Later schreef
hij in een zijner brieven:
“Veertig jaren lang heb ik de geheimen der natuur trachten
uit te zoeken, en waar ooit een schip zich vertoonde, daar ben ik geweest.”
Tijdens zijn omzwervingen kwam hij ten laatste te
Lissabon, de hoofdstad van Portugal, aan, toen een der beroemdste zeehavens
van de wereld. Hij was toen 35 jaren oud.
Uit de levensbeschrijving, door zijn zoon opgesteld, leren
wij, dat hij ijverig studeerde. Hij las de werken van Aristoteles, Seneca en
Strabo. Menig middernachtelijk uur werd gesleten met het lezen van de
nasporingen, door Marco Polo en Sir John Maundevile of Mandeville in het
werk gesteld. De vraagstukken, waartoe deze ontdekkingen aanleiding gaven,
bepeinsde hij ernstig. Maar het boek, dat hem het meest boeide en zijn geest
geheel en al bezighield, was de Wereldbeschrijving, de “Cosmographie”, van
kardinaal Aliaco. Het was een zonderling mengsel van dwaasheid en
geleerdheid, van echte wetenschap en zotte fabelen.
[6]
Columbus trof te Lissabon vele zeelieden aan, verstandige,
opmerkzame mensen, die alle bekende zeeën hadden bevaren. Hen hoorde hij van
drijfhout spreken, dat gevonden was geworden, en zeer onderscheiden was van
den plantengroei, dien men in Europa kende. Ruw snijwerk had men uit de zee
opgevist, dat blijkbaar met zeer onvolkomen gereedschap was bewerkt. En, wat
het vreemdst van alles scheen, er waren twee lijken op de Azoren
aangespoeld, van een mensenras afkomstig, hoedanig noch in Europa noch in
Afrika werd gevonden.
Langzamerhand schijnt bij Columbus het denkbeeld te zijn
opgerezen, dat er op den aardbol nog andere en uitgestrekte landen moesten
wezen, welk de Europeanen nog niet kenden. Want slechts een klein gedeelte
van onze aarde was toen nog maar door beschaafde mensen bezocht. Wanneer
Columbus alleen in zijne kamer zat, en zijn ogen op de ellendige kaarten van
dien tijd rustten, dan werd zijn geest wakker en tekende hij met het potlood
in de hand de hem bekende oevers der Middellandse zee, benevens de minder
bekende kusten van Afrika van kaap Blanco af tot kaap Vert toe. In zijn
verbeelding ging hij moedig den Atlantische oceaan op tot de Azoren toe,
doch hier vond hij een eindpaal, omdat verder alles nog onbekend en
onbevaren was.
Het door hem bepeinsde plan jaagde hem het bloed naar de
wangen. Wat ligt, vroeg hij zich af, in dien uitgestrekte, grenzeloze oceaan
aan den anderen kant? Is de aarde een plat vlak? Gesteld, dat dit zoo is,
maar waar is dan het einde, en wat ligt aan de andere zijde? Is de aarde een
bol? Als zij dat is, hoe groot is die bol dan? Liggen er in dien onmetelijke
oceaan andere landen? Zou het voor een onverschrokken avonturier mogelijk
zijn dien bol om te varen?
In 1477 stak Columbus in zee, om het westen te vinden
langs den ouden, noordelijken weg, die langs IJsland liep. Waarschijnlijk
had hij van de ontdekkingen gehoord, welke de Noormannen in die richting
hadden gedaan, en was ’t hem bekend, dat men den afstand van Europa’s
noordelijkste punten tot de Aziatische stranden niet groot rekende.
Alvorens de grote onderneming uit te voeren, deed hij
eerst onderscheidene kleine zeetochten. Zuidwaarts bezocht hij Madera, de
Kanarische eilanden en de kust van Guinea. De wegen, door de Portugese
zeevaarders gevolgd, ging hij ijverig na, en maakte zich vertrouwd met al
wat zij van de Azoren en de westelijkste eilanden hadden ontdekt.
[7]
Ook zocht hij den noordelijken weg op, en waagde zich
zelfs op enigen afstand ten westen van IJsland. Wellicht had hij het verhaal
van de Noormannen gelezen van Groenland, Markland en Vineland. Het laatste
schip was van Groenland naar IJsland teruggekeerd ongeveer honderd jaren
vóór Columbus dit eiland aandeed. Malte Brun onderstelt, dat Columbus in
Italië van de heldendaden dezer koene zeelieden kennis gekregen had, want
Rome werd toen als het middelpunt van de wereld beschouwd, en die iets
belangrijks horen wilde, moest daar zijn.
Een Deens schrijver meent, dat Columbus, die alle
mogelijke boeken en handschriften trachtte te krijgen, om verhalen van
zeetochten en ontdekkingen te lezen, de geschriften van den bekenden
geschiedschrijver Adam van Bremen in handen gekregen had, waarin de
ontdekking van Vineland met nadruk werd vermeld.
Deze vermoedens hebben hem ongetwijfeld aangespoord tot de
reis naar IJsland, en hij bracht, volgens het verhaal van zijn zoon
Fernando, niet alleen enigen tijd op IJsland door, maar zeilde nog 300
mijlen verder, waardoor hij Groenland haast moet hebben kunnen zien.
Was Columbus met de belangrijkste ontdekkingen der
Noormannen bekend, dan kan men zijn vast geloof aan de mogelijkheid, om een
westelijk gelegen land weer te vinden, en zijn grote ijver, om dat te doen,
gemakkelijk verklaren. Zijne latere ontdekking van Amerika mogen wij dan
veilig als de voortzetting beschouwen van hetgeen de oude Scandinaviërs
hebben verricht.
Columbus ging na, hoeveel tijd de zon nodig had, om van de
ene zijde van de Middellandse zee naar de andere te komen, welke afstand
2000 mijlen bedraagt. Hieruit leidde hij af, welke ruimte de zon dan in 24
uren kon doorlopen. Dergelijke vraagstukken verruimden niet alleen zijn
geest, maar leerden hem ook juist denken, en onttrokken hem aan den nadelige
invloed van dwaze hersenschimmen.
Deze opwekkende studie eiste algehele toewijding. Aan pret
maken dacht hij niet meer, en evenzeer werd het bevredigen van zijn eerzucht
aan banden gelegd. Praatte hij met zijn vrienden en kennissen, dan was de
studie altoos het onderwerp van het gesprek. Zijn studeervertrek was soms
vol zeelieden, die mededeling kwamen doen van wat zij gezien of ook maar
alleen zich verbeeld hadden.
Langzamerhand kreeg Columbus de overtuiging dat de aarde
[8]bolrond
moest zijn en dat men derhalve, steeds westwaarts zeilende, de kusten van
Azië bereiken moest. Van de grootte der aarde had hij, door de snelheid in
aanmerking te nemen, waarmede de zon zich schijnbaar voortbeweegt, een vrij
nauwkeurige berekening gemaakt. Hij vermoedde wel niet, dat er tussen Europa
en Azië land ligt, maar hij meende toch, dat hij de kusten van Azië vinden
zou, daar, waar hij later de Nieuwe wereld vond.
Onbepaalde berichten van het grote eiland Japan, dat zich
ten Oosten van Azië zou uitstrekken, waren in Europa in omloop. Columbus
meende, dat het op de plaats lag, waar hij naderhand Cuba vond.
“Deze grote rijken,” zei Columbus, “zijn met onsterfelijke
wezens bevolkt, voor wier verlossing Christus een bloedig offer bracht. Mij
heeft God de taak opgedragen hen te zoeken, en hun het evangelie te brengen.
De rijkdom van Indië is spreekwoordelijk, en ik zal er onuitputtelijke
schatten vinden, waarmede men zich legers kan verschaffen. Met deze legers
kunnen we het graf van den Zaligmaker der wereld verlossen uit de handen der
ongelovigen, die er geen eerbied voor hebben.”
Columbus was arm. Het was geheel boven zijn macht, zulk
een belangrijken ontdekkingstocht te ondernemen. De meesten hielden hem voor
een half waanzinnigen dweper. Zoo dwaas als men een voorstel vinden zou, om
de maan te bezoeken, zoo ongerijmd vond men zijn plan. Te vergeefs klopte
hij aan de deuren van rijke lieden aan. Toch trof hij verstandige mensen
aan, die zijne plannen onderzochten, en ze een ernstig onderzoek waardig
keurden. Met behulp van zulke getuigen, hoopte hij zich de medewerking van
enige Europese hoven te verzekeren. Een machtige staat kon hem gemakkelijk
de nodige middelen verschaffen, en hem dat gezag en die waardigheid
verlenen, welke hij voor de uitvoering zijner plannen werkelijk meende nodig te hebben. In
vergoeding daarvan zou het hof rijk en machtig worden, en zooveel roem
behalen, dat het door geheel Europa werd benijd.
Het eerst wendde hij zich tot de regering in Portugal.
Koning Johan II ontving hem in een plechtig gehoor, en luisterde aandachtig
en schijnbaar vol belangstelling naar zijn plannen. Columbus beschouwde zich
volstrekt niet als iemand, die nederig iets aan den voet van een
koninklijken troon komt afsmeken. Veeleer hield hij zich voor iemand, Wie
God belangrijke openbaringen had gedaan, welke den rijkdom en den roem van
den [9]grootste
monarch zouden vermeerderen, en die oorzaak zouden zijn, dat zich een nieuw
tijdperk voor de wereld opende. Tot loon voor al zijn verdiensten verzocht
hij om tot onderkoning aangesteld te worden over al de landen, die hij
ontdekken zou, en om het tiende deel van al de winsten, welke het opleveren
mocht.
Terwijl hij zich in Lissabon ophield, raakte hij in kennis
met een Italiaanse jonge dame, die Felipa heette en bij hare moeder
inwoonde, welke weduwe was. Wel was zij van aanzienlijke afkomst, maar zij
bezat geen fortuin. Hun huwelijk volgde spoedig, en het schijnt gelukkig te
zijn geweest tot de dood hen scheidde. Zij kregen een zoon, die Diego
heette.
De koning vond de eisen van Columbus buitensporig. Deze
toch was een arme, onbekende zeekapitein, zonder rang, geld of vrienden. En
toch stelde deze vreemde, ernstige man, met zijn onstuimige geestdrift, zich
voor in de rijen der koningen plaats te nemen. Met een beleefde buiging liet
de vorst den eerzuchtige zeekapitein uit zijn gehoorzaal vertrekken.
De waardige en ernstige houding van den man, en het
volkomen vertrouwen, dat hij in de juistheid zijner inzichten openbaarde,
hadden evenwel een diepen indruk op den koning gemaakt. Hij kon de gedachten
niet van zich zetten, welke hem medegedeeld waren geworden. Na enigen tijd
over de zaak nagedacht te hebben, riep hij een Raad bijeen van de geleerdste
mannen te Lissabon, en stelde hem de zaak voor. Rijpelijk werd alles
overwogen. enigen van de meest uitstekende leden van dien Raad lieten zich
gunstig over de plannen van Columbus uit. Maar de uitspraak van de
meerderheid was er beslist tegen. Men berichtte den koning, dat zijne
plannen zoo ongerijmd waren, dat ze verdere bespreking onwaard moesten
heten.
Toch was de koning onvoldaan, want de door hem verkregen
indruk was te sterk, om zoo maar gemakkelijk uitgewist te worden. Bovendien
verminderde het feit, dat de grootste wijsgeren Columbus’ meningen deelden,
den indruk van het ingediende Verslag. Toen had de koning de laagheid tot
een zeer onterende maatregel over te gaan. Hij zond heimelijk een vloot uit.
Deze heette naar de Kaap-Verdische eilanden te gaan. Gebruik makende van al
de inlichtingen, die Columbus hem gegeven had, gaf hij den kapitein het
heimelijk bevel, om maar moedig het spoor te volgen, dat Columbus aangegeven
had, hopende op deze wijze zelf de ontdekker te worden. De kapitein volgde
de bevelen op, maar zijn matrozen verloren den moed,
[10]daar
zij niet wisten, waar zij op die onbekende wateren heengingen.
Een verschrikkelijke storm brak op den Oceaan los,
waardoor hun vrees tot het uiterste gedreven werd. Met luider stem
verklaarden allen, dat zij weigerden aan zulke gevaren het hoofd te bieden,
zodat de kapitein genoodzaakt was toe te geven en terug te keren.
Columbus werd deze schandelijke handelwijze gewaar, die
grotelijks zijne verontwaardiging had opgewekt. Met zijn toorn vermengden
zich aandoeningen van teleurstelling en droefheid, dat het koninklijk hof,
waartegen hij gewoon was geweest met eerbied op te zien, hem zoo trouweloos
had behandeld.
Hij was toen een weduwnaar, en bezat alleen zijn zoon
Diego. Zijn tijd aan de studie en de bevordering zijner ontdekkingsplannen
wijdende, had hij geen gelegenheid, voor zijn geldelijke belangen te zorgen.
Hij voorzag in zijn nederig onderhoud door het vervaardigen en den verkoop
van kaarten. Met Diego verhuisde hij toen naar Genua, zijn geboorteplaats.
Hier moest hij de waarheid van het spreekwoord ondervinden, dat een profeet
in zijn eigen vaderland niet geëerd wordt.
Hij verzocht het Bestuur der stad om hulp voor een
onderneming, welke men algemeen niet alleen noodlottig noemde, maar waarvan
de geleerden te Lissabon reeds gezegd hadden, dat ze geen aandacht waard
was.
“En wie is die Christophorus Columbus?” werd gevraagd.
“Wel, hij is een zeeman uit onze stad”, was het antwoord; “de zoon van
Dominico Colombo, een wolkammer. Hij heeft twee broers en een zuster, die
hier in nederige omstandigheden verblijf houden.”
Dit maakte aan de zaak bij het trotse Genueesche hof een
einde. Het verzoek van Columbus werd met verachting afgewezen. Hij kon niet
eens een gepast gehoor krijgen. Nu was hij wel arm, en alleen de hoop en een
aangeboren geestkracht moesten hem staande houden. Eindelijk besloot hij, na
nog vele plannen overdacht te hebben, zijn geluk aan het Spaanse hof te
beproeven.
Hij nam zijn zoon Diego mee, scheepte zich te Genua in, en
landde na een korte vaart te Palos, een kleine Spaanse zeehaven aan den mond
van de Tinto. Ferdinand en Isabella waren toen juist in een oorlog gewikkeld
met de Mooren. Beiden bevonden zich toen met hun leger te Cordova, bijna
honderd mijlen ten noordoosten van Palos. Daar al hun krachtsinspanning
[11][12]voor
het voeren van den oorlog nodig was, mocht het ogenblik ongunstig heten hen
te willen overhalen tot een onderneming, die veel geld moest kosten, en
daarenboven twijfelachtig was.
Met een lichte beurs en een bezwaard gemoed begaf Columbus
zich op weg, om de vele mijlen af te leggen, die hem van de Koninklijke
legerplaats scheidden. Hij was bleek, mager en het was hem aan te zien, dat
zorg hem had verteerd. Zijn kleren waren kaal. Koffers en valiezen behoefde
hij niet mee te sjouwen; alleen droeg hij een klein pakje aan zijn zijde. De
kleine Diego liep aan zijns vaders hand mee.
Zij waren nog maar anderhalve mijl van het dorp Palos af,
toen zij bij een hecht stenen klooster kwamen. Diego had honger en dorst, en
daarom ging de vader in het klooster, om een beker water en een snede brood
voor zijn kind te vragen.
Heel toevallig kwam de prior van het klooster op dat
ogenblik aan de deur. Het beleefd verzoek, de waardige houding en de
verstandige trekken van den vreemdeling maakten diepen indruk op hem. Hij
nodigde Columbus uit binnen te gaan,
[13]knoopte
een gesprek met hem aan, en stelde niet slechts groot belang in de nieuwe
plannen, die hij te berde bracht, maar werd door de kracht zijner redenering
volkomen overtuigd, dat er waarheid in lag. Hij hield Columbus enige dagen
bij zich, verleende hem al de gastvrijheid, die het klooster schenken kon,
en nodigde hem uit, om met hem een arts uit de buurt op te zoeken, die in
wetenschap uitblonk.
Columbus, de prior en de dokter brachten in de cellen van
het stille klooster La Rabida vele uren door met de vraag of de aarde een
bol of een plat vlak was, en of het, door steeds westwaarts te zeilen,
mogelijk zou zijn het vasteland van Azië te bereiken, dat ver weg in het
Oosten lag.
De prior van het klooster was een geleerd man en had grote
invloed aan het hof, daar hij, zoals dat in die dagen veelal het geval was,
een hoge rang bekleedde. Hij toonde zulk een levendige belangstelling in
Columbus en zijn onderneming, dat hij hem overhaalde zijn zoon Diego in het
klooster ter opvoeding achter te laten, en gaf hem brieven van aanbeveling
mede voor den biechtvader van koningin Isabella.
Door dit bezoek en door alles, wat voor zijn kind gedaan
was, zette Columbus de reis naar Cordova vrolijk en opgeruimd van geest
voort.
Het militair vertoon, dat Columbus in het kamp te Cordova
zag, was verbazingwekkend. De luister van het hof van Castilië en die van
het hof van Arragon waren er verenigd. De gehele ridderschap van Spanje was
op dat grote veld bijeen, en prachtig uitgedost met schitterende
wapenrusting en prachtig gevolg. De tenten stonden in de rondte, en ’t was
of men een grote stad zag. Blinkende wapens en wuivende pluimen zag men
overal, terwijl de muziek van de militaire troepen de lucht vervulde.
Maar al deze pracht was niets voor Columbus in
vergelijking met de plannen, waarvan zijn geest vol was. Hij gaf zijn brief
aan Fernando Talavera, den kapelaan van de koningin. Talavera was een trots
prelaat, koel en onspraakzaam. Ternauwernood ontving hij Columbus beleefd,
luisterde met blijkbaren weerzin naar het verhaal van het plan, dat hij kwam
voorstellen, en liet hem gaan met de woorden:
“Mij dunkt, dat het zeer indringend zou zijn thans, nu
hare majesteit door al de zorgen voor dezen veldtocht gedrukt wordt, met een
plan bij haar te komen, dat in de lucht hangt.”
De verschijning van Columbus was alles behalve
indrukwekkend. Zijn kleren zagen er armoedig en kaal uit, en hij was
[14]door
teleurstelling terneergeslagen. Maar het gerucht zijner plannen ging als een
lopend vuurtje door het kamp. De hovelingen wezen spottend met den vinger
naar den kalen avonturier als een, die onmetelijke rijken bezat met
miljoenen inwoners, die hij aan de koningen van Spanje ten geschenke wilde
geven.
Columbus wist niet, wat hij doen of waar hij gaan moest.
Hij bleef te Cordova talmen, terwijl het Spaanse leger optrok, om de laatste
schuilplaats van de Mooren in de provincie Granada aan te tasten. Hij hield
zich overtuigd, dat de overwinning de Koninklijke banieren volgen zou, en
dat er dan misschien gelegenheid zou zijn, om met zijn verzoek voor den dag
te komen. In den herfst keerden Ferdinand en Isabella in triomf terug. Zij
vestigden hun hof voor den winter te Salamanca, bijna 300 mijlen van
Cordova. In dien tussentijd vond Columbus, die geen gehoor bij de koningin
kon krijgen, een sober bestaan in het tekenen van landkaarten en plans.
De tonelen, die toen te Cordova en in zijn omstreken
voorvielen, hadden de beroemdste mannen uit alle delen van Spanje derwaarts
gelokt. Dit bood Columbus de gelegenheid aan, om met de geleerdste mannen in
aanraking te komen. Schrandere personen ontvingen een diepen indruk van de
waardigheid waarmee hij zich gedroeg, van de diepte zijner overtuiging, van
zijn uitgebreide kennis en de boeiende welsprekendheid, waarmede hij zijne
meningen bepleitte. Soms had hij het genoegen den bijval van den een of
ander te verwerven.
Een verstandig en vermogend heer begon zooveel belang in
Columbus te stellen, dat hij hem uitnodigde ten zijnent te komen en zijn
gast te zijn. Deze heer stelde hem aan den nuncius van den paus, Antonio
Geraldini, en aan andere heren voor, die in den staat of aan ’t hof hoge
betrekkingen bekleedden.
Terwijl hij zoo in nutteloos oponthoud zijn tijd te
Cordova zoek bracht, verbond hij zich met een dame dier plaats. Zij heette
Beatrix Enriquez en was van adel, maar niet rijk. Zij werd de moeder van
zijn tweeden zoon, Fernando, die in het volgende jaar, 1487, geboren werd,
en die, na zijn dood, zijn levensgeschiedenis schreef.
Columbus volgde het hof naar Salamanca. Hier werd hij aan
den aartsbisschop van Toledo voorgesteld, den grootkardinaal van Spanje.
Deze beroemde kerkvorst had zooveel invloed bij den koning en de koningin,
dat men hem den derden koning noemde. Meer en meer werd hij zoo overtuigd
van de kracht der bewijzen, waarmee Columbus zijn plannen verdedigde, dat
hij er in [15][16]toestemde
hem in de Koninklijke tegenwoordigheid te brengen.
Het eerst werd hij waarschijnlijk bij Ferdinand
toegelaten. De Koninklijke luister kon Columbus niet van zijn stuk brengen,
en met grote welsprekendheid beval hij zijn zaak aan. De koning was een
sluw, scherpzinnig man, dien men niet gemakkelijk onder den invloed van
romantische dromen brengen kon. Hij luisterde met wijsgerige koelheid naar
den opgewonden pleiter.
De eerzucht van den koning werd krachtig geprikkeld door
het denkbeeld van de grootheid, die Spanje’s deel zou worden, wanneer men in
het doen van ontdekkingen en in het verkrijgen van aanzienlijke winsten
slaagde. Dan zou Spanje een overwicht over alle volken hebben. Maar
Ferdinand was zeer angstvallig en traag in ’t besluiten. Hij riep een Raad
van de geleerdste mannen uit Spanje bijeen, om een onderhoud met Columbus te
hebben, zijn plannen aan een nauwkeurig onderzoek te onderwerpen en hem
verslag van hun bevinding te doen.
De bijeenkomst had in het dominicaner klooster van St.
Stephanus, te Salamanca, plaats. De vergadering, op koninklijk bevel bijeen,
was door het aanzienlijk ledental indrukwekkend. Zij bestond uit
hoogleraren, uit de hoogste waardigheidsbekleders in de kerk en staatslieden
van den eersten rang. Ieder gewoon mensch zou er tegen op hebben gezien, om
voor zulk een schaar van de geleerdste sterrenkundigen en wereldbeschrijvers
te verschijnen. Columbus was blij, dat hij gelegenheid kreeg zijn plannen,
van welker deugdelijkheid hij overtuigd was, voor te dragen aan
wetenschappelijke mannen, die hem, hieraan twijfelde hij niet, hun bijval
zouden schenken.
Maar spoedig ontdekte hij tot zijn groot verdriet, dat
zelfs in het gemoed van de geleerdste mannen, vooroordeel en bijgeloof over
de macht van het verstand kunnen zegevieren. De wijsgeren en ook de
geestelijkheid voerden bewijzen tegen hem aan, die nu den spotlust zelfs van
de eenvoudigste zouden opwekken. De volgende woorden van Lactantius werden
aangehaald, omdat zij Columbus’ bewering van de rondheid der aarde
zegevierend weerlegden.
“Zou er iemand zoo dwaas wezen te geloven, dat er
tegenvoeters zijn, mensen, die met hun voeten omhoog en met hun hoofd naar
beneden lopen? Dat er een deel van de aarde bestaat, waar alles ’t
onderstboven staat; waar de bomen met de takken naar beneden groeien, en
waar het regent, hagelt en sneeuwt van den grond af naar boven toe? Het
denkbeeld, dat de aarde rond zou zijn, heeft de fabel van de tegenvoeters in
de [17]wereld
gebracht; want toen deze geleerden eenmaal op den dwaalweg waren,
verkondigden zij nog meer ongerijmdheden, waarvan zij de een met de ander
verdedigen.”
Men verklaarde de plannen van Columbus voor onverstandig,
en achtte ze tevens in strijd met de Schrift. Vol te houden, dat er aan den
anderen kant der aarde mensen woonden, was, werd gezegd, afbreuk doen aan de
geloofwaardigheid van den bijbel. Volgens dit boek stamden alle aardbewoners
van Adam af, derhalve was het onmogelijk, dat sommigen zoo ver zouden hebben
kunnen trekken.
Maar al nam men aan, zoo werd beweerd, dat de aarde rond
was, en dat een schip aan de andere zijde zou kunnen komen, dan zou het toch
nooit terugkeren, daar er geen wind kon zijn, sterk genoeg, om het over die
onmetelijk grote ronding terug te kunnen brengen.
Deze godgeleerde en wijsgerige betogen beantwoordde
Columbus met er waarheden tegenover te stellen, waarmee heden ten dage zelfs
de ongeletterdste vertrouwd is. Ofschoon de vergadering een ongunstig
verslag uitbracht, waren er toch vele leden, die door de woorden van
Columbus zeer getroffen waren. Tot dezen behoorde Diego de Deza, de latere
aartsbisschop van Sevilla. Hij ondersteunde, hoewel vergeefs, de zaak van
Columbus zooveel in zijn vermogen was. De meerderheid gaf te kennen, dat het
zoowel onwaar als ketters was aan te nemen, dat er land zou te vinden zijn,
als men van Europa naar ’t Westen zeilde. Zulk een verslag werd door een
vergadering van de geleerdste mannen nog maar vierhonderd jaren geleden
uitgebracht.
[Inhoud]
Tweede Hoofdstuk.
Eerste reis.
De teleurstelling over den uitslag van de Vergadering te
Salamanca was bitter voor Columbus. Maar toch was het plan er door bekend
geworden, zodat er allerwegen in Spanje over gesproken werd. Stond de
ongelukkige avonturier ook al aan allerlei spotternij bloot, er waren ook
velen, mensen van naam en grote bekwaamheid, die zich overtuigd hielden, dat
zijn vermoeden niet met een grimlach behoorde beantwoord te worden.
Terwijl dit belangrijk vraagstuk besproken werd,
beschouwde men Columbus als iemand, die bij het gezantschap aan het hof
behoorde. Het was een tijdperk van grote staatkundige beweging.
[18]Alle
gemoederen waren vervuld met den hardnekkige oorlog tegen de Mooren, die nog
maar altijd voortgezet werd. Gedurende den zomer van 1487 bevonden de koning
en de koningin zich bij het leger, om het gedenkwaardige beleg van Malaga te
voeren. Wegens zijn grote lichaamsgestalte, kon men Columbus overal zien,
maar tevens, dat hij in gepeins, en bijna hopeloos van de ene tent naar de
andere liep, en telkens, als hij een luisterend oor vinden kon, met zijn
verzoek voor den dag kwam. Er lag iets treffends in het voorkomen van dezen
grote man, in eenvoudig gewaad, maar tevens met waardige houding, wanneer
hij, te midden van dat militaire praalvertoon, zich zwijgend voortbewoog.
Toen Malaga zich in September overgegeven had, keerde het
hof naar Cordova terug. Achttien maanden lang trok het telkens heen en weer,
omdat de grote strijd dit vorderde. Columbus deelde in al die verplaatsingen
van het hof, nog altijd de hoop koesterende, waarin hij door enige trouwe
vrienden werd versterkt, dat hij eenmaal bij het hof gehoor vinden zou. Door
den invloed van deze vrienden, mocht hij in het voorjaar van 1489 van
Ferdinand het bevel ontvangen, om een andere vergadering van geleerden en
geestelijken te Sevilla bijeen te roepen. Op nieuw zag hij zich
teleurgesteld. De verschrikkelijke strijd ontbrandde met nieuwe kracht.
Vreselijke veldslagen, waarbij zich oproer, mensenslachting en ellende
voegden, waren er het gevolg van. Aller krachtsinspanning was nodig. Aan
Columbus en zijn onbesuisde, twijfelachtige plannen viel niet te denken.
Zoo ging er een afmattend jaar voorbij. Gedurende deze
treurige maanden vertoefde Columbus te Cordova, gelukkig op kosten van het
hof. Toen de lente in ’t land kwam, hielden Ferdinand en Isabella zich bezig
met het maken van de nodige toebereidselen voor een van de grootste
krijgsondernemingen, het beleg
n.l. van Granada. Vóór het hof optrok,
deed Columbus een wanhopige poging, om gehoor te krijgen, doch hij ontving
het ontmoedigende antwoord, dat de vorsten vóór den afloop van den veldtocht
aan hem geen aandacht konden schenken. Die slag trof Columbus geweldig, maar
wierp hem evenwel niet ter neer. Nog kon zijn onbedwingbare geest er niet
tot wanhoop door gebracht worden. Hij zette zich rustig neer, en ging na,
welk hulpmiddel hij nu kon aangrijpen.
Men leefde in een tijd van feudale macht en welvaart. De
Spaanse bergen waren bezaaid met de sterke kastelen van hertogen en
baronnen. Columbus wendde zich tot den hertog van
[19]Medina
Sidonia. Deze machtige heer, wiens kasteel een bijna onneembare vesting was,
en geheel uit ijzer en steen bestond, behoorde tot den hoogstens adel in
Europa. Wat de glans van zijn hof en levenswijze betrof, kon hij met
koningen wedijveren. Uit eigen middelen verschafte hij de vorsten een heel
leger ruiters, honderd oorlogsschepen en een grote som geld. De schitterende
onderneming, die Columbus wilde doen, viel voor een poos in den smaak van
den hertog, doch bij nader inzien verwierp hij het plan als den droom van
een dweper.
Men zegt, dat Columbus toen bij den hertog van Medina Celi
ging aankloppen. Hier werd hij aanvankelijk gunstig ontvangen. De hertog
stond op het punt drie of vier schepen voor den tocht uit te rusten, maar
hij haalde zich in het hoofd, dat de Spaanse vorsten het hem euvel konden
duiden, wanneer hij zulk een grootsche onderneming op eigen kosten deed.
Daarom liet hij Columbus gaan.
Zich zoo bedrogen ziende, besloot Columbus zijn geluk bij
het Fransche hof te beproeven. Hij had nu een aantal invloedrijke en
vermogende vrienden, die ongetwijfeld hun beurs voor zijn bescheiden eischen
zouden openen. Vóór hij op zijn lange reis naar de Fransche hoofdstad de
Pyreneeën overtrok, bezocht hij eerst nog zijn zoon Diego in het klooster
van La Rabida, bij Palos. Hij legde de reis te voet of op een muilezel
gezeten af. Hadden zijn vrienden hem al een beetje geld gegeven, zeker is
het, dat hij de grootste zuinigheid noodig achtte. Hij moest nog een lange
en kostbare reis doen, en het was nog onzeker, hoe hij aan het trotsche hof
van den Franschen koning zou worden ontvangen.
In een eenvoudig gewaad, door de reis met stof bedekt,
stond Columbus vóór de deur van het klooster. Maar noch stof noch kale
kleeren konden de aangeboren waardigheid van den man verbergen. Hij was van
nature een edelman, die, om zijn aanspraken te rechtvaardigen, den glans van
kostbare kleeren niet noodig had. Sedert hij voor de eerste maal aan de deur
van dat klooster stond, om wat drinken voor zijn kind te vragen, waren er
zeven jaren van aanhoudende inspanning en teleurstelling voorbij gegaan.
Deze verdrietelijkheden en inspanningen hadden zijn lichaam gekromd en zijn
haren vergrijsd. Zijn wangen waren gerimpeld, wat zoo licht plaats heeft,
wanneer men teleurgesteld wordt en zwaar moet denken.
De waardige prior van het klooster ontving den vermoeiden
avonturier met ware, broederlijke vriendelijkheid. Hij was geheel
[20]en
al overtuigd geworden, dat Columbus’ plannen verstandig waren, en de
dadelijke en ernstige aandacht van het Spaansche hof verdienden. Toen hij de
zekerheid had, dat Columbus over een bezoek aan Frankrijk dacht, ontwaakte
zijn vaderlandsliefde en maakte hij zich zeer beangst, dat Spanje den roem
van de groote onderneming derven zou. Dadelijk liet hij den geleerden arts
ontbieden, van wien wij vroeger spraken, en deelde hem zijn vrees mee. Ook
werden vele andere invloedrijke vrienden uitgenoodigd, om met Columbus over
die allergewichtigste zaak te beraadslagen, welke den prior voorkwam zoo
belangrijk voor den roem van Spanje te zijn.
In de nabijheid woonde een heer, die om zijn familie, zijn
groot vermogen en zijn bekendheid met zeezaken vermaard was. Deze man heette
Martin Alonzo Pinzon en was door zijn ondervinding in staat, om de kracht
van de door Columbus aangevoerde gronden naar waarde te schatten. Met vuur
omhelsde hij zijn zaak, en beloofde hem niet alleen geldelijken bijstand,
maar tevens zijn invloed, om de zaak nog eens weer voor hunne majesteiten
Ferdinand en Isabella te brengen. De prior van het klooster was in vroegere
jaren kapellaan van de koningin geweest. Hij schreef haar een dringenden
brief, en beweerde, dat Spanje zulk een schoone gelegenheid niet mocht
verliezen, om boven alle landen uit te steken.
In die dagen kende men nog geen postwagens en evenmin de
gemakken, die de post nu geeft. Een ouden afgeleefden zeeman werd de brief
toevertrouwd, en dien zond men naar Santa Fé, waar het hof, tijdens het
beleg van Granada, toen verblijf hield. De afstand bedroeg ongeveer 150
mijlen. De bode kwam er goed en wel aan, en overhandigde den brief aan de
koningin.
Niettegenstaande al de zorgen, welke toen haar geest
vervulden, kreeg Isabella er een diepen indruk van. Zij gaf een bemoedigend
antwoord mede, en drong er sterk op aan, dat haar geachte vriend, de prior
van het klooster, dadelijk bij haar zou komen.
Dit antwoord verlevendigde aanstonds weer de hoop in ’t
hart van Columbus, en bracht groote vreugde in den kleinen kring te La
Rabida. Het was midden in den winter, en koude winden woeien over de naakte
bergen en kale vlakten, ook van zuidelijk Spanje. Maar onverwijld besteeg de
prior den muilezel, en sukkelde langs den eenzamen weg voort naar het hof.
Hartelijk zelfs mocht de ontvangst heeten, die de koningin
haar vroegeren kapellaan bereidde. Ofschoon zij teruggetrokken
[21]was
en zich niet uitliet, sluimerde er onder dat koele uiterlijk warme
genegenheid. Zij luisterde met instemming naar de woorden van den prior.
Daar hij een geleerd man was, en door vertrouwelijken omgang met Columbus
diens gedachten kende, was hij de rechte man, om zijn plannen op de
duidelijkste wijze voor te dragen. De koningin had tot nog toe geen aandacht
aan de zaak gewijd, want ofschoon de koning en de vergadering van geleerden
ermee in kennis waren gesteld, tot haar had men zich nog nooit rechtstreeks
gewend.
De lezer zal zich herinneren, dat Ferdinand alleen koning
van Arragon was. Isabella was koningin van Castilië, en had een eigen
inkomen, leger en hof. Dadelijk besloot zij Columbus te beschermen. Zij liet
hem halen, opdat hij zich onmiddellijk naar Santé Fé begeven kon. Alzoo
geroepen, om een bevel van de koningin uit te voeren, zond zij hem een
voldoende som geld tot aankoop van een muilezel en een passend gewaad, om
aan ’t hof te verschijnen en ter bestrijding van de reiskosten.
Toen de prior met deze aangename tijdingen te La Rabida
terugkwam, verheugde men zich daar zeer en nieuwe hoop straalde in de
levensmoede ziel van Columbus. Er werd een mooie muilezel gekocht, de
reiziger trok een net pak aan, en draafde weldra, als verjongd en door de
hoop vroolijk gestemd, over de heuvels en door de schaduwrijke dalen van het
schoone Andalusië. Hij kwam nog tijdig genoeg te Granada aan, om te kunnen
zien, dat men de vaandels der Mooren van de muren van het Alhambra afrukte,
ten einde er de vlaggen van Ferdinand en Isabella voor in de plaats te
stellen. Het was het schoonste oogenblik in de regeering van de beide
beroemde koningen, en werd als het roemvolste aangemerkt voor de Spaansche
wapenen.
Te midden van al die volksvreugde maakte Columbus zijn
opwachting bij koningin Isabella. Hij nam niet de houding aan van een
nederigen smeekeling, maar van een door God gezonden afgezant, die de
nietige gunsten, waardoor hij zijn plannen ten uitvoer kon brengen, met
groote schenkingen vergold.
Beleefd sprak hij tot de koningin:
“Ik verlang slechts een paar schepen en eenige matrozen,
om op den oceaan tusschen de 2 à 3 duizend mijlen westwaarts te varen. Ik
zal zoo Uwe Majesteit een korteren weg naar Indië aanwijzen, en tot hiertoe
onbekende volken leeren kennen, die machtig zijn en verbazende rijkdommen
bezitten. Tot loon vraag ik alleen de aanstelling tot Onderkoning over de
rijken, die ik ontdekken zal, en het tiende deel van de winsten, die er uit
mogen voortvloeien.”
[22]
De hovelingen van de koningin waren verwonderd, want de
eischen van Columbus kwamen hun buitensporig en vermetel voor. In hun oog
was hij maar een arme zee-kapitein, dien niemand kende en die, daar hij geen
vrienden had, de hulp der koningin kwam inroepen, waardoor hij in staat zou
zijn een zeereis te doen. En hij vroeg toch ter belooning rijkdom en eer,
waardoor hij een rang naast de kroon zou innemen. Onder den invloed dezer
voorstellingen van invloedrijke hovelingen, riep de koningin Columbus weer
aan ’t hof, en stelde hem matiger eischen voor. Maar hij bleef op zijn stuk
staan, en wilde niets laten vallen. Het denkbeeld van zich te gaan inschepen
voor een grootschen tocht als een bloot werktuig van een vorst, een
huurling, streed met zijn trotschen aard. Isabella, verdrietig over zijn
weigering, zag van Columbus en zijne eischen af.
Dit was het droevigste uur in het leven van den grooten
ontdekker. Geen ster, als voorbode van een mogelijken dageraad, vertoonde
zich aan de kimmen. Verdrietig zadelde hij zijn muilezel weer, en nam
langzaam en moedeloos de terugreis naar zijn vrienden te La Rabida aan. Hij
dacht er over na, of het wel de moeite loonen zou naar Frankrijk te gaan, en
daar zijn dikwijls versmade diensten aan te bieden.
Maar toen hij het kabinet van de koningin verliet, was zij
zeer ontsteld. Het karakter van dezen man en zijne grootsche plannen hadden
den diepsten indruk op haar gemaakt. Zij kon de gedachten, door hem
opgewekt, niet verdrijven. Als zij naging, welk verlies Spanje lijden zou,
wanneer een ander hof zijn diensten aanvaardde, en zijn plannen niet ijdel
bleken te wezen, dan had zij geen rust. Toevallig kwam juist op dat
oogenblik Ferdinand in haar kabinet. Zij deelde hem haar zorg mee, waarop
hij zeide: “De koninklijke schatkist is door den oorlog geheel uitgeput.”
Voor een oogenblik zweeg de koningin en dacht over de zaak na. Op eenmaal
rijpte een onveranderlijk besluit in haar geest. Met geestdrift riep zij
uit: “Ik zal ten behoeve van mijn eigen kroon van Castilië de onderneming
doorzetten en mijn eigen juweelen verpanden, om het noodige geld te
krijgen.”
De morgenster was voor Columbus opgegaan, maar hij had
haar niet gezien, omdat hij de oogen niet opwaarts, maar naar den grond
geslagen had. Op dat oogenblik zwoegde hij in het zand, en had nog maar
eenige mijlen van den weg afgelegd. Toen hij een donker pad tusschen de
bergen in wilde slaan, hoorde hij een stem achter zich. Hij keerde zich om,
en zag een hoveling
[23]in
allerijl naderen. De bode verzocht hem uit naam van de koningin, om terug te
keeren.
Een oogenblik aarzelde Columbus, of hij aan het bevel
gehoorzamen zou. Niets dan teleurstelling was zijn deel geweest, en had hem
er toe gebracht, het Spaansche hof volstrekt niet meer te vertrouwen. Het
kwam hem voor, dat beide vorsten, onwillig om hem in zijn onderneming bij te
staan, nog minder hebben wilden, dat hij in dienst van een anderen monarch
kwam, zoodat het gebeuren kon, dat een andere kroon den roem verwierf, dien
Spanje verworpen had. Aangezien de renbode hem echter de verzekering gaf,
dat de koningin hem in ernst gaarne weer wilde zien, wendde hij den teugel
en reed terug, om een nieuw onderhoud met Isabella te hebben.
Was de koningin traag in het besluiten, vlug was zij in de
uitvoering er van. Aanstonds maakte zij aan Columbus bekend, dat zij van
harte al zijn eischen inwilligde, en dadelijk bereid was tot een voegzamen
tocht mede te werken. Hij werd benoemd tot Admiraal en tot Onderkoning van
al de landen, die hij ontdekken zou, en een tiende deel van de voordeelen,
die de reis mocht opleveren, was voor hem. Pinzon verzocht, dat hij ⅛ van de
winsten genieten zou, als hij ook ⅛ van de uitgaven voor zijn rekening nam,
en deze schikking werd gemaakt. Eindelijk was dus het gewichtige vraagstuk
opgelost. Columbus was misschien de gelukkigste man van de wereld, toen hij
naar Palos terugkeerde. Weinig zal hij gedacht hebben, dat zijn loopbaan
stormachtig wezen zou, vol teleurstellingen, beleedigingen en ellende,
zoodat hij van verdriet sterven zou.
Onmiddellijk werd er een koninklijk bevel uitgevaardigd,
dat de stad Palos twee kleine schepen leveren moest, voldoende bemand en van
levensmiddelen voor de reis voorzien. Door zijn vriend Pinzon leverde
Columbus zelf een ander, zoodat hij de onderneming met drie schepen kon
beginnen. Twee van deze schepen waren lichte barken, of, zooals ze in dien
tijd heetten, karveels. Voor de officieren waren er kajuiten, en bakken voor
het scheepsvolk, maar een gemeenschappelijk dek was er niet. Het derde schip
kreeg den naam van Santa Maria, en moest voor den admiraal dienen. Het was
geheel overdekt en telde 16 manschappen. Over de Pinta voerde Martin Alonzo
Pinzon het bevel met 30 man aan boord. De Nina was bemand met 24 matrozen,
onder bevel van Vincent Yanez Pinzon. Alle schepen waren klein en niet
grooter dan honderd ton, en dus zooals de Amerikaansche jachten, waarmee een
tocht over den
[24]oceaan
gedaan is van New-York naar Cowes, maar wat zelfs nog in 1867 als een
voorbeeld van stoutmoedigheid werd beschouwd. Maar Columbus vond ze zeer
geschikt voor de onderneming. Alle personen, die den tocht mede maakten,
meegerekend was er 120 man.
Naar het volksbegrip was de onderneming uitermate
gevaarlijk, bijna heiligschennend en God verzoekend. Zij werd nog
roekeloozer geacht, dan in onze dagen de poging, om met een luchtballon over
den oceaan te trekken, zou genoemd worden. Het was derhalve moeilijk, om
volk te krijgen. De regeering was dan ook ten slotte genoodzaakt tot geweld
over te gaan, en zeelieden tot den kruistocht te dwingen.
In den vroegen morgen van den 3n Augustus 1492,
juist toen de zon uit de golven van den oceaan opkwam, haalde de kleine
vloot de zeilen op voor den avontuurlijksten en gevaarvolsten tocht, waarvan
de wereldgeschiedenis gewaagt.
Men was te bewogen, om vroolijk te wezen. Geen hoera! werd
gehoord, en luidruchtigheid was verre. Getabbaarde priesters brachten de
zeelieden aan boord. Toen de zeilen ontplooid waren en
[25]de
zwakke vaartuigen door een gunstigen wind langzaam uit het gezicht
verdwenen, schreiden en weeklaagden allen, die achtergebleven waren, en hun
hart was door een somber voorgevoel beangst.
Met het eerste gedeelte van den weg, dien Columbus wilde
volgen, was hij zeer vertrouwd. Aanstonds zette hij koers naar de Kanarische
eilanden. Er waaide een frissche, gunstige bries, en alles ging heel goed.
De bemanning der drie schepen bestond, zooals wij vroeger opmerkten, uit
domme en bijgeloovige menschen, waarvan velen tot den dienst geprest waren.
Toen zij de bergen van hun geboorteland achter zich zagen verdwijnen, werden
zij door vrees overmand.
Reeds bij het begin van de reis openbaarden zich teekenen
van ontevredenheid en bijna van oproer. Van een der schepen ging op den
derden dag reeds het roer verloren. Columbus kon op goede gronden aannemen,
dat het door sommige ontevredenen met opzet was veroorzaakt. Gelukkig wist
de bevelhebber door zijn kennis en ervaring het ongeval eenigszins te
verhelpen. Maar toch was het schip zoo gehavend, dat het alleen met de
andere mee kon komen, als de zeilen ten deele inkrompen. Een reis van zeven
dagen bracht hen in het gezicht van de Kanarische eilanden, en zij hadden
dus van Palos af gerekend, ongeveer duizend mijlen afgelegd. Hier werd
Columbus drie weken opgehouden. Het gehavende schip werd voor onzeewaardig
verklaard. Maar zij kregen gelukkig een ander schip en De Pinta kreeg een
nieuw roer, terwijl men het schip nog sterker trachtte te maken, ten einde
er de reis mee te kunnen doen.
Na een oponthoud van drie weken werden de zeilen voor de
tweede maal geheschen. Nu bevoer men onbekende zeeën, want de Kanarische
eilanden vormden toen de grenzen van de bekende wereld. Nauwelijks waren de
eilanden uit het gezicht, of er ontstond een volkomen windstilte. Drie dagen
lang dreven de schepen zonder vooruit te komen op de spiegelgladde baren van
den oceaan. Op nieuw verloren de zeelieden den moed.
Op den 9en September kwam er een fiksche bries,
die de zeilen deed zwellen, zoodat zij flink vorderden. Het was
Zondagmorgen; een wolkenlooze hemel en de schijnbaar grenzenlooze Oceaan
omringden hen. Toch was er geen vreugde op de schepen. Alleen werden
ontevreden blikken gezien, morrende woorden gehoord. Columbus deed al wat
hij kon, om de moedeloosheid der zeelieden te verdrijven en hun een deel van
zijn eigen geestdrift in te boezemen. Bemerkende, dat hun vrees van nimmer
weer huiswaarts
[26]te
kunnen gaan met iedere mijl, die men vorderde, grooter werd, bedacht hij een
list, om nl.
dubbele aanteekening te houden van hun vorderen per dag. De een was voor hem
zelf, en de andere moest aan de zeelieden getoond worden, om hun den indruk
te geven, dat de afgelegde weg veel kleiner was dan met de werkelijkheid
overeenkwam. Dagen van grooten angst en aanhoudende waakzaamheid gingen
langzaam voorbij, terwijl Columbus met den grootsten spoed het doel trachtte
te bereiken, dat hij, hiervan hield hij zich overtuigd, weldra bereiken zou.
Het is eenigszins zonderling, dat hij geen land meende te
zullen vinden binnen den afstand van omstreeks 3000 mijlen. Nog bevond hij
zich op een watervlak, waarop nooit het oog van een mensch gerust had.
Niemand kon zeggen, welke voorwerpen zich aan hen zouden voordoen.
Columbus stond op het dek en gaf zorgvuldig op alles acht,
tot dat de laatste avondstralen verdwenen. Zoodra de morgen aanbrak, stond
hij alweer op den boeg op wacht. Met de grootste nauwkeurigheid gaf hij acht
op de verandering in de kleur van de lucht, de tint van het water, den vorm
van de wolken en de windrichting. Den 14en September vloog er des
nachts iets vurigs door de lucht, dat slechts een paar mijlen van hen af in
zee viel. Dit vermeerderde grootelijks den angst van de bijgeloovige
matrozen.
Zij kwamen in het gebied der passaatwinden, en werden
dagen aaneen van het oosten naar het westen voortgedreven. Ook dit sloeg hun
den schrik om ’t hart. Nooit meenden zij terug te kunnen keeren. Zij waren
in de heete zone gekomen en vonden de lucht wonderbaarlijk zacht. ’t Was een
genot, die in te ademen. De moed van Columbus werd zeer opgewekt toen hij
groote hoeveelheden drijvend zeegras of wier zag, dat, dit wist hij, van
westelijke kusten moest losgerukt zijn. Op een van die hoopen gras vingen
zij een levende krab. Dag aan dag blies de regelmatige, aangename wind in de
zeilen, terwijl de zee, zooals Columbus opmerkte, zoo kalm was als de
Guadalquivir te Sevilla.
Teekenen van naderend land verlevendigden de hoop van het
scheepsvolk. Een rijke belooning werd dengene toegezegd, die het eerst land
zou ontdekken. Op den avond van den 18en September zag men een
menigte landvogels, die naar het noordwesten vlogen. Ook zag men in die
richting wolken drijven, zooals die gewoonlijk boven het land hangen.
Columbus ging peilen, maar kon geen grond voelen.
Op nieuw werd het scheepsvolk benauwd met het oog op de
[27]verbazend
groote watervlakte, die hen thans van het vaderland scheidde. Columbus had
alle gezag noodig en moest veel takt gebruiken, om die vrees weg te nemen.
Gelukkig vermenigvuldigden zich de bewijzen, dat men in de nabijheid van
land kwam. Verscheidene landvogels zetten zich op het schip neer, en
sommigen waren zoo klein, dat zij blijkbaar niet ver konden vliegen. Toch
kon men nog geen grond peilen. Weer werd de zee doodstil. De oceaan werd zoo
glad en effen als een spiegel, en de zuiderzon scheen zoo fel, dat het dek
der schepen begon te blakeren. Op den 25en rees de zee, zonder de
minste verheffing van den wind, verbazend hoog. Ongetwijfeld was dit het
gevolg van een verwijderden storm, die het water opzette.
De oproerige gezindheid van de schepelingen veranderde met
de wisselingen, die zij hadden. Columbus echter bewaarde een opgeruimd
voorkomen en verloor zijn zelfvertrouwen niet. Sommige misnoegden bevredigde
hij door vriendelijke woorden, anderen hield hij door bedreigingen in ontzag
en eenigen kregen een voorbeeldige straf. Op nieuw verhief de wind zich een
weinig, die wel de oppervlakte der zee nauwelijks rimpels gaf, maar toch de
zeilen deed zwellen. De schepen bleven zoo dicht bij elkander, dat Columbus
gemakkelijk met de andere officieren spreken kon. Terwijl ze zoo aan ’t
praten waren, hoorden ze op eens een luiden gil van De Pinta. Een man op het
achterschip wees naar het zuidwesten en schreeuwde zoo hard hij kon: “Land,
land! Ik eisch de belooning!” Aller oogen wendden zich naar dien kant en men
zag op een afstand van ongeveer 60 mijlen een bergketen met wolken bedekt.
Een onbeschrijfelijke geestdrift bezielde al de
schepelingen. Zij klommen in het want, in de masten en keken allen
denzelfden kant uit. Het was laat in den middag. De korte schemering der
keerkringslanden verdween, en nachtelijke duisternis bedekte weldra den
oceaan. Den geheelen nacht door stuurden de schepen op het verwachte land
aan. Met het eerste morgenkrieken stonden allen op het dek. Tot hun bittere
teleurstelling zagen ze niets meer aan den horizon. Geen zweem van een wolk
zelfs was te bespeuren. Toch was de wind gunstig, de zee kalm en het klimaat
heerlijk. Dolfijnen speelden om den boeg; vliegende visschen sprongen op het
dek en de matrozen vermaakten zich, zoo wordt verhaald, met om het schip
heen te zwemmen.
Volgens de eigen berekening van Columbus, was men nu 2022
mijlen van de Kanarische eilanden af, maar volgens de opgave, die men aan de
matrozen te zien gaf, had men nog maar 1740
[28]mijlen
afgelegd. Nog verliepen er een paar dagen waarop men weinig vorderde, toen
er zich op nieuw een geest van ontevredenheid en verzet openbaarde. Hij werd
evenwel spoedig onderdrukt door de verschijning van groote koppels vogels en
andere aanwijzingen, dat er land in de nabijheid lag.
De verlangende zeelieden maakten dikwijls valsch alarm, en
hielden verwijderde wolken voor bergtoppen. Om dit tegen te gaan, bepaalde
Columbus, dat hij, die land! riep, en men dan nog in geen drie dagen land
zag, alle aanspraak op de belooning verbeuren zou. Men verhaalt, dat
Columbus omstreeks dezen tijd met zijn scheepsvolk de overeenkomst sloot,
dat hij van de onderneming zou afzien, als men binnen drie dagen geen land
ontdekte. Maar voor dit verhaal ontbreken deugdelijke bewijzen.
Gelukkig wordt dit vertelseltje door het dagboek van
Columbus zelf, dat elken dag met den grootsten eenvoud bijgehouden is
geworden, weersproken, en blijkt het, dat hij op den eigen dag, die aan de
ontdekking voorafging, zijn vast besluit te kennen had gegeven, om te
volharden ondanks alle gevaren en moeilijkheden.
[Inhoud]
Derde Hoofdstuk.
Er wordt land ontdekt.
Juist, toen het oproerige scheepsvolk wanhopig begon te
worden, kreeg men het onbetwistbare bewijs dat er dichtbij land was. Andere
bossen gras vond men, zooals aan de kanten van rotsen en rivieren
aangetroffen wordt. Men vischte een tak van een meidoorn op, waaraan nog
groene blaadjes en bessen zaten. Ook vonden zij, en dit gaf nog den meesten
moed, een stuk van een plank en een stok, die keurig besneden was.
Aan boord van het admiraalschip werden geregeld
godsdienstoefeningen gehouden. De admiraal scheen dezen avond bijzonder
ernstig gestemd te zijn. Wel was hij altijd ernstig, bezadigd en
bedachtzaam, maar nu scheen zijn gemoed overstelpt te zijn door de
bewustheid, dat hij nu op het punt stond, om te volvoeren, wat hij
levenslang gehoopt had. Op ernstige wijze sprak hij het scheepsvolk toe,
bracht in herinnering, hoezeer God hen beschermd had, en verzekerde hun, dat
zij naar zijn oordeel nu ongetwijfeld het land naderden, dat hij verwacht
had te zullen vinden. Ja, hij geloofde, dat zij nog dienzelfden nacht aan
land zouden komen. Hij gaf bevel, om goed wacht te houden, en voegde aan de
belooningen van de souvereinen nog de gift van een fluweelen wambuis toe aan
hem, die het eerst de kust zien zou.
[29][30]
Des nachts wakkerde de wind aan en snel kliefde de kleine
vloot de golven. De Pinta zeilde het hardst en was een weinig vooruit. Zeven
en zestig dagen was het nu geleden, dat de Spaansche hooglanden aan de
oostelijke kim verdwenen. Het was de 11e October 1492. Geen wolk
was er aan den tropischen hemel, waaraan de sterren fonkelden, te zien. Een
stevige en frissche bries zweepte de baren voort, die bijna geen rimpels
hadden. De harten van allen waren zeer opgewekt. Bijna niemand op de drie
schepen sliep, en Columbus stond op den boeg van zijn vaartuig, en keek met
een vurig verlangen naar den gezichteinder.
Omstreeks 10 uren trof het flauwe schijnsel van een
flambouw zijn oog. Voor een oogenblik kon men de vlam heel goed waarnemen,
en dan werd zij weer geheel onzichtbaar. Zijn hart klopte van aandoening.
Was het een tochtverschijnsel, een gezichtsbedrog of een licht van het land?
Bevende van opgewondenheid zag hij het licht op nieuw en nu zeer duidelijk,
onbetwistbaar. Aanstonds riep hij Pedro Gutierrez tot zich, een van de
aanzienlijkste heeren van zijn metgezellen. Deze zag het licht eveneens.
Toen riepen zij een derde, Rodrigo Sanchez, die den tocht meemaakte als
vertegenwoordiger en verslaggever van hun Majesteiten. Maar het licht was
weer weg. Spoedig echter zag men het weer en ook Sanchez zag het. Toch kon
het nog wel een tochtverschijnsel wezen. Een flambouw op het land was hun
ook iets onverklaarbaars. In het dagboek staat:
“Het leek een kaars, die op en neer ging, en Christophorus
twijfelde niet, of het was wezenlijk een licht en op het land. En het bleek
ook waar te wezen, want het kwam van lieden, die met lichten van de eene hut
naar de andere gingen.”
Deze schijnsels duurden evenwel maar zoo kort, dat er door
de anderen op het schip niet veel waarde aan werd gehecht, ofschoon Columbus
vast overtuigd was, dat het licht van het land was. Zoo zeilde de kleine
vloot nog 4 uren lang voort, toen er, des morgens te 2 uur, door een der
matrozen van De Pinta, die Rodrigo de Triana heette, land werd gezien. Een
kanonschot van De Pinta kondigde het heuglijk nieuws, dat er land ontdekt
was, aan. Heel spoedig waren de nog wel donkere, maar zeer duidelijke
omtrekken van het land op alle schepen te zien. De beloofde jaarwedde van
10,000 maravedis aan hem, die het eerst land zien zou, werd Columbus
toegewezen, ofschoon vele meenden, dat zij Rodrigo de Triana rechtmatig
toekwam.
De overige uren van den nacht gingen spoedig voorbij.
Helder [31]en
schitterend daagde de morgen, en ontrolde aan het verrukte oog van Columbus
een tooneel, waarbij het paradijs het nauwlijks halen kon. Daar lag een laag
eiland voor hem in de rijkste weelde en bloei der keerkringsgewesten. De
boomgaarden, vlakten en parken der natuur spreidden zich in alle richtingen
uit. Tal van inboorlingen zag men uit de bosschen komen, en in een toestand
van groote opgewondenheid langs het strand loopen. Zij waren allen
moedernaakt. Vermoeid als de reizigers waren door zooveel weken lang niets
dan water te zien, had het tooneel, dat zij nu aanschouwden, voor hen de
bekoring van een feeënland.
Van elke karveel liet men de boot zakken. Nadat zij bemand
waren, nam Columbus, zeer rijk in purperkleurig gewaad gekleed en met
Castiliaansche pluimen op den hoed, de leiding ervan op zich. Het
spreekwoord zegt: “Op een afstand lijkt alles mooi,” maar toen zij dichter
bij land kwamen, werd het gezicht al schilderachtiger en mooier. De woningen
der inboorlingen stonden in de uitgestrekte boschjes overal verspreid.
Hoogten en laagten stonden vol boomen, die zelf even als hun gebladerte er
vreemd uitzagen. Verbazend veel bloemen waren er van de schitterendste
kleuren, zooals de avonturiers nog nooit hadden gezien. Vruchten, van
allerlei vorm en kleur, hingen aan de boomen. Vooral maakt Columbus gewag
van het gezang der vogels, dat de lucht vervulde; van de zuivere en
welriekende lucht en van het kristalheldere water.
Zoodra Columbus aan land stapte, viel hij op de knieën en
dankte God. De matrozen schaarden zich om hun beroemden leidsman, volgden
zijn voorbeeld en schaamden zich over hun oproerig gedrag. Velen weenden,
kusten zijn handen en smeekten om vergeving. Zij, die het lastigst waren
geweest, vleiden nu het meest, kropen nu het laagst, want zij hoopten
gunsten te ontvangen, waardoor zij zich zouden kunnen verrijken en tot den
adelstand verheffen.
Met indrukwekkende, godsdienstige gebruiken plantte
Columbus nu de Spaansche vlag op het strand. In vrome erkenning van Gods
goedheid, die hen zoo ver had geleid, noemde hij het eiland San Salvador.
Toen vorderde hij van de bemanning der drie schepen den eed van trouw aan
hem als Admiraal en Onderkoning van al de rijken, die men nu zou betreden.
De inboorlingen stonden er schroomvallig omheen, en keken
al die bewegingen met diep ontzag aan. Men verhaalt, dat, toen zij voor het
eerst de schepen zagen, die zich schijnbaar van zelf voortbewogen en hun
verbazend groote vleugels introkken, zij
[32]die
voor zeemonsters hielden of voor vogels, die op reusachtige vleugels uit hun
luchtverblijven afdaalden. Toen de zeelieden met hun schitterende
maliënkolders, vreemde kleeding en oorlogswapenen aan wal stapten, vluchtten
zij van schrik in de bosschen. Maar toen zij zagen, dat ze niet vervolgd
werden, en wij geen vijandige bewegingen maakten, kwamen ze langzaam terug.
De gebiedende gestalte van Columbus, zijn verheven wijze van doen, zijn
scharlaken kleeding en de eerbied, welken al zijn metgezellen hem bewezen,
maakten, dat de inboorlingen met de grootste vereering tot hem opzagen.
De inboorlingen geloofden over het algemeen, dit wordt
telkens getuigd, dat de Spanjaarden uit de lucht gekomen waren. Een hunner
opperhoofden onderzocht later dan ook, hoe zij naar beneden gekomen waren,
òf vliegend òf door nederdaling op de wolken.
Daar er dus twee partijen waren, die elkander aankeken,
was de verbazing wederkeerig. Het tooneel, dat zich aan de Spanjaarden
voordeed, was even buitengewoon als dat, wat de inboorlingen aanschouwden.
Het landschap was in al zijn afwisseling zoo nieuw voor de vreemdelingen,
alsof zij op een andere planeet waren gekomen. Boomen, vruchten, bloemen,
alles was heel anders, dan wat zij tot nog toe hadden gezien. Het klimaat
scheen volmaakt, want het was warm en toch niet drukkend; men gevoelde
evenmin rilling, als men van overmatige hitte last had. De paradijs-onschuld,
de zedigheid en eenvoud van de inboorlingen wekten hun verwondering en
bewondering op. Hun gele tint vindt men nog mooi. Hun fraai geronde leden
hadden regelmatige en bevallige vormen, die met de wereldberoemde beelden
van Venus en Apollo zouden hebben kunnen wedijveren.
Waren de bijgeloovige inboorlingen door het gezicht van
wezens, die òf uit de lucht waren neergekomen òf uit de diepte opgerezen,
zooals zij meenden, getroffen, sterker is de indruk wellicht bij de
Spanjaarden geweest.
Columbus meende, dat hij op het uiterste eiland van Indië
geland was. Daarom noemde hij de inboorlingen dan ook Indianen. Dien naam
hebben langzamerhand alle bewoners van de nieuwe wereld gekregen.
Toen de inboorlingen ondervonden, dat de vreemde bezoekers
hun geen kwaad deden, werden zij langzamerhand vertrouwelijk en welwillend.
Zij overlaadden de Spanjaarden met de sterkste bewijzen hunner gastvrijheid.
De matrozen liepen zonder vrees door de bosschen, en aten de vroeger nooit
geproefde vruchten, die aan
[33]zoo
vele takken zaten. Dat Columbus van nature een goedhartig man was, schijnt
onwedersprekelijk; maar door den invloed van de domheid dier dagen, maakte
hij zich later aan vele wreedheden schuldig. Hij stal de harten van de
inboorlingen geheel door hun eenige blinkende kraaltjes of tingelende
klokjes te geven. Zij beschouwden die als dingen van onschatbare waarde.
De mooie meisjes, die zich zeer zedig gedroegen, hingen
die klokjes om haar midden en dansten vroolijk, terwijl zij naar het
getingel luisterden. Columbus vertelt in zijn beschrijving, dat zij geen
kroeshaar hadden als de Afrikanen, maar dat het lang en zeer zwart was, en
meestal op de schouders hing. Opdat het haar niet over de oogen hangen zou,
werd het van voren afgeknipt. Haar gelaatstrekken maakten een aangenamen
indruk en zij hadden hooge voorhoofden en prachtige oogen. Zij hebben een
licht koperen kleur en soms vergeleek men die met de kleur van nieuwe gouden
munten.
Een zaak trof de vreemdelingen zeer,
n.l.
dat alle inboorlingen, die zij zagen, beneden de 30 jaar waren. Oude
menschen schenen niet onder hen te zijn. Wat kon dit beduiden?
Maar er was iets anders nog, dat de aandacht van de
nadenkenden opwekte en bewees, dat men niet in het paradijs gekomen was. Zij
bezaten strijdknodsen en scherp gepunte werpspietsen, voorzien van de
verscheurende tanden van een haai. Toen Columbus daarvan door teekens sprak,
gaven zij te kennen, dat zij in den oorlog gebruikt werden om aan te vallen
of aanvallen af te weren. En sommigen van hen wezen op de wonden, die zij in
het gevecht bekomen hadden.
Des avonds keerden alle Spanjaarden naar de schepen terug.
De nacht ging rustig voorbij, ofschoon men van opgewondenheid niet slapen
kon. Zoodra het licht werd, verzamelden zich vele inboorlingen van alle
kanten van het eiland aan het strand, om dit vreemde tooneel te zien. Zij
stelden zooveel vertrouwen in de vreemdelingen, dat velen van hen in zee
sprongen en naar het schip zwommen. Het water scheen hun natuurlijk element
te zijn.
Zij bezaten vele schuitjes, die uit boomstammen bestonden,
welke met veel moeite waren uitgehold. Enkele er van waren zoo klein en
licht, dat er slechts één man in zitten kon, andere zoo groot, dat wel
veertig gewapende krijgslieden er plaats in vinden konden.
Deze kano’s hadden geen kiel en kantelden daarom licht om,
maar dit telden de inboorlingen weinig. Zij zwommen er omheen als eenden,
zetten de kano overeind, hoosden er het water met
[34]kalebasschalen
uit, en sprongen er weer in, welk een en ander slechts eenige oogenblikken
oponthoud veroorzaakte.
Het was een groote teleurstelling voor Columbus, dat deze
menschen zoo ontzettend arm waren. Ofschoon zij in een heerlijk klimaat en
in geriefelijke hutten woonden, vruchten in overvloed hadden en geen kleeren
behoefden, bezaten zij niets, waarmede Columbus zijn schepen bevrachten en
zich zelf en zijn metgezellen verrijken of de begeerlijkheid van den
Spaanschen vorst bevredigen kon. De arme inboorlingen hadden niets dan
prachtige papegaaien, die zij uit liefhebberij tam maakten, en ballen van
katoenen garen. Deze ballen waren wel eens 25 pond zwaar en zouden op de
markten in Spanje veel waard zijn geweest. Ook hadden zij een soort van
eigengemaakt brood, dat uit een wortel, Juca geheeten, vervaardigd werd, en
een smakelijk voedsel voor de eilandbewoners opleverde, maar geen belangrijk
handelsartikel kon zijn.
Toen Columbus den volgenden dag te midden van een groote
menigte inboorlingen landde, zag hij vele meisjes, die gouden sieraden
droegen, niet in de ooren, maar aan den neus. Dat glinsterend metaal boeide
spoedig zijn oog. Gretig verruilden de Indiaansche schoonen die eenvoudige
gele tooisels voor prachtig gekleurde kralen van geringe waarde. Met
belangstelling onderzocht Columbus, waar dit goud van daan kwam.
Het is verbazend moeilijk, om wat gewaar te worden,
wanneer alleen de gebarentaal kan gebruikt worden; en die moeilijkheid wordt
nog veel grooter, wanneer die gebaren van beschaafden door wilden moeten
worden verstaan en omgekeerd. Daarom werd Columbus stellig grootelijks
misleid door de aanwijzingen, die hij van de inboorlingen geloofde ontvangen
te hebben. Hij meende verstaan te hebben, dat er op eenigen afstand
zuidwaarts een machtig opperhoofd woonde, die grooten overvloed van goud
bezat, en die op schalen van dit kostelijk metaal werd bediend. Ook had hij
den indruk gekregen, dat er in het noorden volken woonden, die dikwijls
gewapend optrokken, om de zuidelijke stammen aan te vallen, en daarna met
grooten buit aan goud terugkeerden. Met zijn vurige verbeelding waande hij
van een prachtige stad te hebben hooren spreken met schitterende paleizen,
niet ver van de plaats waar zij nu waren, en dat hij in de
landbouw-distrikten aangekomen was van een der schoonste landen van de
aarde.
Zoo ging de 13e October voorbij. Voor de
zeereizigers was het een merkwaardige dag, want er was opgewektheid en
vreugde. [35]Den
volgenden morgen begaf Columbus zich met zijn manschappen in de booten, om
het eiland te gaan verkennen. Belangrijker verkenningstocht, in de
morgenuren van een tropischen dag begonnen, en omringd door wonderbaar
schoone en nooit aanschouwde tooneelen, kan men zich moeilijk voorstellen.
Columbus zei, dat het eiland door koraalriffen ingesloten was, die slechts
een nauwen doortocht overlieten; voorts, dat tusschen die riffen diepe en
veilige ankerplaatsen lagen, groot genoeg, om de schepen van de geheele
wereld te bevatten. Op deze lieve plek begon de tocht, en men zette koers
naar het noordoosten.
Het eiland bleek zeer houtrijk te wezen, en, behalve dat
er verscheidene riviertjes waren, was er middenop een groot meer. Tal van
schilderachtige dorpen, die als verscholen lagen in de schoonste boschjes,
voeren de reizigers, die met hun booten dicht bij de kust bleven, voorbij.
Overal kwamen de bewoners, zoowel mannen en vrouwen als kinderen, naar het
strand, en liepen met de booten mee. Van tijd tot tijd vielen sommigen op de
knieën en maakten zekere bewegingen, die de Spanjaarden of voor een uiting
van dank aan God hielden, dat zij aangekomen waren, of voor eerbewijzingen,
omdat men hen voor hemelsche wezens aanzag.
Door onbedrieglijke gebaren noodigden de inboorlingen hen
uit aan land te komen; hun tevens versch water en heerlijke vruchten
aanbiedende. Toen de booten haar tocht vervolgden, sprongen verscheiden
inboorlingen in zee, en zwommen ze achterna, waaruit duidelijk bleek, dat ze
zoowel in ’t water als op het land in hun element waren. Anderen volgden in
kano’s. De goedhartige admiraal ontving allen met de grootste
vriendelijkheid, en maakte hen hoogst gelukkig met eenige snuisterijen,
welke zij als hemelsche geschenken aannamen. Columbus verklaart bij
herhaling, dat de inboorlingen hen voor engelen aanzagen.
Dit is echter eenigszins twijfelachtig. Door teekens toch
kan men niet gemakkelijk zijn meening uitdrukken. En men mag te recht
vragen, of de inboorlingen ook maar een flauw begrip hadden van werelden,
waar engelen wonen, zooals het christendom leert. Zoo dreven de roeibooten
voort, tot zij eindelijk een vrij belangrijke kaap bereikten, waarop zes
Indiaansche woningen stonden, omgeven door bosschen en tuinen, waarvan
Columbus verklaarde, dat zij net zoo mooi waren als die, welke men in
Castilië aantrof. Hier gingen zij aan wal, om wat te rusten en zich te
verkwikken, waarna zij zich gereed maakten, om naar de schepen terug te
keeren. Ze namen zeven inboorlingen mee
[36]om
die de Spaansche taal te leeren en ze als tolken te gebruiken. Nog
dienzelfden avond werden de zeilen geheschen, en stevende men naar ’t
zuiden.
[Inhoud]
Vierde Hoofdstuk.
Een tocht door de eilanden.
Uit de beschrijving van Columbus blijkt niet duidelijk, of
er van San Salvador werkelijk eilanden te zien waren. Misschien ging hij op
het getuigenis van de inboorlingen af.
Volgens de bewering van Marco Polo, deelden de Indianen,
die zich op ’t schip van den admiraal bevonden, hem mee, dat het aantal
eilanden in deze zeeën ontelbaar was, en dat de bewoners er van meestal met
elkander in oorlog waren. Zij gaven de namen van meer dan honderd dezer
eilanden op. Spoedig kregen zij in het zuidwesten een zeer groot eiland in
het oog, dat omstreeks vijftien mijlen van hen af was. De Indianen stelden
de bewoners daarvan als veel rijker voor dan die van San Salvador, en
zeiden, dat zij armbanden en andere groote sieraden droegen van zuiver goud.
Aangezien de nacht op handen was, en men zich in onbekende
zeeën ophield, gaf Columbus bevel, om tot den volgenden morgen te blijven
liggen. Toen de zon opkwam werden de zeilen weer opgehaald, maar de
voortgang werd door tegenstroomen en ongunstigen wind zoo vertraagd, dat de
zon reeds onderging, toen zij bij het eiland ten anker kwamen. Den volgenden
morgen gingen zij met de booten aan land. Hier zagen zij volmaakt dezelfde
tooneelen als op San Salvador. Het klimaat, het gebladerte, de bloemen,
alles was net gelijk; ook de inboorlingen maakten geen verschil; ook dezen
waren naakt, goedwillig en vriendelijk en hadden evenmin goud. Columbus
zocht overal, maar te vergeefs, naar gouden versieringen aan armen of
beenen. Of zij in de verbeelding van de Indianen of in die van hemzelf
bestonden, is niet uit te maken. Hij nam echter dit eiland in bezit, alweer
met vertoon van godsdienstige gebruiken, waarnaar de inboorlingen met
kinderlijke verwondering keken. Hij gaf het den naam van Santa Maria, en
zeilde toen weer weg, om de reis voort te zetten.
Juist toen zij het anker lichtten, gebeurde er iets, dat
helaas! duidelijk aantoont, dat enkele inboorlingen althans, die op het
schip van den admiraal waren, geen vrijwillige tolken, maar gevangenen
[37]waren.
Toen een van de Indianen van San Salvador, die op De Nina was, waarop
Vincent Yanez Pinzon bevel voerde, op een kleinen afstand een groote kano
zag, die vol inboorlingen was, sprong hij in zee, en wist door zoo vlug als
een visch te zwemmen, te ontsnappen en werd door zijn landslieden opgenomen.
Wel werd er aanstonds een boot uitgezonden om hem te vervolgen, maar de
wilden roeiden zoo hard, dat zij den oever bereikten vóór men hen kon
achterhalen, en met de snelheid van hinden verdwenen zij in de bosschen.
De zeelieden voerden hun kano als buit mee naar het schip.
Het was een zeer onrechtvaardige handelwijze, die zelfs de onwetendste
barbaar moest veroordeelen. Toch werd spoedig daarop een nog afschuwelijker
daad door de matrozen gepleegd. Een Indiaan, die gehoord had, dat de
Spanjaarden katoen wilden koopen, begaf zich geheel alleen in zijn biezen
kano naar het schip van den admiraal. Toen hij bij den boeg kwam, hield hij
het katoen omhoog, opdat de matrozen het konden zien. Zij wenkten hem nader
te komen en toen sprongen twee of drie, die goed konden zwemmen, in zee,
verklaarden zijn kano verbeurd en sleurden den bevenden man als gevangene
mee naar ’t schip.
Columbus, die op de hooge kampanje stond bij den
achtersteven van het schip, zag die daad. Hij gaf bevel den gevangene bij
hem te brengen. De arme Indiaan kwam bevend als een espeblad aan, en hield
het pak katoen vooruit als een geschenk voor den man, die hem gevangen
genomen had, ten einde daardoor zijn genade te verwerven. De admiraal
ontving hem met de grootste vriendelijkheid, zette hem een mooi gekleurden
hoed op, deed hem om elken pols een armband van schitterende koralen aan,
hing een of twee belletjes aan zijn ooren en beval toen, dat men hem weer
naar zijn kano terug moest brengen en het katoen ook. Deze geschenken waren
voor den armen Indiaan, wat een groote erfenis voor iemand in de beschaafde
wereld zou zijn geweest. Vroolijk roeide hij naar het strand, en Columbus
keek met veel genoegen naar de groepen, die om hem heen gingen staan, om
zijn schatten te bekijken en naar het verhaal te luisteren van de
vriendelijke behandeling, die hij had ondervonden.
Toen Columbus Santa Maria verliet, zag hij op een afstand
van verscheidene mijlen in het westen een ander groot eiland en zette den
koers daarheen. Halverwege achterhaalde hij een Indiaan, die geheel alleen
in een heel oude kano zat, en stellig naar het eiland roeien wilde, om er de
tijding van de komst der Spanjaarden over te brengen. Hij had een snoer
koralen om [38]den
hals, dat hij te San Salvador gekregen had. Columbus bewonderde den moed van
den man, die zulk een reis met zulk een ellendige kano durfde wagen. De
Indiaan werd met zijn kano aan boord gehaald, en men behandelde den gast
vriendelijk, en onthaalde hem op wijn, brood en honig. Een zeer zachte wind
gleed over de spiegelgladde zee, en zij konden eerst ten anker komen, toen
de avondschemering reeds gevallen was.
De Indische kano liet men nu over boord zakken, en de
gelukkige man werd met geschenken beladen aan land gezonden, ten einde de
inboorlingen gunstig te stemmen, en te maken, dat hun de Spanjaarden welkom
waren. Het nieuws verspreidde zich zoo snel over het eiland, dat er ’s
morgens reeds bij zonsopgang een groote toevloed van inboorlingen op het
strand was te zien, terwijl het op de zee van kano’s wemelde. Zij verdrongen
elkander, om bij de schepen te komen en vruchten, wortels en versch water te
brengen. Columbus gaf allen kleine geschenken en onthaalde hen op suiker en
honig.
Spoedig gingen enkelen van de drie schepen aan land. Hier
waren ze op nieuw getuigen van zichtbaar geluk en blijkbaren vrede, zooals
ze die meer hadden gezien. Zij brachten eenige uren op het eiland door,
waren ingenomen met den eenvoud en de openbaringen van genegenheid der
inboorlingen.
Hun tenten waren van riet en palmbladen gemaakt, en zij
zagen er van buiten heel aardig uit, terwijl van binnen alles netjes en
ordelijk was. Het volgende uittreksel uit het dagboek van Columbus maakt ons
bekend met den indruk, dien hij van de inboorlingen kreeg.
“Daar zij ons veel vriendschap bewezen, en ik bovendien
wist, dat het menschen waren, die eerder door liefde dan door geweld tot het
christendom te bekeeren zouden zijn, gaf ik sommigen veelkleurige hoeden,
anderen halssnoeren van glazen koralen en vele andere dingen van weinig
waarde, waarmede zij echter zeer ingenomen waren, en zoo op onze hand
kwamen, dat wij er ons over verwonderden. Dezelfde personen kwamen later
weer zwemmend naar de schepen, waar wij waren, en brachten ons papegaaien,
katoenen garen, werpspiesen en vele andere dingen, die zij tegen belletjes
en koralen verruilden. Kortom, zij gaven goedwillig al wat zij hadden; maar
’t kwam mij voor, dat zij anders heel arm waren, en ook liepen zij heelemaal
naakt.”
Ter eere van koning Ferdinand gaf Columbus aan dit eiland
den naam van Fernandina, maar later is het Exhuma genoemd. Columbus
beproefde er omheen te varen. Naar het noordwesten
[39]zeilende,
vond hij eene heel mooie haven, waarin een honderdtal schepen veilig voor
anker kon liggen. Hij liep die haven in, en ging met een gezelschap aan
land, om water te halen. Terwijl de matrozen de tonnen vulden, wandelde
Columbus een klein eind verder, en ging op een groenen heuvel zitten, om het
schoone gezicht te bewonderen, dat hem van alle kanten omgaf.
In zijn dagboek betuigt hij: “Nooit heb ik vroeger zulk
een prachtig landschap gezien.” Het was zoo frisch en groen, als Andalusië
er in Mei uitziet. De boomen, de vruchten, het gras en de bloemen waren heel
anders dan in Spanje. De bewoners waren heel vriendelijk. Zij wezen den
Spanjaarden de beste waterbronnen aan, hielpen hen de tonnen vullen en ze
naar de booten rollen.
Ofschoon Columbus’ verbeelding veel voedsel kreeg, viel
het hem toch bitter tegen, dat er niet meer goud was. Omdat het duidelijk
was, dat hij op dit eiland niets van dit kostbaar metaal kon krijgen, zeilde
hij den 19en naar een ander eiland, dat de inboorlingen Saometa
noemden. Hij had uit de teekens der wilden afgeleid, dat daar goudmijnen
waren, dat het de residentie van het voornaamste opperhoofd of van den
koning van al de omliggende eilanden was, en dat die een met juweelen en
goud omzoomd gewaad droeg.
Toen zij op het eiland aangekomen waren, vonden zij er
noch monarch noch goudmijn. De bewoners waren talrijk, het eiland was
verrukkelijk en het afhankelijke hoofd droeg heel gewone versierselen. Wat
Columbus erg verwonderde was, dat ieder eiland telkens mooier scheen dan
dat, ’t welk men van te voren had bezocht, en werkelijk bestond er een groot
verschil in de natuurtooneelen. De boomen en bloeiende struikgewassen, welke
dit eiland bedekten, waren zeldzaam mooi. Op het eiland vond men hoogten,
die vrij aanzienlijk waren. De lucht kwam hem in ’t bijzonder zeer
welriekend voor, en het fijne zand op het strand werd door golven bespoeld,
die bijna zoo doorzichtig waren als kristal. Midden op het eiland vond hij
verscheidene schoone meren vol helder water. Aan dit eiland gaf hij den naam
van Isabella, ter eere van de koningin, wier aandenken hij met zooveel
trouwe toewijding liefhad. Van dit eiland, dat nu Exumeta heet schreef hij:
“De groote meren, welke men hier aantreft, en de boschjes,
waardoor ze omringd worden, zijn wonderschoon. En evenals op andere eilanden
is hier alles groen. De vogels zingen hier zoo, dat men er altijd naar zou
willen luisteren. De vluchten papegaaien
[40]zijn
hier zoo groot, dat de zon er door verduisterd wordt en de andere vogels,
zoo groot als klein, zijn zoo veelsoortig en verschillen zoozeer van de
onze, dat men zich er over verbaast. Bovendien ziet men hier duizenderlei
soorten van boomen, die elk hun eigenaardige vruchten hebben, waarvan de
smaak heel vreemd is, zoodat het mij erg spijt, dat ik ze niet ken; want ik
weet zeker, dat ze veel waard zijn. Ik zal er als proef eenige mee naar huis
nemen, en ook eenige grassoorten.”
“Toen ik hier kwam, kreeg ik van de boomen en bloemen van
het land zulk een aangenamen reuk in den neus, dat er in de wereld niets
lekkerders wezen kan. Ik geloof, dat hier vele grassen en boomen zijn,
waarop men in Spanje zeer gesteld wezen zou, om er aftreksels,
geneesmiddelen en specerijen van te maken; maar ik ken ze volstrekt niet, en
dit spijt mij zeer.”
Niet alleen de vogels, die van tak tot tak sprongen,
droegen prachtige veeren, maar ook de visschen, waarvan die kristalheldere
wateren wemelden, vertoonden al de schoone kleuren van den regenboog. Zij
wedijverden met de vogels in kleurenpracht.
De dolfijnen vooral, die gemakkelijk te vangen waren,
verrukten de beschouwers door de wondervolle kleurveranderingen, die zij te
zien gaven. Het is eenigszins merkwaardig, dat er geen viervoetige dieren
gevonden werden, uitgezonderd een paar zeer kleine. Er was er een, die veel
op een hond leek, maar in ’t geheel niet blafte. Er waren ook eenige
konijnen en hagedissen, welke laatste de Spanjaarden met afkeer en vrees
beschouwden, alsof het vergiftige kruipende dieren waren. Naderhand
verklaarden zij, dat zij onschadelijk waren en hun vleesch heel lekker
smaakte.
Maar goud zochten deze ontdekkers. De moeilijk te
begrijpen gebarentaal gebruikende, vroeg Columbus ieder opperhoofd dien hij
ontmoette, waar men goud kon vinden; maar de inboorlingen bedrogen hem
opzettelijk of—en dit kon ook ’t geval wezen—Columbus verstond hun gebaren
niet. Steeds wezen zij naar het zuiden en gaven uitdrukkelijk te kennen, dat
daar een volkrijk eiland was, dat veel goud bevatte en Cuba heette.
Zij, die aan boord van de schepen waren, kenden op het
laatst dien naam ook heel goed, en de gebeurtenissen van latere eeuwen
hebben hem nog meer bekend gemaakt. Allen verlangden op het eiland Cuba te
komen. Men meende, dat er groote steden op dat eiland moesten zijn, en de
haven vol groote schepen lag.
Het was in het laatst van October. In de keerkringen ving
de regentijd aan, waarmee een volkomen windstilte samenging. In den nacht
van den 24n October zette Columbus de zeilen weer
[41]op,
om het eiland Cuba op te zoeken. De zeilen hingen echter slap tegen de
touwen tot den middag van den volgenden dag toe. Toen verhief zich een
lekker en gunstig windje. Door naar het zuidwesten te varen, kreeg hij vele
eilandjes in het gezicht; doch hij vond het niet de moeite waard zich er om
op te houden. Ook vond hij een eilandengroep, die hij Arene noemde, maar nu
de Mucaras heeten.
Op den morgen van den 28en October kwamen de
prachtige bergen van de koningin der Antillen in het gezicht. Nooit kan de
schrijver de aandoeningen vergeten, die hij ondervond, toen de schitterende
morgenstralen van een der schoonste morgens in de keerkringsgewesten hem de
bergen en valleien, het wondervolle gebladerte en groen, en de blijkbaar
grenzenlooze uitgestrektheid van het schoonste eiland der aarde lieten zien.
Het was misschien niet ver van de plek, waarop Columbus stond, dat hij het
verrukkelijk gezicht zag.
In de gloeiendste taal beschrijft hij de heerlijkheid van
de bergen, die tot in de wolken reiken; de weelde en den bloei van de ruime
valleien; de trotsche met wouden bedekte voorgebergten, die in de zee
uitloopen en de kapen, die zich naar het noorden zuidwesten zoo ver
uitstrekken, dat ze eindelijk aan het oog ontsnappen. Een schoone rivier,
aan de noordkust van het eiland, bood hem een goede gelegenheid aan, om met
zijn schepen binnen te varen. Hier liet hij dan ook het anker vallen. Het
water was zoo doorzichtig, dat men verscheiden vademen diep de visschen en
schelpen kon zien. Fijn, wit zand lag op het bed van de rivier en de oevers
waren rijkelijk begroeid.
Toen Columbus aan land was gekomen, nam hij zooals
gewoonlijk het eiland in bezit in den naam van de Spaansche vorsten en
noemde het Juan, ter eere van Prins Juan, Isabella’s zoon. De rivier gaf hij
den naam van San Salvador. Zoodra de bewoners de schepen zagen, vluchtten
zij angstig voor het schrikverwekkende natuurverschijnsel weg.
Op het strand trof men twee verlaten hutten aan, waarin
eenig vischtuig lag, zooals netten, die op een aardige wijze van de vezels
van palmboomen waren gevlochten; voorts vischhaken en beenen harpoenen. Een
van die hondjes, die nooit blaffen, liep er om heen. De bewoners van deze
hutten waren, volgens de begrippen, die de wilden van welvaart hebben, rijk.
De met palm bedekte hutten beschermden hen voor regen en wind. Zilvergras
bezorgde hun een zacht en zelfs rijk bed. Kleeren hadden ze niet noodig. Zij
behoefden de handen maar uit te steken om van
[42]de
zwaar beladen takken de rijkste vruchten te plukken. De rivier schonk hun
allerlei visch en zooveel als zij wilden hebben.
Maar beschouwen wij deze menschen uit het oogpunt van
beschaving, dan waren ze zeer arm. De hut, waarin zij woonden was met al wat
er in was nauwelijks het kleinste Spaansche geldstuk waard. Columbus beval,
dat geen enkel voorwerp in of om de hut mocht worden weggenomen. Met het
scheepsvolk van een der booten voer hij de kronkelende en kalme rivier op.
Uitingen van vreugde kwamen telkens over zijn lippen.
“Cuba”, schreef hij in zijn dagboek, “is het schoonste
eiland, dat ooit een menschenoog zag. Daar zou men altijd willen wonen.”
Terwijl men de rivier oproeide werden de gezichten, die zich aan het oog
vertoonden, telkens liefelijker. De oevers stonden vol reusachtige tropische
boomen, en de bloeiende struiken, die hier en daar in groote menigte werden
aangetroffen, gaven dezen toovertuin der natuur het voorkomen van een
paradijs. Verscheiden dorpen lagen aan de oevers der rivier, maar de
inwoners vluchtten naar de bergen, zoodra zij de boot zagen. De huizen,
schrijft Columbus, waren hier beter dan hij ze tot dus ver had gezien. Er
waren in die dorpen geen regelmatige straten, maar de huizen lagen
schilderachtig tusschen de boschjes. Zij waren netjes van palmbladeren
gebouwd en van binnen zagen ze er bijzonder zindelijk en ordelijk uit.
Toen men weer bij de schepen teruggekomen was, werd de
reis langs de kusten naar het westen voortgezet. Columbus was altijd nog
maar in de meening, dat hij bij de Indische stranden was. Toen in de verte
de eene kaap zich na de andere uitstrekte, tuurde Columbus voortdurend of
hij koepeldaken en torens van de een of andere oostersche stad kon
ontdekken. Hij dacht, dat Cuba het wereldberoemde eiland Japan was. Maar
toen hij drie dagen achtereen langs de kust gevaren had, en geen einde aan
het eiland zag, kwam hij tot het besluit, dat hij reeds het vasteland van
Indië bereikt had.
Eindelijk kwamen zij aan een zeer belangrijk voorgebergte,
dicht met palmboomen begroeid, waaraan Columbus den naam van Palmkaap gaf.
Men denkt, dat deze kaap het begin van het land aan de oostzijde is, waaraan
men nu den naam van Laguna de Moron gegeven heeft.
Columbus verzocht nu de twee Pinzons in zijn kajuit te
komen, om over de verdere reis te spreken. Alle drie waren het eens, dat
Cuba geen eiland, maar het vasteland was, dat zich zeer ver naar het Noorden
uitstrekte. Dit deed Columbus denken, dat hij,
[43]nu
bij het vasteland van Azië zijnde, niet ver van Cathay af kon zijn. Uit de
taal van de inboorlingen maakte hij op, dat er, niet veel mijlen ten
Noorden, een groote hoofdstad aan een breede rivier lag. Gedurende eenige
dagen zeilde hij voort, maar had steeds met tegenwind te kampen, en ziende,
dat de kust eindeloos en een storm in aantocht was, keerde hij terug, en
ankerde in den mond van een kleine rivier, die hij Rio de los Maries noemde.
Het was nu de 1e November. Op den oever stonden
eenige huizen, en lager nog zag men een boschje van cacao- en palmboomen.
Toen de zon opkwam, werd er een boot aan land gezonden. De bewoners namen
van schrik de vlucht. Des middags deed Columbus op nieuw een poging, om met
de beangstigde lieden, die aan ’t strand stonden, een gesprek aan te
knoopen. Daar er op de St. Maria drie Indianen van San Salvador waren, zond
Columbus dezen met een boot er heen, om de inboorlingen van hunne vreedzame
bedoelingen te overtuigen.
Zoodra de Indiaan zoo dicht bij hen kwam, dat ze te
beroepen waren, richtte hij vriendschappelijke woorden tot hen. Het scheen,
dat zij zijn taal verstonden. Hij sprong in zee, zwom aan land en ging
geheel weerloos in hun midden staan. Zij ontvingen hem vriendelijk,
luisterden naar zijn woorden, en hij slaagde zoo goed, dat hun vrees week,
en er nog vóór het vallen van den avond zestien kano’s vol inboorlingen om
de schepen kwamen liggen. Zij brachten katoenen garen mee, dat ze verkoopen
wilden; maar Columbus zocht te vergeefs naar goud. Niet het kleinste gouden
sieraad was te zien. Slechts één man droeg een klein gesmeed stukje zilver
aan den neus.
Columbus meende van de Indianen te hooren, dat de groote
stad, waar hun vorst woonde, op een afstand van vier dagreizen in het
binnenland lag. Daarom besloot hij manschappen uit te zenden, die twee
afgevaardigden naar het hof moesten vergezellen. Deze twee mannen heetten
Rodrigo de Jerez en Luis de Torres. De laatste was een bekeerde jood, die
tamelijk goed Hebreeuwsch, Chaldeeuwsch en Arabisch verstond. Columbus
achtte het niet onwaarschijnlijk, dat de Oostersche vorst ten minste een van
die talen sprak.
Twee Indianen gingen met deze gemachtigden als gidsen mee.
Een van deze kwam van San Salvador; de ander uit het kleine gehucht aan de
oevers van Rio de Los Maries. De afgezanten waren ruim van kleinooden
voorzien ter bestrijding van de reiskosten en van kostbaarder voorwerpen, om
die den vorst te vereeren.
[44]Ook
kregen ze een brief mee, waarin de wensch van den koning en de koningin van
Spanje was uitgedrukt, om vriendschappelijke betrekkingen met de regeeringen
in ’t Oosten aan te knoopen. De afgezanten hadden in last al het mogelijke
te doen, om inlichtingen te krijgen betreffende het land en zijne bewoners.
Zes dagen mochten zij voor de reis gebruiken.
Terwijl Columbus de terugkomst van het
gezantschap afwachtte,
was hij druk bezig zijn schepen op te knappen en manschappen uit te zenden,
om het omliggende land te gaan verkennen. Zelf nam hij een boot, en roeide
zes mijlen ver de rivier op. Hij ging aan wal en klom op een steilen
oeverkant, waardoor hij flink in het rond kon zien. Er was, hoe ver hij ook
keek, evenwel niets te zien dan een groote menigte boomen, die welig in het
wild groeiden en een dicht loover vormden. Te vergeefs zocht hij naar die
planten, welke in drogisterijen en apotheken in Europa zoo hoog geschat
worden. Soms kwam hij in aanraking met inboorlingen, liet hun dan paarlen en
goud zien en vroeg, waar hij zulke dingen vinden kon; maar de antwoorden,
die hij in woorden of door gebaren kreeg, maakten hem het spoor nog meer
bijster. Zij schenen te kennen te geven, dat er menschen waren, die maar één
oog hadden; anderen, wier hoofd op dat van honden geleek, menscheneters
waren, de keel hunner slachtoffers afsneden en hun bloed uitzogen.
Was de teleurstelling voor Columbus groot, dat hij geen
goud kreeg, toch kon hij niet nalaten telkens te zeggen, dat hij de natuur
om hem heen zoo prachtig vond. Men verhaalt, dat hij gedurende dit korte
uitstapje op een van de schoonste rivieren van Cuba, de inboorlingen op
zekeren dag een kleinen, bolvormigen wortel, ter grootte van een appel, in
de asch braden zag, en hem opaten. Hij was melig, maar toch heel lekker en
werd door hen batatas genoemd. Deze knol is sedert een onmisbaar
voedingsmiddel in de geheele beschaafde wereld geworden. De ontdekking van
den aardappel, waaraan Columbus niet dacht, is gebleken van grooter waarde
voor de menschen te zijn dan het vinden van een berg goud zou zijn geweest.
De afgezanten kwamen den 6en November terug.
Allen gingen nieuwsgierig om hen heen staan, om naar het verhaal hunner
lotgevallen te luisteren. Het was echter niet zeer bemoedigend. Nadat zij
ongeveer dertig mijlen langs een pad door ’t bosch gereisd hadden, kwamen
zij in een gehucht, dat uit nagenoeg vijftig hutten bestond, die niet
verschilden van de vroeger gevonden woningen; alleen waren ze misschien iets
grooter. De [45]grootte
der bevolking hebben ze stellig zeer overschat, want zij zeiden, dat er
duizend menschen waren, en dus zouden er in elke hut twintig hebben moeten
wonen. De bewoners ontvingen hen vriendelijk, lieten hen op zonderling
gebeeldhouwde houten blokken zitten, en onthaalden hen op vruchten en
groenten.
De geleerde Jood trachtte in al de hem bekende talen met
hen te praten, maar dit ging niet. Toen poogde de Indiaan hen toe te
spreken. In hoever dit gelukte, kan niet uitgemaakt worden, maar toen hij
ophield gingen de inboorlingen om de blanken heen staan met teekens van
bewondering en bijna van vereering. Zij bekeken hun kleeren, streken met de
hand over hun huid en schenen hen in alle opzichten als hoogere wezens te
beschouwen. Alle inboorlingen, die ze tot nog toe hadden gezien, stonden in
aanzien en macht gelijk, maar hier namen ze voor het eerst verschil in rang
aan. Een onder hen was als het hoofd te herkennen. Maar goud vond men ook
hier niet, niet eens kruiden. De afgevaardigden begrepen dus, dat verder
onderzoek nutteloos ware, en daarom keerden ze naar de schepen terug.
Volgens hun verhaal hadden al de menschen uit het dorp met
hen mee willen gaan, maar voor die eer hadden ze bedankt, en alleen een van
de voornaamsten met zijn zijn zoon meegenomen.
Op hun terugreis zagen ze voor de eerste maal, dat de
inboorlingen een onkruid gebruikten, dat de vernuftige mensch, al kwam zijn
gezond verstand er ook tegen op, sedert tot een algemeen weelde-artikel
heeft gemaakt. Velen liepen met iets brandends in de hand; anderen rolden
gedroogde kruiden in een blad, staken het eene einde aan, het ander in den
mond, zogen zoo den rook op en bliezen hem daarna weer uit. Zulk een
rolletje noemden ze “a tobacco,” een naam, die later aan de plant gegeven is
waarvan de rolletjes gemaakt worden. Ofschoon de Spanjaarden voorbereid
waren op veel vreemds, zoo trof hun toch dit zonderling en walgelijk
gebruik.
De afgevaardigden gaven een boeiend verhaal van de
schoonheid der natuur, en de vriendelijkheid van ’t volk. De menschen waren
gezellig van aard, en schenen goed met elkander te kunnen omgaan. De dorpen
bestonden uit eenige bij elkander staande huizen, en bij elke woning
behoorde een goed bewerkte tuin met Indisch koren, aardappelen en andere
groenten er in. Ook waren er uitgestrekte katoenvelden. Van het katoen werd
touw gemaakt, en hiervan vervaardigden zij netten en smaakvolle hangmatten.
De weelderige bosschen waren vol vogels, waarvan velen
prachtige veeren hadden, en op de meertjes zwommen watervogels van
[46]allerlei
vorm en kleur. Maar van een stad in ’t binnenland, of van kostbare metalen
had men niets gezien of gehoord. Columbus was hierdoor zeer teleurgesteld,
al reisde hij dan ook door een land, waarvan de schoonheid aan ’t
fabelachtige grensde.
Het kan niet ontkend worden, dat Columbus zich
droombeelden schiep, en dat hij daardoor op zeer zwakke gronden voor
waarheid hield, wat hij gaarne voor waarheid wilde houden.
Van de Indianen vernam hij, gedurende de afwezigheid van
de gezanten, dat er heel ver in ’t Oosten een zeer volkrijk eiland lag, waar
de bewoners bij fakkellicht op de oevers der rivieren goud vonden, waarvan
zij staven maakten. De zomer in de heete luchtstreek spoedde ten einde, en
de winter met zijn vaak kille nachten was in aantocht. Columbus was in
zuidelijk Spanje gewoon aan zomers, die haast net zoo zacht waren als die op
Cuba. Tot nog toe had hij geen oord gevonden, dat hem geschikt voorkwam, om
er een kolonie te stichten. Het was zijn plan niet alleen een
landbouwkolonie te vestigen, maar hij wilde gaarne in een volkrijke en
welvarende streek voordeelige handelsbetrekkingen aanknoopen, en zijn
schepen met oostersche handelswaren laden, waardoor hij zelf en zijn
beschermers rijk konden worden, en waarover zijn landgenooten zich zouden
verwonderen.
Maar tot dus ver had hij slechts naakte wilden gezien, die
in ellendige en allereenvoudigste hutten woonden, en hij kon, behalve een
paar gouden sieraden, niets mee naar Spanje nemen, dan een kleine
hoeveelheid ruw katoenen garen.
Columbus gaf den naam van Mares aan de rivier, waar hij
voor anker lag. Hier zocht hij verscheiden inboorlingen uit, die zich door
lichaamsschoon en geestesgaven gunstig onderscheidden, om ze meê naar Spanje
te nemen en ze de Spaansche taal te leeren, zoodat zij hem op latere reizen
tot tolken konden dienen. Wij weten niet, of dit hun eigen wil was, dan of
zij opgelicht zijn. Hij zocht mooie meisjes uit en jonge mannen, die een
flinke gestalte hadden. De beminlijkheid en leerzaamheid van de inboorlingen
deden Columbus gelooven, dat zij gemakkelijk tot het christelijk geloof te
brengen zouden wezen.
Peter Martyr verhaalt van de zeden en gewoonten van de
menschen op Cuba het volgende.
“Evenals het zonlicht en het water ieder toebehooren, zoo
is ook het land het gemeenschappelijk bezit van allen. De woorden ‘mijn en
dijn’, die zaden van alle ellende, kennen zij niet. Zij zijn met zoo weinig
tevreden, dat zij in zulk een groot land eerder overvloed dan gebrek hebben,
en dus in de gouden eeuw
[47]schijnen
te leven. Hun tuinen liggen open en bloot, zijn niet door heggen verdeeld en
worden noch door muren beschermd noch door dijken ingesloten. Zij hebben
geen wetten, wetboeken of rechters, maar deelen alles eerlijk met elkander.”
Het ligt voor de hand, dat men het met die beschrijving
niet zoo nauw nemen moet. De bewoners der nieuwe wereld toch trof men aan
met moordtuigen en oorlogswapenen in de hand. Velen hadden op het slagveld
wonden gekregen, en zij vertelden zelf van stroopersbenden, die de eilanden
met roof en moord vervulden.
[Inhoud]
Vijfde Hoofdstuk.
Buitengewone lotgevallen.
Voor zoo ver het mogelijk was de godsdienstige begrippen
van de inboorlingen te kennen, bleek het, dat zij een onbestemd gevoel
hadden van de onsterfelijkheid der ziel. Zij geloofden, dat de geest van den
mensch na den dood naar de dichte wouden en rotsachtige bergen verhuisde, en
dat hij op een bovennatuurlijke wijze werd gevoed, wanneer hij daar in
kelders ingemetseld was. De echo’s, die zij dikwijls bij de bergen hoorden,
hielden zij voor antwoorden van de afgestorvenen.
Den 12en November 1492 zette Columbus koers
naar het Zuidoosten, en ging ook nu langs de kust van het eiland.
Men vermoedt, dat Columbus het ⅔ deel van de lengte van
Cuba had afgelegd. Had hij nog een paar dagen doorgevaren, dan zou hij de
westelijke kust bereikt, en niet in den waan verkeerd hebben, dat hij bij
het vasteland was.
Twee of drie dagen lang zeilde hij langs de kust voort,
zonder zich ergens op te houden, om het binnenland te onderzoeken. Een storm
noodzaakte hem een haven binnen te loopen, die hij Puerto del Principe
noemde. Volgens zijn gewoonte richtte hij hier een kruis op, en nam in den
naam van zijn vorsten plechtig bezit van het land. In de nabijheid lagen
vele kleine en zeer mooie eilanden, die hij met de booten onderzocht, en die
later bekend werden onder den dichterlijken naam van El Jardim del Roy of
den Koningstuin. Aan de golf of baai, die deze eilanden verfraaide, gaf hij
den naam van Nuestra Senora. Dichte wouden bedekten deze schilderachtige
eilanden, die uit den oceaan het hoofd opstaken. De in alle richtingen
loopende en kronkelende doorvaarten, benevens de eenzame inhammen van deze
schoone streek werden in latere jaren door zeeroovers onveilig gemaakt,
[48]die
wreedheden pleegden, waarvan de opsomming zelfs duivelen zou doen blozen.
Den 19n November heesch Columbus alweer de
zeilen, omdat hij plan had naar een eiland te gaan, dat omstreeks 60 mijlen
oostwaarts lag, en door de inboorlingen Babique werd genoemd. Met zijn niet
sterk schip kampte hij een dag en een nacht met tegenwind en een onstuimige
zee. Maar ernstiger tegenspoed stond hem te wachten.
Martin Alonzo Pinzon, bevelhebber van De Pinta, was rijk
en een ervaren zeeman. Hij had veel geld in de onderneming gestoken, en
volstrekt geen zin Columbus in alles als zijn meerdere te erkennen. De
admiraal was een man, die zich koninklijk gedroeg en dacht. Waarschijnlijk
waren beider inzichten in den laatsten tijd met elkander in tegenspraak.
Columbus wendde het roer, om naar de haven terug te keeren, en beduidde de
andere schepen evenzoo te doen. Pinzon sloeg er geen acht op. Hij ging van
de beide andere schepen weg, en besloot een kruisvaart op eigen hand te
doen. Toen de morgen van den 21en daagde, was De Pinta nergens te
zien.
De ergernis van Columbus was groot. Hij vreesde dat Pinzon
plan had, om zoo spoedig mogelijk naar Spanje terug te keeren, de groote
ontdekking bekend te maken, en zelf de eer te ontvangen, die het bericht van
zulk een belangrijke gebeurtenis hem stellig geven zou. Den vluchteling te
vervolgen was nutteloos. De driftige en teleurgestelde admiraal keerde naar
Cuba terug. Den 24en November liep hij een prachtige haven
binnen, die hij St. Catarina noemde. Hij was dicht bij den mond van een
schoone rivier, wier oevers omzoomd waren met groene weiden, waarvan de
bevalligheid alle beschrijving te boven ging, en die als bezaaid waren met
boschjes van pijnboomen en reusachtige eiken.
Hij bleef langs de kusten van Cuba kruisen en had,
oostwaarts zeilende, de schoonste vergezichten, die telkens kreten van
verrukking deden slaken. In zijn reisbeschrijving komen ook uitdrukkingen
voor, die van verrukking getuigen over den helderen hemel, den gezonden
dampkring midden in den winter, de kristalheldere rivieren, de havens, die
zoowel het landschap verfraaiden, als een groote veiligheid aanboden; de
vruchten, de bloemen, het gezang der vogels, de vriendelijkheid van de
mannen en de beminlijkheid van de vrouwen. In een van de havens, die hij
Puerto Santo noemde, schreef hij in een brief aan de koningin:
“De schoonheid van deze rivier en het kristalheldere
water, [49]waardoor
men het zand op den bodem kan zien; de vele palmboomen van allerlei vorm,
zoo groot en mooi als ik ze ooit zag en de ontelbare andere groote en groene
boomen; de vogels met hun rijke kleuren en het groen der velden, maken dit
land, doorluchtige vorsten, zoo verwonderlijk schoon, dat het alle andere
landen in bekoorlijkheid overtreft, gelijk de dag den nacht in luister te
boven gaat. Daarom zeg ik dikwijls tot mijn volk, dat, hoe ik ook poog Uw
Majesteiten een volledig verhaal er van te geven, mijn mond de geheele
waarheid niet zeggen en mijn pen haar niet beschrijven kan. Ik ben zoo
overweldigd door het gezicht van zooveel schoons, dat ik niet weet, hoe ik
alles verhalen zal.”
Sommige van die boomen waren zoo ontzettend dik, dat de
inboorlingen van één boom een kano konden maken, groot genoeg voor honderd
man. Langzaam zeilde Columbus voort, en kwam den 5en December aan
de oostelijkste punt van het eiland. Daar hij dit punt voor de oostelijkste
kaap van het vasteland van Azië hield, en dus voor het eerste punt, dat men
bereikte, als men uit Europa kwam, noemde hij deze kaap Alpha en Omega, het
begin en het einde.
Columbus wist volstrekt niet, welken koers hij nu nemen
moest. De Indianen gaven wonderhoog op van Barbique, en door hun
aanwijzingen geleid, zeilde hij van het einde van Cuba naar het Oosten, toen
hij in een zuidoostelijke richting hooge bergen ontdekte, die zich boven den
horizon verhieven. Maar toen de Indianen, die aan boord waren, zagen, dat
hij daarheen wilde gaan, meenden zij, dat het de Antillen waren, en dit
vervulde hen met schrik. Zij smeekten hem er niet heen te gaan en
verzekerden, dat de menschen daar buitengewoon wreed en woest waren, zoodat
zij de gevangenen doodden en opaten.
De dampkring is tusschen de keerkringen zoo zuiver, dat
men ver verwijderde voorwerpen met de grootste nauwkeurigheid kan zien.
Columbus kwam bij het groote en schoone eiland Haïti. Dit eiland is een van
de liefelijkste plekjes op aarde, doch de mensch heeft er zulk een treurig
tooneel van misdaad en ellende van gemaakt, als ergens op de oppervlakte van
den aardbol gevonden wordt. De bergen verhieven hun kruinen tot in de
wolken, en hun kanten waren met weelderige wouden begroeid. Van den voet der
bergen af tot aan de zee toe, zag men groene vlakten en dalen met boschjes
van vruchtboomen en bloembedden. Door den rook, die uit de bosschen opsteeg,
werd het Columbus duidelijk, dat dit land zeer bevolkt moest wezen. Later
werd [50]verzekerd,
dat het eiland omstreeks 400 mijlen lang en 150 breed was. Het besloeg een
oppervlakte van nagenoeg 30000
vierk. mijlen. Dit vorstelijk eiland
werd onlangs bijna geheel aan de Vereenigde Staten aangeboden als een vrije
gift, maar het Congres bedankte voor dit aanbod.
Op den avond van den 6en December kwam
Columbus, dicht bij het westelijk deel van dit eiland, in een haven, die hij
St. Nikolaas noemde, en zij draagt dien naam nog. De landstreek was een Eden
gelijk. Majestueuse bosschen en volgeladen boomen zag men er. Aan den eenen
kant lag er een weelderige vlakte, die zich naar het binnenland uitstrekte,
waardoor een rivier met het helderste water kronkelde. Aan den wal bevonden
zich vele kano’s, en verderop zag men schilderachtige dorpen liggen,
verscholen in de schaduw van de boomen en door liefelijke weiden omgeven.
Maar de inboorlingen hadden allen de vlucht genomen, alsof zij zich bewust
waren, dat de grootste vijand, dien zij op aarde hadden, hun medemensch was.
Zonder met de menschen in aanraking te zijn gekomen,
gingen zij de haven weer uit, en voeren langzaam langs de kust naar ’t
Oosten, met opgetogenheid naar de bergen en de effen vlakten ziende. Een
diepe en breede vallei, die door hen werd opgemerkt, droeg duidelijk de
kenmerken van beschaving. Zij liepen een fraaie haven binnen, die Columbus
Port Concepcion noemde, doch nu de baai van Moustique heet. Hier kronkelde
ook een schoone rivier door een streek, die een tuin kon heeten. De rivier
en de baai wemelden van allerlei soort van visch. Velen werden met netten
gevangen. Enkelen waren zooals die in Spanje. Er was een vogel, wiens
gekweel zeer met dat van den nachtegaal overeenkwam, en hen herinnerde aan
de bosschen van Andalusië. Daarom gaf Columbus aan dit eiland den naam van
Hispaniola of Klein-Spanje. De Franschen noemden het naderhand St. Domingo.
Columbus schrijft in zijn brief aan het hof: “Hispaniola
is grooter dan heel Spanje, van Catalonia tot Fontarabia. Een van de vier
zijden, waar ik landde, en die recht van het Westen naar het Oosten loopt,
is 540 mijlen lang. De groote stad, die ik in bezit nam, heeft een zeer
gunstige ligging. Ik gaf bevel er een fort te bouwen, waarin ik zooveel
manschappen legde, als ik noodig achtte, en wist de gunst van den koning
voor hen te verwerven, wat mij zoo goed gelukte, dat het haast niet te
gelooven is. De menschen zijn er zoo aardig en vriendelijk, dat zelfs de
koning er een eer in stelde mij zijn broeder te noemen.”
Zes wel gewapende mannen door Indiaansche tolken begeleid
[51]werden
naar het binnenland gezonden, ten einde, zoo mogelijk, met de inboorlingen
in aanraking te komen. Zij vonden wel huizen, dorpen en tuinen, maar er was
niet één Indiaan te zien. Alle bewoners waren naar de ontoegankelijke
klippen op de bergen gevlucht.
Den 12en December richtte Columbus een kruis op
en nam—voor zoo ver de gelegenheid dit toeliet—op een plechtige wijze bezit
van het eiland.
Tijdens het verblijf in de haven ontmoetten eenige
zeelieden, die in den omtrek uitstapjes maakten, eenige eilandbewoners, die
als herten vloden. De matrozen zetten hen na. Een schoon, jong meisje van
omstreeks achttien jaren ziende, bevallig als een hinde, maar dat de sterker
gebouwde vluchtelingen niet bij kon houden, liepen ze allen haar na, en ’t
gelukte hun haar te krijgen. Met groote ingenomenheid voerden ze deze
liefelijke buit naar de schepen.
Columbus ontving het meisje met vaderlijke minzaamheid.
Hij overlaadde haar met geschenken, en tooide haar met de kleine tingelende
belletjes, die voor de inboorlingen een onbeschrijfelijke bekoring hadden.
Aan boord van het admiraalschip waren nog meer van die inlandsche vrouwen.
Deze stelden de jonge gevangene al heel gauw gerust, en in een uur tijd
gevoelde zij zich geheel op haar gemak, en was met de ontvangst zoo
ingenomen, dat zij geen lust meer had aan land te gaan.
Het eenige sieraad, dat deze schoone Indiaansche vrouw bij
het gevangen nemen droeg, was een ring van zuiver goud, die aan den neus
hing. Columbus was zeer blij bij het zien van dit kostbaar metaal, want het
was een sterk bewijs, dat er goud op dit eiland was. De admiraal voorzag het
meisje van kleeren, zooals die in beschaafde landen gedragen werden, en zond
haar aan land met vriendelijke boodschappen aan haar landgenooten.
Onderscheidene matrozen en drie Indiaansche tolken gingen met haar mee. Het
dorp, waar zij thuis hoorde, lag ver landwaarts in, en daarom keerden de
zeelieden, die het niet veilig achtten onder wilden te reizen, die den naam
hadden van zeer wreedaardig en vijandig te zijn, naar de schepen terug. Het
gelukkige meisje mocht alleen naar haar bloedverwanten gaan.
De admiraal vertrouwde, dat de berichten van haar bij de
inboorlingen niet dan een welwillend gevoel zouden opwekken, en zond daarom
den volgenden morgen negen goed gewapende mannen uit, met een Cubaanschen
tolk er bij, om het spoor door de weelderige wildernis te volgen naar het
dorp, waar het meisje
[52]woonde.
Op een afstand van twaalf mijlen troffen zij een aantal vrij groote hutten
aan, schilderachtig aan de oevers van een schoone rivier gelegen. De
afgezondenen telden omstreeks duizend woningen, maar zagen niet één
dorpeling. Klaarblijkelijk zag men in dat meisje een middel, dat listige en
booze lieden gebruikten, om de inboorlingen te lokken en in hun macht te
krijgen. De Cubaansche tolk zette de vluchtelingen na. Toen zij hem alleen
zagen aankomen, gingen zij naar hem toe. Het scheen, dat op alle eilanden
dezelfde taal gesproken werd. De Cubaan deed den vreemdelingen zulke
mededeelingen, dat eenige van de moedigsten onder hen, ten getale van
ongeveer 2000, het waagden langzaam terug te gaan. Met vrees en beving
liepen zij evenwel voort. Las Casas zegt, dat hun gestalte zeer bevallig
was, en dat zij een schooner gelaat en fijnere trekken hadden, dan een van
de inboorlingen, die zij tot dus ver hadden gezien.
Langzamerheid kwam er vertrouwen; maar nog altijd, zoo
wordt verhaald, zagen de inboorlingen in die vreemdelingen hemelsche wezens,
die bovennatuurlijke kracht bezaten. In hun oog waren zij met bliksem en
donder gewapend. Daarom beefden al die twee duizend menschen, toen zij bij
die negen hemelsche bezoekers stonden. Menigmaal maakten ze zeer diepe
buigingenen zetten de handen op het hoofd, als een teeken van eerbied en
onderwerping.
Terwijl men deze vriendschappelijke samenkomst hield,
verscheen er een andere troep Indianen. Zij brachten de schoone gevangene,
die zij op de schouders droegen, weer, met Europeesche kleeren aan en
getooid met de blinkende kleinooden, die zij ontvangen had, en die in hun
oogen nog schitterender waren dan de kostelijkste paarlen en edelgesteenten,
waarmede ooit het voorhoofd van een hertogin is versierd geweest. De
Indianen geleidden de vreemdelingen in hun huizen, en onthaalden hen op de
uitgezochtste spijzen. Met de meeste gulheid boden zij hun gasten alles ten
geschenke aan, wat zij bezaten; tamme papegaaien, vruchten, bloemen en fraai
geweven matten en hangmatten.
Verrukt over de schoonheid van het land, dat zij
doorgetrokken waren, en over de gastvrijheid der inwoners, keerden de
Spanjaarden naar hun schepen terug. Maar goud, helaas! was er niet. Het is
duidelijk, dat Columbus en zijn volgelingen op dien tijd in een
gemoedstoestand verkeerden, die hun de andere zijde van de schilderij niet
deed zien. Men kan werkelijk een schoonen zomermorgen schilderen en
vergeten, dat de koude en donkere Novemberdagen volgen, waarop stormen
loeien, die hemel
[53]en
aarde schijnen te zullen doen vergaan. In een aan Louis de St. Angel
gerichten brief, schrijft Columbus:
“Nadat zij ons vertrouwden en de vrees geweken was, waren
zij zoo vrijgevig met wat zij hadden, dat zij, die het niet gezien hebben,
het niet kunnen gelooven. Nooit weigerden zij iets, wat men hun vroeg, maar
gaven het met blijdschap; en zij bewezen zooveel vriendschap, dat het was,
als gaven ze ons hun hart. En of het voorwerp veel of weinig waard was, zij
waren tevreden met alles, wat zij terugkregen. Het schijnt, dat de mannen in
deze streken slechts één vrouw hebben, maar hun opperhoofd of koning geven
zij er twintig. De vrouwen werken, dunkt mij, meer dan de mannen, en ik heb
geen gelegenheid gehad te vernemen, of zij eigendommen bezitten; maar ik
denk, dat zij alle goederen gemeen hebben.”
Veel werk behoefden zij stellig niet te doen. Kleeren
maken en wasschen; vloerkleeden uitkloppen en schuieren; borden en kopjes
wasschen; vuur aanmaken, tenzij om wat te koken, dat alles was niet noodig.
Aan elken tak hingen vruchten, en voedsel was er derhalve in overvloed.
Toen Columbus zijn onderzoekingen voortzette, ontdekte hij
het eiland Tortugas, dat in later jaren den niet te benijden roem kreeg van
het hoofdkwartier van vrijbuiters te zijn, die zoo lang de zee onveilig
hebben gemaakt. Hij ging er aan land en deed er korte reizen.
Hier vluchtten de inboorlingen alweer weg, toen zij een
mensch zagen, zooals zij voor vraatzuchtige roofdieren gedaan zouden hebben.
’s Nachts kon men op de hoogte hun groote noodvuren zien, om de veraf
wonenden de nadering van het gevaar aan te kondigen. Aan een bekoorlijke
vlakte, die zich aan ’t oog van Columbus voordeed, gaf hij den naam van
Paradijs-vallei. Den 16en December verliet Columbus Tortugas te
middernacht, en keerde naar Hispaniola terug. Toen hij reeds ver in zee was,
ontmoette hij een heel oude kano, met slechts één Indiaan er in. De wind was
hoog en de zee onstuimig. Het scheen onmogelijk, dat de boot het houden kon,
en daarom nam Columbus den man met de boot bij zich aan boord. Op Hispaniola
gekomen, ankerde hij in de Port de Paix. Toen liet hij den man vertrekken,
na hem onthaald en met geschenken overladen te hebben.
Zooals gewoonlijk kweekte vriendelijkheid vriendelijkheid.
Het verhaal, dat hij den Indianen gaf, deed hun vrees wijken, en weldra
ontstond er een vriendelijk verkeer. Een van de voornaamste
[54]opperhoofden
bracht met zijn gevolg een bezoek aan het schip. Hij was een hoffelijk man,
en gedroeg zich waardig. Sommigen van zijn gevolg droegen kleine gouden
sieraden. Zij schenen aan dit metaal geen bijzondere waarde te hechten, en
verruilden het bereidwillig voor nesterijen.
Hoe meer Columbus het land onderzocht, hoe meer de
schoonheid er van hem bekoorde. Zijn schoone en weelderige valleien werden
voldoende besproeid, en vele, zelfs de grootste hoogten, konden tot aan de
toppen toe bebouwd worden. Op zekeren dag kreeg hij een bezoek van een jong
opperhoofd uit het binnenland. Het schouwspel was werkelijk indrukwekkend.
In een prachtig versierden draagstoel of palankijn gezeten, dien vier sterke
mannen op de schouders droegen, kwam hij nader. Het gevolg bestond uit een
stoet van twee honderd inboorlingen. De jonge man, die volstrekt niet
verlegen en zeer bekend was met de hofgebruiken, trad de tent binnen, waar
de admiraal het middagmaal gebruikte, en nam naast hem plaats. Twee
eerwaardige mannen vergezelden hem, en gingen aan zijn voeten zitten. Deze
twee bedienden schenen hem met godsdienstigen eerbied aan te zien. Op elke
beweging gaven zij acht. Elk woord, dat over zijn lippen kwam, vingen zij
op, en trachtten de beteekenis er van aan den admiraal mede te deelen. De
prins at niet veel, maar keek zorgvuldig toe, of zijn bedienden wel genoeg
kregen. Na het maal gaf hij Columbus twee goudstukken en een mooi, net
bewerkt degengevest ten geschenke. Wederkeerig kreeg hij een stuk laken,
eenige mooie koralen en een paar edelgesteenten. Ook verblindde Columbus hem
door gouden munten te laten zien, waarop de beeltenissen van Ferdinand en
Isabella stonden; door zijden met goud geborduurde vaandels en de banier van
het kruis. Hij deed ernstige pogingen, om eenig denkbeeld te geven van de
beteekenis van Jezus’ kruisdood. Bij het afscheid werden er van de schepen
kanonschoten gelost ter eere van den cacique of van het opperhoofd van wilde
Indiaansche volksstammen, en deze ging op dezelfde wijze heen, als hij
gekomen was.
Ofschoon de inboorlingen gemakkelijk afstand deden van wat
zij aan goud bezaten, kreeg men met dat al niet veel. Op nieuw lichtte
Columbus het anker, zeilde den 19en
Dec.
langs de kust en liep na 36 uren een fraaie haven in, die hij St. Thomas
noemde, maar nu den naam van baai van Acal draagt. De streek was dicht
bevolkt. De bewoners hadden misschien van de komst der vreemdelingen en hun
welwillendheid gehoord.
[55]Vrees
gaven zij niet te kennen, maar kwamen in grooten getale naar de twee schepen
toe, sommigen in kano’s, anderen zwemmend. Zij brachten heerlijke en geurige
vruchten mee, die zij met de grootste edelmoedigheid weggaven, evenals hun
gouden sieraden, want van handel, waaruit het leven in beschaafde landen
voor een groot deel bestaat, schenen zij geen begrip te hebben.
Columbus wilde van die verwonderlijke gulheid geen
misbruik maken, maar beval, dat men telkens iets tot vergoeding terug moest
geven. In deze haven waren ze den 20en ten anker gekomen. Den 22en
zagen ze reeds vroeg in den morgen een keizerlijke boot, die snel over de
kalme zee door riemen werd voortbewogen. Zij was zeer ruim en bevatte den
afgezant van een heel voornaam opperhoofd met zijn groot gevolg. Het geheel
leverde een schoon gezicht op.
De naam van dat opperhoofd was Guacanagari. Hij was de
erkende vorst van dit gedeelte van het eiland. Een van de hoogst geplaatsten
aan zijn hof was bij deze zending, en had voor Columbus een rijk geschenk
meegebracht, bestaande uit een kunstig bewerkten gordel, met paarlen en
ivoor afgezet, en uit een net gebeeldhouwd hoofd met oogen, neus en tong van
zuiver goud. De afgezant had in last namens den prins den admiraal uit te
noodigen zijn residentie te komen bezoeken, en de schepen mee te nemen.
Tegenwinden maakten het onmogelijk dadelijk aan de
uitnoodiging gevolg te geven. Daarop zond Columbus eenige zeelieden met een
van zijn officieren, in een boot heen, om zijn voorgenomen komst te
berichten. De koning woonde in een mooie stad, aan een rivier gelegen, die
door een buitengewoon vruchtbare vallei liep. Het was de grootste en best
gebouwde stad, die hij nog gezien had. De huizen, die een groot vierkant
plein insloten, waren voor deze gelegenheid opgeknapt en versierd. Van alle
kanten stroomde het volk naar het koninklijk verblijf. De groote
gastvrijheid, die de officier en zijn manschappen ondervonden, is in
beschaafde landen onbekend. Allen werden als gasten met den meesten eerbied
ontvangen, en letterlijk alles, wat de inboorlingen bezaten, werd hun
aangeboden, zonder dat zij er iets voor behoefden te betalen. De
inboorlingen namen alles met dankbaarheid aan, wat hun gegeven werd, en
bewaarden het als iets heiligs. De Spanjaarden noemden de rivier Punta
Santa, doch zij heet nu Groote rivier.
In den avond van dezen belangrijken dag keerde de boot
[56]naar
de schepen terug. Den 24en was ’s morgens de wind gunstig, en
daarom ging men reeds vóór zonsopgang op reis. Tegen den avond ging de wind
geheel liggen, en daarom kreeg Columbus, die een van de waakzaamste en
zorgvuldigste zeelieden was, en menigmaal den heelen nacht op het dek bleef,
gelegenheid om te gaan slapen. De man, die aan het roer stond, volgde zijn
voorbeeld, was onvoorzichtig genoeg, om het roer aan een jongen toe te
vertrouwen en viel in slaap. De andere matrozen sliepen ook. Een sterke
stroom, dien men niet opgemerkt had, dreef het schip op een zandbank.
Waarschijnlijk sliep de jongen ook, want ofschoon de branding met zooveel
geweld tegen de bank sloeg, dat het geraas op grooten afstand kon worden
gehoord, liet hij niets van zich hooren, vóór de kiel over het zand
schuurde. Columbus, die, zooals men zegt, altijd met één oog open sliep, was
’t allereerst op het dek. Er volgde een tooneel van groote verwarring. Het
verlies van een schip zou in die verre zeeën een onherstelbare ramp zijn. De
zeelieden verloren alle zelfbeheersching, en elke poging, om het schip te
redden, bleek vruchteloos. Als de zee onstuimig was geweest, zouden
waarschijnlijk allen vergaan zijn. De naden van het schip gingen door de
branding los, het schip was spoedig vol water en Columbus was genoodzaakt
met zijn scheepsvolk aan boord van de Nina te gaan, het kleinste van de drie
schepen.
Eenige manschappen werden aan land gezonden, om het
vriendelijk opperhoofd Guacanagari de ramp mede te deelen. Het dorp waar hij
woonde, lag omstreeks een mijl van de plaats af, waar men schipbreuk geleden
had. Deze man had zooveel medelijden, dat hij over hun ongeluk tranen
stortte. Hij zond al zijn volk en elke kano, klein en groot, die men krijgen
kon, om het schip te helpen lossen. De cacique (zie
bl.
54) en zijn broeder werkten vlijtig mee, zoowel op zee
als aan land. Hun hulp was zoo uitstekend, dat bijna alles, wat op het schip
was, gered werd; en noch het hoofd noch zijn volk eischte iets tot belooning
voor al die moeite. Integendeel, het opperhoofd noodigde allen uit, om in
zijn woonplaats voeding en dak te komen vinden. Vele kano’s kwamen heel ver
weg met een groote menigte inboorlingen en ondergeschikte hoofden. Een
treffend tooneel van broederlijke liefde deed zich voor. Ofschoon de
inboorlingen aan het strand met zaken van onschatbare waarde bepakt en
beladen werden, ging er niets verloren en werd ook niets ontvreemd. Het
gelaat en de gebaren van het volk drukten alleen spijt over de ramp
[57]uit,
die den vreemdelingen overkomen was. Columbus schreef in zijn dagboek aan
Ferdinand en Isabella:
“Ik verklaar Uw Majesteiten, dat er in de geheele wereld
geen beter land en geen beminlijker, handelbaarder en vreedzamer volk is als
dit. Zij beminnen hun naasten als zich zelf. De omgang, dien zij met
elkander hebben, is lief en vriendelijk, en al is het waar, dat het wilden
zijn, hun gewoonten zijn prijzenswaard en welvoegelijk.”
Columbus bevond zich nu met al zijn overgebleven
manschappen op het eenig schip, dat hij nog had, de Nina. Guacanagari had
drie woningen gegeven tot berging van de geredde goederen. De begeerte
opmerkende, waarmee de vreemdelingen naar gouden sieraden zochten, deed hij
al wat hij kon, om hun er zooveel van te geven als mogelijk was. De
inboorlingen hielden bijzonder veel van dansen. Hun kinderlijke vreugde was
bijna niet uit te drukken, wanneer zij, omhangen met de blinkende en
tingelende belletjes, naar de tonen der muziek luisterden, die voor hun
bewegingen paste. In ruil voor deze belletjes werd een groote hoeveelheid
goud gebracht, en gaarne gaf men al het goud, dat men bezat, in ruil voor
een belletje.
De admiraal werd uitgenoodigd om bij Guacanagari het
middagmaal te gebruiken. Hij ontving een diepen indruk van de ongedwongen en
beschaafde houding, die het opperhoofd bij deze gelegenheid vertoonde. De
tafel was overladen met al den rijkdom, dien het eiland opleveren kon. De
koning at langzaam en matig, evenals iemand, die met de gebruiken eener
beschaafde maatschappij vertrouwd is. De knechts bedienden den vorst en zijn
gast met groote beleefdheid. De regeering was erfelijk op het eiland, en
waardigheid en aanzienlijke geboorte schenen een diepen indruk op het volk
te maken. Na den maaltijd geleidde de vorst Columbus naar de lieve boschjes,
die zijn inderdaad mooi huis omringden. Ongeveer duizend inboorlingen
volgden hen eerbiedig en met alle teekenen van hartelijke belangstelling.
Het scheen een Eden. Ofschoon allen moedernaakt waren, zag men toch niets
dat onwelvoegelijk was. Onder leiding van het opperhoofd werden er
verscheiden heel aardige spelen uitgevoerd tot vermaak van den gast.
Columbus trachtte deze beleefdheden door een
wapenschouwing te vergelden. Aan boord bevond zich een Castiliaan, een oud
soldaat, die Willem Tell evenaarde in de juistheid, waarmee hij een pijl
afschoot. Deze wilden waren vreedzame lieden. Zij leefden van vruchten. De
jacht- en oorlogskunst hadden zij nooit
[58]beoefend.
De Castiliaan bracht zijn Moorschen boog, pijlkoker en pijlen mee. Het
opperhoofd was verbaasd, toen hij de kracht en de juistheid zag, waarmee dit
puntige en doodelijke wapen kon geworpen worden.
Columbus deelde het opperhoofd mee, dat hij nog veel
krachtiger wapenen had. Hij liet een kanon afschieten, waarvan de kogel in
een op eenigen afstand staanden boom kwam. Toen zij het licht zagen en den
slag hoorden; voorts den weg volgden, dien de onzichtbare kogel door het
bosch had afgelegd, en hoe hij de boomen had gescheurd en doen kraken, waren
zij verslagen en knielden neer. Toen zij eenigszins van den schrik waren
bekomen, stelde Columbus de geheele macht, waarover hij beschikken kon, in
orde voor een wapenschouwing. Hij plaatste zijn manschappen in gelid, en hun
blinkende wapenen, hun gewette en flikkerende zwaarden schitterden in de
stralen der ondergaande zon. Zij marcheerden op de maat van trommels en
trompetten heen en weer, en voerden even fraaie als kunstige bewegingen uit.
Onder luid geschreeuw vlogen zij ten aanval vooruit, en
kwamen in geregelde orde terug.
De inboorlingen begrepen heel goed, dat dit oefeningen en
bewegingen voor een ernstigen oorlog waren. Het was hun duidelijk, dat de
Spanjaarden bovennatuurlijke krachten bezaten om menschen te dooden. Zij
begonnen hun geduchte gasten met schrik en vrees aan te zien.
Columbus, die door de schipbreuk ter neer geslagen was,
werd langzamerhand weer opgeruimd. Hij genoot met de zijnen in ruime mate de
vreugde, die een heerlijk klimaat en lekkere vruchten geven. Elken dag werd
zijn voorraad goud grooter. De vriendelijkheid, waarmee de Spanjaarden door
de wilden behandeld werden, kon moeilijk grooter zijn, en, om de kroon op
alles te zetten, telkens werd hij meer en meer overtuigd, dat er in de
binnenlanden onuitputtelijke goudmijnen lagen.
Het gemakkelijke en weelderige leven, waaraan zij gewend
waren geraakt, beviel den Spaanschen zeelieden heel goed. Van alle zorgen en
moeiten der beschaving waren zij bevrijd. Smakelijke en geurige vruchten
hingen bijna aan elken tak. De rivieren en de kust wemelden van visch. In de
schaduw van de bosschen brachten zij den dag in vadzige rust door, en als
het ’s avonds koel werd namen zij deel aan de spelen van de beminnelijke
wilden, of dansten op de muziek van trommels, of op die, welke de wilden
zelf maakten.
Velen van die avonturiers gevoelden geen neiging ooit weer
[59]tot
het Europeesch leven met al zijn moeiten en zorgen terug te keeren. Hier
ontbrak het hun aan niets. Columbus werd bestormd met dringende verzoeken,
om op het eiland te mogen blijven. Voor al het scheepsvolk van beide schepen
te zamen zou het ook zeer ongemakkelijk zijn geweest, om op de terugreis in
een klein karveel opeen gepakt te worden. Dit bracht den admiraal er toe den
grond te leggen voor een latere volkplanting op het groote en schoone eiland
Hispaniola. Hij liet een klein gezelschap achter, om het eiland te
verkennen, zijn bronnen van rijkdom op te sporen, en zooveel mogelijk goud
te verzamelen, waarna hij besloot naar Spanje terug te keeren, daar bericht
te geven van zijn groote ontdekking en later met nieuwe schepen en
versterking weer te komen.
Guacanagari had hem verteld, dat er vijandige Indianen
waren, Caraïbiërs geheeten, die van tijd tot tijd op Haïti kwamen en velen
meenamen, die zij gevangen genomen hadden. Dit bood Columbus een
verontschuldiging voor het bouwen van een fort aan. De wilden hielpen hem
trouw, omdat deze sterkte ook hen tegen de Caraïbiërs zou beschermen. Hij
bewapende het fort met het kanon, dat uit de schipbreuk gered was geworden.
Hij liet er een klein garnizoen achter met krijgsvoorraad en leeftocht voor
een jaar.
Vertrouwbare berichten kreeg men van de Pinta niet.
Columbus achtte het waarschijnlijk, dat zij vergaan was. Er bleef dus nog
maar één wrak schip over van de drie, die van Palos waren uitgezeild.
Verging ook dit, dan zou niemand iets van de ontdekking hooren, en men zou
aan Columbus als aan een opgewonden droomer gedacht hebben, die dwaselijk
zijn leven had verspild. Daarom besloot hij zijn broos vaartuig niet langer
aan het gevaar bloot te stellen, dat het varen op onbekende zeeën met zich
brengt, maar naar Spanje terug te keeren.
Onuitputtelijk was de vriendelijkheid, die Guacanagari
Columbus bewees. Gedurende den tijd, dat de admiraal het toezicht hield op
het bouwen van het fort, stond het opperhoofd hem het grootste huis in het
dorp af. De vloer was met kunstig geweven palmbladeren bedekt, en er stonden
stoelen van gitzwart hout, dat heel glad gemaakt was en op ebbenhout leek.
Zoo dikwijls hij Columbus in zijn eigen woonplaats ontving, behandelde hij
hem als koning en hing hem telkens een gouden sieraad of een ander kostbaar
geschenk om den hals.
Eens bezocht het opperhoofd met vijf mindere hoofden den
admiraal. Ieder gaf hem een gouden krans ten geschenke.
[60]Guacanagari
droeg een vorstelijke kroon, die van goud was gemaakt. Hij nam die van zijn
hoofd en zette haar Columbus op. Wederkeerig hing deze een streng prachtig
gekleurde koralen om den hals van den vorst, bekleedde hem met zijn eigen
karmozijnen mantel van fijne stof, gaf hem een paar gekleurde laarzen en
deed een zilveren ring aan zijn vinger, dien de wilden veel mooier vonden
dan een van goud, omdat er op het eiland geen zilver was.
Het vooruitzicht een groote hoeveelheid goud te zullen
krijgen, maakte Columbus heel blij. Hij begon zijn schipbreuk als een teeken
van goddelijke gunst te beschouwen. In zijn dagboek schreef hij aangaande
zijne verwachtingen op dat oogenblik:
“Ik hoopte, dat ik bij mijn terugkomst uit Spanje een ton
gouds vinden zou, die de achtergeblevenen door handel hadden verdiend;
bovendien nog, dat zij mijnen en specerijen in zulk een hoeveelheid hadden
ontdekt, dat de koningen binnen drie jaren in staat zouden zijn gesteld een
kruistocht te ondernemen ter verlossing van het heilige Graf.”
Met de hulp der wilden was het fort in tien dagen klaar,
en zijn bewapening in orde. Columbus stelde nu zulk een volkomen
[61]vertrouwen
in de wilden, dat hij niets van hen meende te vreezen te hebben. Hij
beschouwde het fort werkelijk vooral noodig, om zijn eigen ordeloos volk in
bedwang te houden. Het gevaar dreigde, dat zij op hun tochten over het
eiland allerlei losbandigheden zouden bedrijven, die de bewoners konden
verbitteren. Hij noemde het fort de Geboorte, als een dankbare herinnering
aan het feit, dat hij op Kerstdag aan een schipbreuk ontkomen was.
Negen en dertig mannen werden met zorg gekozen, om in
garnizoen te liggen. Daaronder was ook een arts, en verscheidenen, die in de
verschillende vakken van werktuigkunde bedreven waren. Het bevel werd aan
Diego de Arana toevertrouwd. Hij was een ruiter uit Cordova, van hooge
afkomst en tot bevelvoeren in de wieg gelegd. Een sterke boot bleef achter
voor de vischvangst, en zaad voor het bebouwen van den grond, benevens een
menigte handelswaren.
Het uur van vertrek brak aan. Columbus liet het heele
garnizoen vóór zich komen, en hield allen in ernstige woorden den plicht
voor, om Guacanagari en zijn aanvoerders met den meesten eerbied en de
grootste vriendschap te behandelen. Hij drong er op aan, om altoos minzaam
en rechtvaardig met de inboorlingen om te gaan, en met hun vrouwen en
dochters vooral voorzichtig te wezen. Hij vermaande hen, niet uit elkander
te gaan, maar bij elkander te blijven. Den bevelhebber, Arana, werd
opgedragen om goud te verzamelen, mijnen op te sporen, en de voortbrengselen
van het eiland te leeren kennen.
Den 2en Januari 1493 gaf Columbus aan
Guacanagari en zijn aanvoerders een afscheidspartij. Al het scheepsvolk kwam
aan wal, en zijn gasten werden met troepenbewegingen en spiegelgevechten
vermaakt. De Indianen keken met groote verbazing en vrees naar de lange,
glinsterende en gewette zwaarden. En toen het kanon werd afgeschoten, en de
steenen kogels, destijds in gebruik, de boomen deden schudden, beefden en
juichten de duizenden inboorlingen, die dit feest had samengevoerd. Zij
beefden bij het zien van die vernielende kracht, en juichten bij de
gedachte, dat zij niet meer bang behoefden te wezen voor de Caraïbiërs.
Den volgenden morgen gaf een kanonschot het teeken tot
vertrek. Een luid hoera! werd door het garnizoen en door het vertrekkend
scheepsvolk aangeheven. Een gunstige wind dreef het schip voort, tot het aan
den oostelijken horizon verdween. Onder stormen en gevaren vervolgde de Nina
haar reis naar Spanje. Het garnizoen werd aan een lot overgelaten, dat
hierna zal beschreven worden.
[62]
[Inhoud]
Zesde Hoofdstuk.
De terugreis.
Op den 4en Januari 1493 zeilde Columbus van
Haïti naar Spanje. Met een zachte bries gleed hij bijna in de schaduw van
een hoog en kaal voorgebergte, waaraan hij den naam van Monte Christo gaf,
voort. Door stilten en tegenwinden vorderden zij niet veel, en voeren nog
maar altijd langs de kusten van het eiland, waarvan de uitgestrektheid en
pracht telkens meer in ’t oog vielen. Zij hadden nog maar ongeveer 50 mijlen
afgelegd, toen de wacht in de mast riep: “de Pinta, de Pinta!” En hij had
gelijk. Door een zonderling toeval ontmoetten de schepen elkander. Pinzon
gehoorzaamde aan een wenk van den admiraal, en volgde hem in een kleine baai
ten westen van Monte Christo, waar beide schepen ankerden. Pinzon verzon een
flauwe verontschuldiging voor zijn wegloopen, en schreef het aan het weer
toe. Ofschoon Columbus zich daardoor niet liet misleiden, oordeelde hij het
toch maar ’t verstandigst de zelfverdediging aan te nemen. Een van de
matrozen op de Pinta beweerde, dat een Indiaan heel nadrukkelijk aan den
kapitein van de Pinta had gezegd, dat er slechts op een paar mijlen afstands
een mijn lag, die verbazend veel goud bevatte. Dit had den gouddorst van
Pinzon opgewekt. Hij dacht, dat
[63]hij
zijn schip spoedig vol laden kon, om met die kostbare vracht naar Spanje
terug te keeren, en dat hij zijn gedrag kon verdedigen door voor te geven,
dat hij door een storm van Columbus was afgeraakt.
Maar te vergeefs had men naar de mijn gezocht. Pinzon kon
zich met zijn schip te midden van kleine eilandjes en zandbanken niet vrij
bewegen en werd ongerust. Kreeg hij met zijn schip een ongeluk, waardoor het
niet meer te gebruiken zou wezen, dan was het bijna onmogelijk, dat hij ooit
weer naar Spanje kon terugkeeren. Daarom zette hij weer koers naar
Hispaniola, en het is waarschijnlijk, dat hij verlangend naar den admiraal
uitzag. Gedurende de scheiding was hij echter een rivier opgevaren, had daar
drie weken vertoefd en er door handel met de inboorlingen een groote
hoeveelheid goud gekregen. Men zegt, dat hij de eene helft er van voor zich
zelf hield, en de andere onder de zeelieden verdeelde, om hun het
stilzwijgen op te leggen.
In den avond van den 9en gingen de schepen
gezamenlijk onder zeil. Den volgenden dag ankerden zij in den mond van
dezelfde rivier, waar Pinzon handel had gedreven. Columbus noemde deze
rivier Rio de Gracia, maar nu heet zij Porto Caballo. De wilden klaagden
over Pinzon, omdat hij vier mannen en
[64]twee
jonge meisjes met geweld had meegenomen, die Columbus dan ook aan boord van
de Pinta vond. Pinzon had ze stellig in Spanje willen verkoopen, maar nu gaf
Columbus bevel allen vrij te laten. Ook gaf hij hun vele geschenken tot
vergoeding van het doorgestane leed. Pinzon was heel boos, en gaf onwillig
en morrend toe.
Toen men het anker weer lichtte, hadden zij een gunstigen
wind tot kaap Cabron toe. Hier ontmoetten zij een zeer sterk ras van wilden,
waarvan de krijgslieden zich afschuwelijk leelijk beschilderd hadden, gelijk
de eerste vechtersbazen van de Indianen in Noord-Amerika doen. Zij waren met
strijdknodsen gewapend en hadden zeer sterke bogen en pijlen met beenen
punten en van hard hout, zoodat zij met bijna dezelfde kracht als een
geweerkogel, iemand konden doorboren. Ook droegen zij zwaarden van heel hard
hout, en als ijzer zoo zwaar. “Zij waren niet scherp,” schrijft Las Casas,
“maar een paar vingers dik, en met één houw kon men er iemands helm mee in
tweeën slaan.”
De wilden waagden het niet de Spanjaarden aan te vallen.
Integendeel, er was er één, die aan boord kwam, om pijlen en bogen te
verkoopen. Columbus verstond hem zeker verkeerd, wanneer hij meende, dat hij
door gebaren gezegd had, dat er in de nabijheid een eiland was, waar
uitsluitend vrouwen woonden, die van tijd tot tijd door de Caraïbiërs werden
bezocht. Werden er kinderen geboren, dan nam men de jongetjes mee, en liet
de meisjes bij de moeders achter. Columbus heeft hem stellig niet begrepen,
want het is haast niet te onderstellen, dat de wilde guitig genoeg was, om
de vreemdelingen zoo bij den neus te nemen.
Columbus had ook verstaan, dat er zich in de wateren daar
meerminnen ophielden, en hij zag er werkelijk eenigen. Het zijn misschien
zeekalveren geweest. De koppen hadden eenige overeenkomst met het hoofd van
een mensch. Columbus ontving zijn gast met groote vriendelijkheid, in de
hoop daardoor een aangenaam verkeer met den volksstam te bewerken. Maar het
bleek, dat de moedige wilde aan boord gekomen was als verspieder, want,
nadat men hem rijkelijk van geschenken voorzien en met een boot aan wal
gebracht had, begon hij te schreeuwen; dadelijk kwamen er vele wilden uit
een hinderlaag te voorschijn en sloten zich bij hem aan. Zij deden hun best,
om het scheepsvolk gevangen te nemen. Er ontstond een geduchte strijd. De
Spanjaarden waren veel beter gewapend dan zij, en nadat de Europeanen twee
gewond hadden, kozen de anderen het hazenpad. Dit was het eerste gevecht
tusschen Europeërs en de Indianen der Nieuwe
[65]Wereld,
en, och, of het tevens het laatste mocht geweest zijn! De oorlog, op deze
wijze begonnen, werd in latere jaren zoo geducht, dat de grond van bijna
alle eilanden roodgekleurd werd door menschenbloed, en de inboorlingen
geheel werden uitgeroeid.
Het speet Columbus zeer, dat dit had plaats gehad. Hij was
bang, dat het aanleiding geven zou tot een bloedigen aanval op zijn
garnizoen. Den volgenden dag kwamen er vele Indianen op het strand. Zij
legden geen vijandelijke bedoelingen aan den dag, maar waren
vriendschappelijk en vol vertrouwen. Een boot goed gewapende matrozen werd
naar den wal gezonden. Dezen hadden een snoer schelpen bij zich, die, naar
Columbus’ meening, bij de Indianen was wat bij beschaafde volken een
vredevlag is.
Het opperhoofd ging, met een vertrouwen, dat in deze
omstandigheden wonderlijk schijnt, met drie mannen in de boot, en werd naar
het schip van den admiraal geroeid. Zij werden hartelijk ontvangen en op de
smakelijkste spijzen onthaald, die men op het schip had. Al wat er
belangrijks te zien was werd hun getoond, en met vele geschenken, die door
een menigte wilden werden bewonderd, keerden zij naar het strand terug. Uit
dankbaarheid voor al die weldaden zond het opperhoofd zijn gouden kroon aan
Columbus. Uit latere beschrijvingen kan worden opgemaakt, dat dit opperhoofd
Mayonabex heette, en de volksstam de Ciguayanen genoemd werd.
De vriendelijkheid had de gewenschte uitwerking. Columbus
bleef er drie dagen, en de vriendschappelijke gezindheid duurde al dien tijd
voort. Ofschoon het volk onder de wapenen bleef, bracht het toch onbevreesd
katoen, vruchten en allerlei groenten op het schip. Er waren vier
verstandige en hartelijke jonge mannen onder, waaraan Columbus zeer gehecht
werd. Toen hij wegzeilde naar andere eilanden, die naar hun zeggen eenige
mijlen oostwaarts lagen, gingen zij uit eigen beweging mee.
Den 16en Januari voeren de schepen weg.
Columbus noemde de baai, die zij verlieten, en nu onder den naam van de golf
van Samana bekend is, de Pijlengolf. Nadat zij ongeveer 60 mijlen afgelegd
hadden, en het eiland Porto Rico naderden, werd de wind voor de thuisreis
allergunstigst. Toen de matrozen gewaar werden, dat de schepen van den weg
naar Spanje afweken, om nog het genoemde eiland aan te doen, begonnen zij te
morren en drongen er op aan naar huis te gaan. Columbus wist, dat hij geen
tijd verliezen kon, omdat zijn schip erg lek was, en de zeelieden op het
punt stonden oproerig te worden. Op
[66]de
trouw van Pinzon viel weinig te rekenen, en zoo hij weer schipbreuk leed,
kon het gebeuren, dat hij zelf met al zijn aanteekeningen en gedenkschriften
een graf vond in den oceaan. Dan zou de kennis van de groote ontdekking voor
de wereld verloren zijn.
Tot groote vreugde der matrozen wendde Columbus het roer,
en zette koers naar Spanje. Hij had waarschijnlijk weinig moeite de vier
jonge Indianen tot die reis over te halen, daar hij hun beloven kon ze
spoedig weer naar hun land terug te zullen brengen, als hij hun eerst de
wonderen van de oude wereld had laten zien.
Niets is veranderlijker dan de wind, zegt het spreekwoord.
In den verderen loop van Januari waren er nu eens zachte koelten dan weer
windstilten. De Indianen sprongen vaak zoo maar in de effen zee, en zwommen
als visschen om de schepen heen.
Even als in ’t menschelijk leven werd kalmte door stormen
afgewisseld. Vreeselijke orkanen zweepten den oceaan, en de razende golven
dreigden hen te verslinden. De admiraal zag zich dikwijls genoodzaakt het
zeil in te halen, opdat de Pinta bij kon blijven. Door wolken, duisternis en
hooge golven omringd, wisten zij niet, waar zij zich bevonden, en Pinzon,
zoowel als de twee stuurlieden, verschilden in gevoelen hieromtrent met
Columbus. Naar hun meening waren de schepen 400 mijlen dichter bij Spanje
dan Columbus dacht. Columbus had gelijk. Las Casas maakt de merkwaardige
opmerking, dat Columbus hen niet uit de dwaling hielp, en hen zelfs nog meer
in de war trachtte te brengen, opdat zij niet meer zouden weten, hoe zij
reizen moesten, en hij alleen de rechte kennis zou hebben van den te volgen
weg.
Wij kunnen dit vreemde verhaal niet gelooven. Pinzon toch
en de drie stuurlieden waren in den dienst vergrijsde matrozen. Ze waren
naar de Nieuwe Wereld geweest, kwamen nu terug, en moesten dus wel den te
volgen weg kennen. Toen zij het einde van hun lange reis naderden, stak er
den 12en Februari een verschrikkelijke storm op, die met steeds
grootere kracht drie dagen aanhield. In dezen storm verloor men de Pinta uit
het gezicht. Lang niet ongegrond was Columbus’ vrees, dat de zwakke karveel
met man en muis door de onstuimige zee was verslonden.
Een droevige morgen volgde akelig en stormachtig op een
langen nacht. De oceaan bleef woest, en men zag niets, dan de razende
golven, men hoorde niets dan haar dreigend
[67]geloei.
In overeenstemming met de gebruiken van dien tijd, werd het lot geworpen, om
te zien, wie, zoo hij uit den storm mocht worden gered, een pelgrimstocht
zou doen naar de reliquieën van de Heilige Maagd te Guadaloupe, met een 5
ponds waskaars in de hand. Men deed boonen in een muts, en maakte op één er
van een kruis. Columbus was de eerste die er een uitnam. Het lot viel op
hem. Op nieuw werd het lot geworpen voor een pelgrimstocht naar de
reliquieën van de Maagd te Loretto. Het viel op een matroos, wiens naam
Pedro de Villa was. De admiraal beloofde hem de kosten van zijne reis voor
zijne rekening te nemen.
De gelofte scheen niet veel te helpen, want de storm hield
met onverminderde woede aan. Om aan de Heilige Maagd een nog grootere
belooning aan te bieden, wanneer zij te hunnen behoeve tusschen beide wilde
komen, legden Columbus en zijn volk de belofte af, dat zij in het eerste
land, waar zij zouden komen, zoo daar een kerk mocht zijn aan haar gewijd,
allen in plechtigen optocht, barrevoets en in het hemd naar haar reliquieën
zouden gaan, haar hun gebeden opdragen en haar lof zouden zingen.
Nog altijd gierde en huilde de storm. De ongerustheid van
Columbus in deze dreigende gevaren, waarbij hij meer aan het te loor gaan
van de groote ontdekking dan aan het verlies van zijn leven dacht, kan het
best in zijn eigen woorden worden
uitgedrukt, die hij tot
den koning richtte.
“Ik zou dezen tegenspoed,” schrijft hij, “met minder
verdriet hebben kunnen dragen, als ik alleen in gevaar was geweest, want den
Schepper ben ik levenslang veel verschuldigd, en tusschen mij en den dood is
vaak maar één schrede geweest. Maar deze gedachte veroorzaakte mij veel
verdriet en zorg, dat God, na mij met zijn licht bestraald, na mij geloof en
vertrouwen in deze onderneming te hebben gegeven, thans alles door mijn dood
zou te niet doen, nu ik op het punt stond mijn bestrijders te overtuigen, en
Uwe Majesteit grooten roem en aanzienlijke vermeerdering van gebied te
verzekeren. Ook zou de tegenspoed verdragelijker zijn geweest, als ik niet
door menschen vergezeld was geworden, die ik door overreding meelokte, en
die in hun angst het uur van hun heengaan niet alleen vervloekten, maar
evenzeer de vrees, die hun mijn woorden inboezemden, en hen belette terug te
keeren, waartoe zij dikwijls besloten.
“Boven alles werd mijn verdriet verdubbeld, als ik aan
mijn beide zonen dacht, die ik in een vreemd land op een school te Cordova
arm achterliet, zonder eenig bewijs van de door hun
[68]vader
bewezen diensten, die, zoo ze bekend waren, Uwe Majesteit misschien bewogen
zouden hebben hen in Uw gunst te doen deelen. En ofschoon ik aan den eenen
kant getroost werd door het geloof, dat God niet zou dulden, dat een arbeid,
die op de verheerlijking Zijner kerk uitloopen moest en onder zooveel
moeiten en strijd was verricht, onvoltooid bleef, dacht ik toch aan den
anderen kant met het oog op mijn zonden, dat het Gods bedoeling kon zijn mij
te straffen door mij den roem te doen missen, die mij in deze wereld zou ten
deel vallen.”
In deze angstvolle uren schreef Columbus op perkament een
kort verhaal van zijn ontdekking. Het werd zorgvuldig ingepakt, verzegeld en
aan den koning en de koningin geadresseerd. Bovenop stond de belofte
geschreven, dat hij ƒ 5000 bekomen zou, die het pakje ongeopend aan hun
Majesteiten overhandigde. Het geheel werd in een wassen omslag gewikkeld en
in een koek van was gestoken. Die werd nog weer in een sterke, waterdichte
doos gedaan en in de onstuimige zee geworpen. Of zij ooit gevonden werd is
niet bekend.1
Langzamerhand bedaarde de storm. De lucht in het Westen
helderde op, en dit was een teeken, dat de storm voorbij was. Des nachts
schenen de sterren weer in al haar glans. Ofschoon de golven nog zeer
ontstuimig bleven, kwam de zon des morgens aan een wolkeloozen hemel op, en
deed een voordeelige wind de zeilen weer zwellen. Juist toen de zon opkwam,
werd de vreugdevolle kreet: land! gehoord.
Zooals Columbus dacht, was het ook. Op 15 mijlen afstands
zag men de Azoren. Spoedig echter stak de wind weer op, en wakkerde hij tot
een nieuwen storm aan. Tegenwind dreef hen terug, en eerst aan den avond van
den 17en kon men aan de noordzijde van het eiland St. Maria, het
zuidelijkste eiland van de Azoren, het anker uitwerpen. De bewoners
verwonderden zich zeer, dat zulke zwakke vaartuigen aan de kracht van
stormen weerstand hadden kunnen bieden, die vijftien dagen lang den oceaan
met zeldzame woede gezweept hadden.
[69]
De vrome Columbus bracht zijn volk de belofte in
herinnering, om in optocht naar de eerste kerk te gaan, die zij, ergens
landende, vinden zouden, en aan de Heilige Maagd was gewijd. Trouw hield men
een gelofte, die in die dagen niet vreemd was. Eerst ging de eene helft van
de bemanning met een priester voorop, om de mis te bedienen. Allen liepen in
het hemd.
St. Maria was een Portugeesch eiland. Toen de eerste
processie of omgang verscheen, en dan nog wel zóó, liep het heele dorp uit,
om er naar te kijken. De gouverneur was ook over deze vertooning verwonderd,
en, niet wetende wat dit beteekenen moest, liet hij een escadron dragonders
aanrukken, en nam hen allen gevangen. De ongekleede en ongewapende mannen
konden niet vechten, en de kapel lag achter een hoogte, zoodat Columbus haar
niet kon zien. Maar toen hij hoorde, wat er had plaats gegrepen, schreef hij
het aan de vijandelijke houding toe, die het Portugeesche hof tegenover hem
en zijn onderneming had aangenomen.
Hij had een onderhoud met den gouverneur, waarbij scherpe
woorden werden gewisseld. De gouverneur, Castaneda, was niet vriendelijk
gestemd. Hij nam een trotsche houding aan en verklaarde, dat al, wat hij
gedaan had, met de bevelen van den koning overeenkwam. Columbus vreesde, dat
er gedurende zijn afwezigheid een oorlog tusschen Spanje en Portugal was
uitgebroken. Hij wapende al zijn manschappen, en bereidde zich krachtig
voor, om te voorkomen, dat men hemzelf gevangen nam. Een sterke wind verhief
zich, die recht op het strand aankwam, en dus de ankerplaats onveilig
maakte, zoodat Columbus genoodzaakt werd zee te kiezen. Twee dagen dreef hij
in groot gevaar rond, terwijl de helft van zijn scheepsvolk gevangen zat.
Den 22en bedaarde het weder. Toen hij op de
ankerplaats kwam, zag hij een Portugeesche boot met twee priesters en een
hoofdofficier van de Regeering op zich afkomen.
Deze beambte gedroeg zich veel vreedzamer dan
Castaneda geweest was. In
naam van den gouverneur verzocht hij inzage in de scheepspapieren. Het
schijnt, dat de gouverneur hen voor zeeroovers had aangezien, die destijds
alle zeeën onveilig maakten. Columbus, die nog altijd vreesde, dat hij door
verraders vervolgd werd, liet zijn geloofsbrieven zien. Dit gaf algeheele
voldoening, en de naakte pelgrims kregen de vrijheid terug.
Toen de zaak zoo afgeloopen was, ging Columbus
blootshoofds en barrevoets met de andere helft van zijn volk ter vervulling
zijner geloften naar de reliquieën van Onze Lieve Vrouwe. Van
[70]Pinzon
hoorde men niets. Waarschijnlijk was hij omgekomen. Columbus ging den 24en
Februari, na een oponthoud van vijf dagen op St. Maria, weer onder zeil.
Toen hij omstreeks 300 mijlen van kaap St. Vincent verwijderd was, begon het
op nieuw te stormen. Op het laatst kwamen er woorden van ontevredenheid over
de lippen van den heldhaftigen admiraal. Nu hij zoo dicht bij huis kwam,
vond hij het hard, dat hij, na met zoo vele stormen gekampt te hebben, nu
weer zoo fel bestreden werd. In het tropische paradijs door hem ontdekt, had
het nauwelijks hard gewaaid. Daar was de lucht zonnig, de wind met
liefelijke geuren vervuld en de zee kalm. Gelukkig kwam hij goed van den
storm af.
Op den 4en Maart werd Columbus bij het
aanbreken van den dag aangenaam verrast door het zien van Cintra, een rots,
die dicht bij den mond van de
Taag, in Portugal, ligt. Ofschoon hij van de zijde van het Portugeesche hof
voor verraad vreesde, werd hij toch door het stormachtige weer genoodzaakt,
die rivier op te varen, ’s Middags te 3 uur kon hij tegenover Rastello
veilig ankeren. De menschen hadden al den heelen morgen op het strand staan
te kijken naar den strijd van het broze vaartuig met de woedende elementen.
Ieder oogenblik hadden zij verwacht, dat het door de hooge golven, waardoor
het geteisterd werd, in de diepte zou worden geslingerd. Zij klouterden
tegen het schip op, en wenschten allen aan boord geluk met hunne
wonderbaarlijke redding. De meest ervaren zeelieden betuigden, dat zij nog
nooit een winter met zulke aanhoudende en geweldige stormen hadden beleefd.
Onmiddellijk zond Columbus een koerier naar het Spaansche
hof, om zijn aankomst te berichten. Ook vroeg hij het Portugeesche hof
schriftelijk verlof, om de haven van Lissabon te mogen inzeilen. Op de ree
lag een groot oorlogsschip voor anker. Het was een Portugeesch wachtschip.
Den volgenden dag gelastte de Portugeesche kapitein den Spaanschen admiraal
bij hem aan boord te komen. Columbus zei, dat zijn waardigheid dit niet
gedoogde; hij eischte recht en weigerde niet alleen zelf te komen, maar
evenzeer een plaatsvervanger te sturen. Zoodra de kapitein, Don Alonzo de
Acuna, van Columbus’ hoogen rang en van de buitengewone reis kennis droeg,
bewees hij hem al de hulde, die de eene dappere den anderen schuldig is. Hij
bemande zijn grootste boot, tooide die met vlaggen, plaatste de stafmuziek
er ook in, en ging zelf in het achterschip zitten, om den admiraal een
bezoek te brengen. Ten volle zijn rang
[71]erkennende
en den grooten dienst, dien hij aan de wereld bewezen had, stelde hij zich
zelf en zijn schip beleefd ter beschikking van den grooten ontdekker.
Toen het nieuws Lissabon bereikte, dat Columbus, die zoo
lang maar te vergeefs de hulp van Portugal had ingeroepen, werkelijk een
nieuwe wereld ontdekt had, en nu, na zijn roemvolle reis, veilig op de Taag
voor anker lag, ging de opgewondenheid haast alle perken te buiten. Schuiten
en booten van allerlei soort verdrongen elkander op de rivier, en gingen om
het schip heen, dat vol stond met menschen, en met zulke vreemde vruchten,
alsof ze van de sterren waren gehaald. Oud en jong, mannen en vrouwen, rijk
en arm, ieder was nieuwsgierig. Van den morgen tot den avond verdrongen de
bezoekers elkander op het schip. Al het geduld van Columbus en van het
scheepsvolk was noodig, om telkens en telkens weer een verhaal van hun
wedervaren te geven. De verbazing van de menigte werd het allereerst geboeid
door de Indianen met hun schitterend kleed van fraai gekleurde franje en
veeren, dat zij op feestdagen droegen. Ook wekte al het goud bewondering op.
Nooit hadden ze ook zulke planten en dieren gezien. Zoowel het hof als het
volk gevoelde spijt, dat zulk een ontzaglijk voordeel hun ontgaan was.
Koning Jan hield zich toen te Valparaiso op, omstreeks 30
mijlen van Lissabon. Op den 8en Maart kwam een Portugeesche
grande namens den koning bij Columbus, om hem met zijn aankomst geluk te
wenschen, en hem aan het hof te verzoeken. Ook vaardigde de koning het bevel
uit, dat alles, wat de admiraal voor zich, voor zijn schip of zijn
scheepsvolk noodig had, kosteloos moest verstrekt worden. Columbus begaf
zich aanstonds op reis naar Valparaiso. Overal moest hij onderweg, dit wilde
de koning, op de ruimste wijze onthaald worden.
Toen hij bij het paleis kwam, gingen alle leden van de
koninklijke hofhouding hem te gemoet, en voerden hem in de tegenwoordigheid
van den koning. Deze ontving Columbus met de meeste onderscheiding, deed hem
naast zich plaats nemen, alsof hij ook van koninklijken bloede was en
verzekerde hem, dat alles, wat hem in zijn koninkrijk van dienst kon zijn,
ter zijner beschikking stond.
De koning luisterde met gemengde gewaarwordingen, zoo van
vreugde als van spijt, naar het verhaal van den rijkdom, de schoonheid en de
talrijke bevolking van de wonderwereld, die Columbus door zijn ontdekking
het Spaansche rijk schonk. Er werd bepaald, dat Columbus den nacht de gast
zou zijn van
[72]een
der hoogste adellijken aan het hof. Den volgenden dag verlangde de koning
een tweede onderhoud. Blijkbaar had hij des nachts tal van vragen bedacht
met betrekking tot den te volgen weg voor de reis, het klimaat, den grond,
de voortbrengselen van de streken, die hij bezocht had, en het vooruitzicht,
om goud te krijgen.
Een lage geest van nijd en ijverzucht vervolgde Columbus.
Zij, die met zijn onderneming den spot gedreven hadden, trachtten nu op alle
mogelijke manieren zijn diensten te onderschatten. Zijn daden hielden zij
voor de uitvloeisels van de onedelste beweegredenen. De waarde van de
ontdekking werd geminacht. Zij beschuldigden hem van blufferij en
grootsprekerij, en trachtten hem belachelijk te maken.
Sommigen, ziende, dat de koning geheel uit zijn humeur
was, stelden voor Columbus te vermoorden, als een middel om de voortzetting
van deze ondernemingen te beletten, bewerende, dat hij den dood verdiende,
omdat hij door zijn beweerde ontdekkingen beide volken poogde te misleiden
en oneenig te maken. Dat de moord gemakkelijk kon worden volvoerd zonder
eenig schandaal te verwekken, wist men elkander te duidelijk te maken; men
kon van zijn hooghartigheid gebruik maken, en die kwetsen, hem in een twist
wikkelen en dan om het leven brengen, alsof het een toevallig en eervol
gevecht was geweest.
Dit feit wordt zoowel door Portugeesche als Spaansche
geschiedschrijvers voor waarheid gehouden. En ’t is zoo, in die dagen van
onwetendheid en ondeugd, kon er haast zoo’n slechte daad niet zijn, die aan
de Europeesche hoven geen verdedigers vond. Maar koning Jan II verwierp het
schandelijke voorstel, ofschoon hij verbazend veel spijt gevoelde, wanneer
hij aan het door Portugal geleden verlies dacht, en aan het voordeel en den
roem, die Spanje kreeg, omdat hij de onderneming van Columbus niet had
willen steunen.
Enkelen van ’s konings raadgevers stelden voor, dat men
Columbus verlof zou geven naar Spanje terug te keeren, en dan onmiddellijk
een sterke vloot uitzenden, om de pas ontdekte landen in den naam van
Portugal in bezit te nemen, nog meer verkenningen doen en koloniën vestigen.
De koning was laag genoeg, om aan die inblazingen het oor te leenen.
Heimelijke maar tevens krachtige maatregelen werden er genomen, om een
smaldeel uit te zenden, en een van de beroemdste zeekapiteins dier dagen,
Don Francisco de Almeida, werd het bevel opgedragen.
Door een groot aantal ruiters werd Columbus naar zijn
schip [73]begeleid.
De koningin was in een klooster te Villa Franca. Op haar ernstig verzoek
hield Columbus zich daar op, en werd met de vleiendste oplettendheden
ontvangen. De koningin was door de voornaamste dames uit het land omringd.
Met groote belangstelling luisterde zij naar het verhaal van Columbus,
waarin meer dichterlijke voorvallen voorkwamen, dan in de verzonnen verhalen
van de beroemdste schrijvers.
Toen de admiraal op de Nina teruggekomen was, stak hij den
13en Maart in zee, en een tweedaagsche vaart bracht hem te Palos.
Zijn eenzaam scheepje voer op den middag de haven binnen, die hij den 3en
Augustus van ’t vorige jaar verlaten had. Hij was dus nog geen volle zeven
maanden weg geweest voor de merkwaardigste reis, die ooit ondernomen werd.
De terugkomst van Columbus te Palos, met de bewijzen, die
aan geen twijfel onderhevig konden zijn, van zijn groote ontdekking, werd de
aanleiding tot een tooneel van vreugde, zooals deze aarde zelden heeft
gezien. Terwijl er maanden voorbij gingen, waarin men geen tijding kreeg,
werd er ondersteld, dat allen, die aan dien tocht deelgenomen hadden,
omgekomen waren te midden van onbewuste gevaren op een onbekende zee.
De verschijning van de door storm geteisterde karveel,
langzaam de haven inzeilende, bracht de eerste tijding van de avonturiers
sedert hun vertrek. De Nina was alleen, en de beide andere schepen zag men
niet. De verschrikkelijke stormen van den vorigen winter hadden de algemeen
gedeelde vrees vermeerderd, dat de twee schepen door de onstuimige golven
waren verzwolgen. De onzekerheid was vreeselijk. Er was haast geen familie
in Palos, waarvan niet een vriend of bloedverwant deelgenomen had aan den
tocht. Zoodra het schip de ankerplaats bereikt had, en men den gunstigen
uitslag van de reis vernam; ook dat het scheepsvolk van de Santa Maria zich
op de Nina bevond, en men nog vóór een paar dagen de Pinta had gezien, was
de vreugde onbeschrijfelijk. Een van de eerste daden van den vromen man was
met al zijn volk naar de kerk te gaan, om God voor de gelukkige thuiskomst
te danken.
De blijde tijding vloog over Spanje, als het vuur over de
prairieën. Vreugdevuren brandden op de hoogten, uit elke vesting hoorde men
saluutschoten en alle kerkklokken werden geluid. Om de vreugde nog grooter
te maken, liep in den avond van dezen zelfden dag, terwijl de klokken
luiden, het kanon losbrandde en het volk juichte, de Pinta de haven binnen.
Door den storm voortgedreven, was het Pinzon gelukt de haven van
[74]Bayonne,
in de baai van Biskaye, te bereiken, en kon hij er het einde van den storm
afwachten.
Toen hij de haven van Palos inkwam, en getuige werd van de
geestdrift, waarmee Columbus ontvangen was, kan het wel zijn, dat de
gedachte aan zijn misdaad, het ontvluchten van zijn admiraal, hem zeer ter
neer drukte. Het was zijn eigen schuld. Het stond gelijk met het wegloopen
van een soldaat op het oorlogsveld, en stelde hem aan gevangenisstraf en
zware kastijding bloot. Zijn verdriet was zoo groot, dat hij een boot nam,
alleen aan land ging, zijn woning opzocht en zich niet op straat vertoonde,
vóór de admiraal op reis was gegaan naar het hof.
Deze noodlottige afval is zeer te betreuren. Ontkend
worden kan het niet, dat de goede uitslag van den tocht voor geen gering
deel aan Martin Alonzo Pinzon te danken was. Hij was een van de eersten in
Spanje, die de plannen van Columbus naar waarde kon schatten. Met zijn geld
en zijn persoonlijken invloed ondersteunde hij den armen avonturier
krachtig, en even belangrijk was zijn hulp bij de aanschaffing en uitrusting
van schepen. En eindelijk, hij scheepte zich met zijn broeder en vrienden
in, zoodat hij niet alleen zijn rijkdom maar ook zijn leven in de waagschaal
stelde.
Ook moet, om geen te scherp oordeel te vellen, gezegd
worden, dat hij een zeer bekwaam zeeman was, die veel ondervinding had. In
dat opzicht stond hij niet beneden Columbus. Hij was een man van hoogen
stand en werd door een edele eerzucht bezield.
Zijn geschiedenis leert, hoe één plicht verzuim de
verdienste van duizend diensten te niet kan doen; hoe één oogenblik van
zwakheid de schoonheid van geheel een deugdzaam leven bederven kan, en hoe
allernoodzakelijkst het voor een mensch is, om onder alle omstandigheden
waar te zijn, niet slechts tegenover anderen, maar ook tegenover zich zelf.
Pinzon was in ongenade gevallen, en mocht niet aan het hof
komen. Niet lang daarna werd hij ernstig ziek, waarbij zich waarschijnlijk
ook een zielsziekte voegde, en—eindelijk stierf hij. Later heeft Karel V,
zijn familie, uit erkentelijkheid voor zijn schitterende diensten, tot den
adelstand verheven. Zij mocht ook een wapen voeren, waarop de groote
ontdekking zinnebeeldig was voorgesteld.
De koning en de koningin waren te Barcelona, dat zeven
honderd mijlen van Palos ligt. Onmiddellijk werd er een boodschap naar
Columbus gezonden, en verzocht men hem ten hove
[75]te
verschijnen. Dit noodzaakte hem tot het afleggen van een lange reis, die in
deze omstandigheden een ware triomftocht was. Van het eiland had hij tien
Indianen meegenomen, waarvan er één onderweg stierf. Drie moest hij te Palos
achterlaten, omdat ze ziek waren, en dus konden maar zes met hem meegaan.
Voor een reis door het hart van Spanje was het jaargetijde
prachtig. Op elke mijl bijna werd Columbus met een gejuich ontvangen, als
wellicht nog nooit te voren een sterveling ten deel viel. De Indianen, die
hem vergezelden, waren prachtig versierd en droegen gouden tooisels en
kroontjes met fraai gekleurde veeren. Men liet aan de duizenden
nieuwsgierigen alle voortbrengselen der nieuwe wereld zien, die hun vreemd
waren.
De optocht te paard was indrukwekkend. Columbus bereed een
prachtig ros en werd door een grooten stoet vergezeld. Langs den weg
stroomde het landvolk bij duizenden toe, om van die zeldzame vertooning
getuigen te zijn. De straten, de vensters, de balkons waren opgepropt met
nieuwsgierigen. Nooit heeft een koninklijke triomftocht dit schouwspel
overtroffen. Omstreeks half April kwam hij te Barcelona aan. De meeste
adellijke personen van Castilië en Arragon hadden zich derwaarts begeven, om
hem hulde te bewijzen. Toen de ruiterstoet de stad naderde, gingen allen hem
te gemoet, vormden een langen trein en begeleidden hem naar het paleis.
Ferdinand, Isabella en prins Jan, hun zoon, zaten onder
een zijden troonhemel in een groote zaal, die voor deze gelegenheid in
gereedheid was gebracht. De edellieden en de voornaamste personen van de
beide rijken vulden verder de zaal. Toen Columbus binnentrad, richtte aller
oog zich op hem.
“Men kon hem dadelijk herkennen,” schrijft Las Casas,
“want zijn gestalte was lang en majestueus, zijn houding deftig en zijne
gelaatstrekken waren vol uitdrukking. Zijn lange, grijze haren maakten zijn
verschijning nog eerwaardiger. Een glimlach speelde om zijn mond, en
verried, dat hij voor de hulde, die men hem bewees, niet ongevoelig was.”
Toen Columbus de vorsten naderde, stonden zij uit eerbied
op, en verzochten hem naast hen plaats te nemen. Deze eer ontvingen alleen
personen van den hoogsten rang. Overeenkomstig de hofgebruiken, knielde
Columbus neer, en wilde hun handen kussen. Na eenige aarzeling stonden ze
dit toe. Nadat hij was gaan zitten, deed de admiraal aan het koninklijk
echtpaar en het talrijk gehoor, een verhaal van de merkwaardige
gebeurtenissen op zijn reis. Hij liet de vogels van het land zien, met hun
[76]zeldzaam
prachtige veeren; enkelen leefden, anderen waren opgezet. Stofgoud, gouden
snuisterijen en sieraden, en vooral de gouden kroontjes, die door de wilden
zoo kunstig mogelijk waren bewerkt, trokken de aandacht van vorsten en
edelen, allen evenzeer hongerend en dorstend naar goud. Ook de inboorlingen
met hun groote gestalte en met een leest, die een beeldhouwer niet schooner
zou hebben kunnen maken, met hun vriendelijken lach en innemende manieren,
zoo netjes gekleed in hun schitterend feestgewaad, trokken groote en
voortdurende belangstelling.
Het is vermeldenswaard, dat de koning, de koningin en alle
aanwezigen bij het einde van het verhaal op de knieën vielen, in de handen
klapten en in den dank deelden door het koor in de woorden van het lied
uitgedrukt: “U, o God! prijzen wij.” Kreten of luidruchtige openbaringen van
gevoel werden niet gehoord. Het opgewekte gevoel was te diep om zich luide
te uiten, en in veler oogen stonden tranen.
Maar wat is de mensch! Deze ontdekking, die voor allen een
groote zegen had kunnen worden, bleek voor de bewoners van de Nieuwe wereld
een vloek te zijn.
Het was een eeuw van onkunde. Bijna niemand verhief zich
boven de toen overal heerschende dweeperij, boven het bijgeloof. Columbus
moet men dan ook niet in het licht van de 19e, maar van de 15e
eeuw beschouwen. Altoos peinsde hij nog maar over de bevrijding van het
Heilige Graf. Aan dit plan wilde hij al het geld besteden, dat zijn groote
onderneming hem opleveren zou. Op zich zelf waren goud en eer niets voor
hem, alleen voor zoo ver ze hem dienstbaar konden zijn aan de uitvoering van
zijn vroom plan, waarop God naar zijn mening met welgevallen nederzag. Hij
hield zich van het welslagen zoo vast verzekerd, dat hij de gelofte deed
binnen zeven jaren een leger van 50000 man voet- en 4000 man paardevolk op
de been te zullen brengen, om Palestina van de Turken te bevrijden.
Dit denkbeeldig plan was met hem samengegroeid; zijn hart
en zijn verstand waren er van vervuld. Het kwam hem voor, dat de hemel hem
daarom uitgekozen en voor zijn groote onderneming met een zeldzamen geest
bezield had, opdat hij dien heiligen kruistocht tot eer van God en tot heil
van de menschen gelukkig zou ten einde brengen. Hieruit blijkt, dat zijne
plannen volstrekt niet zelfzuchtig waren; dat hij ver boven inhaligheid
verheven was, en hoe vol hij was van vrome en heldhaftige plannen, zooals
die tijdens de kruistochten ook de hoofden verhit
[77]en
de ondernemingen van de dapperste krijgslieden en de grootste vorsten geleid
hadden.
[Inhoud]
Zevende Hoofdstuk.
De tweede reis.
De opgewondenheid, door de groote ontdekking van Columbus
veroorzaakt, deelde zich aan de geheele beschaafde wereld mee. Genua was er
trotsch op en juichte, dat de groote ontdekker daar het levenslicht had
gezien. Engeland was destijds een zeemogendheid van weinig beteekenis. Toen
het nieuws Londen bereikte, beschouwde men de geheele gebeurtenis meer van
goddelijken dan van menschelijken aard. Sebastiaan Cabot was toen te Londen.
De tijdingen wekten de vurige begeerte bij hem op, om ook zulke heldhaftige
daden te doen. Zoo is hij er toe gekomen die beroemde zeereizen te doen,
welke zijn naam onsterfelijk hebben gemaakt.
Om de gevoelens duidelijk te maken, die in de harten der
geleerden van dien tijd werden opgewekt, zullen we een kort uittreksel
meedeelen van een brief, door Peter Martyr aan zijn geleerden vriend
Pomponius Laetus geschreven.
“Waarde Pomponius, gij schrijft, dat gij van vreugde
opsprongt en tevens hebt geweend, toen gij mijn brief laast, waarin het
bestaan van de onbekende wereld der tegenvoeters wordt bevestigd. Gij hebt
gehandeld en gevoeld zooals het een man past, die om zijn geleerdheid
beroemd is; want ik ken geen smakelijker voedsel voor een ontwikkeld en rijk
verstand dan zulk nieuws. Mijn geest is telkens zeer opgewekt, wanneer ik
met verstandige lieden spreek, die in die oorden zijn geweest. Zoo vroolijk
is een gierigaard, wanneer hij zijn rijkdom vermeerderd ziet. Ons hart, door
de dagelijksche zorgen van het leven verontrust, en door maatschappelijke
ondeugden verontreinigd, verheft zich en wordt verbeterd, wanneer het in
zulke roemrijke gebeurtenissen deelt.”
Niet één echter, die de eigenlijke beteekenis van de
ontdekking begreep. Algemeen geloofde men, Columbus zoowel als alle anderen,
dat hij een nieuwen weg naar die groote landen van Indië gevonden had, welke
nog nooit door beschaafde menschen waren bezocht. Bij niemand kwam de
gedachte op, dat de pas ontdekte landen deelen waren van een geheel onbekend
vastland, duizenden zeemijlen, zoowel van Indië als van Europa en Afrika,
[78]af.
Daarom werden die landen West-Indië genoemd. En daar die streken nog nooit
onderzocht waren geworden, en stellig grenzenloos groot zouden blijken te
wezen, kon men ze ook terecht de Nieuwe wereld noemen.
Gedurende Columbus’ verblijf te Barcelona, was hij het
voorwerp van ieders belangstelling. De koning en de koningin gaven hem
telkens nieuwe bewijzen van hun gunst. Ferdinand reed dikwijls te paard, met
Columbus aan den eenen kant en zijn zoon, prins Jan, aan den anderen. Hij
kreeg een wapen ter herinnering aan zijn daden. De buitengewone eer was hem
beschoren op zijn wapenschild de koninklijke wapens van Castilië en Leon te
mogen plaatsen met een eilandengroep door golven omringd er bij met de
zinspreuk:
Aan Castilië en Leon
Gaf Columbus een Nieuwe
wereld.
Aan Columbus werd het jaargeld toegelegd, dat de
souvereinen aan hem hadden beloofd, die het eerst land ontdekken zou. Velen
waren van gevoelen, dat dit niet eerlijk was. Het is niet zeker, dat het
door Columbus geziene licht, “een kaars lijkende, die op en neer ging,” van
een eiland kwam. En werkelijk waren er nog al sterke bewijzen, dat dit niet
zoo was geweest. Helps schrijft:
“Hunne majesteiten hadden een jaargeld van 10.000 marevedi1
beloofd aan den gelukkige, die ’t eerst land zien zou. De Pinta was vooraan,
en van haar dek zag des morgens te 2 uur Rodrigo de Triana het eerst land.
Voor dezen armen matroos kan het ons niet anders dan spijten, dat hij geen
belooning kreeg. De admiraal kreeg het jaargeld.”
Irving schrijft: “Op het eerste gezicht schijnt het met de
erkende grootmoedigheid van Columbus weinig te strooken, dat hij dien armen
zeeman den prijs deed ontgaan; maar dit raakte zijn eerzucht te zeer, en hij
was er zonder twijfel trotsch op, niet alleen de onderneming ontworpen, maar
ook zelf het land te hebben ontdekt.
“Maar
dit verschoont zijn gedrag niet, al wordt het er door verklaard. Het zou
Columbus veel meer tot eer hebben verstrekt,
[79]als
hij gezegd had: ten aanzien van het licht, dat ik zag, bestaat er
onzekerheid, maar zeker is het, dat Triana het eerst land heeft gezien.”2
Terwijl Columbus te Barcelona was, moet het bekende
voorval met het ei plaats gehad hebben. Volgens het verhaal noodigde Pedro
Gonzales de Mendoza, Groot-kardinaal van Spanje en de eerste onderdaan van
het rijk, Columbus op een feestmaal. De admiraal kreeg aan tafel de
eereplaats. Een van de hovelingen, die ijverzuchtig was op de eer, die den
ontdekker bewezen werd, vroeg hem, of hij dacht, dat, als hij de Indiën niet
ontdekt had, een ander het niet zou hebben kunnen doen. Columbus gaf geen
antwoord. Maar een ei nemende, verzocht hij ieder van het gezelschap te
beproeven, of hij het op één eind kon laten staan. Niemand evenwel kon het
doen. Nu zette Columbus het ei met een kleinen tik op tafel, waardoor het
een deuk kreeg, zoodat het staan kon. Zoo maakte hij duidelijk, dat het, nu
hij eenmaal den weg had gewezen, gemakkelijk was, dien weg naar de Nieuwe
wereld te volgen.
De Roomsche kerk leerde in die dagen, dat haar zendelingen
recht hadden, om invallen te doen in elk land, waar heidenen woonden, en het
in bezit te nemen, ten einde de macht der kerk te vergrooten. De Spaansche
vorsten wendden zich dadelijk tot den paus, opdat hij hun aanspraken op alle
landen, die zij ontdekt hadden, zou bekrachtigen. Paus Martinus V had aan de
kroon van Portugal alle landen, die ontdekt mochten worden, toegewezen, van
kaap Bojador af tot Indië toe. Daarom trachtte de koning van Portugal,
krachtens deze toewijzing, aanspraak te gronden op de door Columbus ontdekte
landen. In het verzoek, dat de Spaansche vorsten tot Paus Alexander VI
richtten, verklaarden zij, dat de gedane ontdekkingen de Portugeesche
bezittingen niet benadeelden.
Ferdinand en Isabella werden als trouwe leden van de kerk
beschouwd. Dat zij de ongeloovige Mooren uit Spanje verdreven stond, meende
men, met een heiligen kruistocht gelijk. Hun aan den paus gedaan verzoek,
werd gereedelijk ingewilligd, en om te maken, dat de aanspraken niet in
botsing kwamen, werd
[80]er
een denkbeeldige lijn getrokken van de noord- naar de zuidpool, 300 mijlen
ten Westen van de Azoren. Al het land, dat aan de westzijde van deze lijn
lag, en door Spaansche zeelieden mocht worden ontdekt, zou de Spaansche
kroon behooren; wat oostwaarts lag aan Portugal. Er doen zich met betrekking
tot deze verdeeling moeilijkheden voor, maar daarop sloeg men in dien tijd
geen acht.
Dadelijk werden alle krachten ingespannen, om een tweeden
tocht op touw te zetten. Deugd en ondeugd gaan in deze wereld soms
wonderlijk te zamen. De benoodigde gelden voor dezen tocht werden
gedeeltelijk uit kerkelijke fondsen, gedeeltelijk uit verbeurd verklaarde
goederen van de Joden bijeengebracht, die, alleen omdat ze Joden waren, uit
Spanje verdreven en van al hun bezittingen beroofd waren geworden. De
bekeering der heidenen werd het voornaamste doel van de onderneming geacht,
en geen rechtschapen man zal hierin van de zijde der Spaansche vorsten
huichelarij zien.
Twaalf geleerde geestelijken werden gekozen, om den tocht
mee te maken. Tot apostolisch vicarus over hen werd Bernardo Boyle benoemd.
Uit eigen middelen gaf Isabella hun misgewaden en sieraden, om aan de
kerkgebruiken luister bij te zetten.
Van den aanvang af stelde Isabella een warm en levendig
belang in het heil van de Indianen. Door de verhalen, die Columbus van hun
zachtzinnigheid en eenvoud gegeven had, was zij voor hen gewonnen en,
meenende, dat de hemel die wilden aan haar bijzondere zorg toevertrouwde,
was haar hart met smart vervuld over hun armen en onwetenden toestand. Op
haar bevel moest aan het godsdienstonderwijs de grootste zorg worden
besteed, en behoorde men ze met de grootste vriendelijkheid te behandelen,
terwijl Columbus alle Spanjaarden voorbeeldig moest straffen, die zich aan
beleediging of onrechtvaardigheid tegenover de wilden schuldig maakten.
De zes Indianen, die Columbus naar Barcelona had
meegenomen, werden in de hoofdkerk aldaar op een zeer indrukwekkende wijze
gedoopt. De heele koninklijke familie was er bij en de koning en de koningin
traden als doopgetuigen op. Een van die gedoopten stierf spoedig daarna, wat
een geleerde van dien tijd aanleiding gaf te schrijven: “Door ons geloof
zijn we gehouden aan te nemen, dat hij de eerste van zijn volk was, die in
den hemel kwam.”
Het hof benoemde Columbus, met al zijn titels, voorrechten
en winsten, tot Onderkoning, Admiraal en Gouverneur over alle
[81]landen,
die hij ontdekken zou. Op den 28en Mei vertrok Columbus van
Barcelona naar Sevilla. Verraders verspreidden het gerucht, dat Portugal in
allerijl toebereidselen maakte voor een tocht, om de pas ontdekte landen
voor zich in bezit te nemen. De betrekkingen tusschen de beide regeeringen
werden dan ook van onvriendelijken aard. Ferdinand schreef aan het
Portugeesche hof, dat het den Portugeeschen zeevaarders verboden werd, de
onlangs ontdekte landen te bezoeken. Daarop volgde een hevige en vinnige
strijd, maar wij kunnen dien niet volgen. Wederzijds namen kuiperij en list
de plaats in van eerlijkheid.
Aan die hofkabalen schijnt Columbus vreemd te zijn
gebleven. Alle krachten werden te Sevilla voor het in orde brengen van de
vloot, die uit zeventien kleine en groote schepen bestaan zou, in beslag
genomen. Toebereidselen werden er gemaakt, om een volksplanting van boeren,
werktuigkundigen en ambachtslieden te stichten. Paarden, vee, allerlei soort
van huisdieren werden bijeengebracht, om de kolonie te bevolken. Ook
verzamelde men planten en zaden, benevens die handelswaren, welke de
ondervinding geleerd had, dat door de wilden zouden worden gevraagd. De
geestdrift was algemeen, en er kwam haast geen einde aan de verzoeken, om
den tocht mee te mogen maken. Velen van de hooggeplaatste, uitstekende
officieren van de land- en zeemacht wilden op eigen kosten mee. Men stond
dus aan den vooravond van den dag, waarop een Europeesch leger van
gelukzoekers op de weerlooze wilden vallen zou. Noch het hof, noch de
waarlijk goedgezinde tochtgenooten bezaten wellicht de macht de Indianen
tegen aanmatigingen te beschermen.
Vreemd is het niet, dat die geestdrift door het geheele
land werd aangetroffen. Den ontevredenen en onvermogenden had men verteld,
dat er eilanden waren, waarop zelfs hemelingen zich te huis zouden gevoelen.
Den winter kende men er niet, en moeite evenmin. Priëelen, aan paradijzen
gelijk, noodigden tot rusten. De schoonste bloesems geurden overal. Heerlijk
fruit hing van de takken naar beneden, ruim voldoende, om aller honger te
stillen, aller dorst te lesschen. Onder een zonnigen hemel was het leven er
een voortdurende feestdag. Het is daarom niet te verwonderen, dat honderden
en duizenden door zulke voorstellingen verlokt werden, om ontheffing van
zwaren arbeid en van zorgen te zoeken in die bosschen, prieëlen en
boomgaarden van dit aardsche paradijs.
Een van de merkwaardigste mannen, die zich ook voor dezen
tocht inscheepte, was Don Alonzo de Ojeda, en wij zullen dikwijls
[82]gelegenheid
vinden zijn naam te noemen. Hij was van aanzienlijke geboorte, en na verwant
aan den Groot-Ketterrechter van Spanje. Hij was een stoutmoedig, roekeloos
ridder, die in de gevaarlijkste ondernemingen vermaak schiep en een man
zonder eenige vrees.
Het geheele getal, dat zich inscheepte, beliep 1500 man.
Columbus droeg een rijk gewaad, opdat hij, met gepaste waardigheid, zijn
hoogen rang als onderkoning zou kunnen ophouden. Den 28en
September 1493 zeilde de vloot de baai van Cadix uit. De morgen was schoon,
en een gunstige wind deed de zeilen zwellen. Alle harten waren vroolijk
gestemd. Den 1en October kwam de vloot bij de Kanarische
eilanden. Hier nam Columbus nog een aantal kalveren, geiten, schapen en
huisvogels in. Ook nam hij van deze eilanden, zoo wordt verhaald,
oranje-appelen, citroenen, meloenen en verscheidene andere vruchten mee, om
die op Hispaniola in te voeren. Toen men weer zee zou kiezen, kregen alle
kapiteins op de schepen in last, koers te zetten naar de haven van de
Geboorte op het eiland Hispaniola. Daar woonde het vriendelijke opperhoofd
Guacanagari, en daar had men het garnizoen achtergelaten.
Spoedig voelden ze den invloed van de passaatwinden, en
werden ze snel over een kalme zee en onder een wolkenloozen hemel
voortgedreven. Toen ze ongeveer 1200 mijlen ten westen van Gomera waren
gekomen, ontstond er een vreeselijk onweer. Bij dit natuurverschijnsel zagen
ze, wat onder deze omstandigheden niet zeldzaam is, het electrische vuur om
de toppen van de masten spelen. Fernando Columbus verhaalt van dit tooneel
het volgende.
“Op denzelfden Zaterdag zagen we des nachts St. Elmus, met
zeven brandende kaarsen in de maststaak. Het regende en onweerde geducht. Ik
wil zeggen, dat men dat licht zag, waaruit volgens de zeelieden, het lichaam
van St. Elmus bestaat. Toen zij het zagen, hieven zij smeekgezangen aan en
stortten gebeden uit, vast overtuigd, dat niemand gevaar loopt, wanneer dit
vuur in den storm wordt gezien. Het moge waar zijn, maar ik wil niet
beslissen. Mogen wij Plinius gelooven, dan hebben gedurende zeestormen de
Romeinsche zeelieden dergelijke lichten ook gezien, die zij Castor en Pollux
noemden, en waarvan Seneca eveneens, melding maakt.”
Den 3en November zag men op een Zondagmorgen
heel ver in ’t Westen een hoog eiland. Het werd met vreugdekreten van alle
schepen begroet. Columbus noemde het Dominica. Op
[83]bevel
van Columbus kwam al het scheepsvolk op het dek, en werd er
godsdienstoefening gehouden, waarbij onder gebed en lofgezang in ’t
bijzonder God gedankt werd voor de voorspoedige reis.
Nu kwam de vloot bij de schoone eilandengroep, die de
Antillen heet. Van alle ligt het prachtige eiland Porto Rico het
westelijkst. Terwijl de vloot verder ging, voer men zes eilanden voorbij,
waarvan het fraaie groen aanhoudende kreten van verbazing uitlokte. Op een
van deze, Maria Galante geheeten, ging Columbus aan land. Dit eiland, dat
door een dicht bosch bedekt was, scheen onbewoond. Columbus plantte er de
Spaansche vlag, en nam het in naam van zijn vorsten in bezit.
Een ander eiland, dat veel grooter bleek, kwam in het
gezicht. Met zooveel mannen, als een boot bevatten kon, ging Columbus aan
land. Ook hier vond hij geen bewoners, maar zag vele zonderlinge
natuurtooneelen. Hij noemde het eiland Estramadura. De Indianen gingen van
schrik op de vlucht. Er was een lief dorp, dat uit een dertigtal huizen
bestond, die een openbaar plein omgaven. Elk huis had een open galerij,
waarin de familie zitten kon, die dan beschermd was voor de stralen van de
zon. Een van die huizen was versierd met keurig net houtsnijwerk. Net
geweven hangmatten van sterk katoen gemaakt hingen er binnen in, en men kon
ook aardewerk en kalebasschalen zien, die tot vaten dienden. Om de huizen
liepen makke ganzen en tamme papegaaien. Hier troffen de Spanjaarden ook
voor het eerst de ananas aan.
Toen zij naar het schip teruggekeerd waren, voeren zij
eenige mijlen langs de kust van dit eiland, en bleven des nachts in een
goede haven liggen. Zij zagen wel onder het varen vele dorpen, maar de
verschrikte inwoners namen bij het zien van de schepen dadelijk de vlucht.
Den volgenden morgen werd een boot aan land gezonden. De matrozen namen een
jongen en verscheidene vrouwen gevangen, en brachten die aan boord. Uit de
wapenen, die de matrozen vonden; het huiveringwekkend gezicht van
menschenbeenderen, die zij zagen, en ook uit hetgeen Columbus van de
vrouwen—door zijn Indiaansche tolken—vernam, kon hij opmaken, dat dit één
van de eilanden was, waar menscheneters woonden. Aan de pijlen zaten scherpe
beenen punten, die met het sap van zekere plant vergiftigd waren. In groote
roofbenden hielden zij strooptochten op andere eilanden, vermoordden de oude
lieden, hielden de knapste meisjes voor gezelschap of als dienstboden bij
zich, en aten de kinderen op. Aan
[84]de
balken van de huizen zagen de Europeanen deelen van ’t menschelijk lichaam
hangen, die een bewerking schenen te ondergaan om tot voedsel bereid te
worden. In een der huizen zag men het hoofd van een jong mensch, dat
blijkbaar pas was afgehouwen. Andere deelen van menschelijke lichamen werden
gebraden.
Een kapitein van een der karveels had het gewaagd met 8
man zonder verlof een uitstapje te maken, en men kon hem nergens
terugvinden. Columbus was zeer bezorgd, want hij kon met reden vreezen, dat
zij door deze ruwe wilden waren vermoord. Hij wachtte in grooten angst een
dag en een nacht, maar toen hij nog niets vernam, zond hij troepen in
verschillende richting, die op de trompet blazen en schoten moesten lossen.
Maar al het zoeken was vruchteloos. Wel zag men vele inboorlingen; doch
zoodra men hen naderde, liepen zij zoo hard mogelijk weg.
De ridderlijke Alonzo de Ojeda bood vrijwillig aan met 40
man het heele eiland te gaan onderzoeken. Deze kleine troep drong diep in
het land door. Over breede stroomen en door bijna ondoordringbare bosschen
leidde hun pad. Men loste schoten, blies zoo hard men kon op de trompet,
maar Ojeda moest zonder tijding van de verlorenen terugkeeren. Vele dagen
waren sedert hun verdwijnen verloopen, en hoop, om ze terug te vinden, was
er niet meer. Met een bedrukt hart lichtte Columbus zijn ankers, toen hij op
eenmaal een flauwen kreet uit een dicht bosch hoorde, en kort daarna
verschenen de mannen aan het strand. Hun gescheurde kleeding en hun
ontstelde gelaatstrekken lieten maar al te duidelijk zien, wat zij geleden
hadden. Zij waren in de kreupelbosschen van een dicht woud verdwaald
geraakt, een woud zoo verbazend dicht, dat men er haast niet in zien kon.
Met de grootste moeite hadden zij zich door het verwarde net van riet,
wijnstokken en dorens een pad gebaand. De groote boomen, die hen
overschaduwden, beletten hun zelfs de sterren te zien.
Hun lijden werd nog veel erger door den grooten angst,
waarin zij verkeerden, dat de admiraal, meenende dat zij dood waren, weg zou
zijn gevaren en hen dus aan een vreeselijk lot overliet. In dat geval konden
zij niet hopen ooit hun vrienden of hun vaderland terug te zullen zien. Naar
alle waarschijnlijkheid zouden de wilden hen dooden en opeten. Eindelijk
vonden zij den zeekant. Vol bekommering liepen zij dien langs, en konden
niet gelooven, dat de vloot om hunnentwil de voortreis zoo vele
[85]dagen
zou hebben uitgesteld. Tot hun onuitsprekelijke blijdschap vonden zij de
haven, en de schepen voor anker liggen.
Zij brachten een of twee meisjes en jongens mee. Niet één
man hadden ze gezien. Men had vernomen, dat alle krijgslieden vertrokken
waren, om een ander eiland te plunderen. Dat de kapitein met zijn
manschappen zonder verlof het schip hadden verlaten, vond Columbus een
ernstige overtreding. Daardoor toch was de vloot verscheidene dagen
opgehouden, en, behalve de groote moeite, die hun opsporing gegeven had, had
men op de schepen veel angst uitgestaan. Daarom dan ook werden de
overtreders, ondanks al hun doorgestaan leed, gevangen genomen.
Den 10en November werden de ankers gelicht, en
zeilde de vloot door de schoonste eilanden-zee, die er op de wereld kan
gevonden worden. Terwijl de vloot door deze schoone en bloeiende paradijzen
gleed, die als uit een kalme zee oprezen, gaf Columbus hun namen. Den 14en
wierp hij het anker uit in de haven van een eiland, dat de Indianen Ayay
noemden, maar waaraan hij den naam gaf—nu zoo algemeen bekend—van Sante
Cruz. Een flink bemande boot werd aan wal gestuurd. Zooals gewoonlijk namen
de inboorlingen de vlucht. In een verlaten dorp namen ze een of twee mannen
en een knaap gevangen. Dit waren krijgsgevangenen, die de wreede bewoners
van een ander eiland hadden gehaald. Ook zagen ze een kano, met
onderscheidene Indianen er in, om een landpunt heengaan. Het volk in de boot
roeide met alle kracht, en haalde hen in.
De Caraïbiërs, zooals zij genoemd werden, grepen naar pijl
en boog en vochten met bijna duivelsche wanhoop. De Spanjaarden wisten zich
over het algemeen door schilden te beschutten, maar twee werden toch gewond.
Twee van de inboorlingen waren vrouwen, die even dapper als de mannen
vochten. Een van hen schoot een pijl af met zulk een kracht, dat zij een
Spaansch schild geheel doorboorde. De lichte kano sloeg om. De wilden
vochten in het water even goed, en wierpen hun pijlen even behendig, alsof
zij in de boot hadden gestaan.
Eindelijk werd men hen meester. Eén was doodelijk gewond,
en stierf, toen hij aan boord van het schip werd gebracht. Vele anderen nog
hadden wonden. Een van de vrouwen scheen een hoogen rang te bekleeden. Zij
had haar zoon bij zich. Hij was een jongeling van groote lichaamskracht, had
een woest gelaat en bezat leeuwenmoed. Allen hadden zich afschuwelijk
leelijk beschilderd, en droegen lang, zwart, dik haar. Ofschoon
[86]men
ze flink gekneveld had, zagen ze er toch nog moedig en uittartend uit. Het
geleken tijgers in een kooi, wier zichtbare kracht en dreigend voorkomen
maakten, dat allen ze met een gevoel van schrik aanzagen. Eén van de
Spanjaarden was in het gevecht doodelijk gewond, en stierf binnen weinige
dagen.
Bij de voortzetting der reis kreeg de vloot weldra een
andere eilandengroep in ’t gezicht. Op sommige er van vond men een weligen
plantengroei; andere waren naakte, steile rotsen, zwart geworden door den
golfslag en den wind van honderden jaren. De vruchtbare eilanden schenen
over het algemeen onbewoond te zijn. Zij lagen zoo dicht bij elkander, dat
het voor een groot schip gevaarlijk mocht heeten er tusschen door te varen.
De groep heet nog de Virginia-eilanden, een naam, dien Columbus er aan gaf.
Het grootste van de groep noemde hij Santa Ursula.
Altijd trachtte de vloot zoo snel mogelijk de westwaarts
gelegen haven op het eiland Hispaniola te bereiken. Op den avond van een
schoonen dag rees een groot eiland voor hun oog op, waarop vele bosschen
stonden en waarvan het strand vele baaien vormde. Het was Porto Rico. De
inboorlingen noemden het Boriquen. Columbus gaf het den naam van San Juan
Bautista. Het werd ondersteld het voornaamste eiland der zoo gevreesde
Caraïben te zijn. Columbus hoorde nu, dat het een rustplaats was tijdens hun
bloedige strooptochten. Hier regeerde één opperhoofd over een talrijke
bevolking. Zij waren krijgslieden uit nood, en vochten voor zelfbehoud. Uit
wraak aten ze hun krijgsgevangenen op.
Een geheelen dag voer de vloot langs de schoone kusten van
dit eiland, en ankerde des avonds in de westelijkste baai, waar overvloed
van visch was. De admiraal ging aan land. Hij vond er een lief Indiaansch
dorp, dat door een goed pad met de zee verbonden was. De huizen stonden—als
gewoonlijk—om een vierkant plein. Aan elken kant van den weg lagen
vruchtbare tuinen, door stevige rieten omheiningen ingesloten. Aan het einde
van den weg, dicht bij het strand, had men een verhevenheid gebouwd, een
soort van sterrentoren, een uitkijk, van waar men alles, wat over zee
aankwam, op grooten afstand kon zien.
Maar een eenzaamheid als die van Thebe of Palmyra
heerschte bij deze woningen. Geen levend wezen was te zien, omdat de
inwoners op het gezicht van het smaldeel naar het binnenland gevlucht waren.
De vloot bleef hier twee dagen, gedurende welken tijd geen Indiaan zich
durfde vertoonen.
Het verhaal, dat Columbus van dezen kruistocht tusschen de
Caraïbische eilanden naar Spanje zond, werd door geheel Europa
[87]met
de grootste belangstelling gelezen. Het scheen de betwiste vraag op te
lossen, of het menschdom ergens zoo laag gezonken was, dat men zich met
menschenvleesch voedde. Toch twijfelt men niet, of veel van hetgeen de
wilden aan Columbus mededeelden, was onduidelijk.
Bij het bewijs, dat aangevoerd werd voor het bestaan der
gewoonte om menschenvleesch te eten, moet men vooral niet vergeten, dat
zeelieden dikwijls slecht en onnauwkeurig waarnemen, en dat de Spanjaarden
reeds van te voren het feit voor waar hielden. Bij de bewoners van vele
eilanden en andere deelen van de Nieuwe wereld was het de gewoonte, om het
overschot van overleden betrekkingen en vrienden te bewaren; soms het
geheele lijk, soms alleen het hoofd of een ander lichaamsdeel, dat dan boven
het vuur gedroogd werd; enkele malen ook alleen de beenderen.
Den 22sten November vertoonden zich in de verte
de oostelijkste klippen van Haïti. De grootste opgewektheid heerschte aan
boord van al de schepen, toen men hoorde, dat Hispaniola in ’t gezicht was.
Met bolle zeilen gleed de vloot langs de schoone stranden, en allen waren
opgetogen over de verhevene en liefelijke tooneelen, die zich onophoudelijk
aan hen voordeden. Een matroos, die in het gevecht op Porto Rico gewond
werd, kwam te overlijden. Eenige goed gewapende manschappen werden aan land
gezonden om hem te begraven. Op het strand hadden de lijkplechtigheden
plaats, en deze werden niet gestoord, omdat de wilden hadden gehoord, dat
Columbus een vriendelijk man was. Zonder eenige vrees kwam een kano naar het
schip van den Admiraal toe, met het verzoek van het opperhoofd van het
eiland of hij hem met een bezoek wilde vereeren. Columbus wees het verzoek
van de hand, maar overlaadde de afgezondenen met geschenken.
De vloot ging verder, en ankerde in de golf van Samana.
Men zal zich herinneren, dat Columbus hier op zijn eerste reis door de
wilden aangevallen werd, maar dat hij door goedhartigheid hun vriendschap
verworven had, zoodat vier jonge Indianen hem naar Spanje vergezelden.
Een van dezen, die gedoopt en tot het christendom bekeerd
was, zond Columbus aan wal. Hij deed hem rijke kleederen aan, en hing hem
een groote hoeveelheid van die kleinooden om den hals, waaraan de Indianen
zooveel waarde hechtten. Hij kwam echter niet terug, en nooit heeft men iets
meer van hem vernomen. Van alle wilden, die Columbus mee had genomen naar
[88]Spanje,
was er nu nog maar één over. Deze, die ook gedoopt was geworden, en toen den
naam van Diego Colon had gekregen, scheen een waar christen te zijn.
Den 25sten November wierp de vloot in de haven
van Monte Christo het anker uit. Men zal zich herinneren, dat een groote
rivier in deze baai uitliep, die Columbus Rio del Oro of Goudrivier noemde,
maar nu Santiago heet. Zij schrikten erg, toen zij op de kust 4 lijken
vonden, die bij onderzoek Europeanen bleken te zijn. Zij moeten dus tot het
garnizoen behoord hebben, dat Columbus op La Navidad, slechts een paar
mijlen westelijker gelegen, achtergelaten had. De somberste voorgevoelens
omtrent het lot van die menschen waren nu opgewekt.
Toch kwamen er nog onderscheidene inboorlingen geheel
onbevreesd en vriendelijk aan boord, zoodat uit niets bleek, dat zij kennis
droegen van vijandelijkheden tusschen de wilden en de Spanjaarden.
Het was reeds avond, toen Columbus den 27sten
drie mijlen van La Navidad ankerde. In de duisternis die haven binnen te
loopen durfde hij niet, maar omdat hij zoo gaarne wilde weten, hoe het met
het garnizoen ging, liet hij twee kanonschoten lossen. De met bosch bedekte
stranden en de rotsen weerkaatsten de schoten, maar ander antwoord kwam er
niet. Treurig en stil ging de nacht voorbij. Geen licht werd gezien, geen
geluid gehoord. De stilte van een maagdelijk woud scheen in deze akelige
eenzaamheid te heerschen.
Omstreeks middernacht kon men in de verte een klein bootje
zien, dat naar een der schepen scheen te gaan. De kano hield stil, en een
Indiaan, die misschien van de soldaten van het garnizoen een weinig Spaansch
geleerd had, praaide het schip, en vroeg naar Columbus. Men duidde hem het
admiraalsschip aan, waarna hij er langzaam naar toe roeide. Maar toen hij er
bij kwam, durfde hij niet aan boord gaan vóór Columbus zich vertoonde en hij
bij ’t licht van een flambouw zijn gelaat zag, waaruit het hem duidelijk
werd, dat men hem niet bedroog.
Toen ging hij met iemand, die hem vergezelde, in het
schip, bewerende een neef van het beroemde opperhoofd Guacanagari te zijn.
Namens hem kwam hij twee gouden kroontjes brengen. Op de belangstellende
vragen van Columbus aangaande het lot van zijn volkplanting, gaf hij
verwarde en onduidelijke antwoorden. Maar het was ook moeilijk voor hem, om
zich door woorden of door gebaren duidelijk uit te drukken. Columbus
[89]meende
er uit te moeten opmaken, dat vele Spanjaarden aan ziekten gestorven waren;
dat zij onder elkander twist gekregen hadden, waarbij er velen gedood waren
geworden; dat de anderen met Indiaansche vrouwen waren weggegaan en zich
over het eiland hadden verspreid.
Ook deed hij de treurige mededeeling, dat een aantal
wakkere krijgslieden van de bergen van Cibao, het schoone dorp, waar
Guacanagari woonde, aangevallen, alle huizen verbrand, vele inwoners gedood
en anderen gevankelijk hadden weggevoerd. Ofschoon Guacanagari aan de
slachting ontkomen was, lag hij toch gewond en ziek in een nabijgelegen
gehucht; anders zou hij zich de eer hebben gegeven persoonlijk zijne
opwachting bij den admiraal te maken.
Hoe droevig die tijding ook was, Columbus troostte zich
met de gedachte, dat het garnizoen niet omgekomen was door de trouweloosheid
der wilden. Het medegedeelde was overigens een klaar bewijs, dat de Nieuwe
wereld volstrekt geen rein paradijs van onschuld en vreugde was. De Indianen
gingen, na gegeten en geschenken ontvangen te hebben, weer naar den wal. Zij
verzekerden Columbus, dat het opperhoofd, die van zijn wonden langzamerhand
herstelde, plan had zich den volgenden morgen aan boord te laten brengen.
Columbus, die alle hofgebruiken steeds zeer in acht nam,
wachtte, toen het morgen werd, uur aan uur op het beloofde bezoek van den
vorst. De dag ging in alle stilte voorbij, en men zag zelfs geen kano.
Pijnlijk was de aanblik, dien de eenzaamheid en de verlatenheid aan alle
kanten te aanschouwen gaven. Er steeg zelfs geen rook uit de bosschen op,
wat een teeken van menschelijk leven zou zijn geweest.
Toen het avond werd, zond de nieuwsgierige en afgematte
Columbus een boot aan land, om verkenningen te doen. Het scheepsvolk begaf
zich dadelijk naar het fort. Het bood een schouwspel van geweld en
verwoesting aan, dat het koenste hart schrik zou hebben aangejaagd. Door den
een of anderen wreeden vijand was het geplunderd, verbrand en geheel
verwoest. Zij zagen op eenigen afstand één of twee Indianen op de loer
liggen, maar niet één er van durfde naderbij komen. Toen de zeelieden bij
hen trachtten te komen, liepen zij hard weg alsof hun geweten hen
aanklaagde. Dit ontmoedigende bericht brachten de matrozen den admiraal mee.
Het verdroot Columbus bovenmate. Hij ging den volgenden
morgen, na de haven ingezeild en het anker uitgeworpen te
[90]hebben,
zelf aan land. Geen spoor van garnizoen was meer te zien; alleen een tooneel
van verwoesting, dat een verschrikkelijken strijd en een vernielende
slachting aanduidde. Al het getimmerte lag op den grond; de vensters waren
stukgeslagen; lappen van kleedingstukken, die bemorst en met geweld
verscheurd waren, fladderden in den wind. Niets kon men vinden, dat eenig
licht wierp op het vreeselijk drama, dat daar moest hebben plaats gegrepen.
Het akelig tooneel wekte bij de meesten het vermoeden op, dat Guacanagari
een valschaard was geweest. Maar Columbus bewaarde het geloof aan de trouw
van het opperhoofd. Hij werd in deze overtuiging versterkt door de smeulende
asch, waarin het dorp zelf lag.
Toen dit onderzoek was afgeloopen, ging Columbus met de
booten de rivier op, om, zoo mogelijk, gewaar te worden, waar de mannen
gebleven waren, en wat er van hen geworden was.
Nadat zij ongeveer 3 mijlen ver geroeid hadden, kwamen zij
bij eenige hutten, waaruit alle bewoners gevlucht waren, zoodra zij de
Spanjaarden zagen naderen. Hier vonden zij onderscheidene Europeesche zaken,
die zonder twijfel aan het garnizoen hadden toebehoord. De vrees van hen,
die Guacanagari wantrouwden, werd hierdoor vermeerderd. In deze onzekerheid
keerden zij terug naar de puinhoopen van het fort.
De lezer zal zich nog wel herinneren, dat er een
veertigtal manschappen achtergebleven waren. Het waren Spaansche
oudgedienden, aan oorlog gewoon, ze zouden zich, indien het noodig was, met
hun blinkende sabels en vernielende geweren doodgevochten hebben. Het fort
was sterk gebouwd, en werd door een kanon verdedigd, zoodat het schijnbaar
onneembaar was voor elke macht, die de wilden er tegen konden aanvoeren. Men
kon zich haast niet voorstellen, hoe zulk een garnizoen overwonnen had
kunnen worden door menschen, die slechts met pijl en boog storm konden
loopen. De verslagenheid werd nog grooter, toen men op den dag de graven van
elf Spanjaarden vond.
Des middags zag men een troepje Indianen in de verte. Zij
waren echter blijkbaar bang dicht bij de Spanjaarden te komen.
Langzamerhand slaagde Columbus er in hun vrees te
verdrijven, zoodat hij zich met hen kon onderhouden, en spoedig werden zij
zeer spraakzaam. Sommigen van hen verstonden een weinig Spaansch, en met de
hulp van een Indiaanschen tolk, kreeg Columbus waarschijnlijk een vrij
nauwkeurig verhaal van de verwoesting der kolonie.
[91]
Wat men ook zegge van het hemelsch karakter van de wilden,
aan het aardsche van de Spanjaarden kan niet getwijfeld worden. De zeelieden
waren in den regel menschen van de laagste soort, onwetend, bijgeloovig en
doodarm. Al de geestkracht van Columbus, met zijn ambtelijke waardigheid en
zijn onbeperkte macht, was noodig, om ze in bedwang te houden. Don Diego
Arana, die het bevel zou voeren, was een man, die het goed meende, maar niet
in staat, om over de ontzettend groote moeilijkheden, die hij kreeg, te
zegevieren.
Nauwelijks was het admiraalsschip weggegaan, of deze
zeelieden, die aan den raad, welken zij ontvangen hadden, niet meer dachten,
begonnen de inboorlingen allerschandelijkst te behandelen. In kleine
welgewapende troepen trokken zij de woningen van de Indianen in, namen hun
goud af, maakten zich op de ruwste wijze van hun huizen meester, en
mishandelden onmeedoogend al hun huisgenooten. De wilden hadden gedacht, dat
de Spanjaarden uit de lucht gekomen waren. Hun gedrag echter toonde, dat zij
veeleer uit den afgrond kwamen. Duivels hadden moeilijk snooder kunnen zijn,
dan deze teugellooze Spanjaarden.
De beste huizen namen zij in bezit; zochten zooveel
vrouwen uit als hun behaagde, grepen vooral, ondanks alle ingebrachte
bezwaren en op gewelddadige wijze, de vrouwen en dochters van de
opperhoofden aan. Vonden zij ergens goud, dan namen zij het. Dikwijls gaf
die gestolen buit aanleiding tot gevechten, werden de dolken voor den dag
gehaald en vloeide er bloed. Arana verloor alle gezag over zijn manschappen.
Men verliet eigenwillig het fort, en er ontstonden twisten over de vraag,
wie de baas was. Er vormden zich partijschappen, en in een hevig gevecht
werd er één gedood.
Negen Spanjaarden gingen onder aanvoering van twee hoofden
van den opstand uit, om verwijderde goudmijnen op te sporen. Zij richtten
hun schreden naar de bergen van Cibao, die midden in ’t land lagen. Daar
regeerde Caonabo, een beroemd en ontwikkeld opperhoofd, over een
oorlogzuchtigen stam. De snoodheden, die de Spanjaarden bedreven hadden,
waren hem ter oore gekomen. Toen de waaghalzen op zijn gebied kwamen, viel
hij hen aan, en bracht ze allen om het leven. Toen sloot hij met een anderen
stam, welks opperhoofd Mayreni heette, een verbond, en viel met vereende
krachten het fort aan.
Zij hielden hun marsch geheim, en het garnizoen, waarvan
velen afwezig waren, werd plotseling overvallen. In het holst van den nacht
drongen onder vreeselijk geschreeuw twee troepen het
[92]onbewaakte
fort binnen, staken de loodsen in brand en verbrijzelden met knodsen de
schedels van de verschrikte Spanjaarden, die uit hun bed sprongen. Sommigen
werden in zee gedreven en verdronken. Allen kwamen om. Wel verzamelde de
getrouwe Guacanagari zijne strijdkrachten, om hen ter hulp te snellen, maar
het was te laat. Het fort was vernield. Alle Spanjaarden waren dood; maar
toch vocht Guacanagari nog dapper tegen een overmachtigen vijand. Zijn dorp
werd tot den grond toe afgebrand. Velen van zijn strijders werden verslagen.
Guacanagari, door Caonabo zelf ernstig gewond, wist nog uit zijn verwoest
huis te ontsnappen. Hij werd niet vervolgd. Het groote doel van de verbonden
opperhoofden was de uitroeiing van de Spanjaarden.
[Inhoud]
Achtste Hoofdstuk.
Het leven te Hispaniola.
Het verhaal, dat de inboorlingen van het treurig lot der
kolonie gaven, werd door berichten, die men van andere zijden kreeg,
bevestigd. Een van de karveelen, waarover Melchoor Maldonado bevel voerde,
was langs de kust gezonden, om een betere plaats voor een nieuwe
volkplanting op te zoeken. Hij had nog maar weinige mijlen afgelegd, of een
kano met twee Indianen naderde zijn schip. Een van die twee was een broeder
van Guacanagari. Hij verzocht Maldonado aan land te komen, en het opperhoofd
een bezoek te brengen, die bij hem in huis was en het wegens zijn wonden
niet verlaten kon. Zij vonden het opperhoofd niet in staat zijn hangmat te
verlaten, en zeven van zijn vrouwen verpleegden hem met de grootste zorg.
Guacanagari gaf zijn groot leedwezen te kennen, dat hij
niet in staat was geweest den admiraal te bezoeken. Tot in de kleinste
bijzonderheden verhaalde hij de gebeurtenissen van het groote ongeval. Zijn
verhaal stemde geheel overeen met hetgeen boven reeds gemeld is. Den
Spaanschen kapitein en diens metgezellen onthaalde hij mild, en bij hun
vertrek bood hij ieder een zware gouden kroon aan. Den volgenden morgen ging
Columbus zijn ouden vriend bezoeken. Ten einde het opperhoofd en zijn gevolg
eenig begrip van zijn waardigheid en macht te geven, verscheen de admiraal
in schitterend hofgewaad en werd hij door een groot aantal officieren
vergezeld, die allen maliënkolders aan hadden.
Guacanagari lag in zijn hangmat. Zichtbaar werd hij
getroffen door het weerzien van zijn ouden vriend, en hij weende, toen
[93]hij
het lot van de Spanjaarden verhaalde. Aan de oprechtheid van zijn
vriendschap en de waarheid van zijn verhaal twijfelde de admiraal geenszins,
maar de Spanjaarden zagen over het algemeen het opperhoofd wantrouwend aan.
Het bleek in ieder geval duidelijk, dat hij verontwaardigd was over de
afgrijselijke daden, die de Spanjaarden hadden bedreven, en volstrekt niet
verlangde, dat zij zich in zijn gebied vestigden. Het onderhoud was
vriendschappelijk, en ook werden er geschenken gewisseld. De geschenken in
goud, die zij van het opperhoofd ontvingen, waren naar Europeesche schatting
honderdmaal meer waard dan de sieraden, die hij wederkeerig van Columbus
kreeg; maar ’t is ook waar, dat deze naar het gevoelen van de wilden, die
van hen in waarde overtroffen.
Een chirurgijn onderzocht de wond aan het been. Terwijl
hij aan de mogelijkheid dacht, dat sommige spieren gekneusd waren, wat zeer
pijnlijk was, meenden anderen, dat het opperhoofd volstrekt zoo’n ernstige
wond niet had, als hij voorgaf. Columbus verdedigde echter zijn vriend1.
Des avonds werd het opperhoofd, ofschoon zichtbaar lijdend, naar de schepen
gedragen. Toen Columbus voor de eerste maal in de haven kwam, had hij twee
kleine en beschadigde karveelen bij zich. Nu lag er een trotsche vloot van
17 schepen in de baai. Het schip van den admiraal was een van de hechtste
schepen der Spaansche vloot.
Guacanagari was verbaasd over de grootheid, rijkdom en
macht, waarvan hij getuige werd. Verbaasd was hij ook bij het gezicht van de
vruchten, planten en dieren van de Oude wereld. Schapen, varkens en koeien
had hij nog nooit gezien. De grootte, de kracht en het voorkomen van de
paarden wekten zijn bewondering op. Nog meer werd hij verrast door hun
volgzaamheid en het gemak, waarmee men ze bestuurde.
[94]
Aan boord van het admiraalsschip bevonden zich tien jonge
vrouwen. Een er van, die Catalina heette, was zeer schoon. Zij zag er als
een prinses uit, en zou overal de aandacht getrokken, de bewondering
opgewekt hebben. Deze meisjes waren krijgsgevangenen van de Caraïbiërs, door
Columbus bevrijd. Zij behaagden het opperhoofd zeer, maar nu behoorden zij
aan de Spanjaarden. Guacanagari had een verschrikkelijk tooneel van de
gruweldaden bijgewoond, waartoe de Spaansche matrozen in staat waren. Hij
sprak zeer vriendelijk tot Catalina. Hoeveel onderscheid er ook in de
tongvallen was, die op de verschillende eilanden werden gebruikt, toch
scheen er zooveel overeenkomst in hun talen te wezen, dat de inboorlingen
elkander gemakkelijk konden verstaan.
Het is niet onwaarschijnlijk, dat Guacanagari de
Spanjaarden nog altijd voor menschen aanzag, die uit een andere wereld
kwamen. Maar hij beschouwde hen niet langer als engelachtige bezoekers. Zij
kwamen hem als vijanden voor, van wier snoodheid hij walgde. Het opperhoofd
was blijkbaar verlegen, en alle pogingen, om de vroegere vertrouwelijkheid
te herstellen, baatten niet. Toen Columbus hem voorstelde, om bij hem te
blijven, was het opperhoofd zichtbaar niet op zijn gemak, en merkte op, dat
het hier ongezond was, wat ook werkelijk het geval was. Het opperhoofd
keerde naar den wal terug; zijn geest was onrustig, en hij werd door de
meeste Spanjaarden met argwaan nagekeken.
Den volgenden morgen liet het opperhoofd vragen, wanneer
Columbus plan had verder te zeilen, en hij ontving het bericht, dat men den
volgenden dag de haven dacht te verlaten. In den namiddag kwam Guacanagari’s
broeder aan boord. Men zag, dat hij een afzonderlijk gesprek met de vrouwen
hield, in ’t bijzonder met de schoone Catalina. Te middernacht lieten
Catalina en haar metgezellinnen zich, toen al het scheepsvolk sliep, in alle
stilte aan een kant van het schip in ’t water glijden. Het schip lag drie
mijlen van de kust af, en de zee was onstuimig.
De wacht op het dek hoorde het, en maakte gerucht.
Dadelijk werd er een boot bemand, en men zette haar na. Op het strand was
een vuurtje ontstoken, dat haar zeker tot baken dienen moest. De vrouwen
zwommen als eenden, en werden niet ingehaald vóór zij aan land waren. Vier
echter werden op het strand gegrepen. De overigen, en ook Catalina,
ontsnapten. Toen het dag werd, bevond men, dat Guacanagari met al zijn
volgelingen vertrokken was. Dit vermeerderde den argwaan van vele
Spanjaarden, dat hij een verrader was geweest. Maar hij kon ook niet
[95]blind
zijn geweest voor de kwade blikken, die hij daags te voren van de
Spanjaarden had opgevangen. Enkelen hadden op zijn gevangenneming
aangedrongen, opdat hij hun gijzelaar mocht worden. Stellig handelde hij
heel verstandig, door zich zelf niet langer in hun macht te stellen.
Alles op La Navidad was met een somber waas overtogen. Het
fort lag in puin. De graven der Spanjaarden waren voortdurende gedenkteekens
van geweld en bloedstorting. De zeewind scheen den lijkzang te vormen bij de
puinhoopen van het inlandsch dorp. Stilte, eenzaamheid en verwoesting
heerschten daar. Allen wilden gaarne weggaan. Columbus besloot ook de plaats
te verlaten en een betere plek voor de vestiging van een volkplanting op te
zoeken.
Het aan land gaan kon niet meer worden uitgesteld. De
dieren hadden van de lange reis veel geleden. Allen verveelde het
maandenlang aan boord te zitten. Goed bemande booten, sterk genoeg, om langs
de kusten te gaan en die te zuiveren van kwaadwilligen, werden links en
rechts gezonden, terwijl de vloot in de ruime haven bleef liggen, om af te
wachten, wat de verkenners zouden berichten. De booten voeren heel ver weg
en keerden eindelijk terug, zonder dat het had mogen gelukken een geschikte
plaats voor een kolonie te vinden. De beruchte zeelieden, die in het
garnizoen gelegen hadden, waren door hun gedrag oorzaak geweest, dat de
inboorlingen van de Spanjaarden den slechtsten indruk gekregen hadden,
zoodat de aankomst van een groote vloot, waarvan men weldra heinde en ver
kennis droeg, den grootsten schrik teweegbracht en allen op de vlucht had
gedreven.
Men vond het land ontvolkt. Nauwelijks zag men een enkelen
Indiaan, of, als men er bij toeval een zag, liep hij bij de nadering van
Spanjaarden weg, alsof hij door tijgers vervolgd werd. Kapitein Maldonado,
die naar den oostkant gegaan was, kwam in het gebied van een koen
opperhoofd, die aan het hoofd van zijn leger optrok, om de Spanjaarden aan
te vallen. Maar het gelukte den Spaanschen kapitein hem althans in zoo ver
tot bedaren te brengen, dat het tot een onderhoud kwam en dat, ofschoon het
niet vriendelijk was, tot een soort van wapenstilstand leidde. Hier vernam
hij, dat Guacanagari zich met al zijn volk ver in de bergen had
teruggetrokken. Ook ontving hij deugdelijke bewijzen van het gevecht met
Caonabo en van de verwoesting van het fort door zijn troepen. Er bevond zich
daar een Indiaan, die door een in den strijd bekomen wond verminkt
[96]was.
Guacanagari scheen volstrekt niet schuldig te zijn aan verraad.
Den 7en December lichtte Columbus het anker
weer, en zeilde naar ’t Oosten. Ongeveer 30 mijlen verder dan Monte Christo
zeilde hij een groote haven in, geheel door bosschen ingesloten en met een
rotsachtige hoogte bij haar ingang, waardoor het gemakkelijk was, er een
fort te bouwen, dat de geheele haven kon bestrijken. Ook liepen er twee
rivieren in uit, die gelegenheid aanboden, om er molens te bouwen. Aan één
zijde strekte zich een schoone en groote weide tot aan den voet van de
heuvels uit, en aan den oever van een dezer rivieren lag een lief Indiaansch
dorp. De grond was er blijkbaar zeer vet. De baai en de rivieren zaten vol
visch, waarvan velen kleuren hadden, zooals men ze buiten de keerkringen
niet aantreft.
Men was midden in December. Het klimaat was bijzonder mild
en zacht. De boomen zaten vol bloesems en bladeren. Het gezang van vogels
vervulde de lucht. Men was nog niet aan het klimaat van dit gezegende eiland
gewoon, waar de strengheid van den winter onbekend is, waar bloesem en
vrucht elkander geregeld opvolgen, ja, waar zij zelfs samengaan, en waar het
gansche jaar door een lachend groen gevonden wordt.
Hier besloot Columbus zijn volkplanting te stichten. Een
bijkomende zaak, die dit besluit vaster maakte, was, dat men hem gezegd had,
dat de bergen van Cibao, die rijk aan goudmijnen waren, niet ver weg lagen.
Groot was de vreugde op de schepen, dat men nu uit een lange gevangenschap
verlost werd. Elk schip wierp het anker zoo dicht mogelijk bij het strand
uit. Elke boot werd in beslag genomen en iedereen ging aan het werk. Vee,
huisvogels, eetwaren, geweren, kruit, huismeubelen, alles werd aan land
gebracht, en tijdelijk onder een afdak gezet, dicht bij een meertje, dat
kristalhelder water bevatte. Hier bouwde Columbus, op een afstand van 40
mijlen ten Oosten van Kaap Haïti, de eerste stad in de Nieuwe wereld. Ter
eere van zijn koninklijke beschermster noemde hij haar Isabella.
De straten werden oordeelkundig gelegd, en de woningen zoo
geplaatst, dat zij openbare vierkante pleinen insloten. De drie
belangrijkste gebouwen waren een kerk, een magazijn en een woning voor den
admiraal. Deze waren alle van steen. Bekwame bouwmeesters maakten er een
plan van, en zij werden door ervaren ambachtslieden gebouwd. De andere
huizen werden van hout of riet vervaardigd en de muren bepleisterd. Voor een
korte poos was het een vroolijk tooneel, nu allen zoo ijverig bezig
[97]waren
met het optrekken van nieuwe huizen, te midden van bloemen en vruchten in
dezen natuurlijken tuin.
Maar het ongeluk was in aantocht. Er brak een
besmettelijke ziekte uit. De bedriegelijke bodem wasemde kwaadaardige dampen
uit. Het ontzenuwende klimaat werkte afmattend zelfs bij geringen arbeid.
Menigeen had gedachteloos aan de onderneming deel genomen, en was onnoozel
genoeg geweest van te meenen, dat men naar een waar Eden ging, waar de
natuur de liefelijkste priëelen voor hen inrichten, en hen met de
heerlijkste vruchten voeden zou; waar men goud—als keisteenen—voor ’t
oprapen had, en waar het aardsche leven vrij van arbeid zou zijn, gelijk aan
een voortdurenden feestdag.
Het nieuwe van de keerkringslanden was spoedig voorbij. De
lichaamskrachten werden door afmatting ondermijnd, en de geest leed door
heimwee. Teleurstelling bedierf die stemming. Men begon te morren en
eindelijk te twisten. Een verandering van plaats had geen verandering van
hart teweeggebracht. De kalmte van den helderen hemel was niet in de
verontruste ziel van de menschen gedaald. Zelfs Columbus ontkwam het
algemeene lot niet. De kolonie, waarvan hij zich zooveel had voorgesteld,
was verwoest. De tonnen gouds, die hij met de terugkeerende schepen naar
Spanje had willen zenden, om Ferdinand en Isabella zoowel te verbazen als te
verblijden, bestonden niet meer, zelfs niet in zijn verbeelding. De
inboorlingen waren onvriendelijk geworden, en vermeden zorgvuldig alle
verkeer met de Spanjaarden. De zorgen voor het eskader; het gevaar, dat
onbekende zeeën opleverden; het uiteenloopend karakter van al die menschen,
die hij niet dan met de grootste moeite kon regeeren, drukten hem zwaar.
Niettegenstaande hij zich alle moeite gaf, om zijn lasten welgemoed te
dragen en een opgeruimd voorkomen te bewaren, kon hij toch de
neerslachtigheid niet verbergen, die hem drukte. Weken achtereen was hij aan
’t ziekbed gekluisterd. Maar de kracht van zijn geest zegevierde ten slotte
op zijn lichaamszwakte. Hij gordde zich met nieuwe kracht aan, om den
grooten levensstrijd voort te zetten.
De schepen, die hun lading gelost hadden, werden dadelijk
teruggezonden. Allen zagen in Spanje verlangend naar hun terugkomst uit en
geloofden, dat zij met goud en andere schatten, die Columbus met zulke
gloeiende kleuren had afgeschilderd en waaraan de Nieuwe wereld zoo rijk
moest zijn, bevracht zouden zijn. Het was voor Columbus een onuitsprekelijke
kwelling, genoodzaakt te zijn ze leeg naar huis te zenden. Van de
binnenlanden,
[98]van
de ontdekte goudmijnen, van nieuwe rijken, waarin men doorgedrongen was, kon
hij geen bericht zenden. De souvereinen verwachtten aanzienlijke voordeelen,
en het zou hen zeer teleurstellen, en hun vertrouwen in Columbus grootelijks
verminderen, wanneer zij niets dan jobstijdingen kregen.
Onder deze omstandigheden vond Columbus het voor alle
dingen noodig zich de grootste inspanning te getroosten, om te maken, dat de
schepen bij hun tehuiskomst op de een of andere wijze de schitterende
voorstellingen, die zijn voortvarende geest hem had doen maken, zouden
bevestigen en rechtvaardigen. Hij had vernomen, dat de zoogenaamde mijnen
van Cibao ongeveer drie of vier dagreizen van daar landwaarts in lagen. Hij
zond een afdeeling troepen uit, om onderzoek te doen. Het zou eenige
vergoeding schenken, als hij de tijding mee kon geven, dat de gouden bergen
bereikt waren, en dat de mijnen, waarvan men zooveel hoopte, onmiddellijk
ontgonnen zouden worden.
De ridderlijke Alonzo de Ojeda werd gekozen om deze
onderneming te leiden. Hij hield veel van waagstukken en gevaar, en juichte
bij de gedachte, dat hij het rijk van het alvermogende opperhoofd Caonabo
zou binnendringen. In het begin van Januari 1494 trok Ojeda met een troep
goed gewapende en uitgelezen mannen het binnenland in. Twee dagen lang
trokken ze door verlaten streken. Alle inwoners hadden de vlucht genomen.
Zij kwamen bij de bergen en langs een nauwen, slingerenden bergpas bereikten
zij den top. De morgenzon gaf hun zulk een prachtig panorama te aanschouwen,
als de aarde den mensch slechts geven kan. Aan hun voeten strekten zich
schijnbaar grenzenlooze groene velden, weelderige bosschen en kronkelende
rivieren uit, terwijl de verstrooide huizen en dorpen van de inboorlingen;
de vlakten nog verfraaiden.
Zij daalden van deze hoogten af, en gingen onbevreesd de
dorpen in, die beneden lagen. Het scheen, dat de vrees voor de Spanjaarden
dit afgelegen deel van het land nog niet bereikt had. De inwoners ontvingen
hen vriendelijk en onthaalden hen met de grootste gastvrijheid. Maar het
bleek, dat men nog wel een geheele dagreis van de bergen van Cibao afwas. De
oppervlakte van het land was golvend, en hier en daar waren holle wegen,
rivieren, waarover geen bruggen lagen, en bosschen met zulk dik kreupelhout,
dat men er zich alleen met bijlen een weg doorheen kon banen.
Zes dagen lang werkten zij voort, en hadden wel niet van
dorst, koude en honger te lijden, maar werden geblakerd door de
[99]stralen
van een verzengende zon. De wilden liepen naakt, en waren in overeenstemming
hiermede in hun heele gedrag onbeschaafd. Toch schenen zij over het geheel
meer een schapen- dan een wolvennatuur te hebben. Maar de onderzoekers
zagen, of meenden vele teekenen te zien van grooten rijkdom aan delfstoffen.
Stukjes glinsterend goud lagen volgens hun verhalen op het zand van de
bergstroomen verspreid. Peter Martyr verklaart, dat Ojeda een sieraad van
zuiver goud meebracht, dat 9 ons woog, en dat hij zelf in een van de beken
had opgeraapt. Ook zag hij steenen, waardoor aders van goud liepen. Men
vermoedde, dat dit alleen stukjes waren, die door het stroomende water waren
losgespoeld, maar dat daar, onder den grond, groote lagen van gedegen goud
zouden gevonden worden.
Ojeda had evenals Columbus een levendige verbeelding, en
kwam dan ook met allergunstigste berichten aan. Een mensch gelooft licht,
wat hij wenscht. Ook Columbus nam die tijdingen gaarne aan, en voegde in
zijn opgewondenheid nog nieuwe kleuren aan de schilderij toe. De geest van
al de Spanjaarden was werkelijk door de vleiende verhalen met nieuwe kracht
bezield. Onuitputtelijke bronnen van rijkdom deden zich voor hen op.
Columbus hield vijf schepen voor zich, en zond de andere, hoofdzakelijk
beladen met schoone beloften, huiswaarts. Eenige door Ojeda gevonden stukjes
goud, en ook zeldzame planten en vruchten namen de terugkeerenden mee,
benevens een brief van Columbus aan den Koning en de Koningin. Hij gaf hun
de verzekering, dat hij nog vertrouwen stelde in zijn verwachtingen, zoodat
hij spoedig in staat zou wezen schepen vol goud, kostelijke medicijnen en
specerijen te zenden.
Men kon geen woorden genoeg vinden, om de schoonheid en de
vruchtbaarheid van het eiland Hispaniola te beschrijven. De lucht was
helder, het klimaat heerlijk, de bergen prachtig, het landschap
onbeschrijfelijk schoon, de grond vruchtbaar, de vruchten smakelijk en de
bloei eeuwigdurend. Het suikerriet, dat hij uit Europa had meegebracht,
groeide er verbazend welig.
Een kolonie van over de duizend hongerige menschen, gewoon
aan een Europeesche levenswijze, heeft heel wat voedsel noodig. Deze
menschen konden niet alleen van vruchten leven, en daarom verminderde de
voorraad hard. Er ging een lange tijd mee heen vóór men tuinen en velden
bezaaid had en de oogsttijd aanbrak. Daar de veestapel noodzakelijk vergroot
moest worden, kon men er niets van afnemen. Vele kolonisten waren ziek, en
de geneesmiddelen verbruikt. De heeren konden niet werken.
[100]Er
was behoefte aan meer werkkracht, om de mijnen te ontginnen en het erts te
smelten. Veel paarden waren reeds gestorven, en men had er veel meer noodig
voor openbare werken en krijgsdienst. Daarom was het allernoodzakelijkst,
dat men hem grooten toevoer zond.
In den brief, dien Columbus bij deze gelegenheid schreef,
stralen ernst en rechtschapenheid door. Opzettelijk werd er niets verkeerd
voorgesteld. Hij verhaalde de feiten, zooals ze zich aan hem voordeden, met
de meeste waarheidsliefde, en legde moeielijkheden en vooruitzichten zoo
getrouw mogelijk bloot. Met de schepen zond hij mannen, vrouwen en kinderen,
allen inboorlingen, die hij buit gemaakt had op de Caraïbische eilanden. Het
waren menscheneters, die tot het armste en diepst gezonkene deel van ’t volk
hadden behoord.
In een brief aan Antonio de Torres, waarin hij vertelt,
wat hij aan Ferdinand en Isabella wenscht mede te deelen, schreef hij:
“Wees zoo goed den beiden Koningen te doen weten, dat ik
met deze twee schepen eenige menscheneters zend, zoowel kinderen van
beiderlei kunne als mannen en vrouwen, omdat ik de taal van het land niet
ken, en hun dus ook ons heilig geloof niet leeren kan, zooals Hunne
Majesteiten en ik zelf ook zouden wenschen. H.H. M.M. kunnen hen nu door
geschikte personen onze taal laten leeren en ze zulk onderwijs doen geven,
dat zij later nuttig werk kunnen verrichten. Wijdt men aan hen meer zorg dan
aan andere slaven, dan kan naderhand de een den ander weer leeren.
“Zien en spreken ze elkander in geen langen tijd, dan
zullen ze in Spanje veel spoediger wat leeren dan hier, en zij zullen veel
betere tolken worden. Ik zal intusschen doen, wat ik kan. Daar er tusschen
het eene eiland en het andere niet veel gemeenschap is, bestaat er in de
wijze, waarop zij spreken, eenig verschil, wat vooral van den afstand af
hangt, waarop zij van elkander wonen. Maar aangezien die eilanden het
grootst en het volkrijkst zijn, wier bewoners uit menscheneters bestaan, heb
ik gemeend, dat het het best was mannen en vrouwen van deze eilanden naar
Spanje te zenden, opdat zij daardoor de barbaarsche gewoonte andere menschen
op te eten eenmaal zouden laten varen.
“Door in Spanje zelf de Spaansche taal te leeren, zullen
zij veel spoediger gedoopt kunnen worden en zal hun zieleheil bevorderd
worden. Het zal voorts een groote zegen voor de Indianen, die de genoemde
wreede gewoonte niet volgen, zijn, als zij ondervinden, dat wij degenen, die
hen kwaad doen, vatten
[101]en
als gevangenen wegvoeren, want zij zijn voor hen zoo bang, dat hun naam
alleen schrik verwekt.
“Geef Hunnen Majesteiten de verzekering, dat onze komst in
dit land en het gezicht van zulk een vloot, de meest gewenschte uitwerking
gehad en onze veiligheid voortaan verzekerd hebben. Stellig zullen alle
bewoners van dit eiland, en van de eilanden er om heen, zich spoedig
onderwerpen, wanneer zij zien, dat wij de goedwilligen zacht behandelen,
maar tevens de kwaad- en onwilligen straffen. Binnenkort zullen H.H. M.M.
hen onder hun onderdanen kunnen tellen.”
Op dit gedeelte van den brief antwoordden de souvereinen:
“Laat Columbus weten, wat met de menscheneters, die naar Spanje gekomen
zijn, gebeurd is. Hij heeft goed gehandeld, en zijn raad is uitstekend. Maar
laat hij toch alle mogelijke middelen aanwenden, om ze tot ons geloof te
bekeeren, niet slechts daar, maar op alle eilanden, waar het lot hem brengen
zal.”
Over hetzelfde onderwerp schrijft Columbus verder:
“Zeg H.H. M.M. dat het mij voor het heil van de zielen van
bedoelde menscheneters, en ook voor de bewoners van dit eiland, wenschelijk
voorkomt, dat er een zoo groot mogelijk aantal naar Spanje gezonden wordt,
en dat zij op die wijze H.H. M.M. van grooten dienst kunnen worden. Aan de
groote behoefte denkende, die wij aan slachtvee, last- en trekdieren hebben,
zoowel ter voeding als tot hulp voor de volkplanters, dienen de Koning en de
Koningin elk jaar een voldoend aantal karveelen te zenden met die dieren,
opdat de velden bevolkt en bebouwd worden.
“Dit vee kon voor rekening van de overbrengers tegen een
matigen prijs worden gekocht, en de laatsten konden met slaven, die van de
Caraïben komen en toch echte wilden zijn, betaald worden. Deze slaven zijn
voor alle werk geschikt, flink gebouwd, hebben veel gezond verstand en
zullen, wanneer zij hun wreedaardige gewoonten hebben laten varen, veel
beter zijn dan andere slaven. Als ze hun land uit zijn, zullen ze die
ruwheden ook niet meer bedrijven. Door middel van roeibooten, die ik mij
voorstel te maken, zal het gemakkelijk zijn velen van die wilden te krijgen.
Hunne Majesteiten konden ook belasting leggen op den invoer van slaven in
Spanje. Vraag om antwoord op dit punt, en breng het mij, opdat ik de noodige
maatregelen kan nemen, wanneer mijn voorstel hun goedkeuring mag wegdragen.”
Dit voorstel, dat het hof van Spanje tot den slavenhandel
brengen zou, verraste Ferdinand en Isabella. Zij werden er door
[102]tot
nadenken gebracht. Zij antwoordden eenigszins onbepaald: “De overweging van
dit onderwerp is voor eenigen tijd uitgesteld geworden, en wij zien andere
voorstellen van maatregelen, met betrekking tot de eilanden te nemen, te
gemoet.”
Deze gevoelens van Columbus, die in onze verlichte 19e
eeuw zoo verafschuwd worden, waren met de destijds algemeen heerschende
opvattingen volmaakt in overeenstemming. Zulke verkeerde begrippen van
menschenrecht heerschten vóór 400 jaren bijna overal. De bekeering van de
heidenen achtte men zóo belangrijk, dat men daarvoor alle middelen, eerlijke
of oneerlijke, moest aangrijpen. Een rechtvaardig oordeel neemt de
onwetendheid van de eeuw in aanmerking, waarin Columbus leefde. Hij geloofde
werkelijk, dat hij voor een maatregel van barmhartigheid pleitte, die een
groote zegen voor de arme Caraïbiërs en voor de menschheid in ’t algemeen
zou blijken te wezen. Hieruit ziet men tevens, hoe menschen, die het oprecht
meenen, zich zelf door valsche redeneeringen kunnen bedriegen.
Het doet ons goed, dat Ferdinand en Isabella het
verleidelijk voorstel na rijpe overweging verwierpen. Het bevatte anders
veel, waardoor het aanlokkelijk voor hen moest zijn. Op deze wijze toch
konden de koloniën van levend vee uit Spanje worden voorzien, zonder dat het
iets kostte, ja, zelfs trok men er voordeel van. De rustige eilandbewoners
zouden van de strooptochten van die woeste menscheneters, die hun
voortdurend schrik aanjoegen, bevrijd worden. De koninklijke schatkist zou
er wel bij varen, zoodat de heerschzuchtige souvereinen in staat zouden zijn
veel te doen voor de bevordering van de belangen hunner landen. En, wat nog
de kroon op alles zette, een groot aantal wilden kwam onder den invloed van
christelijke instellingen, zoodat hun zielen konden gered worden.
De terugkeerende vloot stak den 2den Februari
1494 in zee. Drie en een halve eeuw na de stichting van de stad Isabella
kwam T.S. Hencken daar. Het volgende is belangwekkend, omdat het ons leert,
hoe het er toen uitzag.
“Thans is Isabella bijna geheel bedekt door bosch. Men
ziet er nog de pilaren van de kerk, eenige overblijfselen van de koninklijke
magazijnen en een deel van Columbus’ woning, alles van gehouwen steen
gebouwd. Een klein fort, dat nu in puin ligt, valt ook terstond in ’t oog.
Een weinig noordwaarts staat nog een ronde, gemetselde pilaar, die nagenoeg
tien voet hoog en dik is, waarop een houten galerij schijnt gestaan te
hebben, in ’t midden waarvan de Spaansche vlag wapperde. Ik heb de
[103]overblijfselen
van een ijzeren klamp, die in den muur zat en diende, om den vlaggestok vast
te zetten, gevonden en er uitgetrokken, en zend ze nu aan u als een
herinnering aan de intrede van de beschaving in de Nieuwe wereld. Die
overblijfselen hebben nu bijna 350 jaren aan weer en wind blootgestaan.”
Door de geestkracht van Columbus ging het werk goed
vooruit, en de stad Isabella nam spoedig groote afmetingen aan. Wij moeten
er evenwel bijvoegen, dat de huizen niet best afgewerkt kunnen zijn geweest.
Den 7den December kwam Columbus in de haven. In twee maanden
tijd, den 6den Februari, was de kerk gereed en werd zij ingewijd.
Twaalf geestelijken, onder hun geestelijk opperhoofd, broeder Boyle, woonden
de indrukwekkende plechtigheid bij.
Het weggaan van de vloot was een somber uur voor de
achterblijvenden. Een algemeen gevoel van ontevredenheid heerschte in de
kolonie, want velen waren teleurgesteld. Sommigen verweten zich zelf, dat
zij hun te huis in Spanje voor een wildernis, waar slechts wilden woonden,
hadden verlaten. Anderen waren boos op den admiraal, wiens onware
voorstellingen hen, naar zij zeiden, in het verderf hadden gelokt. Overal
hoorde men gemor, dat tot verwijtingen en bittere twisten oversloeg. Het
vertrek der schepen maakte veler oogen vochtig, en donkerder wolken van
droefgeestigheid schenen over de kolonie te trekken, toen het laatste schip
aan den horizon uit het gezicht verdween.
Onder de gelukzoekers bevond zich een trotsch en verwaand
man, die aan het Spaansche hof had verkeerd, wiens aanmatigingen dikwijls
tot oneenigheid met den admiraal hadden geleid. Zijn naam was Bernal Diaz de
Pisa. Hij bracht een groot aantal ontevredenen tot opstand. Hun plan was één
of alle schepen machtig te worden, daarmede naar Spanje terug te keeren, en
dan gezamenlijk ernstige klachten tegen Columbus in te brengen. Zij hoopten,
dat er zóó velen aan de samenzwering zouden deelnemen, dat zij al de vijf
schepen konden bemachtigen.
De opstand werd echter ontdekt, en de hoofdschuldigen
gevangen genomen. Bij het verhoor, dat volgde, vond men een schandelijk
schotschrift, dat door Bernal Diaz geschreven was, en vol laster en
onwaarheden stond. Diaz was een hooggeplaatst man. Columbus was voorzichtig
genoeg hem niet in verhoor te nemen aan zijn eigen hof, waar Diaz misschien
grooten invloed had, maar zond hem met het oproerig handschrift naar Spanje.
Sommigen van de minder aanzienlijke opstandelingen werden gestraft, maar
zachter dan hun overtreding verdiende. Om een
[104]vernieuwde
poging te beletten, werden alle kanonnen met toebehooren op één na van de
schepen verwijderd, en dit ééne werd aan personen toevertrouwd, op wier
trouw men stellig rekenen kon.
Columbus was geen Spanjaard, maar een Genueesch burger,
en, omdat hij dus een vreemdeling was, had men een vooroordeel tegen hem. De
trotsche Spanjaarden spanden samen, om hem ten val te brengen. Onder de
inlanders had hij geen vrienden, die hem hielpen. Ofschoon het voor de
algemeene veiligheid noodig was, dat de verstoorders van de openbare rust
niet ongestraft bleven, ging hij zoo zacht en toegevend mogelijk met de
weerspannigen om; maar toch beschuldigden zijn tegenstanders hem van
willekeur en wraakgierigheid. Voor iemand, die macht heeft, is het
onmogelijk zich voor laster te vrijwaren. Evenzoo werd George Washington,
gedurende zijn geheele loopbaan, aangevallen alsof hij een duivel was. De
vijandschap, die men tegen Columbus opwekte, ging over in haat, die duurde,
tot hij rust vond in het graf. En na verloop van drie en een halve eeuw
vervolgen de venijnige aanvallen hem nog.
Columbus besloot een werkzaam deel aan de zaken te nemen,
en naar de mijnen te gaan, om de ontginningen daar zelf te leiden. Het
bestuur te Isabella liet hij, tijdens zijn afwezigheid, aan zijn broeder,
Don Diego, over. Las Casas, die dezen van nabij kende, stelt hem voor als
een zeer beminnelijk en oprecht man, die den vrede liefhad, zich goed
gedroeg, en matig en eenvoudig was, zoowel in spijs en drank als in
kleeding.
Aangezien Columbus het gebied van een vermaard krijgsman
zou betreden, die reeds getoond had een doodvijand van de Spanjaarden te
zijn, was het noodig, dat hij een krijgsmacht meebracht, niet alleen groot
genoeg, om aanvallen af te slaan, maar ook om de inlanders de overtuiging te
geven, dat de macht van de vreemden onweerstaanbaar was. Voor hen, die in
het fort achtergebleven waren, zou het niet moeilijk zijn zich tegen elken
aanval te verdedigen. Daarom nam hij bijna alle geschikte manschappen en al
de paarden, die gemist konden worden, mee. De ondervinding had hem geleerd,
welken diepen indruk uiterlijk vertoon op de wilden maakte. Daarom stelde
hij met al den militairen glans, dien hij aanbrengen kon, zijn macht in
slagorde.
Den 12en Maart 1494 trok het leger, dat uit 400
man bestond, op. Het krijgsvolk, dat een verblindende wapenrusting aanhad,
glad geschuurde wapenen en vergulde banieren droeg, en trompetgeschal
aanhief, dat door de bosschen weerklonk, moet aan de inboorlingen wel het
denkbeeld van bovennatuurlijke en onweerstaanbare
[105]macht
hebben ingeboezemd. Al de aanvoerders waren rijk gekleed, en zaten op
sierlijk getooide paarden. Het was een heldere en prachtige dag, toen de
troep door een bebloemde vlakte naar de verafgelegen heuvels trok. Tegen den
avond kwamen zij aan den ingang van een rotsachtigen weg door de bergen. Zij
zetten zich op de groene zoden neer en sliepen heerlijk, onder het inademen
van de geurige lucht. Een nauw Indiaansch voetpad leidde door de hobbelige
bergpassen.
Verscheiden stoutmoedige ridders reden als pioniers
vooruit, om hinderpalen uit den weg te ruimen. Het zoo gebaande pad werd de
Heerenweg genoemd ter eere van de ridders, die het hadden gemaakt. Toen zij
de hoogte bereikt hadden, opende zich voor hen hetzelfde heerlijke uitzicht,
dat Ojeda en zijn metgezellen met vreugde hadden aanschouwd.
Aan hun voeten lag een uitgestrekte en schoone vlakte,
beschilderd en ingelegd als het ware met al den rijkdom van een tropischen
plantengroei. De prachtige bosschen vertoonden die mengeling van schoonheid
en grootschheid van plantenvormen, die men alleen in dat heerlijk klimaat
aantreft. Palmboomen van aanzienlijke hoogte en breed getakte mahonieboomen
rezen te midden van een wildernis van verschillend gebladerte op. De
frischheid en de groene kleur werden door talrijke rivieren bewaard, die
glinsterend door laag boschland kronkelden; terwijl zich onderscheidene
dorpen en gehuchten uit de boomen verhieven, en de rook van andere midden
uit de bosschen opsteeg, waaruit bleek, dat er een talrijke bevolking moest
zijn. Het weelderige landschap strekte zich zoo ver uit als het oog reikte,
tot dat het zich aan den horizon verloor. Met verrukking staarden de
Spanjaarden op dit schoone en rijke land, dat hun denkbeeld van een aardsch
paradijs scheen te verwezenlijken. Columbus was getroffen door zijn groote
uitgestrektheid, en noemde het de Vega Real of koninklijke vlakte.
Deze thans eenzame weg wordt nog een enkele maal door
hedendaagsche reizigers betreden. Hij vormt den eenig bruikbaren bergpas van
den Monte Christo en blijft een eenzaam, hobbelig voetpad, dat langs rotsen
en afgronden slingert. De naam er van is Marney-pas. Het schoone eiland
heeft van de soort van beschaving, die de Spanjaarden er invoerden,
verbazend geleden. Eenzaamheid, verwoesting en vreeselijke armoede heerschen
nu daar, waar eenmaal Columbus meende op een aardsch paradijs te staren, en
waar de lachende dorpen van de Haïtiërs het landschap vervroolijkten.
[106]
Met veel praalvertoon en onder trompetgeschal trok het
schitterend leger door de vlakte. De inboorlingen konden niet anders dan de
wondervolle pracht als iets bovennatuurlijks aanzien. Las Casas zegt, dat
zij in ’t eerst den ruiter en zijn paard voor één dier hielden. Vol schrik
liepen haast alle Indianen weg. Soms overwon Columbus hun angst door
vriendelijkheid. Inlandsche tolken werden vooruit gezonden, om de
verzekering te geven, dat hun geen leed zou geschieden. Ook werden hun
geschenken aangeboden, die ze met verbazing en vreugde aannamen. Voedsel
werd door hen als gemeen eigendom beschouwd. Elk huis kon men binnengaan, om
er te gebruiken wat men wilde. Maar in schijnbare tegenspraak hiermede,
verhaalt men, dat andere bijzondere eigendommen voor heilig werden gehouden.
Diefstal werd met groote gestrengheid gestraft.
Een marsch van 15 mijlen bracht hen aan een groote rivier,
die Columbus den Rietstroom noemde. Het bleek het bovenwater te zijn van
denzelfden stroom, wiens mond Columbus de Goudrivier had genoemd. Aan deze
groene oevers brachten de gelukzoekers, nadat ze een bad genomen hadden, den
nacht in prachtige tenten door. Den volgenden morgen staken ze met vlotten
de rivier over, en de paarden zwommen er door. Nog twee dagen lang zetten ze
den tocht door de schoone vlakte voort. Vele dorpen trokken ze door, waarvan
de inwoners eerst altijd op de vlucht gingen. Tegen den avond van den
tweeden dag bereikten zij de noordelijke hellingen van de goudbergen van
Cibao.
Den volgenden morgen begonnen zij die te beklimmen langs
donkere holle wegen en oneffen rotsen, waar de paarden niet dan met moeite
bestuurd konden worden. Toen zij den top bereikt hadden, kregen ze weer een
verrukkelijk gezicht. Als een frisch groen meer breidde de vlakte zich voor
hen uit. Naar de schatting van Las Casas was zij 240 mijlen lang en 70
breed. Zij waren nu midden in het goudland. De toppen van de bergen boden
slechts een droevig tooneel van dorheid en verwoesting aan. De plantengroei
was gering en men zag haast geen bloempje. De kanten waren met pijnboomen
bedekt. De Spanjaarden namen echter met dit akelig tooneel genoegen, omdat
zij in het zand glinsterend stofgoud vonden, en daaruit opmaakten, dat de
bergen onuitputtelijke bronnen van rijkdom verborgen hielden.
Ongeveer 50 of 60 mijlen waren deze onderzoekers nu van
Isabella verwijderd. Columbus zocht nu een geschikte plek voor een kamp op.
Hij bouwde een houten fort, dat hij, misschien
[107]voor
de aardigheid St. Thomas noemde, als een zacht verwijt voor hen, die niet
gelooven wilden, dat men eenig goud zou vinden vóór dat hun oogen het gezien
en hun handen het getast hadden.
[Inhoud]
Negende Hoofdstuk.
De kust van Cuba wordt onderzocht.
Terwijl Columbus het fort St. Thomas bouwde, zond hij
eenige manschappen uit, om het omliggende land te onderzoeken. Zij waren
goed gewapend, en werden door een dapperen, jongen ridder aangevoerd, die
Juan de Luxan heette. Zij doorkruisten de provincie Caonabo, en ’t kwam hun
voor, dat zij nagenoeg zoo groot was als Portugal. Aan de oevers van alle
rivieren vonden ze kleine stukjes goud. Geen woorden genoeg konden ze vinden
om de vruchtbaarheid en de pracht van ’t land te beschrijven.
In ’t fort was een bezetting van 56 man achtergebleven. Er
was een begin gemaakt met de ontginning der mijnen, en nu meende Columbus
naar Isabella terug te kunnen keeren. Hij kwam er den 29sten
Maart aan, en bracht gunstige berichten mee, ten aanzien van de
vooruitzichten om goud te krijgen. Spoedig evenwel werd hem meegedeeld, dat
de Indianen te St. Thomas zeer vijandig waren geworden. Dit kwam, omdat de
beginsellooze Spanjaarden begonnen waren, zoodra zij niet meer door
Columbus’ tegenwoordigheid in bedwang werden gehouden, de inlanders te
plunderen, en hun vrouwen en dochters aan groote beleedigingen bloot te
stellen. Caonabo kende hen maar al te wel, en daarom had hij hen met groot
leedwezen op zijn bergen zien komen.
Dat er vrees behoefde te bestaan voor hun vijandschap
geloofde Columbus niet, en daarom bepaalde hij er zich slechts toe een
kleine versterking van oorlogs- en mondbehoeften naar het fort te zenden.
Maar wel bestond er reden voor hem zelf, om ongerust te wezen over de
ontevredenheid, het gemor en de vijandige stemming, die hij te Isabella
steeds grooter zag worden, en die zich in daden tegenover hem lucht gaven.
Er waren vele zieken, en, behalve, dat de geneesmiddelen op waren, kregen ze
het rechte voedsel niet. Met eenige verwondering lazen wij, dat de
kolonisten zich niet aan het eten
[108]van
de inlanders konden gewennen. Vrees voor een hongersnood maakte het noodig
het volk op rantsoen te zetten. Dit gaf tot veel gemor aanleiding, en
niemand klaagde luider en bitterder dan het hoofd der Spaansche
geestelijken, “vader” Boyle.
De geestelijken en aanzienlijken waren kwaad, omdat
Columbus geen onderscheid in rang kende, waar het op plichtsbetrachting en
de verrichting van ’t dagelijksch werk aankwam. Het bestaan zelf van de
kolonie eischte, dat er molens gebouwd en andere werkzaamheden voor ’t
openbaar welzijn verricht werden. Allen zonder onderscheid moesten helpen.
De trotsche Spaansche grooten waren verontwaardigd en kwamen in verzet. Zij
scholden hem uit voor fortuinzoeker, en geen vriend bleef hem over.
Columbus was een groot voorstander van orde en tucht, en
werd hierin geleid door den natuurlijken drang van zijn krachtigen geest.
Maar hij, die van Genua kwam, waar arbeid in eer werd gehouden, hield
misschien geen rekening genoeg met de verbazende trotschheid van de
Spaansche edelen. Zij beschouwden het werken als het verachtelijk lot voor
de zonen van laaggeborenen. Vele jonge ridders, die op de krijgsvelden van
Grenada roem hadden ingeoogst, hadden den tocht naar de Nieuwe wereld
meegemaakt met hersenschimmige denkbeelden van rijkdommen, die hun daar
zouden toevloeien. Op kasteelen moesten zij wonen, paardrijden en boven de
Spaansche vorsten uitsteken in het aantal gedweëe dienstbaren, in pracht en
in grondbezit. Velen van deze jongelieden hadden ongetwijfeld het land
verlaten in de hoop, dat zij zich door heldendaden en ridderlijke avonturen
konden onderscheiden, en in Indië de krijgsbedrijven konden voortzetten,
waarmee in de jongste oorlogen te Grenada een begin gemaakt was. Anderen
waren in hun jeugd vertroeteld, in weelde opgevoed en weinig bestand tegen
de gevaren aan het zeeleven verbonden en tegen de vermoeienissen op het
land. Even weinig waren zij bestand tegen de gevaren, de verliezen, de
tegenspoeden en alles, waaraan men blootstaat, wanneer men zich in een
wildernis vestigt. Hadden zij ’t ongeluk ziek te worden, dan viel er al
spoedig aan hun toestand niets te verbeteren, en bleek het lichamelijk
lijden nog door die van ’t hart verergerd te worden. Zij leden onder de
bitterheid van gekwetsten trots en onder de ziekelijke zwaarmoedigheid van
bedrogen hoop. Aan hun ziekbed misten zij die teedere zorg en verzachtende
oplettendheid, waaraan zij gewend waren. En zij daalden ten grave met al de
somberheid [109]aan
de wanhoop eigen, den dag verwenschende, waarop zij hun vaderland verlaten
hadden.
Ferdinand en Isabella spoorden Columbus tot de
voortzetting van zijn ontdekkingsreizen aan. Er opende zich naar allen
schijn een wijde en onbekende wereld voor hem, en niemand kon weten, welke
wonderen zich zouden openbaren. De telkens grooter wordende bezwaren
maakten, dat Columbus het best vond de kolonisten op deze tochten te
scheiden. Daarom zond hij een groot aantal uit, om het binnenland te gaan
onderzoeken. Iedereen, die gezond was, niet op zieken behoefde te passen en
geen dienst had, behoorde tot dit getal. Ook gingen 250 kruisboogschutters,
110 handbuksschutters, 16 ruiters en 20 officieren mee. Het bevel er over
werd gevoerd door Peter Margarite, een vriend van Columbus en een van de
beroemdste ridders van de orde van Santiago. Ojeda was bij de mijnen als
hoofdopzichter gebleven.
Columbus gaf Margarite zeer uitvoerige voorschriften. Zij
leggen het getuigenis af van zijn gezond oordeel, zijn menschlievendheid en
zijn edel streven, om nuttig te zijn. De oprechtheid van Columbus is boven
allen twijfel verheven. In dit geschrift zegt hij: “Behandel de Indianen met
de grootste vriendelijkheid. Bescherm hen tegen onrecht en beleedigingen.
Betaal alles ruim, wat gij van hen krijgt voor het onderhoud van de troepen.
Stel alles in het werk, om hun vertrouwen, hun vriendschap te verwerven.
Maken de behoeften van het leger het volstrekt noodzakelijk, dat gij van hen
neemt, wat zij niet willen afstaan, doe het dan zoo zacht mogelijk en poog
hen door vriendelijkheid en bewijzen van genegenheid te troosten. Vergeet
het nooit, dat Hunne Majesteiten meer op de bekeering van de wilden gesteld
zijn, dan op de voordeelen, die zij van hen zouden kunnen trekken.”
Al deze verstandige voorschriften sloeg Margarite in den
wind. Voorspoed en geluk zouden het gevolg van hun getrouwe naleving zijn
geworden. De laagheid van dezen troep Spanjaarden werd nu de aanleiding tot
oorlog en ellende. De Indianen werden uitgeroeid, Spanje geschandvlekt, de
menschheid onteerd en Columbus zelf moest onophoudelijk de gemeenste en
laagste verwijtingen hooren.
Het opperhoofd Caonabo was een beslist vijand; en daarbij
schrander en sluw. Zijn tocht ter vernieling van het Spaansche garnizoen op
La Navidad was met groote bekwaamheid en volkomen goeden uitslag volbracht.
Nu bleek het duidelijk, dat
[110]hij
een macht bijeen verzamelde, om de Spanjaarden te verdelgen, die op zijn
gebied waren gekomen en zich in het fort St. Thomas trachtten te
verschansen. Beklagenswaardig is ’t lot van den mensch. Niemand kan het dit
opperhoofd kwalijk nemen, dat hij de Spanjaarden uit zijn land wilde jagen,
die hun slecht karakter reeds hadden getoond in de behandeling van de
inlanders. Aan den anderen kant kan niemand het in Columbus afkeuren, dat
hij zijn volk naar de binnenlanden zond, om goud te zoeken. Columbus kon met
een goed geweten God bidden om bescherming voor zijn kolonie. Even oprecht
kon Caonabo de goden, die hij aanbad, smeeken de vreemde indringers te
verdrijven.
Ojeda begeleidde het leger met omstreeks 400 man naar St.
Thomas, waar hij Margarite moest helpen en de onderzoekers, achterlaten. Er
werd verteld, dat vijf Indianen drie Spanjaarden bestolen hadden. Hun
opperhoofd werd beschuldigd van den buit met hen te hebben gedeeld, in
plaats van hen te straffen. Ojeda kreeg een Indiaan in handen, die gezegd
werd een van de dieven te zijn. Op een openbaar plein van een Indiaansch
dorp sneed men hem de ooren af. Toen hij het opperhoofd, diens zoon en neef
gevangen genomen had, zond hij ze allen geboeid naar Isabella.
Een naburig opperhoofd, die bewijzen van genegenheid
jegens de Spanjaarden gegeven had, verzelde de van angst bevende gevangenen,
om vergiffenis voor hen af te smeeken. Columbus sloeg geen acht op die
vriendelijke tusschenkomst. Hij liet de drie gevangenen met de handen op den
rug gebonden naar het openbaar plein brengen, door den omroeper hun misdaad
bekend maken, en gaf daarna bevel de dieven te onthoofden. Om dit wreede
bevel te rechtvaardigen, zegt Oviedo, dat het noodig was schrik onder de
inboorlingen te brengen, opdat dezen eerbied kregen voor het eigendom van de
blanken, en dat de Indianen zelf iemand, die zich aan diefstal had schuldig
gemaakt, een puntigen haak van onderen tusschen de ruggegraat en de huid
staken, zoodat hij tusschen de schouders uitkwam, of
m.e.w.
hem spietsten.
Columbus had echter geen plan de wreede straf werkelijk te
doen ondergaan. Toen men op de strafplaats gekomen was, stortte het
bevriende opperhoofd bittere tranen en smeekte op de roerendste wijze, om
het levensbehoud van zijn vrienden. Hij verzekerde den admiraal, dat het
niet meer gebeuren zou, en dat hij zijn eigen leven tot pand gaf, als er
opnieuw een misdaad
[111]plaats
greep. De admiraal gaf toe, en de gevangenen werden in vrijheid gesteld.
Columbus had reeds eenigen tijd geleden toebereidselen
gemaakt, om onder zeil te gaan en met zijn smaldeel nieuwe rijken op te
zoeken. Zooals bekend is hield hij Cuba niet voor een eiland, maar voor een
deel van het vasteland van Azië. Nu was zijn plan langs de zuidelijke kust
van deze groote kaap te kruisen.
De kleine vloot vertrok den 14en April 1494.
Het bestuur over Isabella werd aan Don Diego Columbus toevertrouwd. De
schepen voeren naar ’t Westen, hielden zich een korten tijd te Monte Christo
op, en wierpen het anker in de baai van La Navidad. Toen zij den 29sten
de westelijkste kaap van St. Domingo omtrokken, kwamen de schepen in ’t
gezicht van de oostelijkste kaap van Cuba, die Columbus Alpha en Omega
genoemd had, doch nu Kaap Ataysi heet. Het kanaal tusschen de twee eilanden
is ongeveer 54 mijlen breed. Toen men dit kanaal door was en omstreeks 60
mijlen langs de zuidkust van Cuba gevaren had, wierp men het anker in een
ruime haven, waaraan Columbus den naam van Puerto Grande gaf, maar die nu
Guantanamo genoemd wordt.
Aan de hutten en de vuren op het strand kon men zien, dat
er menschen woonden. Met eenige goed gewapenden ging Columbus aan land, maar
er was alweer geen enkel Indiaan te zien, omdat allen naar de bergen
gevlucht waren. De Spanjaarden vonden voedsel in overvloed, waarvan zij
gretig gebruik maakten. Juist toen de maaltijd afgeloopen was, zagen zij op
een afgelegen hoogte een zeventigtal Indianen, die hen met vrees en
verwondering bekeken. Toen zij naar hen toegingen, namen allen de vlucht,
behalve één. Deze waagde het te blijven staan, ofschoon ook hij zich gereed
maakte, om ieder oogenblik weg te kunnen loopen.
Columbus zond een Indiaanschen tolk met geschenken
vooruit. De dappere jongeling liep naar hem toe. Nadat hij de geschenken
ontvangen had, en hem verzekerd was, dat de Spanjaarden niets kwaads in den
zin hadden, haastte hij zich zijn landgenooten hiermee in kennis te stellen.
Dezen keerden daarop, hoewel beschroomd en met aarzelende schreden, terug.
Zij waren naar het strand gegaan, om visch te vangen, daar het opperhoofd
een naburig opperhoofd een groot feestmaal wilde aanrichten. Om de visch
goed te houden was ze gebraden. De hongerige Spanjaarden aten alles op, maar
de vriendelijke inboorlingen zeiden, dat dit
[112]niets
was, want als zij één nacht vischten, zou het verlies weer hersteld zijn.
Maar Columbus stond er met zijn gewone rechtvaardigheid op, dat alles zou
worden betaald. Zoo scheidden de Spanjaarden en de Cubanen, ingenomen met
elkander.
Toen men nog westelijker zeilde, scheen het land
vruchtbaarder en volkrijker te worden. Aan het strand stond het vol mannen,
vrouwen en kinderen, die met verwondering naar de vloot keken, welke
langzaam op een afstand van een mijl voortdreef. Eindelijk bleef zij in een
andere groote baai liggen, waar omheen men schoone natuurtafereelen zag. Het
was de baai, die nu St. Jago heet. Hier bracht de vloot den geheelen nacht
door. De inboorlingen schenen alle vrees voor de vreemdelingen te hebben
afgelegd, kwamen in grooten getale met hun kano’s naar de schepen, en boden
den Spanjaarden de grootste gastvrijheid aan.
Overal vroeg Columbus naar goud, en bijna altijd wezen de
inboorlingen naar het Zuiden, te kennen gevende, dat daar een eiland was,
waar dit kostbaar erts in overvloed aangetroffen werd. Den 3en
Maart wendde Columbus den steven derwaarts, en verliet hij Cuba’s kust om
dit eiland op te sporen. Na een vaart van eenige uren verhieven aan den
horizon prachtige bergen hun kruin, alsof het wolken waren. Toen de
zeelieden er dichter bij kwamen, kregen zij een wonderschoon tooneel te
aanschouwen. Gewoon als zij waren weelderige paradijzen te zien, die uit de
glinsterende golven oprezen, konden zij zich hier niet weerhouden hun
verwondering door gejuich lucht te geven bij het zien van de bergen en
dalen, de bosschen en schilderachtige dorpen, die in telkens afwisselende
bevalligheid hun oogen verrukten.
Toen zij dicht bij de kust waren, ging de wind liggen en
lag de vloot geheel stil als op een zee van glas. Terstond kwamen ongeveer
70 met krijgslieden bezette booten naar hen toe. Deze onverschrokken mannen,
die zich beschilderd en met veeren versierd hadden, zwaaiden hun lansen en
gilden vreeselijk. Bij het nader komen stelden zij zich in slagorde, als om
een verschijning aan te vallen, die in hun oog met bovenaardsche macht was
bekleed.
Zoodra een van de kano’s gepraaid kon worden, begon een
inlandsche tolk met de Indianen te spreken. Zijn verzekering, dat de
vreemdelingen hun vriendschap zochten, en de krachtige invloed van naar hun
schatting kostbare geschenken, die in hun boot gebracht werden, ontwapenden
hun vijandelijke houding. De kleine vloot van kano’s ging om de Spaansche
schepen liggen, ten einde naar de zonderlinge verhalen der Spanjaarden te
luisteren. Intusschen
[113]wakkerde
de wind aan en kon het smaldeel ongemoeid zijn reis vervolgen. Het is wel
waarschijnlijk, dat, als Columbus er niet geweest was, de Spaansche matrozen
zich zouden vermaakt hebben met de uitwerking te zien, die eenige
kanonschoten met schroot gemaakt hadden op die dicht opeengepakte menigte in
de kano’s.
Een korte vaart bracht hen in een ruime haven, waar
Columbus bleef liggen. Hij noemde haar de St. Gloria-baai, ging aan land,
stak een kruis en de Spaansche vlag in den grond, en nam het eiland in naam
van zijn vorsten in bezit. Eén van de schepen had een lek bekomen, en moest
noodig gekield en gekalefaat worden. Daar verschenen onverwachts twee groote
kano’s, met krijgslieden bemand, die hun werpspiesen naar het scheepsvolk
slingerden; maar niemand kreeg letsel, omdat de afstand nog te groot was. Al
heel spoedig stond het strand vol menschen, als razenden met hun wapens
zwaaiende. Zij gilden ook akelig.
Deze inboorlingen schenen niet zoo zachtmoedig te zijn als
die van Cuba en Haïti, maar vertoonden veeleer al de wildheid van de
Caraïbiërs. Het werd vóór alles noodig het schip te kielhalen, en tevens
vond Columbus het goed de wilden bang te maken, opdat zij van deze
gelegenheid geen voordeel trekken en hem niet met een groote overmacht
aanvallen zouden. Of dit plan wijs was is een zaak, waarover men
verschillend kan denken; maar geen rechtschapen man zal volhouden, dat
leedvermaak hem tot deze daad leidde.
Columbus kon met zijn schepen niet dicht aan wal komen,
omdat het water zoo laag stond. Daarom zond hij verschillende goed bemande
en gewapende booten uit. Of zij gewacht hebben tot ze aangevallen werden, is
onbekend; maar zeker is het, dat zij de Indianen de volle laag gaven, zoodra
de afstand het schieten met de kruisbogen toeliet. Velen werden gewond, en
de anderen namen de vlucht. De Spanjaarden, die maliënkolders aan hadden,
waar de pijlen der wilden niet door konden dringen, gaven de vluchtenden nog
eens de volle laag, en lieten tegelijkertijd een sterken bloedhond op hen
los, die hen met de kracht en de wreedheid van een tijger vervolgde en velen
verscheurde.
Dit is de eerste maal, dat wij van het gebruik van den
vreeselijken bloedhond melding vinden gemaakt bij de mishandeling van de
Indianen. Daar nu de ontstelde bewoners geheel uiteen waren gedreven, en men
geen vrees behoefde te koesteren, dat zij weer terug zouden komen, nam
Columbus ook dit eiland
[114]in
bezit, en noemde het Santiago. Gelukkig heeft het later den veel schooneren
en meer Indiaansch klinkenden naam van Jamaica gekregen. Het is een
onaangename herinnering, dat de komst van Europeanen op dit eiland vergezeld
is gegaan van zooveel wreedheid.
In den verderen loop van dezen noodlottigen dag zag men
geen Indianen meer. Den volgenden morgen echter liepen er in de verte zes
inboorlingen, die al dichter en dichter bij de Spanjaarden kwamen en teekens
van vriendschap gaven. De admiraal ontving hen minzaam, en toen vertelden
zij, dat zij namens vele opperhoofden vredesvoorslagen kwamen aanbieden.
Columbus antwoordde, dat het zijn ernstige begeerte was, om met alle
menschen in vrede te leven, maar dat hij tevens de macht bezat hen met de
grootste gestrengheid te straffen, wanneer het bleek, dat zij verraders
waren. Ten bewijze dat hij een broederlijk verkeer wenschte, gaf hij vele
geschenken voor de opperhoofden mee, waarop hij wist, dat zij den hoogsten
prijs stelden. Wie kan de waarde schatten, die een geslepen mes voor een
wilde heeft, wanneer hij zijn boog en pijlen steeds met steenen snijden
moest?
De Indianen waren juist als kinderen, want op eenmaal
hield alle vijandelijkheid op. In groote menigte kwamen zij op de werf, waar
Columbus zijn schepen kalefaatte. Drie dagen lang, ging men op de
vriendelijkste wijze met elkaar om. Maar deze Indianen waren stellig zeer
oorlogzuchtig. Zij hadden geduchte wapenen, en hun kano’s waren uit den stam
van een enkelen mahonieboom heel kunstig gemaakt. Columbus nam van een er
van de maat, en bevond, dat de lengte 96, en de breedte 8 voet bedroeg.
Toen de schepen hersteld waren, en men drinkwater
ingenomen had, zette men de kustvaart naar ’t Westen voort. Er woei een
zachte bries, en het water was zóó doorschijnend, dat men de steentjes, die
vele vademen diep lagen, zien kon. Terwijl de karveelen langzaam
voortgingen, hadden zij menigmaal de kano’s van de wilden om zich heen. Uit
elke baai, van elke rivier en elke landtong schoten zij toe. Het eiland
scheen zeer bevolkt en alle bewoners waren vriendelijk en begeerig, om tot
elken prijs eenige Europeesche sieraden te krijgen.
Columbus vroeg maar altijd om goud; doch men vond niets,
en hoorde er zelfs niet van. Om al die teleurstellingen keerde hij naar wat
hij het vasteland van Cuba noemde terug. Maar of ’t een eiland was of niet
bleef nog onzeker, en daarvan wilde hij zekerheid hebben. Er kwam een
Indiaansche jongeling aan
[115]boord,
die Columbus smeekte, hem mee naar Spanje te nemen. Misschien werd hij door
nieuwsgierigheid gedreven, om de oorden te zien, van waar de zonderlinge
vreemden kwamen. De bloedverwanten van dezen jongeling smeekten hem op de
aandoenlijkste wijze, of hij zijn plan wilde laten varen. Maar hij bleef er
bij, ofschoon de jonge teergevoelige man tranen stortte, toen hij zijn
familie verliet. Na bekomen verlof om mee te gaan, verborg hij zich in een
hoek van ’t schip, om geen getuige van de smart der zijnen te wezen. ’t Is
jammer, dat we naderhand niets meer van hem vernemen.
Den 18en Mei bereikte Columbus de kust van
Cuba, en de eerste kaap, waar hij aankwam, noemde hij Cabo de la Cruz. Nog
heet die zoo. Hier lag een dorp, waarvan de inwoners, die van Columbus’
eerste reis gehoord hadden, hen met de meeste vriendelijkheid ontvingen.
Columbus vroeg aan de bekwaamste opperhoofden of Cuba een eiland was. Zij
gaven allen zonder uitzondering hetzelfde ongerijmde antwoord, dat Cuba een
eiland was, maar grenzenloos. Niemand, zeiden zij, is er ooit in geslaagd
het einde er van te bereiken. Hierdoor werd Columbus in zijn meening
versterkt, dat hij bij het vasteland van Azië was. Toen hij de reis naar ’t
Westen voortzette, dacht hij spoedig bij het beroemde en schoone rijk van
den grooten Khan te zullen komen. Hij voer langs de zuidelijke kust en kwam
zoo in een eilanden-zee, waarin honderden eilanden lagen, die zeer in
grootte en vorm verschilden en alle prachtig groen waren. De meeste waren
onbewoond. De vaarwaters tusschen die eilanden waren even kalm, als het
water van een geheel afgesloten bergmeer. De bloemen bloeiden heerlijk, en
in de bosschen, op de velden en wateren was het vol van de schoonste vogels,
zooals men die in de heete luchtstreek aantreft.
Op een van de grootste eilanden, dat Columbus Santa Marta
noemde, ging hij aan land. Men schreef den 22en Mei. Dit eiland
was niet onbewoond, maar alle bewoners hadden hun huizen verlaten, om,
zooals later bleek, te gaan visschen. Langzaam zeilde Columbus in die nauwe
vaarwaters voort, en kwam 50 mijlen verder op den 3en Juni in een
groot Indiaansch dorp. Ook hier werden de vreemdelingen met die minzaamheid
ontvangen, die men overal op het eiland Cuba aantrof.
Men verzekerde Columbus opnieuw, dat dit eiland aan de
westzijde geen grenzen had. De wind was zeer gunstig, en daar de admiraal
zeer gaarne spoedig in de beschaafde rijken van Azië wilde komen, werd de
tocht voortgezet. Een watervlakte, waarin
[116]geen
enkel eiland lag en die wel 100 mijlen lang was, strekte zich voor hen uit.
Rechts lag de met bosch bedekte kust van Cuba, en links zag men de wijde,
opene zee. Het was prachtig weer, en de vloot bleef zoo dicht bij de kust,
dat de inboorlingen in troepen naar het strand liepen en sommigen zwemmend,
anderen in kano’s naar de schepen gingen. De zachte nachtwind bracht het
gezang en de wilde muziek van de inlanders naar de schepelingen over. Men
vermoedde, dat de wilden op die manier de komst van de hemelsche bezoekers
vierden.
Die toen zoo volkrijke streek is nu een dorre woestenij.
Er leeft niet één afstammeling meer van die Indianen, wier vreedzame
woningen destijds de heuvels en de dalen versierden. Humboldt is vóór eenige
jaren des nachts ook langs die kust gevaren. Hij schrijft:
“Een groot deel van den nacht bleef ik op het dek. Wat een
eenzame kust! Geen licht verraadt het bestaan van een visschershut. Van
Batabano af tot Trinadad toe, dat toch een afstand is van 150 mijlen, ziet
men geen enkel dorp. En in de dagen van Columbus was dit land toch bewoond
tot aan de kust toe. Maakt men putten in den grond, of komen er door
watervloeden gaten in het zand, dan vindt men dikwijls steenen bijlen,
koperen vaatwerk, en overblijfsels van de oude bewoners van dit land.”
Na een tweedaagsche vaart kwam de vloot bij een andere
eilandengroep, maar ’t was hier vooral zeer moeilijk en gevaarlijk tevens
voor de schepen, om zich door die nauwe en kronkelende wateren een weg te
banen. Columbus hield echter maar steeds westwaarts aan. Ieder uur hoopte
hij de een of andere aanwijzing te krijgen, waardoor ’t zeker was, dat hij
het oostelijk keizerrijk naderde. Maar dag aan dag zag hij niets dan naakte
wilden en lage hutten. Ook was de tongval van de Indianen in deze
verwijderde streken zelfs voor de tolken van Haïti onverstaanbaar. Door
gebaren kon men ook al zeer weinig van hen te weten komen. Columbus maakte
er uit op, dat hij langs de stranden van het vasteland van Azië voer.
Alle metgezellen van Columbus, en hiertoe behoorden vele
geleerden en ervaren zeelieden, meenden dat er ook uit op te moeten maken.
De schepen hadden echter door de lange reis veel geleden; het touwwerk was
versleten en de zeilen waren gescheurd. De levensmiddelen raakten op, en
hierdoor vooral werden de matrozen ontevreden en morrend. Nieuws zag men
niet meer, en ieder wenschte terug te keeren. Columbus zelf achtte het
ongeraden nog langer door te varen. Alle officieren en de knapste mannen
liet hij bij zich komen. Eenstemmig verklaarden zij, dat
[117]Cuba
geen eiland kon wezen, en dat zulk een verbazend groot rijk tot een vastland
moest behooren.
De admiraal achtte het van het grootste belang, dat zijn
gevoelen door alle schepelingen zou worden gedeeld. Daar hij bewijzen te
over had, dat zijne talrijke vijanden geneigd zouden wezen, zijn opgaven
onnauwkeurig of wel geheel onjuist te noemen, en zijn ontdekkingen voor
onbeteekenend te houden, wenschte hij voor het feit van de ontdekking zulk
een onloochenbaar bewijs te hebben, dat de geheele wereld het erkennen
moest. Daarom zond hij een vertrouwd officier naar ieder schip, die ieders
gevoelen vragen en eischen moest, dat men de waarheid met een eed
bevestigde. Niemand mocht worden overgeslagen van den kapitein af tot den
scheepsjongen toe. Aan ieder werd gezegd, dat men, bij den minsten twijfel
of het land, dat men nu zag, wel het vasteland van Indië was, dien twijfel
en de reden daarvan moest uitspreken. Later kon dan die zaak behandeld
worden.
Voorts werd bepaald, dat elke officier een boete van 1000
marevedi1
betalen zou, en dat een gemeen matroos 100 zweepslagen zou ontvangen en men
hem de tong uit den mond snijden zou, als hij later verklaarde, dat hij uit
eigenbelang een valsch getuigenis had afgelegd en niet geloofde, dat men bij
een vastland gekomen was. Dit deed Columbus, om te voorkomen, dat sommigen
naderhand zouden zeggen: Wij hebben de waarheid niet gezegd; wij waren niet
vrij en durfden niet anders. Luim of kwaadwilligheid konden Columbus dan van
bedrog beschuldigen, en beweren, dat hij de souvereinen met zijn gewaande
ontdekkingen bedriegen wilde.
Deze wreede straf, waarmee de onwetende, bijgeloovige
zeelieden, die gemakkelijk waren om te koopen, om een getuigenis af te
leggen naar den wensen van Columbus’ vijanden, bedreigd werden, doet zien,
hoe bitter hij gestemd was door de telkens tegen hem gesmeede
samenzweringen, tegen hem, die men een verwaanden vreemdeling, een “zoon van
niemand” noemde. Ofschoon het waar is, dat Columbus geen plan had die straf
toe te passen, blijft het toch te bejammeren, dat hij haar liet aankondigen.
Het werd een nieuw wapen in de hand van hen, die gaarne zijn ondergang
zagen.
De bekwame zeelieden en aardrijkskundigen aan boord
bekeken zeer nauwkeurig de kaarten. Na rijpe beraadslaging gaven zij
[118]eenstemmig
als hun gevoelen te kennen, dat zij het vasteland hadden bereikt. Onder eede
verklaarden zij hieraan niet te twijfelen, en tevens, dat zij langs de
bochtige kusten van Cuba meer dan 1000 mijlen hadden afgelegd, en er nog
geen eind aan ’t land te zien was. Iedereen op de schepen stemde met de
algemeene verklaring in. Columbus zelf geloofde ook stellig, dat hij ’t
vasteland van Azië bereikt had, en heeft in die overtuiging niet alleen
geleefd, maar is er ook in gestorven.
Toen deze belangrijke, schriftelijke verklaring werd
opgesteld, waren de schepen zoo dicht bij de westelijkste punt van het
eiland, dat ze nog maar drie dagen hadden behoeven voort te gaan, om de
vergissing te bemerken. Was dit geschied, dan zou de vloot de groote golf
van Mexico vóór zich gehad hebben.
Het smaldeel ving den terugtocht aan, en voer langs de
kusten in een zuid-oostelijke richting. Weldra kwamen zij bij een groep
kleine eilanden, waarvan de meeste naakte rotsen vormden. De Spanjaarden
noemden ze Cayos, wat zandbanken of rotsen beduidt. Te midden van al
die eilandjes verhief zich een prachtige berg, die tot in de wolken reikte,
en een bewijs was, dat daar een zeer groot eiland lag. Columbus gaf zich
geen tijd het te onderzoeken, mar bleef eenige uren in een van de havens, om
hout en water in te nemen, en er een kruis en de Spaansche vlag te planten.
Hij gaf dit eiland den naam van Evangelista, maar nu heet het
Pijnboomen-eiland.
Aan vele gevaren stonden ze op dezen tocht bloot door
onbekende zeeën, vol rotsen en zandbanken. Ook kregen ze van tijd tot tijd
een ongeluk, maar toch zetten ze de reis langs de kusten van Cuba naar ’t
Oosten voort. Het scheepsvolk was door het afmattend klimaat, het ongewone
voedsel, aanhoudende inspanning en onafgebroken wacht houden, zeer verzwakt.
Twee maanden lang hadden ze met moeielijkheden en gevaren geworsteld. Alle
versche eetwaren bedierven spoedig door de brandende hitte. De visch moest
dadelijk na de vangst gekookt en opgegeten worden. Ieder kreeg niet meer dan
één pond beschimmeld brood daags, benevens een weinig wijn.
Den 7en Juli liep Columbus een wonderschoone
haven binnen, om zijn uitgeput volk rust te geven. De Indianen onthaalden
hen rijkelijk, en Columbus plantte er als naar gewoonte een kruis en de
vlag.
Den 16en Juli werd het anker alweer gelicht.
Men zette koers naar het Zuiden, om naar Hispaniola te gaan. Op die wijde en
opene zee kregen ze zulke stormen, dat de vloot slechts als door
[119]een
wonder behouden bleef. Geweldige tegenwinden dreven het smaldeel naar
Jamaica. Bijna een maand lang moest men hier door die tegenwinden blijven.
Haast iederen avond was Columbus genoodzaakt in een van de tallooze havens,
die de kust hier vormt, te ankeren, en menigmaal deed hij dit op dezelfde
plek, die hij ’s morgens verlaten had.
Vijandig waren de inlanders niet meer, want zij brachten
overvloed van levensmiddelen en andere benoodigdheden. Ofschoon de bekoring
van het nieuwe reeds lang geweken was, verrasten de schoonheid en
vruchtbaarheid van dit heerlijk eiland Columbus toch zeer. De meesterlijke
pen van Washington Irving beschrijft één van die natuurtooneelen aldus:
“Toen de schepen den volgenden morgen, met een zachten
wind in de zeilen, langzaam langs de kust voeren, zagen zij drie kano’s, die
van een in de baai liggend eiland kwamen. Een van die kano’s was groot, zeer
netjes bewerkt en geverfd. Deze was in ’t midden, en de andere twee waren
iets vooruit. In de eerste zat het opperhoofd met zijn familie, die uit zijn
vrouw, twee dochters en vijf zonen bestond.
“Een van de dochters, een achttienjarig meisje, had een
schoon gelaat en zag er zeer goed uit. Haar zuster was iets jonger.
Overeenkomstig de gewoonte van die eilanden waren beiden naakt. Aan den
voorsteven van de kano stond de vaandeldrager van het opperhoofd, in een
mantel gehuld, die van verschillend gekleurde veeren gemaakt was. Op zijn
hoofd droeg hij een vederbos, en hij had een witte vlag in de hand, die in
den wind wapperde. Twee Indianen, die een kleed droegen, dat dezelfde kleur
en denzelfden vorm had, zaten met veeren helmen of hoeden en met geverfde
gezichten op de trom te slaan. Een paar anderen hadden hoeden op het hoofd,
die heel aardig van groene veeren gemaakt waren, en bliezen op trompetten
van mooi, zwart en heel fraai gesneden hout. Nog waren er zes, die groote
hoeden op hadden van witte veeren en de lijfwacht van het opperhoofd schenen
te vormen.
“Toen het opperhoofd bij het admiraalschip gekomen was,
ging hij met den geheelen stoet aan boord. Hij droeg al de kenteekenen van
de koninklijke macht. Een smalle band, met kleine, verschillend gekleurde
steentjes, waarvan de meeste groen waren, versierde de slapen, en was op het
voorhoofd met een groote gouden speld vastgehecht. Aan zijn ooren hingen met
ringetjes van prachtige groene steentjes twee gouden platen. Hij had een
halssnoer om van een soort witte koralen, die daar zeer kostbaar
[120]waren,
en daaraan hing een groote gouden plaat, die den vorm van een lelie had.
Eindelijk behoorde nog tot de koninklijke versierselen een gordel, die
evenals de band om het hoofd, van allerlei soort van steenen vervaardigd
was.
“Zijn vrouw was ongeveer op dezelfde wijs uitgedost, maar
zij had nog een katoenen boezelaar voor en katoenen banden om armen en
beenen. De dochters hadden geen versieringen aan, behalve de oudste, die
tevens de knapste was. Ook zij droeg een gordel, die geheel met steentjes
bezet was, en er hing een plaat aan in den vorm van een klimopblad, die uit
veelkleurige steentjes bestond en met katoen omboord was.
“Zoodra het opperhoofd aan boord gekomen was, deelde hij
aan de officieren en de manschappen geschenken uit, alle voortbrengselen van
’t eiland zelf. De admiraal hield zich op dat oogenblik in zijn kajuit bezig
met bidden. Toen hij op het dek verscheen, haastte het opperhoofd zich om
hem te ontmoeten en sprak met een opgeruimd gelaat tot hem:
“Mijn vriend! ik heb besloten mijn land te verlaten, en
met u mee te gaan; want ik heb van de Indianen, die bij u zijn, gehoord, dat
de macht van uw souvereinen onwederstaanbaar is; en ook dat gij in hun naam
vele volken onderworpen hebt. Al wie gehoorzaamheid weigert, is zeker van
gestraft te worden. Gij hebt de kano’s en woningen van de Caraïbiërs
vernield, hun krijgslieden verslagen en hun vrouwen en kinderen gevangen
genomen. Al deze eilanden vreezen u, want wie kan u weerstaan, nu gij de
geheimen van het land en de zwakheid van het volk kent? En daarom wil ik
liever met al de mijnen op uwe schepen gaan, uw koning en koningin hulde
bewijzen en uw land zien, dan dat gij al mijn landen neemt.”
“Toen deze woorden vertaald waren geworden, en Columbus de
vrouw, de dochters en de zoons van den cacique zag, en aan de valstrikken
dacht, waaraan hun onkunde en eenvoud hen zouden blootstellen, kreeg hij
medelijden en besloot hen niet aan hun geboorteland te ontrukken. Daarom
liet hij het opperhoofd antwoorden, dat hij hem als een leenman van zijn
vorsten zou beschermen, en dat hij later zijn wenschen zou vervullen, maar
nu nog eerst vele landen moest bezoeken vóór hij naar zijn land kon
terugkeeren. Daarop keerde het opperhoofd, na met vele verzekeringen van
vriendschap afscheid te hebben genomen, met zijn familie en den geheelen
stoet in de kano’s naar het eiland terug, en de schepen zetten den tocht
weer voort.”
Columbus had nog een groote reis te doen. Door stormen
[121]werd
hij beloopen en de schepen verstrooid, terwijl hij bovendien nog met vele
gevaren en tegenspoeden had te kampen. Angst en arbeid hadden hem letterlijk
uitgeput. Het harde lot van den minsten matroos had hij gedeeld, en meer dan
dat, want als anderen onder het loeien van stormen sliepen, bracht hij
slapelooze nachten door en tartte hij het geweld van den storm alleen. Aller
leven hing van hem af, en de wereld verbeidde met verlangen den uitslag van
zijn onderneming. Plotseling werd hij door een beroerte getroffen, en op
eenmaal had hij zijn geheugen, zijn gezicht en zijn verstand verloren. In
een staat van volkomen bewusteloosheid, in een gevoelloosheid, die met den
dood gelijk stond, werd de heldhaftige admiraal in de haven van Isabella
gedragen. Wanneer hij van die verdooving in den slaap was overgegaan,
waaruit men niet meer ontwaakt, zou het voor hem, om zoo te zeggen, een
geluk zijn geweest.
[Inhoud]
Tiende Hoofdstuk.
De terugreis naar Spanje en de derde reis.
Den 29n September 1494 zeilde de kleine vloot
de haven van Isabella binnen, met den bijna dooden en nog geheel en al
bewusteloozen admiraal aan boord. Columbus had te Isabella wel veel
vijanden, maar toch ook veel vrienden, die zich over zijn lang wegblijven
zeer ongerust hadden gemaakt, en zich verheugden, dat hij, ofschoon dan ook
verbazend zwak, teruggekeerd was. Gedurende zijn afwezigheid was zijn
teergeliefde, jongste broeder Bartholomeus uit Spanje gekomen, om zich met
drie zwaar geladen en van allerlei benoodigheden voorziene schepen bij hem
te voegen. Toen Columbus zijn bewustzijn herkreeg, was hij overgelukkig zijn
broeder aan zijn zijde te vinden.
Bartholomeus was een veel flinker man, dan zijn
zachtmoedige en beminnelijke oudere broeder Diego. Zijn voorkomen en zijn
stem waren even krachtig als zijn geest. Hij was volkomen thuis in de
toenmaals beoefende vakken, en kon vloeiend Latijn schrijven. Columbus
benoemde hem terstond tot luitenant-generaal over zijn gebied, dat toen
reeds grenzenloos heette. Hoofdzakelijk echter bepaalde zich zijn bestuur
tot de volkplantingen te Isabella en te St. Thomas.
Haïti was toen in vijf deelen verdeeld, en in elk daarvan
[122]woonde
een onafhankelijke volksstam. Over elken stam regeerde een erfelijk
opperhoofd, die door mindere hoofden werd bijgestaan. Men schatte toen de
bevolking van het eiland op een millioen, maar dat was misschien wel wat
overdreven. Men zal zich herinneren, dat Don Pedro Margarite met een leger
van 400 man een onderzoekingstocht op het eiland deed. Hij stoorde zich aan
de ontvangen voorschriften niet, zocht niets dan zich zelf, en ging de
vruchtbare velden van de Vega in, waar hij en zijn manschappen zich aan alle
denkbare uitspattingen overgaven.
Zij bestalen de Indianen, hielden drinkgelagen in hun
huizen en maakten zich aan alle mogelijke buitensporigheden met hun vrouwen
en dochters schuldig. Deze euveldaden kwamen den beminlijken Diego Columbus
ter oore. Terstond werd er raad gehouden. Margarite ontving een strenge
berisping en tevens het bevel, om den ontdekkingstocht voort te zetten. Maar
de trotsche Spaansche edelman verachtte de Genueesche gelukzoekers, de
“zoons van niemand.” Hij sloeg de waarschuwingen in den wind, en ging voort
allerlei wandaden te bedrijven. Tien Spanjaarden konden met hun
ondoordringbare maliënkolders een honderdtal naakte Indianen op de vlucht
jagen. Eindelijk waagden de tot wanhoop gebrachte inboorlingen het zich te
verzetten: doch er werd een vreeselijke slachting onder hen aangericht.
Caonabo zette een samenzwering op touw. Met een duizendtal
krijgslieden trok hij tegen de Spanjaarden op, die als duivels in de
woningen van zijn volk huishielden. Veel vijanden vonden den dood, en
menschenbloed kleurde den grond. Het strekt Guanagari niet tot eer, dat hij
weigerde tot het verbond van de 4 andere opperhoofden tegen de Spanjaarden
toe te treden. Maar zijn liefde voor Columbus was zoo groot, dat hij ondanks
al die afschuwelijke tooneelen zijn vriend bleef. Zelfs bood hij aan, om aan
de zijde van de Spanjaarden tegen Caonabo en de zijnen te strijden, en dat
nog wel na den door de Spanjaarden op een van zijn vrouwen gepleegden moord.
Bovendien hadden zij hem nog een andere vrouw afgenomen. ’t Kon zijn, dat
hij tot dit besluit gekomen is, omdat Caonabo hem beleedigd had, en hij zich
dus wreken wilde. Caonabo had
n.l. bij gelegenheid van de vermoording
van het Spaansche garnizoen ook zijn stad in de asch gelegd.
Ojeda was een bekwaam en geducht krijgsman. Te midden van
krijgsrumoer en den dood op het slagveld was hij het meest in zijn schik.
Van top tot teen geharnast, wierp hij zich in de
[123]dichtste
vijandelijke drommen, een verscheurenden en meedoogenloozen wolf gelijk, die
op een kudde lammeren aanvalt.
Margarite was niet alleen van een oude familie, maar
tevens een gunsteling van den koning. De Spaansche edellieden op Hispaniola
kozen in den regel zijn partij. De monnik Boyle, die aan het hoofd stond van
een godsdienstige partij, schaarde zich ook aan zijn zijde. Tegen Columbus
en zijn broeders bestond dus een zeer machtige partij van aanzienlijken. Zij
konden maar niet vergeten, dat Columbus in de dagen van zijn verheffing
adellijken en priesters gedwongen had het werk van het gemeene volk te doen,
en zich zijn ontberingen te getroosten.
De trotsche Margarite gaf zich uit voor den militairen
bevelhebber van het eiland. Hij vertrouwde de zorgen voor het leger aan
Ojeda toe, en keerde naar Isabella terug, om tegen den admiraal, die toen
juist langs de kust kruiste, een samenzwering te bewerken. Hij verwaardigde
zich niet eens Diego Columbus, die het bestuur in handen had, een bezoek te
brengen, of zijn gezag op eenigerlei wijze te erkennen. In overleg met de
edellieden, namen hij en Boyle, die bij den koning hoog stond aangeschreven,
eenige schepen in bezit, en zeilden met een groot aantal ontevredenen naar
Spanje. Allen wilden bij het Spaansche hof hun luide klachten over Columbus
inbrengen.
Zoo ongelukkig stonden de zaken, toen de admiraal in een
toestand van volkomen bewusteloosheid de haven van Isabella binnenvoer.
Nauwelijks had Columbus het bewustzijn weergekregen, of zijn trouwe vriend
Guanagari kwam uit broederlijke genegenheid aan zijn ziekbed. Alle twijfel
aan de trouw van dit opperhoofd was nu geheel uit het gemoed van den
admiraal en zijn vrienden geweken. Ofschoon Columbus een zeer gevoelig man
was, kon hij toch niet hartstochtelijk heeten. Veeleer was hij kalm,
ernstig, bezadigd. Geen uittartingen waren in staat, hem zijn bedaardheid
geheel te doen verliezen. Luisterde hij naar het verhaal van al de door de
Spanjaarden gepleegde gruweldaden, was hij getuige van de onherstelbare
schade, welke de kolonie geleden had, en al was hij tot in ’t diepst van
zijn ziel bewogen, toch was hij meer van droefheid dan van wraak vervuld.
Al zijn gedachten richtten zich op de vraag, wat er gedaan
moest worden, om den vrede te herstellen. Maar dit was ondoenlijk. Columbus
had niet veel manschappen meer, want velen waren aan uitspattingen bezweken,
anderen hadden in den strijd met de inboorlingen den dood gevonden, en ook
waren [124]er
velen met de schepen weggegaan. De wilden verkeerden juist in de grootste
wanhoop. De samenzwering had een groote uitbreiding gekregen en zij kon een
groot aantal krijgslieden op de been brengen.
Een Indiaansch opperhoofd, Guarionex genaamd, voerde het
bevel over een der vijf deelen van Haïti. Columbus zond een gezantschap tot
hem met de verzekering, dat de buitensporigheden van de Spanjaarden tegen
zijn uitdrukkelijk bevel hadden plaats gegrepen, en dat het zijn ernstige
wensch was op vriendschappelijken voet met de inlanders te leven. Hij gaf
het opperhoofd rijke geschenken, behandelde hem in alle opzichten als een
broeder, en haalde hem over, om zijn dochter uit te huwen aan den
Indiaanschen tolk, die bij Columbus in hooge gunst stond, en aan wien hij
den christennaam van Diego Colon gegeven had. Den beminlijken cacique kreeg
hij door deze vriendelijkheden geheel op zijn hand.
Boven allen was Caonabo de gevreesde krijgsman: De
ridderlijke heldendaden van Ojeda hadden zijn bewondering opgewekt. De jonge
Spanjaard vormde het plan het Indiaansche opperhoofd gevangen te nemen. Dit
plan mocht met alle recht wild, hersenschimmig en uiterst gevaarlijk worden
genoemd. Men zou het niet kunnen gelooven, als het niet van zeer
geloofwaardige zijde werd bevestigd. Hij koos tien eedgenooten uit, die
allen een schitterende wapenrusting en prachtige paarden kregen. Zij reden
omstreeks 150 mijlen door de bosschen naar Ataguana, een van de voornaamste
steden en tevens de woonplaats van het opperhoofd.
Ojeda naderde hem met den meesten eerbied. Hij sprak hem
aan als souvereinen vorst en verzekerde hem, dat hij met rijke geschenken
tot hem kwam, om hem namens Columbus te smeeken, dat hij aan den wreeden
oorlog een einde maken en vriendschappelijke betrekkingen aanknoopen zou.
Caonabo, die met zijn volk verschrikkelijk geleden had, en twijfelde aan
zijn macht den Spanjaarden te wederstaan, leende aan die voorstellen een
willig oor. Ojeda werd met zijn gezellen gastvrij ontvangen. De valsche
jonge Spanjaard trachtte op alle mogelijke wijzen het vertrouwen van het
opperhoofd te verwerven.
Hij stelde Caonabo voor hem naar Isabella te vergezellen,
waar hij door Columbus, hiervoor durfde hij instaan, met de meeste
onderscheiding ontvangen, en met geschenken overladen zou worden. De
admiraal zou zijn vriend en bondgenoot worden, en hem bij al zijn plannen
helpen. [125]
In de kapel van Isabella hing een klok, en als die voor
den kerkdienst geluid werd, wat natuurlijk dagelijks geschiedde, dan klonken
de tonen heinde en ver over bergen en dalen, tot geen geringe verbazing van
de inlanders. De Spanjaarden bezaten niets, wat zulk een diepen indruk
maakte als die klok. Caonabo zwierf menigmaal in den omtrek van de kolonie
rond, om naar die wondervolle tonen te luisteren. Nu vertelde Ojeda aan
Caonabo, dat Columbus, om een bewijs te geven, hoezeer hij in oprechtheid
zijn vriendschap zocht, hem die klok ten geschenke wilde aanbieden. Hij zou
hem wel helpen haar in zijn paleis op te hangen. Deze verleiding was te
groot, en het opperhoofd stemde er in toe met den verraderlijken Spanjaard
mee te gaan naar Isabella.
Toen het uur van vertrek gekomen was, verwonderde Ojeda
zich, dat Caonabo zulk een groote krijgsmacht had bijeen gebracht, om hem te
vergezellen. Toen hij hiervan de reden vroeg, antwoordde het opperhoofd:
“Het past een groot vorst als mij niet bij den Spaanschen admiraal met een
armzaligen stoet te komen.”
Ojeda begon te vreezen, dat het opperhoofd ook een valsch
spel speelde, en dat hij heimelijk plan had òf den admiraal gevangen te
nemen òf het garnizoen bij verrassing in te sluiten. Intusschen had zich de
stoet in beweging gezet. Aan de oevers van een rivier ging men eindelijk
rust houden, en daar hadden feestelijkheden plaats, die door Spaansche en
Cubaansche spelen werden afgewisseld. Ojeda had een stel handboeien, die van
gepolijst staal vervaardigd waren. De inlanders zagen ze voor sieraden aan,
zooals zij ze nog nooit hadden gezien. Ojeda maakte Caonabo wijs, dat de
Spaansche vorsten zulke sieraden droegen, als zij in feestgewaad wilden
verschijnen. Hij stelde Caonabo voor, om met die handboeien aan achter hem
op het paard te gaan zitten, en dan zoo in het kamp te rijden. De heele
bevolking zou hem dan vol bewondering aanstaren.
Het opperhoofd stemde hierin toe, en de kleine troep
ruiters ontving de noodige bevelen. De cacique kreeg de boeien aan, en ging
op een fikschen hengst achter Ojeda zitten. Na eenige sprongen vormden de
ruiters een kring om hem heen, gaven hun dravers de sporen, en verdwenen met
hun buit in het dichtst der bosschen. Met de blanke sabels in de hand
dreigden zij den cacique met een onmiddellijken dood, wanneer hij tegenstand
bood. Zij moesten zoo nog bijna 150 mijlen afleggen; doch de reis werd
gelukkig volbracht, en de gevangene in triomf in het fort te Isabella
opgesloten. [126]
Columbus vergat het verraderlijke van de daad, omdat het
hem toch genoegen deed den geduchtsten vijand van de Spanjaarden in zijn
macht te hebben. De stoutmoedige vorst van de Caraïbiërs werd streng
bewaakt. Hij bewaarde een trotsche houding, en wilde geen gunsten vragen, of
eenig teeken van onderwerping geven. Hij scheen de daad van Ojeda zeer te
bewonderen, al was hij dan ook het slachtoffer van die krijgslist. Toen
Columbus zijn cel binnentrad, bewees hij hem niet den minsten eerbied, maar
toen Ojeda kwam, stond hij op en groette hem zeer beleefd. Toen hem gevraagd
werd, waarom hij den gouverneur met minachting bejegende, en een van zijn
onderdanen hulde bewees, gaf de trotsche cacique ten antwoord:
“De admiraal heeft nooit den moed gehad in het hart van
mijn land te komen, om mij te vatten. Alleen door de dapperheid van Ojeda
ben ik een gevangen man. Hem dus ben ik eerbied verschuldigd, maar den
admiraal niet.”
De onderdanen van Caonabo betreurden zijn gevangenschap
zeer. Een van zijn broeders bracht een leger van 7000 man op de been, om hem
te bevrijden. Ojeda viel met een aantal geharnaste ruiters onverhoeds op hen
aan, en dreef ze op de vlucht. Hun blanke sabels, hun wapenrusting, waar
geen werpspies of pijl door kon komen; de bloedhonden, die de naakte
Indianen bij de keel grepen en ze op den grond wierpen; en vooral de wilde
dieren, waarop de Spanjaarden reden, en die in hun oog waren, wat leeuwen en
tijgers voor vrouwen en kinderen zijn, stelden weinige honderden soldaten in
staat een tienmaal grooter aantal Indianen op de vlucht te drijven. Ojeda
kende geen genade. De arme inlanders, die voor de rechtvaardigste zaak
vochten, werden vermoord, zooals wolven het lammeren doen.
Omstreeks dezen tijd kwamen er vier schepen uit Spanje met
vele benoodigdheden. Zij brachten zoowel van Ferdinand als van Isabella de
vleiendste brieven mee. Margarite en de monnik Boyle waren nog niet in
Spanje aangeland, en hadden dus met hun kwaadaardige schotschriften nog geen
vergif gegoten in de harten van de monarchen. De beide majesteiten hadden
een bevel uitgevaardigd, waarbij den kolonisten werd bevolen Columbus zoo
onvoorwaardelijk te gehoorzamen als zij het den koning en de koningin zouden
doen. Den admiraal werd ook verzocht naar Spanje te komen, om met zijn
ondervinding het hof te helpen in het trekken van de aardrijkskundige lijn,
die de ontdekkingen van Portugal van die van Spanje scheiden zou.
[127]
Columbus was echter van gevoelen, dat hij op dat oogenblik
de kolonie nog niet verlaten mocht, want de verwarring was groot. In de
mijnen werd niet meer gearbeid. De zware ziekte, waardoor hij was aangetast,
kluisterde hem nog aan het bed. Daarom besloot hij zijn broeder Diego naar
Spanje terug te zenden, om daar zijn belangen te behartigen. Aangezien hij
geen goud meegeven kon, zond hij 500 opgelichte inlanders, die naar zijn
meening te Sevilla als slaven verkocht konden worden.
Het is jammer, dat de schitterende roem van Columbus door
zulk een smet bezoedeld is. Maar de gewoonten van zijn tijd strekken
eenigszins tot zijn verschooning. Lang te voren was het voorbeeld zoowel
door Spanjaarden als Portugeezen gegeven, toen zij ontdekkingen in Afrika
deden, waarbij de slavenhandel een van de grootste bronnen van inkomsten had
uitgemaakt. Bovendien was de daad zelf door de kerk geheiligd, want de
voornaamste godgeleerden hadden verklaard, dat alle barbaarsche en
ongeloovige volken, die hun oogen voor de waarheden van het christendom
sluiten, geschikte voorwerpen zijn voor oorlog en roof, voor gevangenschap
en slavernij.
Deze overweging kan de groote misdaad van Columbus, het
vernederen van de inlanders tot slaven, verzachten. De daad zelf echter zal
altijd een onuitwischbare smet op zijn karakter blijven werpen. Columbus kon
beter weten, en had wijzer behooren te zijn. Ook in die dagen waren er
mannen, die er de schandelijkheid van inzagen, en zich er tegen verzetten.
De goede Las Casas liet zich over die snoodheid vinnig uit, en met een
oprechtheid, die hem tot eer verstrekt, schrijft hij:
“Als vrome en vroede mannen, die de leiders en
onderwijzers van den koning en de koningin waren, de onrechtvaardigheid van
den slavenhandel niet inzagen, dan is het waarlijk geen wonder, dat de
ongeletterde admiraal het groote kwaad er van niet begreep.”1
Behalve bij de weinigen, waarop Guacanagari nog eenigen
[128]invloed
kon uitoefenen, was bij alle bewoners van het eiland de verontwaardiging
tegen de Spanjaarden ten top gestegen. Columbus, die zelf op het ziekbed lag
uitgestrekt, en wiens krijgsmacht zoowel als de geheele kolonie ontzettend
veel van ziekte te lijden had, wendde alle middelen aan, die tot verzoening
leiden en de vijandschap, die tegen hem was opgewekt, opheffen konden. Maar
de smaad, dien men den inlanders had aangedaan, was te groot, om maar zoo
gemakkelijk vergeten te kunnen worden.
Nog geen twee dagreizen van Isabella af hadden de
inboorlingen een leger verzameld. Columbus verliet zijn bed, om den
naderende aanval af te weren. Hij kon maar 200 man voetvolk en 20 ruiters op
de been brengen, maar dezen waren veel beter gewapend dan de wilden. Zij
hadden veel geweren. Ook hadden zij twintig bloedhonden, die zoo wild als
tijgers waren. Niets schrikte hen af. Met onbegrijpelijke wildheid stoven
zij op de naakte Indianen in, grepen hen bij de keel en verscheurden hen.
Den 27en Maart 1495 verliet Columbus met zijn
legertje Isabella en trok hij tegen den vijand op, om hem onverhoeds aan te
tasten. De Indianen kregen door hun verspieders bericht van hun nadering.
Las Casas schatte het leger van de inlanders op 100000 man, maar dit is
stellig overdreven; en het is niet te denken, dat men het aantal juist kon
opgeven. De slag had bij de stad plaats, die nu St. Jago heet. Het was een
vreeselijk tooneel van bloedbad en slachting. De geharnaste ruiters sabelden
de wilden neer met een spierkracht, die niet scheen te kunnen worden
uitgeput. Hadden de bloedhonden hun tanden in het vleesch geslagen, dan was
het onmogelijk die er weer uit te halen; ze haalden de ingewanden uit het
lijf, en sprongen woedend van den een op den ander. De overwinning van de
Spanjaarden was volkomen, en de inlanders waren voor goed machteloos
gemaakt.
De wreedheid, waaraan Columbus zich bij die gelegenheid
schuldig maakte, is volstrekt onverschoonbaar. Met zijn geharnaste ruiters
maakte hij een tocht door de provinciën. Op belangrijke plaatsen bouwde hij
forten, waarin hij bloedhonden en krijgslieden achterliet, die elkander in
wreedheid niets toegaven. Ojeda was op zulke tochten, waarbij geroofd en
gemoord werd, zeer gesteld, en daarom viel hij als een onweer neer, als hij
ergens ook maar een schijn van opstand meende waar te nemen.
Ten einde goud naar ’t Spaansche hof te kunnen zenden, en
daardoor vooral den later te verstommen, dien zijn vijanden van hem
verspreidden, legde hij even buitensporige als hatelijke
[129]belastingen
op, en verwachtte daarvan aanzienlijke inkomsten. Ieder inlander, die boven
de 14 jaar was, moest elke 3 maanden zooveel goud brengen, dat de waarde er
van nu met die van 5 dollars, maar toen wel met die van 15, overeenkwam. Die
arme inlandsche kinderen moesten dus ook al 60 dollars belasting in goud per
jaar opbrengen. Van de opperhoofden eischte hij natuurlijk veel meer.
Atanicaotex, de broeder van Caonabo, moest om de 3 maanden 150 pesos goud
betalen, gelijk staande met 600 dollars per jaar. Alleen de vrees voor de
beten van de bloedhonden dreef de inlanders er toe zooveel goud bijeen te
verzamelen, dat de ontzettend zware belasting kon worden opgebracht. Ieder,
die zijn belasting betaald had, kreeg een koperen plaatje om den hals. Had
iemand dat plaatje niet om, dan werd hij streng gestraft, soms met
gevangenschap. In die streken, waar geen goud was, moest ieder elke 3
maanden 25 pond katoen opbrengen.
Het volk was wanhopend. Kreten van smart hoorde men
overal. De eenvoudige inboorlingen, die in bloemtuinen woonden en zich met
vruchten voedden, waren tot de beklagenswaardigste slavernij gebracht en tot
onrust en moeite veroordeeld, waardoor het leven een last werd. Aan
ontvluchten viel niet te denken, en hoop was er niet. Hun prettig leven op
het eiland was uit. De nacht van de wanhoop daalde op Hispaniola neer, en
niet vóór men in het stille graf rustte, kon men uit dien nacht komen. De
wereldgeschiedenis is vol treurspelen, maar waar zullen we akeliger lot
vinden dan dat van de bewoners van de West-Indische eilanden?
Velen vluchtten in wanhoop naar wildernissen, waarin men
haast niet doordringen kon, of naar bergspelonken. Maar ook daar werden zij
door de bloedhonden nagespeurd, en vonden zij er een ellendigen dood. Ouders
zagen hun kroost van gebrek wegkwijnen, of door die wilde beesten
verscheuren. De onderdanen van Guacanagari hadden geen beter lot dan de
anderen. Zijn landgenooten haatten hem, omdat hij weigerde zich met hen
tegen de verafschuwde Spanjaarden te vereenigen. Alle opperhoofden spraken
er schande van, en met hun verachting beladen, en verarmd door de
afpersingen van de Spanjaarden, trachtte hij zich in een wilde en
onvruchtbare streek te verbergen, waar hij in vergetelheid en armoede
stierf, door niemand beklaagd.
Intusschen deden Margarite en bisschop Boyle aan het
Spaansche hof hun best, om den goeden naam van Columbus te bezwalken. Hun
verklaringen werden door de ontevredenen, die
[130]met
hen mee naar Spanje gegaan waren, bevestigd. De regeering benoemde Juan
Aguado tot zaakgelastigde, om naar Hispaniola te gaan en er de ernstige
beschuldigingen te onderzoeken. Tevens vaardigden zij een bevel uit, waarbij
elke Spanjaard vergunning kreeg, om op eigen hand ontdekkingstochten te
maken en op de Nieuwe wereld handel te drijven. Dit griefde Columbus zeer.
Het was in zijn oogen een tastbare schending van de overeenkomst, die de
monarchen met hem hadden gesloten.
Het is moeilijk de groote verdrukking, waaraan Columbus de
inboorlingen onderwierp, in overeenstemming te brengen met zijn bijzondere
zorg, om hen te bekeeren. Maar de mensch is menigmaal vol
tegenstrijdigheden. Deugd en ondeugd gaan dikwijls samen.
Het goede hart van Isabella was zeer getroffen door de
verhalen, die zij van het zachtaardig en milddadig karakter van de
eilandbewoners ontvangen had. Zij beschouwde hen als door God aan hare
bijzondere bescherming toevertrouwden. Toen de 500 slaven aankwamen, werd er
bevel gegeven ze te verkoopen. Isabella gaf echter tegenbevel, en belegde
een raad van de geleerdste mannen en hoogstgeplaatste geestelijken, om te
overwegen of zulk een daad rechtvaardig kon heeten in het oog van God. De
raad was niet eenstemmig, en daarom beval Isabella, dat ze naar hun eigen
land moesten terugkeeren. Zij voegde er een afzonderlijk bevel bij, dat de
inlanders met de grootste vriendelijkheid moesten behandeld worden. Maar
haar goedertierenheid kwam te laat, om het eiland te bewaren voor die
stroomen van bloed en ongerechtigheden, die er over heengingen.
Juan Aguado verliet Spanje in de tweede helft van Augustus
1495 en kwam in October te Isabella aan. Hij was, zoowel op verstandelijk
als zedelijk gebied, een zwak mensch. Ofschoon hij tot de vrienden van
Columbus behoord had, was hij er niet weinig trotsch op, dat hem nu een
kortstondig gezag was opgedragen. Hij nam een onverdraaglijke houding van
meerderheid aan, en had de onbeschaamdheid, om Columbus, den erkenden
onderkoning van al die landen, vóór zich te laten verschijnen, als ware hij
een misdadiger, om een verhoor te ondergaan, en òf vrijgesproken òf
veroordeeld te worden. De Spaansche grandes verheugden zich bij de gedachte,
dat Columbus, de vreemde indringer, de “zoon van niemand”, die over
Spaansche edellieden den baas had durven spelen, zijn ondergang nabij was.
Columbus gedroeg zich onder deze rampspoeden zoo waardig,
zoo hoffelijk, en met zulk een verheven gevoel van eigenwaarde,
[131]dat
zijn zwakke vijand er door in verlegenheid werd gebracht. Het verdient
vermelding, dat men aan het Spaansche hof geen beschuldiging tegen hem
inbracht van onderdrukking der Indianen. Wel zeide men, dat Columbus de
monarchen bedrogen had door van landen, waar de grootste armoede heerschte,
de buitensporigste verhalen van rijkdom op te disschen; dat hij den
Spaanschen kolonisten bovenmatigen arbeid had opgelegd, en dat hij de
Spaansche edellieden met smaadheid overlaadde. Deze beschuldigingen tegen
hem waren zonder twijfel opmerkelijk. Van de eenige groote misdaad, die
Columbus werkelijk veroordeelt, dat hij
nl. uit gouddorst een millioen menschen
in onuitsprekelijke ellende stortte, spraken zij niet eens. Met de wilden
zelf hadden zij geen medelijden. Columbus kwam telkens tusschenbeide, om hen
tegen de onmenschelijke wreedheid van de trotsche edellieden en onbeschaafde
matrozen te beschermen.
Den 14en Maart 1496 vertrok Columbus naar
Spanje. Den gevangen Caonabo nam hij mee, maar het ongelukkige opperhoofd
stierf onderweg. Na een zeer lange en onvoorspoedige reis landde hij den 11en
Juni te Cadix. De koning en de koningin ontvingen hem met een
vriendelijkheid, die hij niet verwacht had. Dadelijk kreeg hij een
schrijven, waarbij hem met zijn behoudene aankomst geluk gewenscht, en
tevens verzocht werd ten hove te komen. Van de ernstige beschuldigingen, die
Margarite en Boyle tegen hem hadden ingebracht, werd in ’t geheel niet
gesproken. Dit gaf Columbus moed, en daarom stelde hij voor, dat men hem nog
eens zes schepen geven zou voor een nieuwe ontdekkingsreis. Deze werden hem
toegezegd, maar de schatkist was uitgeput en door de listen van ambtenaren
kwam er telkens uitstel. Vervelende maanden verliepen; niets werd gedaan, en
Columbus was aan eindelooze teleurstellingen ten prooi.
De raadslieden van den koning waren de vijanden van
Columbus. De koning zelf begon hem, door den invloed van onophoudelijke
verwijtingen, met een onvriendelijk oog aan te zien. De koningin alleen
bleef den admiraal getrouw. Isabella wist te bewerken, dat hem een adellijke
titel geschonken werd, waarbij goederen behoorden, die erfelijk waren en dus
op zijn nakomelingen zouden overgaan. De admiraal, die diep in schulden
stak, kon toch de gedachte niet laten varen, dat groote rijkdommen de vrucht
van zijn ontdekkingen zouden worden. In zijn testament schreef hij zeer
voordeelige bepalingen voor zijn bloedverwanten; stelde daarin bruidschatten
vast voor de vrouwelijke leden der familie; bepaalde, dat zij, die zijn
titel erfden en dus
[132]ook
zijn grondbezittingen, den voorspoed van zijn geboortestad Genua naar hun
vermogen moesten bevorderen. En boven alles droeg hij den erfgenamen van
zijn landgoederen op zooveel geld af te zonderen, dat er een fonds ontstond,
waardoor het mogelijk werd een tocht ter bevrijding van Jeruzalem te
ondernemen.
Met betrekking tot de Nieuwe wereld was er een groote
verandering in de openbare meening gekomen. Niemand wilde meer deelnemen aan
een reis naar eilanden, die volgens de laatste berichten zetels van ziekten,
armoede en ellende waren. De kroon zag zich genoodzaakt tot een wanhopigen
maatregel de toevlucht te nemen, om zeelieden te krijgen, door
nl.
het vonnis van hen, die tot de galeien veroordeeld waren, te veranderen in
een overplaatsing naar de nieuwe volksplantingen. Aan alle boosdoeners
zonder onderscheid werd vergiffenis geschonken, indien zij zich wilden
verbinden naar de koloniën te gaan. Dit plan, zegt men, werd door den
admiraal aanbevolen. Columbus was soms zoo moedeloos, en walgde zoo van
alles, wat zijn vijanden hem in den weg legden, dat hij op het punt stond
van alle verdere ontdekkingstochten af te zien. Alleen een gevoel van
dankbaarheid tegenover de koningin dreef hem tot volharding. Het volgend
verhaal deelen wij met de woorden van Washington Irving mee:
“De aanmatigende trots, dien Columbus van de gunstelingen
van Fonseca gedurende den langgerekten tijd van voorbereiding te verduren
had, hinderde hem tijdens zijn geheele verblijf in Spanje, en vervolgde hem
tot het uur toe, waarop hij zich inscheepte. Onder de verachtelijke
huurlingen, die zijn leven verbitterden, was niemand lastiger en
aanmatigender dan een zekere Ximeno Breviesca, rentmeester van Fonseca. Deze
had een stalen voorhoofd, een losse tong, was de echo van zijn patroon, den
bisschop, en sprak overal zoo luid mogelijk met afkeer van den admiraal en
diens ondernemingen. Zelfs op den dag, dat het smaldeel in zee steken zou,
werd Columbus door den laster van dezen Ximeno vervolgd. In een onbewaakt
oogenblik verloor hij zijn zelfbeheersching, en de verontwaardiging, die hij
tot hiertoe had weten te bedwingen, barstte op eens los. Hij smeet den
gunsteling op den grond, schopte hem herhaaldelijk, en gaf in dezen
ondoordachten aanval van woede lucht aan de opeenstapeling van verwijten en
plagerijen, die zoo lang zijn gemoed hadden ontstemd.
Deze daad was geheel verkeerd. Het is altijd een ramp voor
een mensch, wanneer hij zich zelf geen meester meer is en toegeeft aan zijn
toorn. Columbus schaamde er zich dan ook over,
[133]en
drukte er in een lateren brief aan den koning en de koningin zijn innig
leedwezen over uit. Maar zij had op de monarchen een zeer ongunstigen indruk
gemaakt, en de boosaardigheid van zijn vijanden verergerd.
Columbus ging uit de haven van San Lucar de Barrameda den
13en Mei 1498 voor de derde maal in zee. Bijna twee jaren had hij
op de vervelendste manier in Spanje doorgebracht, en de hinderpalen, die hem
allerwege op zijn pad werden geworpen, uit den weg moeten ruimen. Zijn vloot
bestond uit 6 schepen, die, behalve de matrozen, met 200 soldaten waren
bemand. Den 19en Juni bereikte hij de Kanarische eilanden. Van
hier zond hij drie schepen rechtstreeks naar Hispaniola. Met de drie
overblijvende schepen deed hij een tocht naar de Kaap-Verdische eilanden,
waar hij den 29en Juni aankwam. Na een kort oponthoud werden de
zeilen weder geheschen.
Dag aan dag zette men de reis onder begunstiging van den
wind voort, tot zij op een plaats kwamen, waar zij de zon boven zich hadden.
Hier heerschte een volkomen windstilte. De zee was spiegelglad en de schepen
lagen stil. De lucht was snikheet, en de brandende zon deed het pek smelten,
blakerde het dek, en deed de naden van de schepen uit elkander gaan. Op het
dek kon men het in de zon niet uithouden, en onder het dek was de hitte
verstikkend, en aan die van een oven gelijk. Alle krachten scheen men te
verhezen, en de bijgeloovige matrozen werden met schrik vervuld bij de
gedachte, dat zij in streken zouden komen, waarvan de fabel vertelde, dat er
een vulkanische hitte heerschte, waarin geen mensch leven kon. De schepen
werden zoo erg lek, dat het noodig geacht werd zoo spoedig mogelijk de een
of andere haven binnen te loopen.
Eindelijk kwam er een aangenaam koeltje en zette Columbus
koers naar het Westen. De eene dag na den anderen verliep, maar van land was
er geen spoor. Het pekelvleesch bedierf en de hoepels van de wijn- en
watervaten sprongen los. Verdriet en angst maakten zich van alle gemoederen
meester. Den 31sten Juli was er nog maar één ton met water op
ieder schip. Het vooruitzicht, dat allen op die brandend heete zee ellendig
zouden sterven, was inderdaad treurig. ’s Middags verkondigde een kreet van
een matroos, die boven in de groote mast zat, dat er land te zien was. Drie
bergtoppen reikten tot in de wolken. Columbus noemde dit eiland La Trinidad,
of de Drieëenheid. Toen hij langs de kust voer, om een haven op te zoeken,
was hij verbaasd over de schoonheid en vruchtbaarheid van het eiland. Langs
het strand [134]lagen
bevallige dorpen en goed ontgonnen akkers. Aan den westelijksten kant van
het eiland, die nu de golf van Paria heet, wierp hij het anker uit; links
kon men de lage kust van Zuid-Amerika zeer duidelijk zien, maar hij dacht,
dat het een eiland was.
Dit was de eerste maal, dat Columbus het vasteland van
Amerika zag. Hij noemde het eiland Zeta en schatte zijn lengte op 60 mijlen.
Sebastiaan Cabot had den 24en Juni 1497 Noord-Amerika ontdekt.
Toevallig ging Columbus aan land, en vond de bewoners heel vriendelijk.
Dezelfde tooneelen, als op het eiland Cuba, zag hij hier. De bevolking werd
talrijker, hoe verder hij kwam. Een groot aantal kano’s, vol inlanders, kwam
bij de schepen. Aan vele plaatsen gaf hij namen; doch die zijn verloren
gegaan. De voorraad levensmiddelen was bijna uitgeput, en het werd noodig,
zoo spoedig mogelijk naar Hispaniola te gaan. Van de jicht had hij erg te
lijden, en door de verbazende hitte, de oponhoudelijke vermoeienis, de
slapeloosheid en het wachthouden was zijn gezicht zeer slecht geworden. Hij
ontdekte bij het noordwaarts zeilen twee eilanden, die nu Tobago en Grenada
heeten. Vele andere eilanden voer hij nog voorbij, maar er was geen
gelegenheid, om zich op te houden.
Op één plaats, waar hij aan land ging, zag hij
parelvisschers. Hij kocht drie pond parelen van hen. Enkele waren heel mooi
en groot ook. De toestand van zijn oogen begon onrustbarend te worden, en
daarom werden alle zeilen bijgezet, om maar zoo spoedig mogelijk op
Hispaniola te komen, waar men den 19en Augustus aankwam. De
ontmoeting van Columbus met zijn broeders was zeer hartelijk. Maar de zieke,
uitgeputte en door zorg verteerde Columbus geleek, wat het lichaam betrof,
de schim van weleer; alleen zijn geest was nog even krachtig.
Columbus verlangde naar rust, maar vond ze niet. Gedurende
zijn afwezigheid had Bartholomeus Columbus het bestuur, onder den titel van
Adelantado, in handen gehad. Zijn broeder Diego liet hij te Isabella
regeeren, en ging zelf naar het zuidelijk deel van het eiland, om goud te
zoeken. Daar bouwde hij een fort, waaraan hij den naam van San Christoval
gaf, maar dat anderen den Gouden Toren noemden. De Indianen namen een
vijandige houding aan, brachten geen voedsel en er was geen einde aan de
moeilijkheden. Roof en moord sproten hieruit voort. Een geduchte opstand van
de Spanjaarden kon niet dan met de grootste moeite onderdrukt worden. Het
eens zoo vreedzame eiland was een verblijfplaats van booze geesten geworden.
Bartholomeus nam 300 inboorlingen gevangen, omdat zij
beschuldigd [135]werden
van zich tegen hun onderdrukkers te hebben verzet. Zij werden allen in
boeien geslagen, en zoo naar Spanje gezonden, om als slaven te worden
verkocht. De rechts- en godgeleerden hadden uitgemaakt, dat het rechtvaardig
was krijgsgevangenen tot slaven te maken. Er werden forten gebouwd.
Gewapende benden Spanjaarden trokken met hun bondgenooten, de bloedhonden,
in alle richtingen door het heele eiland, om de bewoners in ontzag te houden
en vrees aan te jagen. Niemand kan ontkennen, dat de Indianen onder die
wreedheid een veel christelijker geest openbaarden dan de Spanjaarden.
In een afgelegen streek van een prachtig gedeelte van
Haïti vond men heerlijk en vruchtbaar land, schoone vrouwen, terwijl
minzaamheid een algemeene hoedanigheid van de ingezetenen was, Bartholomeus,
die maar steeds voortging hooge belastingen op te leggen, wilde ook met deze
onderdrukte menschen vriendschapsbetrekkingen aanknoopen. Met een sterke
macht van geharnaste krijgslieden bezocht hij het opperhoofd Behechio. Toen
de Spanjaarden het schoone dorp naderden, waar nog geen zware belasting
opgebracht werd, kwamen 30 vrouwen, tot den stoet van den cacique
behoorende, hun te gemoet. De eenige kleeding van de jonge meisjes bestond
uit een van bloemen gevlochten krans om haar hoofd. De oudere vrouwen hadden
kleine katoenen boezelaars voor. Allen wuifden met palmtakken, dansten en
hieven welkomstliederen aan.
De meisjes zagen er allerbeminnelijkst uit en haar vorm
was zoo schoon, als een Grieksch kunstenaar die uit marmer had kunnen
beitelen. Daar zij hoofdzakelijk van vruchten leefden, en geen arbeid
verrichten, was haar vel zoo zacht als fluweel, en het gelaat zelfs schooner
dan dat van de Spaansche brunetten over ’t algemeen. Deze onschuldige
dochteren Eva’s dachten bij haar algeheel gemis aan kleeren even weinig aan
gebrek aan kieschheid, als een Europeesche dame, die geen sluier over het
gezicht draagt.
De weduwe van Caonabo, woonde hier bij haar broeder
Behechio in. Zij was een zeldzaam schoone vrouw, en heette Anacaona. In een
draagstoel gezeten, werd zij door zes sterke Indianen gedragen. Zij had
alleen een geborduurde boezelaar voor, en om haar hoofd, hals en armen droeg
zij bloemkransen. Bartholomeus was met 6 van zijn voornaamste ruiters bij
Behechio gehuisvest. De overigen werden door de mindere hoofden van het
noodige voorzien. Allen kregen hangmatten met katoenen bedden er in.
[136]
Twee dagen lang bleven de Spanjaarden in het dorp, en
ontvingen van het gastvrije volk alle mogelijke oplettendheden. Voedsel was
er voor hen in overvloed, en onderscheidene spelen en feestelijkheden werden
tot hun vermaak uitgevoerd. Een van die spelen geleek veel op het
worstelspel der oude Romeinen. Twee troepen naakte Indianen, met pijl en
boog gewapend, leverden elkander een geregeld gevecht. Vier werden gedood en
velen gewond. Kreten van toejuiching weergalmden door de lucht, evenals de
Romeinsche senatoren en hun vrouwen aanhieven, wanneer in den schouwburg het
bloed in het strijdperk vloeide. De strijd zou wellicht nog veel bloediger
zijn geweest, als Bartholomeus niet verzocht had, er een eind aan te maken.
Tot dank voor al deze goedheid, gaf de Adelantado den
cacique kennis, dat hij gekomen was, om hem en al zijn volk onder de
bescherming van de almachtige vorsten van Spanje te plaatsen, en van hen de
schatting te ontvangen, die de andere opperhoofden van het eiland gaven.
Omdat hier geen goud was, legde hij een belasting op in katoen, hennip en
maniokbrood. Voor deze daad van heerschzucht kan geen verschooning bestaan.
Zij was zoo onrechtvaardig, als een daad van zeeroovers maar wezen kan. De
cacique was verplicht voor de overmacht te bukken. Hij wist, welk lot andere
deelen van het eiland getroffen had, en hoopte door overmatige
vriendelijkheid en gastvrijheid dat lot van zijn eigen onderdanen af te
weren.
Te Isabella zag het er ellendig uit. Ziekten heerschten er
verschrikkelijk en de voorraad van geneesmiddelen was uitgeput. Allen
twistten en morden. De Indianen hadden die streken verlaten en aten, in ruwe
bergstreken, waar het zelfs voor bloedhonden moeilijk werd hen te vervolgen,
wortels en gras. Menigvuldige oproeren braken er onder de inboorlingen uit.
De wreedheid, welke de hulpelooze en wanhopige lieden te verduren hadden,
was ontzettend. Dorpen werden in de asch gelegd. Gillende slachtoffers, door
geharnaste ruiters vervolgd, werden door de Spanjaarden neergesabeld. Door
wreedaardige doggen werden de ledematen van vrouwen en kinderen verscheurd.
Regeeringloosheid en ellende heerschten overal. Het schoone eiland Haïti was
in weinige maanden door de slechtheid van menschen in een verblijf van
ellende verkeerd, waar nauwelijks eenige vreugde werd aangetroffen.
[137]
[Inhoud]
Elfde Hoofdstuk.
Terugkeer naar Spanje en de vierde reis.
Een laaghartig man, Franciscus Roldan genaamd, had tegen
de regeering van Columbus een samenzwering gesmeed. Hij was met zijn aanhang
naar Xaraguay gegaan, waar hij de bevolking uitplunderde, haar rechten
vertrapte, en zich aan allerlei uitspattingen overgaf. Terwijl hij zoo
huishield, wierpen daar drie Spaansche karveelen, wier bemanning uit
ontslagen gevangenen bestond, het anker uit. Door den stroom waren ze er
heen gedreven. Bijna allen liepen ze van de schepen af, en voegden zich bij
die schelmen op het land. Het verhaal van het rijke en prettige leventje,
dat die snoodaards daar smaakten, was het lokaas geweest. Deze woestelingen
hadden hun zwaarden, kruisbogen, lansen, handbuksen en andere wapenen
meegenomen, toen ze aan land waren gegaan. Zoodra Columbus deze feiten
vernam, was hij niet weinig verlegen. Had hij in sommige opzichten niet veel
gevoel voor recht, wat rechtschapenheid en menschelijkheid aanging, hierin
stond hij veel hooger dan zijn tochtgenooten. Deze bandelooze troep zwierf
naar willekeur rond, en maakte zich aan de stuitendste zedeloosheid
schuldig. Men tartte zichtbaar Columbus’ gezag, en de opstand nam
gevaarlijke afmetingen aan. Vele ontevredenen liepen naar de muiters over.
Ongelukkig had Columbus geen macht genoeg, om een gevecht met hen te
beginnen. Aan eenige terugkeerende schepen gaf hij voor de monarchen
berichten van den opstand mee. Ook vroeg hij om de overkomst van nog meer
geestelijken voor de bekeering der Indianen, en of de Spanjaarden voor den
tijd van twee jaren de inlanders als slaven mochten gebruiken.
Toen de schepen vertrokken waren, schonk hij zijn aandacht
weer aan de opstandelingen. Hij schreef aan Roldan in woorden, die
verzoening ademden, dat hij hem in ’t belang van zijn goeden naam en ook
voor het algemeen welzijn aanraadde, niet in zijn verzet te volharden. Hij
zond tevens een vrijgeleide, waardoor zij, die naar den Admiraal wilden
gaan, om met hem de zaken te overleggen, beschermd zouden worden. Maar de
eischen van Roldan en zijn bondgenooten waren onbeschaamd en aanmatigend.
Eindelijk werd er een vergelijk getroffen. Roldan en zijn saamgezworenen
kregen twee schepen, waarmee ze naar Spanje terug konden keeren, en ieder
ontving bovendien een bewijs van goed gedrag. De schepen gingen in October
1499 [138]onder
zeil, en de muiters namen veel slaven mee. Herrara zegt, dat Colulmbus
dubbelhartig was, en dit moet, al was het ook een eigenaardig kenmerk van
die dagen, streng veroordeeld worden.
Terwijl hij Roldan en zijn aanhangers een bewijs van goed
gedrag gaf, schreef hij te gelijker tijd aan Ferdinand en Isabella, dat hij
dit maar gedaan had, om die schurken weg te krijgen: dat de getuigschriften
valsch waren; dat deze mannen de grootste misdaden hadden bedreven; dat zij
zich aan roof en moord hadden schuldig gemaakt, en dat hij er daarom op
aandrong, hen terstond na hun aankomst gevangen te nemen, hen van hun
gestolen schatten te berooven en daarna zeer streng te straffen.
De toestand van Columbus was werkelijk beklagenswaard. Hij
was ziek en had aanhoudend pijn. De samenzweringen tegen hem
vermenigvuldigden zich, en de Spaansche edellieden, de trotschte menschen
van de wereld, behandelden hem met minachting. Verachtelijk werd hij “de
verwaande vreemde” genoemd. Zijn deugden werden in de oogen van de zedelooze
Spanjaarden een middel tot vuigen laster. Er was geen laagheid, waartoe zijn
vijanden niet in staat waren. Zij bekleedden de hoogste ambten in kerk en
staat, en poogden door de gemeenste schotschriften hem van de monarchen te
vervreemden. Hij stond alleen, bijna zonder een enkelen vriend. Er was in
heel Spanje nauwelijks één man, wiens toestand meer te beklagen was.
Roldan besloot ten slotte op het eiland te blijven,
terwijl hij de meesten van zijn medeplichtigen naar Spanje liet gaan. Hij
werd met het hoogste gezag bekleed, nam een groot deel van het land in
bezit, en liet het door slaven bewerken.
De ridderlijke, roekelooze Ojeda was naar Spanje
teruggekeerd. Door eenige rijke ondernemers voortgeholpen, was hij er in
geslaagd vier schepen uit te rusten, waarmee hij op eigen gelegenheid een
ontdekkingstocht zou doen. Een koopman van Florence, Amerigo Vespucci
genaamd, en wiens naam later aan de Nieuwe wereld verbonden zou worden,
maakte deel uit van den tocht. De kleine vloot zeilde in Mei 1499 van
Sevilla uit. Zij bereikte de Caraïbische eilanden. Na een hevig gevecht met
de inlanders namen zij velen gevangen, en voerden ze weg, om als slaven te
worden verkocht. Van hier voeren zij naar Hispaniola, omdat zij gebrek aan
benoodigdheden hadden, en wierpen den 5en September bij de
westelijkste punt van dit eiland het anker uit.
Columbus werd door dezen inval zeer onaangenaam getroffen,
daar hij dit eiland als zijn bepaald eigendom beschouwde. Daarom
[139]zond
hij Roldan met eenige ontevredenen er heen, om de plannen van Ojeda te
dwarsboomen en hem, zoo mogelijk, gevangen te nemen. De beide jonge ridders
waren even beginselloos, sluw en roekeloos. Roldan ging met twee karveelen
en 25 onverschrokken, goed gewapende mannen, den gelukzoeker opsporen. Zij
ontmoetten elkander. Ojeda liet zijn reispas zien, dien hij van den koning
en de koningin had ontvangen, en zeide, dat een deel van de voordeelen aan
de kroon vervielen. Dit maakte aan allen tegenstand een einde. De trotsche
ridder zeide ook, dat Columbus bij het hof geheel in ongenade was gevallen,
en dat het zijn voornemen was, den admiraal spoedig op te zoeken, daar hij
eenige mededeelingen van zeer vertrouwelijken aard had te doen.
Met dit bericht keerde Roldan naar Columbus terug. Dit
verdroot den admiraal zeer. Het was duidelijk, dat hij niet langer in de
gunst van het hof deelde, en dat de monarchen op zijn voorrechten inbreuk
maakten. Hij wachtte eenigen tijd op het beloofde bezoek van Ojeda, maar
deze had in ’t geheel geen plan naar den admiraal te gaan. Roldan werd
opnieuw uitgezonden, om de bewegingen van Ojeda na te gaan. Beiden waren
valschaards en dubbelzinnige menschen. Beiden plunderden en onderdrukten de
inlanders. Ojeda kruiste langs de kusten van Haïti, landde op afgelegen
punten, en lichtte zoo lang inboorlingen op, tot hij zijn schepen vol slaven
had. Dan keerde hij naar Cadix terug, waar zij op de slavenmarkt verkocht
werden.
Het gezag van Columbus liep ten einde. Zij, die hem nog
gehoorzaamden, wilden dat zelf. Andere stoutmoedige en roekelooze mannen
liepen naar willekeur rond. Het was gemakkelijk aan vervolging te
ontsnappen. Sommigen wisten zich bij de inboorlingen bemind te maken;
anderen vereenigden zich in groote troepen en plunderden hen of namen hen
gevangen. De soort van beschaving en christendom, die de Spanjaarden op
Haïti hadden gebracht, hadden het eiland in de diepste ellende gestort. Een
uitvoerig verslag van de tooneelen, die het gevolg hiervan waren, biedt
niets dan een walgelijk en droevig verhaal aan van valschheid, misdaad en
wreedheid. Columbus streed moedig tegen de stormen van den tegenspoed. Meer
dan anderen, met uitzondering van Las Casas misschien, bleef hij aan de
beginselen van recht en menschelijkheid getrouw, en was hij de vriend van de
inboorlingen. En toch moet men niet vergeten, dat de goede Las Casas gezegd
heeft: “Wij moeten niet die arme bewoners van Haïti tot slaven maken: maar
laat ons de Afrikanen
[140]oplichten.”
Ook moeten wij, bij onze beoordeeling van die menschen, niet vergeten, dat
nog onlangs mannen, vrouwen en kinderen op de slavenmarkten van Amerika
verhandeld werden, en dat veel predikers van het christendom verkondigd
hebben, dat dit recht was “voor het aangezicht des Heeren.”
Columbus was op ’t fort Concepcion. Zijn geest was
vermoeid en verbitterd door al de laagheid, die hij overal vond, en waaraan
hij niets kon veranderen. Een ellendeling, die Mexica heette, bewerkte een
samenzwering om den admiraal te vermoorden. Hij trok het geheele eiland
door, en nam een groot aantal rondzwervende Spanjaarden, die gaarne aan
gewaagde ondernemingen deelnamen, in dienst. Adriaan de Mexica was ook een
van de hoofdaanvoerders van Roldan’s partij geweest. Hij had zich zoo
vreeselijk slecht gedragen, dat Columbus hem van de algemeene vergiffenis
uitsloot, en hem uit het eiland verbande. Van Roldan had hij verlof gekregen
er weer terug te komen.
Aan den vooravond van den dag, waarop de saamgezworenen
het plan ten uitvoer zouden brengen, kreeg Columbus er bericht van door een
weggeloopene. Geen oogenblik mocht verloren gaan. Met tien vertrouwde en
onverschrokken mannen, nam hij Mexica door overrompeling gevangen. Hij kwam
voor het gerecht en werd veroordeeld om opgehangen te worden.
Columbus gaf bevel Mexica aan den top van het fort op te
hangen. De laatste verzocht te mogen biechten voor men de doodstraf
toepaste. Een priester werd ontboden. De ongelukkige Mexica, die tijdens den
opstand zoo dapper was geweest, verloor allen moed, toen hij den dood in het
aangezicht zag. Hij stelde het biechten telkens uit, begon er mee, hield dan
weer op, begon op nieuw, aarzelde weer, als hoopte hij door tijd te winnen
kans op vrijspraak te hebben. In plaats van eigen zonden te belijden,
beschuldigde hij anderen, van wie het bekend was, dat ze onschuldig waren,
van misdaad, tot dat Columbus, die door zooveel valschheid en verraad zeer
verbitterd was, het geduld verloor, en in een mengeling van verontwaardiging
en toorn bevel gaf den ellendeling op de tinne van ’t fort op te hangen.
De overige samenzweerders werden met alle kracht vervolgd,
en verscheidenen gevat en opgehangen.
Er waren nu zes zeer belangrijke forten op het eiland, die
een rij van militaire posten vormden en de inboorlingen krachtig in bedwang
hielden. Zeven en twintig mijlen van Isabella lag het fort Esperanza;
achttien mijlen verder Santa Catalina, en twaalf mijlen van daar zag men de
donkere muren van het fort Magdalena.
[141][142]Later
werd op dezelfde plaats de stad Santiago gesticht. Omstreeks 14 mijlen van
hier werd, midden in een vruchtbare en volkrijke vlakte, het fort Conception
gebouwd. Op een afstand van nog geen anderhalve mijl lag een groote
Indiaansche stad, waarover het beroemde opperhoofd, Guarionex geheeten,
regeerde. Te Isabella bleef alleen een tamelijk toereikend garnizoen, dat de
plaats moest zien te behouden. Columbus ging weg, bezocht elke plaats en
maakte van het fort San Domingo, in het zuiden van het eiland, zijn
hoofdverblijf.
In 1849 bezocht T. S. Hennekin deze streek. Uit zijn zeer
belangrijken beschrijvingsbrief nemen wij het volgende over:
“Het fort Concepcion ligt aan den voet van een heuvel, die
nu Santo Cerro heet. Het is geheel van steen en nog zoo onbeschadigd, als
toen het pas gemaakt was. Het staat in de schaduw van een weelderig woud,
dat de plaats van vroegere werkzaamheid en drukte heeft ingenomen; het is
een plek, die men eens voor zeer belangrijk hield, en waarop tal van
menschen woonden.
“Waar is die tallooze menigte gebleven, die door dit fort
in ontzag moest gehouden worden? Er is geen spoor meer van over, en alleen
de geschiedenis maakt er melding van. De stilte van het graf heerscht nu
daar, waar hun woningen echo’s gaven op hun liederen en dansen. Enkele arme
Spanjaarden, die in armelijke hutten en ver van elkander in het woud leven,
bezitten nu deze eenmaal zoo vruchtbare en schoone landstreek.”
Tot nog toe had Ferdinand ondervonden, dat zijn
bezittingen in de Nieuwe wereld zaken waren, waar geld bijgepast moest
worden, in plaats van bronnen van rijkdom te zijn. Hierdoor was hij zeer
teleurgesteld. Zijn hof werd bestormd door teleurgestelde en spijt
gevoelende menschen, die een bitter oordeel over Columbus uitspraken, en om
groote sommen gelds vroegen, die zij beweerden, dat Columbus hun schuldig
was. Deze algemeene en onophoudelijke klachten begonnen zelfs op het gemoed
van Isabella een ongunstigen indruk te maken. Uit de brieven van Columbus
bleek maar al te duidelijk, dat het eiland in een toestand van de grootste
wanorde verkeerde. Hieruit kon men gerust opmaken, dat, hoe zuiver de
gronden van den admiraal ook waren, het hem aan de noodige bekwaamheid
ontbrak, om voor de naleving en handhaving van bestaande wetten en
verordeningen te zorgen.
Ferdinand was een omzichtig en ijverzuchtig Spanjaard. Het
had hem steeds eenigszins gehinderd, dat hij het bestuur over Spaansche
volkplantingen aan Genueesche avonturiers over moest
[143]laten.
In die dagen werd de grens, die volken scheidt, streng getrokken. In het
woord vreemdeling lag iets verwijtends opgesloten. Dat Columbus zoo
voor het instandhouden van de slavernij ijverde, vond de koningin zeer
onaangenaam. Toen de schepen met de mede-opstandelingen van Roldan in Spanje
terugkeerden, waren er 700 slaven op. Velen van dezen hadden ze van Columbus
gekregen tot loon voor hun overgave, en anderen hadden ze zelf gestolen. Ook
waren onder deze gevangenen vele jonge, mooie meisjes, dochters van
opperhoofden, die door deze laaggezonkenen uit haar woningen waren gesleurd.
Voor al deze ongerechtigheden stelde Isabella Columbus aansprakelijk, en zij
kon dit met recht doen. Hij toch was onderkoning van al die gewesten en was
werkelijk met volstrekt gezag bekleed.
Het gevoel van de koningin was vreeselijk gekwetst. Zij
geloofde, dat de eenvoudige inboorlingen van die uitgestrekte landen in het
bijzonder onder haar bescherming waren gesteld. Verontwaardigd riep zij uit:
“Hoe durfde die admiraal mijn onderdanen weg te geven?”
Zij drukte haar groot ongenoegen uit, niet alleen door
bevel te geven, dat al die Indianen weer aan hun betrekkingen teruggezonden
moesten worden, maar ook door te gebieden, dat allen, die vroeger door den
admiraal naar Spanje waren gezonden, opgespoord en teruggestuurd moesten
worden. Columbus gevoelde al de bitterheid van deze handeling. Het was hem
duidelijk geworden, dat zijn invloed aan het hof aan het tanen was.
Ongelukkig kreeg hij, juist in dezen tijd, nog vóór hij de bepaalde
gevoelens van Isabella kende, een brief, waarin men hem aanspoorde om met
het zenden van Indiaansche slaven voort te gaan, aangezien hieruit een
groote bron van inkomsten voor de kroon voortvloeide.
Tusschen Columbus en Roldan waren weer nieuwe
moeilijkheden gerezen. De stoutmoedige Spaansche ridder, die de trotsche
hidalgo’s en de laagste dollemannen om zich verzamelde, werd een geduchte
tegenstander. Columbus verzocht derhalve, dat er iemand gezonden werd, die
tusschen hem en Roldan als scheidsrechter kon optreden. Dit gaf nu juist aan
Ferdinand het voorwendsel, waarnaar hij zoo lang had uitgezien, om handelend
op te treden.
Don Francisco de Bobadilla, een der hoogste militaire en
godsdienstige waardigheidsbekleeders aan het hof, werd met deze tijdelijke
zending belast. Het blijkt echter, dat deze zending gericht was tegen hen,
die opgestaan waren. In de opdracht staat:
[144]
“Wij bevelen u te onderzoeken, wie en wat de personen
zijn, die zich tegen genoemden admiraal en onze verordeningen hebben verzet,
en waarom zij dit deden; aan welken roof en aan welke overtredingen zij zich
schuldig hebben gemaakt; en voorts, uw onderzoek uit te strekken tot alles,
wat met de zaken in verband staat. Hebt gij inlichtingen gekregen, weet gij
de waarheid, neem dan allen, die schuld hebben, gevangen, en leg beslag op
hun goederen. Zijn ze in uw macht, zet dan uw onderzoek voort, ook ten
aanzien van hen, die afwezig zijn, en leg zulke boeten en straffen op, als
gij zult goeddunken.”
Deze macht werd blijkbaar verstrekt, om hen te straffen,
die tegen het gezag van Columbus in opstand waren gekomen. In den aanhef
staat, dat een overheidspersoon en enkele andere personen het gezag van
Columbus weerstonden, en daarom was de afgevaardigde gemachtigd de orde te
herstellen. De koninklijke lastbrief was den 21en Maart 1499
geschreven. Twee maanden later, den 21en Mei kregen de hidalgo’s
en de staatsambtenaren op het eiland een brief, waarin hun van het aan
Bobadilla toegekend gezag kennis werd gegeven. Uitweidende over de
volstrekte macht, die hem was gegeven, om de ongeregeldheden te
onderdrukken, werd daarin gezegd:
“Het is onze wil, wanneer de genoemde bevelhebber
Francisco de Bobadilla het voor onzen dienst en in het belang van het recht
noodig acht, dat sommige ridders en andere personen, die thans op de
eilanden zijn of daar komen, vertrekken en er niet blijven of terugkeeren,
hij hun in onzen naam kan bevelen voor ons te komen verschijnen en ze
dwingen kan heen te gaan. En wij bevelen tevens, dat ieder, dien hij dit
gelast, onmiddellijk, zonder ons te vragen of te raadplegen, zonder op een
brief of een bevel van ons te wachten, ook zonder in hooger beroep te komen
of een verzoekschrift in te dienen, gehoorzamen zal aan alles, wat hij zegt
of beveelt, op straffe van wat hij namens ons opleggen zal.”
Bobadilla kwam den 23en Augustus 1500 in de
haven van San Domingo aan. Columbus was toen op het fort Concepcion, en zijn
broeder Diego lag in de zeehaven van San Domingo. Dadelijk verklaarde
Bobadilla, dat hij Columbus in het bestuur over het eiland had vervangen, en
dat hij het hoogste gezag bekleedde. Opgetogen van blijdschap voegden zich
alle ontevredenen bij hem. Met de gewapende macht, die hij meegebracht had,
en de hartelijke deelneming van al de misnoegden, viel het hem licht de
plaats in bezit te nemen.
[145]
Zonder verhoor werd Columbus uit zijn ambt ontslagen,
zonder dat er zelfs een aanklacht tegen hem werd ingediend. Het scheen tot
de bijzondere wenschen van Bobadilla te behooren den admiraal te vernederen.
Hij ging in het huis van Columbus wonen, en maakte zich van zijn wapenen,
goud, huisraad, paarden en al zijn brieven en handschriften, zelfs van de
geheime, meester. Ten einde de volksgunst te verwerven, vaardigde hij een
bevel uit, waarbij voor een tijdperk van 20 jaren aan een ieder, die voor
eigen rekening goud ging zoeken, vergund werd slechts 1/11 aan de regeering
te geven, in plaats van ⅓, zooals tot nog toe.
In plaats van Roldan en allen, die tegen Columbus in
opstand waren, te gelasten vóór hem te verschijnen, behandelde hij hen met
de grootste beleefdheid, opdat hij zich ook van hun hulp bij zijn
wederrechtelijke toeëigeningen mocht verzekerd houden. Terwijl Columbus zeer
verslagen en bedroefd was, ontving hij het volgende korte en eenigszins
duistere briefje van de koningen:
“Aan Don Christophorus Columbus, onzen admiraal van den
oceaan. Wij hebben den bevelhebber Francis de Bobadilla, brenger dezes,
bevolen, dat hij in onzen naam met u spreken zou over zaken, die hij u
meedeelen zal. Wij verzoeken u hem geloof en vertrouwen te schenken en
dienovereenkomstig te handelen.
“Ik, de koning; Ik de koningin.”
Dadelijk besloot de admiraal aan alle eischen van
Bobadilla te voldoen, tot hij alle besluiten van Hunne majesteiten kende.
Bobadilla liet Diego Columbus vatten en sloot hem geboeid aan boord van een
der schepen op. Toen zond hij officieren uit, om Columbus gevangen te nemen,
deed hem boeien aan, en bracht hem in een van de cellen op het fort San
Domingo. De waardigheid, waarmede Columbus zich onder dit alles gedroeg,
heeft de algemeene bewondering, zelfs die van zijn vijanden, opgewekt.
Een aantal beschuldigingen tegen Columbus kreeg men van de
muiters en die werden naar het Spaansche hof opgezonden. Van zulke
laaghartigen krioelde het in de kolonie te San Domingo.
In het begin van October werd Columbus, geboeid als de
gemeenste misdadiger, door de straten naar het schip geleid. Het geschreeuw
van het grauw volgde hem. Monzo de Villejo, een man van hooge afkomst en een
edel karakter, werd met de zorg voor de gevangenen belast. Zoowel hij als de
scheepskapitein, Andreas Martin, behandelden den admiraal, gedurende de
reis, met den diepsten eerbied. Zeer gaarne zouden zij hem de boeien hebben
afgedaan, maar de admiraal wilde dit niet, en zeide trotsch:
“Neen; Hun majesteiten hebben mij schriftelijk bevolen mij
[146][147]aan
alles te onderwerpen, wat Bobadilla in hun naam zou bevelen. Op hun gezag
heeft hij mij in deze boeien geklonken. Ik zal ze dragen, tot zij bevel
geven ze weg te nemen, en ik zal ze daarna bewaren als herinneringen aan het
loon voor de diensten, die ik bewezen heb.”
Onderweg schreef hij een bewonderenswaardigen brief, dien
men aan de monarchen moest laten zien. Hij zond dien aan Donna Juana de la
Torres, een hofdame, die in de bijzondere gunst van de koningin deelde. Toen
het schip te Cadix kwam, werd deze brief dadelijk verzonden en aan Isabella
gegeven. Zij las hem met de diepste ontroering en deelneming. De koning en
de koningin waren beiden even verontwaardigd over de Columbus aangedane
behandeling. Zij gaven bevel, dat hij en zijn broeders dadelijk in vrijheid
gesteld, en met de grootste onderscheiding bejegend moesten worden.
Gezamenlijk schreven zij aan Columbus, en drukten hun leedwezen uit, dat hij
zooveel geleden had, verzekerden hem van hun dankbaarheid en liefde,
noodigden hem aan het hof en zonden 2000 dukaten, om de reiskosten te
bestrijden.
Op den 17en December maakte Columbus, rijk
gekleed en gevolgd door een voor die gelegenheid passenden stoet, zijn
opwachting bij Hun majesteiten te Grenada. Toen de koningin hem groette,
barstte zij in tranen los. Dit maakte het hart van den heldhaftigen man zoo
week, als geen gestrengheid had kunnen doen. Hij viel op de knieën, lag voor
eenige oogenblikken buiten kennis, en weende en snikte onder hevige
aandoeningen. Columbus werd overtuigd, dat zij de handelwijze van Bobadilla
geheel afkeurden, en dat hij onmiddellijk zou worden ontslagen. Zij sloegen
volstrekt geen acht op de beschuldigingen, die Bobadilla tegen hem had
ingediend. Elke gelegenheid grepen zij aan, om openlijk hun gunst te
openbaren, en gaven hem de verzekering, dat al zijn leed vergoed, in zijn
armoede voorzien zou worden, en dat hij zijn vroeger gezag terug zou
krijgen.
Onder het bestuur van Bobadilla deed ieder, wat hij wilde.
Las Casas deed een huiveringwekkend verhaal van al het onrecht, dat men den
Indianen aandeed. De gemeenste deugnieten namen den schijn aan van edelen te
zijn, ontstalen den opperhoofden hun dochters, omringden zich met bedienden,
als waren ze Oostersche vorsten en dwongen de inlanders hen in stoelen te
dragen. Een inlander of een vogel dood te schieten, was hun hetzelfde.
Zoo spoedig als het kon werd Don Nicholas de Ovando
heengezonden, om Bobadilla af te zetten. Maar het ontbrak hem aan de noodige
macht, om over de gemoederen, die daar de rust
[148]verstoorden,
den baas te spelen. Onder zijn bestuur kwam er geen verbetering in den
toestand. Hem was in het bijzonder opgedragen Columbus en al zijn broeders
voor al hun verliezen schadeloos te stellen.
Intusschen werden er toebereidselen gemaakt voor een
nieuwe reis van Columbus. Tochten door andere hoven en bijzondere personen
ondernomen, hadden een groote uitbreiding aan de ontdekkingen in de Nieuwe
wereld gegeven. Vasco de Gama was de Kaap de Goede hoop omgezeild en
verrijkte Portugal met de voortbrengselen van de Oost. Men onderstelde, dat
daar ergens een straat moest zijn, dicht bij de landengte van Darië, die den
Atlantischen met den Stillen oceaan verbond. Columbus moest die straat
trachten te vinden. Na veel getalm, dat aan alle hofhoudingen eigen is,
waren er eindelijk vier schepen zeilklaar. Het grootste schip hield maar 70
ton in, en het kleinste 50. De geheele bemanning bestond uit 150 koppen.
Columbus was nu een man op jaren; hij had zijn 66e
jaar bereikt. Door verdriet en zorg was zijn geest afgemat, en vele
lichaamsgebreken bogen die eens zoo krachtige gestalte. Zijn geestvermogens
schenen echter nog onverzwakt. Op deze reis werd Columbus door zijn broeder
Bartholomeus en zijn jongeren zoon Fernando vergezeld.
Den 9en Mei 1502 zeilde de vloot van Cadix uit.
Langs de kust van Marokko en de groote Canarische eilanden, kwam de kleine
vloot den 15en Juni bij een van de Caraïben, waarschijnlijk
Martinique. Na een vaart van 30 mijlen kwamen zij bij Dominica. Toen hij
Santa Cruz en de zuidzijde van Porto Rico voorbijvoer, was hij, in strijd
met zijn oorspronkelijk plan en de hem verstrekte lastgeving, genoodzaakt de
haven van San Domingo in te loopen. In een brief aan de monarchen gaf hij
hier een verklaring van.
Don Ovando, de opvolger van Bobadilla, regeerde toen. Om
de een of andere reden, die nog niet geheel opgehelderd is, weigerde Ovando
den generaal in de haven te laten komen. Las Casas geeft te verstaan, dat er
in de stad veel vijanden van Columbus waren, en hij dus vreesde, dat die
gemeene en diepgezonken lieden hem geweld zouden aandoen. Toen Columbus er
aankwam, zou er juist een vloot in zee steken, om naar Spanje te gaan. Zij
had een groote hoeveelheid goud in, dat men door maatregelen van geweld van
de inboorlingen had afgeperst. Bobadilla hoopte hierdoor de gunst van Hun
majesteiten te koopen. Het was de rijkste lading, die ooit de eilanden
verlaten had.
[149]Een
verbazend groote klomp, dien een Indiaansche vrouw gevonden had en die het
grootste stuk gedegen goud was, dat ooit ontdekt werd, was er ook bij. Men
rekende, dat die klomp meer dan 5000 gulden waard was.
De morgen, waarop de vloot onder zeil zou gaan, was
buitengewoon helder. Geen blaadje bewoog zich, en de zee geleek een spiegel.
Maar het geoefend oog van Columbus voorzag de nadering van een dier
geweldige windhoozen, die zoo menigmaal in de keerkringszeeën een schipbreuk
ten gevolge hebben. Daarom raadde hij den gouverneur aan, het vertrek van de
schepen een paar dagen uit te stellen. Zijn raad werd echter met verachting
verworpen. Er kwam een lichte bries, alle zeilen werden geheschen, en de
vloot aanvaardde de reis.
Columbus, die zeker wist, dat er een storm in aantocht
was, en het verdrietig vond, dat men hem bij den naderenden nood uit de
haven verdreef, die hij zelf had ontdekt, zocht zoo spoedig mogelijk een
veilige ankerplaats op, waar hij den storm gerust kon afwachten. De naar
Spanje terugkeerende vloot was nog maar weinige uren op zee, of de hoos
vloog met ongewone woede op haar aan. Het schip, waarop Bobadilla en Roldan
zich bevonden met een groote hoeveelheid goud aan boord, waartoe ook de
groote klomp behoorde, werd door de golven in de diepte geslingerd en allen
verdronken. Vele andere schepen zonken, en men vernam er niets meer van.
Enkelen gelukte het in gehavenden toestand op San Domingo terug te komen.
Slechts één schip kwam in Spanje. Het is opmerkelijk, dat dit juist het
zwakste van alle was, en dat het het eigendom van den admiraal bevatte.
Columbus, die in een nooit bezochte baai ankerde, was
getuige van de snelle vaart en het geloei van de windhoos, terwijl pikzwarte
wolken door het luchtruim vlogen, een bijna nachtelijke duisternis
heerschte, en reusachtige boomen door den verschrikkelijken storm werden
geveld. Met veel moeite redde hij zijn schepen. Nadat hij ze in de kleine
haven van Azua gekalefaat had, werd de reis voortgezet. Toen hij Jamaica
voorbij was, belette windstilte het voortgaan, kreeg hij met tegenwinden en
nog veel meer met zijn muitziek volk te worstelen. Negen nare en moeitevolle
weken gingen kruipend om, en toen bereikte men een eilandje op de kust van
Honduras in de nabijheid van Truxillo.
Een kano, waarin 25 Indianen zaten, kwam op het schip af.
Dezen waren wat beschaafder, dan die men tot dusver had ontmoet.
[150]Hun
zwaarden waren van zeer hard hout gemaakt, hun messen van steen en hun
bijlen en hakmessen van koper. Zij droegen aardig geweven hemden en mantels
van katoen, dat sierlijk en met verschillende kleuren geverfd was. Maar het
allerbelangrijkst is wel, dat zij groote hoeveelheden cacao-boonen bij zich
hadden, waarvan de chocolade gemaakt wordt. De Spanjaarden hadden deze boon
nog nooit gezien. Spoedig werden die boonen een algemeen en belangrijk
handelsartikel.
De kano was uit een enkelen boomstam gemaakt, en zal 54
voet lang en 8 breed zijn geweest. Zij was dus nog al groot. Columbus kocht
hun alles af, en betaalde met Europeesche snuisterijen. De inboorlingen
waren noch verwonderd noch bang. Mannen en vrouwen hadden katoenen kleederen
aan.
Men kon in het Zuiden de bergen van het vasteland
duidelijk zien. Een van de Indianen bood zich dadelijk als loods aan.
Columbus verliet dit eiland, dat nog den echt Indischen naam van Guanaja
draagt, en zeilde zoo lang zuidwaarts tot hij bij kaap Honduras kwam, die
hij kaap Caxinas noemde. Het was Zondag morgen, de 4e Augustus.
De admiraal ging met een groot gedeelte van het scheepsvolk aan land, om er
een godsdienstoefening te houden. Twee dagen later landde hij op een andere
plaats, ontplooide er de Spaansche vlag en nam het land in naam van Spanje
in bezit. Wel een honderdtal Indianen stond er om heen, en keek eerbiedig
naar die plechtigheid.
Toen hij langs de kust van Honduras de reis oostwaarts
voortzette, had hij wel 60 dagen lang grooten last van stormen en
regenvlagen, vergezeld van onweders, zooals hij nog nooit had bijgewoond.
Den meesten tijd lag Columbus te bed, omdat hij erg door de jicht gekweld
werd. Het kwam zijn vrienden en ook hem zelf voor, dat het einde van zijn
stormachtig leven nabij was. Eindelijk bereikte hij een punt, waar de
kustlijn bijna rechthoekig naar het Zuiden liep. Deze kaap noemde hij
Gracias a Dios, of “Gode zij dank.”
Zoo langs de kust varende, scheen het land dicht bevolkt
te wezen, en zag het er met zijn heuvels en valleien, zijn bosschen en
weiden zeer bekoorlijk uit. Het is een opmerkelijk feit, dat de
inboorlingen, hoe vriendelijk ook, geen geschenken van de Spanjaarden wilden
aannemen zonder er iets voor terug te geven van hetgeen zij bezaten. Dit is
des te opmerkelijker, omdat zij zulk een groote waarde hechtten aan
Europeesche messen en koralen.
De reis werd langs de schilderachtige stranden van Costa
[151]Rica
voortgezet. Hier zag men inlanders, die versierselen droegen van zuiver
goud. Maar de gedachten van Columbus bepaalden zich thans alleen tot het
vinden van de straat. Om die denkbeeldige doorvaart te zoeken, deed hij alle
baaien van de landengte van Panama aan. Veertig mijlen zeilde hij zoo langs
de kust van Veragua voort, en kreeg intusschen verscheidene platen zuiver
goud. Hier zagen de Spanjaarden voor het eerst flink gebouwde steenen
huizen.
Den 2en November ging de vloot een ruime haven
in, die Columbus Puerto Bello noemde, en zoo heet zij nog. De inlanders
kwamen in grooten getale aanloopen, en velen naderden ook in kano’s. Een
storm belette 7 dagen lang het voortzetten van de reis. Op den 9en
kwamen zij, na 24 mijlen te hebben afgelegd, te Nombre de Dios. De velden
waren hier rijk begroeid met vruchten, Indisch koren en andere gewassen. Hun
schepen verkeerden in een bedroevenden toestand, zoozeer hadden de wormen de
planken doorboord. Zoo lang men de inlanders minzaam behandelde, waren zij
ook zoo vriendelijk, als men maar kon verlangen. Maar Columbus kon de
ontaarde en ruwe matrozen niet altijd in bedwang houden, ’s Nachts zwommen
die deugnieten vaak aan wal, en beleedigden de inlanders op een vreeselijke
wijze.
Niet zelden hadden er oneenigheden plaats. De inlanders
werden telkens talrijker, en er ontstond een gevecht. De schepen lagen dicht
bij den wal, zoodat Columbus te recht bang was, dat duizenden inboorlingen
op zijn schepen zouden komen. Daarom loste hij twee- of driemaal de
kanonnen, maar de schoten gingen over hun hoofden heen. De donder en de
bliksem verschrikten hen zoo, dat zij de vlucht namen.
Daar Columbus door folterende pijnen gekweld en door
stormen beloopen werd, keerde hij naar Hispaniola terug. Wel vond hij vele
aanwijzingen van goud, maar de toestand der schepen was zoo, dat er aan
verder onderzoek niet meer te denken viel. Hij trachtte aan de rivier de
Belen een kolonie te stichten, en was voornemens het bestuur daarover aan
zijn broeder toe te vertrouwen, terwijl hij dan naar Spanje zou gaan, om
hulpmiddelen te halen. Achttien man bleef achter. Zij begonnen aan de oevers
van de rivier vier huizen te bouwen. Het was een vruchtbare streek, en
bananen, pisangs, pijnappels, cacao-boonen, maïs en vele eetbare wortels
trof men er in overvloed aan. In de rivier en op de zeekust was allerlei
soort van visch. Voor gebrek aan voedsel behoefde geen vrees te bestaan, en
Columbus deed alles,
[152]wat
hij kon, om met de wilden op een vriendschappelijken voet te blijven.
Maar het opperhoofd van dat land, Quibian geheeten, was
een oorlogzuchtig man, die met leede oogen zag, dat er op zijn grond huizen
werden gebouwd, en dat de vreemdelingen zich dus naar alle
waarschijnlijkheid daar voor goed wilden vestigen. Men verdacht hem van een
krijgsmacht op de been te brengen, om de kolonie te verwoesten. Een
gewapende bende van 74 man werd heimelijk uitgezonden, om het opperhoofd met
zijn geheele huishouding gevangen te nemen en hen als gijzelaars te houden.
’t Is jammer, dat we dit slechts van één kant weten, daar de wilden er geen
geschiedschrijvers op nahouden.
In alle stilte en onopgemerkt kwamen de booten bij het
groote huis of het paleis van het opperhoofd. Hij werd met zijn geheele
gezin gevangen genomen. Hij, zijn vrouwen, kinderen en bedienden vormden een
gezelschap van 50 personen. Het opperhoofd werd aan handen en voeten
geboeid, en zoo zakten de booten de rivier af, om de gevangenen op het
admiraalsschip te brengen. Columbus had het wreede plan hen allen mee naar
Spanje te nemen, ze daar als gijzelaars te houden tot zijn terugkomst, opdat
de inboorlingen zich rustig zouden gedragen.
Maar al had men Quibian ook geboeid, toch gelukte het hem
’s nachts uit de boot te springen en naar den wal te zwemmen. De andere
gevangenen werden op het schip gebracht en in de voorplecht opgesloten. Het
valluik werd met een zware ketting en een slot vastgemaakt. ’s Nachts
maakten de sterkste krijgslieden een soort van beun onder het luik, klommen
er op, zetten hun schouders onder het luik en lichtten het met vereende
krachten op. Dadelijk sprongen zij weg, en lieten zich in zee vallen. De
zeelieden schoten aanstonds toe, hadden hun uitgetrokken sabels in de hand,
verhinderden velen te ontsnappen en maakten toen het valluik weer met den
ketting vast.
“Toen men des morgens”, schrijft Irving, “eens naar de
gevangenen ging kijken, vond men ze allen dood. Eenigen hadden zich met
eindjes touw opgehangen en raakten met de knieën den vloer; anderen hadden
zich verworgd door de touwen met de voeten stijf aan te trekken. Zulk een
moedigen, onbedwingbaren geest had dit volk, en zoo groot was zijn afkeer
van de blanken.”
En nu vielen de verbitterde inboorlingen verwoed op de
kolonie aan. Veel Spanjaarden, maar ook veel wilden vonden den dood.
Stormachtig weer maakte de zee onstuimig. Die aan land waren, hadden geen
kans om te ontsnappen, en ’t was voor
[153]Columbus
onmogelijk hen te helpen. De oorlog woedde
ontzaglijk, en ging als
altijd met bloed en ellende vergezeld. Na vele dagen van aanhoudenden strijd
en tal van wanhopige waagstukken moest men de kolonie opgeven, en haar
bewoners konden zich door de hevige rukwinden niet dan met de grootste
moeite in drie wrakke vaartuigen inschepen, die ieder uur gevaar liepen te
zinken.
Columbus ging onder al dit leed diep gebukt. Oud, ziek,
teleurgesteld, in aanhoudend doodsgevaar en omringd door ontevreden en
morrend scheepsvolk, was het leven hem een last geworden. In een
koortsachtigen droom werd hij getroost door wat hem voorkwam een gezicht van
God te zijn. Hij deed hiervan meedeeling aan den koning en de koningin.
“Afgetobd en zuchtend,” schreef hij, “viel ik in slaap. Ik
hoorde een klagende stem, die tot mij zeide: ‘O, gij trage en onverstandige
van hart, om te gelooven en uw God te dienen, die de God van allen is. Wat
deed Hij meer voor Mozes dan Hij voor u heeft gedaan? Van uwe geboorte af,
waart gij het voorwerp Zijner bijzondere zorg.’”
Op deze manier vroolijkte de onderstelde engel zijn
neergebogen geest op.
Het water in de rivier stond zoo laag, dat een van de
schepen er vast zat en dus achtergelaten moest worden. In het laatst van
April 1503 verliet Columbus deze oorden van ellende, en ging naar de kust
van Veragua. Daar gekomen, moest hij een tweede schip verlaten, omdat het
geheel door de wormen was verteerd. Nu moesten allen in twee schepen
geborgen worden, en deze konden ze alleen door aanhoudend pompen boven water
houden.
Den 30en Mei kwam hij ten Zuiden van Cuba bij
een eilanden-groep, die hij de Koninginne-eilanden noemde. Daar overviel hem
op eenmaal midden in den nacht een storm, zooals hij er nog nooit een
beleefd had. De schepen werden her- en derwaarts gedreven, en de admiraal,
die nog altijd lijdende was en in den grootsten nood verkeerde, omdat de
schepen telkens meer lek werden, had toch het geluk een haven op de kust van
Jamaïca binnen te loopen, waar hij al eens meer was geweest, en die hij toen
Santa Gloria had genoemd.
Verder kon hij niet varen, want zijn schepen dreigden
zelfs in de haven te zinken. Hij gaf bevel beide vaartuigen naast elkander
op het droge te laten loopen. Een paar meter van het strand werden ze
vastgelegd, en op den boeg en bij den achtersteven
[154]werden
met riet gedekte hutten gebouwd. Wetende, dat hij zich niet tegen de
Indianen verdedigen kon, als zij kwaad wilden, beval hij, dat niemand zonder
verlof aan land mocht gaan. Hij deed intusschen al het mogelijke, om zich
van de vriendschap van de wilden te verzekeren, die in grooten getale in de
haven gekomen waren. Zij droegen allerlei levensmiddelen aan, die zij gaarne
aan de Spanjaarden wilden verkoopen.
Men zou met de inboorlingen niet in oneenigheden gekomen
zijn, als geen slechte bejegening en mishandeling hen tot vijanden hadden
gemaakt.
[Inhoud]
Twaalfde Hoofdstuk.
De schipbreuk bij Jamaïca.
Het eiland Jamaïca was destijds zeer bevolkt en
vruchtbaar. Wijselijk stelde Columbus maar twee personen aan, die met de
inboorlingen handel mochten drijven. Hij vond het raadzaam eenige
manschappen af te zenden, om het binnenland te gaan onderzoeken. Diego
Mendez ging met eenige goed gewapenden heen, en trok het heele eiland tot
zijn oostelijkste punt door. Overal werd hij met echt broederlijke
gastvrijheid ontvangen. Het gebied van onderscheidene opperhoofden werd door
hem bezocht, en overal ruilde men bereidwillig de voortbrengselen van ’t
land tegen Europeesche waren in.
Op het einde van het eiland woonde een machtig opperhoofd,
dat Ameyro heette. Hij was een zeer verstandig en aangenaam man, die een
warm vriend van Mendez werd. Zij namen elkanders naam aan tot een teeken van
broederschap. Mendez kocht een van die kano’s van hem, waarvan we vroeger
reeds een beschrijving hebben gegeven. Hij betaalde er een koperen pot, een
buis en een hemd voor. Met al zijn metgezellen, zes Indianen en een ruimen
voorraad levensmiddelen voer hij langs de kust, vertoefde op verschillende
plaatsen, en kwam zoo op de plaats, waar men schipbreuk geleden had.
Door den handel was alle vrees voor hongersnood geweken,
maar Columbus werd toch door grooten angst gedrukt. In een nooit bezochte
zee en op een bijna onbekend eiland had hij schipbreuk geleden, en het was
even onmogelijk de schepen te herstellen als nieuwe te bouwen. Kans, dat een
vreemd schip
[155]hem
op zou nemen, was er ook volstrekt niet. Hispaniola lag meer dan 120 mijlen
verder, en in dat deel van de zee gingen sterke stroomen en heerschten vaak
hevige stormen. Het liet zich dus aanzien, dat de schipbreukelingen altijd
op het eiland zouden moeten blijven, om de een na den ander te sterven.
Daar kwam Columbus op het denkbeeld, dat de moedige Mendez
misschien zou over te halen zijn, om met de door hem gekochte kano den
gevaarlijken tocht naar Hispaniola te ondernemen. Mendez had op een
eenvoudige, maar toch boeiende wijze verteld, welk gesprek hij gehouden had.
De admiraal liet den jongen man bij zich komen, en zeide:
“Diego Mendez, mijn zoon, geen van allen hier begrijpen
iets van ons gevaar, behalve gij en ik. Ons getal is klein, dat der Indianen
groot, en zij zijn prikkelbaar en oploopend. Bij de minste aanleiding zouden
zij onze rieten hutten in brand steken, en wij er bij omkomen. Ik heb over
een ontsnapping gedacht, indien gij er niets tegen hebt. Met de door u
gekochte kano zou er een naar Hispaniola kunnen gaan, en trachten een schip
te krijgen, waardoor wij allen gered konden worden.”
Hierop gaf Mendez ten antwoord: “Mijnheer, ik weet, dat
het gevaar waarin wij verkeeren, grooter is dan velen denken kunnen. Maar ik
geloof, dat het niet alleen moeielijk, maar geheel onmogelijk is, om met een
vaartuig als een kano naar Hispaniola te gaan. We moeten dan een stroom
door, die 40 mijlen breed is, en de zee is er bijzonder onstuimig en haast
nooit kalm. Ik zou niet weten, wie zulk een gevaarlijken tocht zou willen
wagen.”
Na een oogenblik gezwegen en bemerkt te hebben, dat hij
zelf de persoon was, dien Columbus op het oog had, om den tocht te
ondernemen, voegde Mendez er aan toe:
“Mijnheer, ik heb dikwijls mijn leven gewaagd, om u en
allen hier te redden, en God heeft mij tot hier toe wonderbaarlijk behouden.
Er zijn er evenwel, die zeggen, dat Uwe Excellentie mij alle zaken
toevertrouwt, waarmee eer te behalen is, en dat anderen die net zoo goed
zouden doen als ik. Daarom verzoek ik u al het volk bij u te roepen en het
voorstel te doen. Als allen weigeren, dan zal ik komen, en mijn leven voor u
in de waagschaal stellen.”
Den volgenden dag kwamen allen van de beide schepen te
zamen. Niet één was er, die zulk een gewaagde onderneming aandurfde. Toen
trad Mendez vooruit, en zeide:
“Mijnheer, ik heb maar één leven te verliezen. Ik ben
bereid het in uw dienst te wagen, en voor allen die hier aanwezig zijn.
[156]Ik
vertrouw op de bescherming van God, die ik vroeger zoo dikwijls mocht
ondervinden.”
De kano werd op ’t strand getrokken en van een soort kiel
voorzien. Om te maken, dat er geen water in kon loopen, werden er van den
voor- naar den achtersteven planken op vastgespijkerd. Ook zette men er een
mast met een zeil op. Toen er een goede voorraad levensmiddelen ingelegd
was, begon Mendez met slechts één Spanjaard en 6 Indianen de gevaarlijke
reis.
Van Santa Gloria tot kaap Morant was meer dan 100 mijlen.
Zij hadden met veel tegenstroomen te kampen, en kwamen zeer langzaam
vooruit. Toen zij aan den oostkant van het eiland bij kaap Morant gekomen
waren, moesten zij er door het stormachtige weêr verscheidene dagen blijven.
Daar werden zij door een troep vijandige Indianen aangevallen, die zonder
moeite de boot met alles, wat er in was, in bezit namen. Daar de Indianen
twist kregen over de verdeeling van den buit, kon Mendez ontsnappen en met
de kano in zee steken. Door wind en stroom geholpen, kwam hij behouden te
Santa Gloria aan. Waar zijn Spaansche tochtgenoot gebleven was, is niet
bekend.
De ridderlijke Mendez verklaarde zich bereid, om de reis
nog eens te doen. Door ondervinding geleerd, nam hij twee kano’s, ieder
bemand met 6 Spanjaarden en 10 Indianen. Bartholomeus Fiesco, een Genuees
met een uitmuntend karakter, bestuurde de tweede kano. Een gewapende bende
begeleidde de booten tot aan het einde van het eiland. Na een oponthoud van
vier dagen aanvaardden zij de moeielijke reis. De morgen was helder en de
zee kalm.
Maanden lang bleef Columbus in volkomen onzekerheid, wat
hun overkomen was. Dit blijkt uit de volgende aanhaling, al is die dan ook
onsamenhangend, uit zijn dagboek:
“Tot nog toe heb ik over anderen geweend. Maar nu, o
hemel! heb medelijden, en ween over mij, o aarde! Mijn aardsche schatten
zijn zoo, dat ik geen halven cent heb voor een mis; ik ben hier in Indië
gebracht en door wreede en vijandige wilden omringd; eenzaam, verlaten en
ziek verwacht ik, dat elke dag de laatste is; wat geestelijke schatten
betreft, ik leef hier buiten de Heilige genademiddelen van de Kerk, zoodat,
wanneer mijn ziel het lichaam verlaat, zij eeuwig verloren is. Ween over
mij, al wie liefde, waarheid en gerechtigheid bemint! Ik deed deze reis
niet, om goud of eer te behalen, dat is zeker. Die wensch bestond bij mij
niet meer. Ik spreek oprecht, ik kwam, om uw majesteiten te dienen met goede
bedoelingen en loffelijken ijver.
[157]Mocht
het God behagen mij van hier te bevrijden, dan smeek ik Uwe Majesteiten mij
te vergunnen naar Rome te gaan en andere pelgrimstochten te doen.”
Kort na het vertrek van Mendez en Fiesco, brak er onder de
bemanning een vreeselijke ziekte uit. Dagen, weken, maanden zelfs gingen
langzaam voorbij. Allen waren zeer terneergeslagen, en zij konden hun geest
met niets bezighouden. Er ontstond gemor en velen waren ondankbaar genoeg
den admiraal de oorzaak van al hun rampen te noemen.
Bij het gezelschap bevonden zich twee broeders, Francisco
en Diego de Porras, beiden mannen van voorname geboorte en van aanzien.
Dezen, die als ijdel, onbeschaamd en beginselloos beschreven worden, wisten
een opstand tegen het gezag van Columbus, die door een hevigen aanval van
jicht aan zijn bed gekluisterd was, te verwekken.
Het wachten moe en zonder hoop ooit weer iets van Mendez
te zullen hooren, nam een oproerige en bandelooze troep tien kano’s en
zeilde er mee naar Hispaniola. In ’t geheel bestond zij uit 48 man. Uit
niets blijkt, dat Columbus zich krachtig tegen die maatregelen heeft verzet.
Maar het beleedigende en het wantrouwen, dat uit het gedrag van de
oproermakers sprak, gaf hem veel verdriet.
Er waren maar weinigen, die bij den admiraal bleven,
wanneer men de zieken niet meerekent. De muiters stoorden zich aan niets, en
behandelden de Indianen op de onbarmhartigste wijze. Ook namen zij hun alles
af, en zeiden: “Columbus moet er voor betalen, en als hij ’t niet doet,
slaat hem dan dood.” Columbus bleef intusschen bedlegerig, en leed
ontzettend veel, zoowel naar het lichaam als naar den geest. De woeste
soldaten trokken als dollemannen langs de kusten, en plunderden de
inboorlingen overal, waar zij aan land kwamen. Blijkbaar was het hun
voornemen de Indianen zoo kwaad te maken, dat zij den admiraal en allen, die
bij hem gebleven waren, gingen vermoorden. Op die wijze zou men van hun
opstand, waardoor zij zich natuurlijk een zware straf op den hals haalden,
in Spanje niets te weten komen.
Toen zij het einde van het eiland bereikt hadden, haalden
zij vele Indianen, waarschijnlijk door dwang, over, hen in het overvaren te
helpen. De kano’s, die van geen kiel voorzien waren, konden door haar
geringe afmetingen zeer licht omslaan, als men niet met groote zorg het
evenwicht wist te bewaren. De golven werden grooter en sloegen over de
kano’s neen, zoodat
[158]de
dood onvermijdelijk scheen. Om de kano’s lichter te maken, wierp men een
aantal Indianen over boord, als waren het schapen of varkens. Terwijl zij
zoo in het water spartelden, gelukte het enkelen een kant van een kano te
grijpen, om even te rusten of adem te scheppen. Zonder de minste aarzeling
hakten de onmenschelijke Spanjaarden met hun zwaard de handen van die
ongelukkigen af. De arme schepsels gilden dan natuurlijk erbarmelijk en
zonken. Zoo kwamen er achttien om.
Met moeite bereikten de Spanjaarden het eiland weer. Door
den hevigen storm waren zij genoodzaakt geworden bijna alles, wat eenige
waarde had, over boord te werpen. Nu ontstond er twist over den te volgen
koers. Sommigen stelden voor om, als de wind gunstig werd, naar Cuba te
varen; anderen raadden aan van de onderneming af te zien, en berouwvol naar
den admiraal terug te keeren; nog waren er, die naar Santa Gloria wilden
gaan, om zich daar van nieuwen voorraad te voorzien. De meerderheid echter
vond het het best, om van den eersten gunstigen wind gebruik te maken en dan
naar Hispaniola te reizen. Na een oponthoud van vier weken, gedurende welken
tijd zij de inboorlingen aan de grootste onderdrukking bloot stelden, werd
het goed weer en waagden zij een nieuwe poging; maar zij werden weer door
stormen teruggedreven. Nu verloren zij den moed, gaven de onderneming op en
begonnen langzaam midden door het eiland den terugtocht aan te nemen. Het
waren sterke mannen en goed gewapend ook, tevens door en door bedorven
lieden. Las Casas zegt, dat hun marsch met een voorbijtrekkende pest gelijk
stond.
De zieke en lustelooze Columbus wachtte te Santa Gloria,
maar bijna zonder hoop, op eenig bericht van Mendez. Aan de waarheid van de
volgende schoone woorden, die Irving aan zijn nagedachtenis wijdde, kan
redelijkerwijze niet getwijfeld worden:
“Terwijl Porras en de zijnen met vreugdelooze en wanhopige
ongebondenheid huishielden, vertoonde Columbus integendeel het beeld van een
mensch, die in alle opzichten waar is, en te midden van tegenspoed en
verdriet door reinheid van hart zich staande weet te houden. Had het gezonde
en krachtige deel van zijn garnizoen hem verlaten, het zieke en moedelooze
overschot trachtte hij te troosten en te bemoedigen. Zijn eigen bitter
lijden vergat hij en dacht alleen aan het hunne. De weinigen, die nog eenige
diensten konden verrichten, hielden de wacht op het wrak of pasten op de
zieken, maar er was niemand, die nieuwen voorraad levensmiddelen en andere
benoodigdheden kon
[159]aanhalen.
Gelukkig begonnen de goede trouw en het vriendelijk gedrag van Columbus
jegens de inlanders de gewenschte vrucht te dragen. Aanzienlijke
hoeveelheden voorraad werden hun van tijd tot tijd gebracht en hij kocht
alles tegen een zeer billijken prijs.”
“Wat hiervan ’t lekkerst en ’t versterkendst was, liet hij
voor de zwakken klaar maken. Daar hij wist, hoe verbazend groot de invloed
van de ziel op het lichaam is, deed hij zijn best, om de lijders wat op te
vroolijken en hun hoop te verlevendigen. Zijn eigen angst wist hij te
verbergen, en hij bewaarde een vroolijk en opgeruimd gelaat, terwijl hij
door opbeurende toespraken de hoop op een spoedige redding vernieuwde. Door
hen zoo vriendelijk te behandelen en zoo verstandig met hen om te gaan,
werkte hij gunstig op de gezondheid en de vroolijkheid van zijn volk, en was
het eindelijk weer in staat voor de algemeene veiligheid iets te doen. Er
werden bepalingen gemaakt, waaraan men zich moest onderwerpen en hierdoor
ontstond de noodige orde. De menschen werden overtuigd van de voordeelen
eener goede tucht en zagen in, dat de door den bevelhebber gemaakte
verbodsbepalingen tot hun eigen welzijn strekten en aller gemak
bevorderden.”
De voorraad werd echter schaarsch, want oogsten deden de
Indianen niet. Zij plukten vruchten als die rijp waren en, daar zij weinig
behoeften kenden, hadden ze voor hun gebruik al spoedig genoeg. Sieraden
verloren hun aantrekkelijkheid, en daarmee hun waarde. De vadzige Indianen
wilden niet ver loopen, om voedsel te halen, en daardoor dreigde er
werkelijk gebrek voor de Spanjaarden te zullen ontstaan. In deze
omstandigheden nam Columbus het volgende buitengewone middel te baat, om
voorraad te krijgen. Van zijn sterrenkundige kennis gebruik makende riep hij
het opperhoofd tot het bijwonen van een vergadering op, en koos daarvoor een
dag uit, waarop een totale maansverduistering plaats hebben zou. Hij deelde
hun mede, dat God, die de bijzondere Beschermer van de Spanjaarden was,
vertoornd op hen geworden was, omdat zij hadden verzuimd een voldoende
hoeveelheid voedsel te brengen. Tot een bewijs
van zijn ongenoegen en van de
straf, die hen wachtte, zou God in den aanstaanden nacht de maan uitblazen.
Sommigen werden nu zeer benauwd, en anderen lachten er om.
De nacht kwam, maar toen de maan verdonkerde, waren allen
van vrees vervuld. De opperhoofden wierpen zich aan de voeten van Columbus
neer, en smeekten hem bij God hun voorspraak
[160]te
willen zijn, belovende voortaan altijd gehoorzaam te zullen wezen. Columbus
liet zich lang smeeken, maar gaf eindelijk toe. Toen de verduistering minder
werd, begaf hij zich naar de kajuit als om met God te spreken. Spoedig
daarna scheen de maan weer in haar gewonen luister, en er was geen gebrek
aan levensmiddelen meer.
Acht maanden waren verloopen sinds Mendez en Fiesco de
gevaarvolle reis begonnen. De oproermakers onder Francisco Porras, die hun
erkend hoofd schijnt te zijn geweest, hadden zich hier en daar naar
hartelust aan uitspattingen schuldig gemaakt. Juist toen de zon onderging,
kwam er op zekeren avond een schip aan. De vreugde was groot. Het schip
wierp in de haven het anker uit en zond een boot naar de in nood verkeerende
schepen. De onvriendelijke Ovando, die blij zou geweest zijn als hij gehoord
had, dat Columbus was vergaan, durfde, toen hij van Mendez diens toestand
vernam, toch niet nalaten alle middelen aan te wenden tot zijn redding. Na
lang en nutteloos wachten zond hij een vroegeren samenzweerder tot Columbus,
om eens goed op te nemen in welken toestand hij verkeerde. Deze man, Diego
de Escobar geheeten, was een van de saamgezworenen van Roldan geweest.
Columbus had hem ter dood veroordeeld, maar Bobadilla had hem genade
geschonken.
Deze man nu kwam in zijn boot naar de schepen toe, maar
aan boord ging hij niet. Hij overhandigde Columbus een brief van Ovando, en
bood hem tevens een vat wijn en een zij spek aan. Daarop ging hij een eindje
achteruit, en vertelde toen aan Columbus, dat het Ovando erg speet, dat hij
zoo ongelukkig was. Ook speet het hem erg, dat zijn schip niet groot genoeg
was, om Columbus en zijn metgezellen mee te nemen; maar dat er zoo spoedig
mogelijk een ander komen zou. Als soms Columbus een brief wilde meegeven
voor Ovando, dan verzocht hij Columbus dien dadelijk te schrijven, omdat hij
gaarne spoedig wilde vertrekken.
Columbus schreef een beleefden en verzoenenden brief,
beschreef zijn droevigen toestand en verzocht dringend om spoedige hulp.
Escobar heesch de zeilen en verdween. De Spanjaarden wisten niet, wat zij
van dit zonderlinge bezoek te denken hadden, en verloren opnieuw alle hoop.
Columbus trachtte hen te bemoedigen door de verzekering, dat er weldra
schepen zouden komen, om hen weg te halen. Met Escobar, zeide hij, wilde ik
niet gaarne meegaan, en het schip was ook te klein om allen op te nemen,
zoodat hij dan nog maar liever bleef om hun lot te deelen.
[161]
Heimelijk was Columbus zeer verontwaardigd over het gedrag
van Ovando. Voor eenige maanden had hij hem in een gevaarvollen toestand en
pijnlijke onzekerheid verlaten, terwijl hij aan de vijandschap van de
inlanders, de oproerigheid van zijn eigen manschappen en bittere wanhoop ter
prooi was. Eindelijk zond hij een boodschap, die slechts een bedriegelijke
hoop voorspiegelde, en dan nog wel met een man, die een van zijn
onverzoenlijkste vijanden was, met een geschenk, dat door zijn
onbeduidendheid een bespotting van hun nooden geleek.
De indruk, dien Columbus gekregen had en dien ook Las
Casas ontving, was waarschijnlijk juist. Ovando vreesde, dat Columbus weer
het bestuur over Hispaniola in handen zou krijgen, en hoopte werkelijk, dat
hij op het eiland Jamaïca omkomen zou.
Nu moeten wij de lotgevallen van Mendez en Fiesco nagaan.
Zij waren langs de zuidelijke kust van het eiland gevaren tot zij het einde
bereikt hadden. De zee was zeer kalm geweest. Toen waren zij moedig de
oogenschijnlijk grenzenlooze zee opgevaren, die vóór hen lag. Geen wolkje
was er aan de lucht en geen windje rimpelde de golven van den oceaan. De
hitte van de keerkringszon was verschrikkelijk, want zelfs de inlanders
sprongen in zee, om zich te verfrisschen, vóór zij de roeiriemen weer in de
hand namen. Nacht en dag werd de reis voortgezet. De Indianen, die al het
werk deden, losten elkander af, zoodat, als de eene helft roeide, de andere
ging slapen. Ook de Spanjaarden, die met de wapenen in de hand de wacht
hielden, deden dat bij beurten; omdat zij bang waren, dat de door hen tot
slaven vernederde Indianen, tegen hen zouden opstaan.
Land was nergens te zien. De wrakke kano’s gingen met de
golven op en neer, en ’t was duidelijk, dat zij stellig zouden vergaan als
de zee ze erg in beweging bracht. Zij kregen van de hitte zulk een
onduldbaren dorst, dat het weinige water al zeer spoedig op was. Een weinig
had men bewaard, om het lepelsgewijze aan hen, die gevaar liepen van te
bezwijken, te geven. Alleen door hard roeien, kon men bij de brandende
windstilte, vooruit komen. De derde dag brak aan, maar ging ook stil
voorbij. ’s Nachts was het even zoel als over dag. Men kon nergens land
zien, alleen lucht en water. Een van de Indianen viel flauw van de hitte en
stierf. Zijn lijk werd in zee geworpen. Men leed zulk een hevigen dorst, dat
men er niet van slapen kon, en ongelukkig was er geen druppel water meer. De
inlanders konden de riemen niet meer voortbewegen, en vielen de een na den
ander krachteloos neer.
[162]
Wanhopig zat Mendez bij den achtersteven. Het scheen, dat
allen op die stille zee zouden moeten sterven. Toen de maan opkwam, zag hij
echter in de verte iets zwarts, dat even boven het water uitstak. Weldra
kreeg hij de zekerheid, dat het land was, en gaf hij van blijdschap een
luiden gil. Hierdoor kregen hun verlamde krachten nieuw leven, en met het
aanbreken van den dag bereikten de uitgeputte roeiers het land.
Het bleek het eiland Navasa te zijn, waarnaar ze zochten.
De omtrek bedroeg anderhalve mijl, ’t geheel was een naakte rots, die zich
op een afstand van 24 mijlen van Haïti uit de zee verhief. Ofschoon er boom
noch struik, rivier noch bron te vinden was, toch leverden de rotsholten een
voldoende hoeveelheid water op. Ondanks de waarschuwingen van de officieren
dronken velen zoo onmatig, dat zij onder de hevigste pijnen bezweken en
anderen lang en gevaarlijk ziek bleven. Ook vond men wat schelvisch, en die
leverde een heerlijk maal op, nadat men ze gekookt had boven drijfhout, dat
daar lag.
Den geheelen dag brachten ze op dit eiland door, rustten
in de schaduw van de rotsen uit en keken verlangend naar de hooge bergen van
Haïti, die zich ver in ’t Oosten aan den horizon vertoonden. Toen de zon
onderging, gingen ze weer scheep en kwamen den volgenden dag bij de
zuidwestelijkste punt van het eiland, die kaap Tiburon genoemd werd. In een
kort reisverhaal, dat Mendez schreef, maakt hij eerst melding van zijn
vertrek van Jamaïca, waar hij het geleide achterliet, dat Columbus hem tot
het einde van ’t eiland had meegegeven. Hij schrijft:
“Daar de zee minder onstuimig werd, nam ik van de anderen
afscheid. Allen waren, als ik, diep bewogen. Ik beval mij toen aan God en de
maagd van Antigua aan, en bracht vijf dagen en vier nachten op zee door,
zonder de roeiriemen ook maar een oogenblik los te laten, en hield nog het
roer, als mijn tochtgenooten roeiden. Gelukkig kwam ik aan den avond van den
vijfden dag bij het eiland Hispaniola aan, bij kaap San Miguel, die nu kaap
Tiburon heet; en had toen in geen twee dagen eten of drinken gehad, omdat
onze voorraad op was.”
“Ik sleepte mijn kano toen op een mooi plekje aan de kust,
en omdat de wilden spoedig met vele eetwaren naar mij toe kwamen, bleef ik
er twee dagen, om uit te rusten. Ik nam van die plaats zes Indianen mee, en
liet er de meegebrachten achter. Van de stad St. Domingo, waar de goeverneur
woonde, was ik nu nog 390 mijlen verwijderd. Ik hield altijd maar de kust,
en had zoo 240 mijlen, niet zonder groote moeite en veel gevaar,
[163]afgelegd,
toen ik in de provincie Azoa aankwam, die nog 72 mijlen van St. Domingo
afligt. Hier vernam ik, dat de goeverneur bezig was de provincie Xaragua te
veroveren, die 150 mijlen verwijderd was van de plek, waar ik mij bevond.
Toen ik dit hoorde, verliet ik mijn kano, en begaf mij op weg naar Xaragua.
Daar trof ik den Goeverneur aan; hij hield mij zeven maanden bij zich en in
dien tijd werden op zijn bevel 84 opperhoofden en bovendien nog de
voornaamste dame van het eiland, Nacaona genaamd, wie allen gehoorzaamden en
dienden, verbrand of opgehangen.”
In dien tijd werden 84 opperhoofden verbrand of
opgehangen! Hoe leeren ons die weinige woorden de
wreedheid kennen, waarmee de inlanders door de onmenschelijke gelukzoekers
werden behandeld.
Ovando, die Columbus hulp zou zenden, maar hierin nalatig
gebleven was, trachtte zich zoo goed mogelijk te verontschuldigen. Ook wilde
hij Mendez niet naar San Domingo laten gaan, omdat hij vreesde, dat deze
medelijden met den admiraal zou weten op te wekken, waardoor men wellicht
maatregelen voor zijn bevrijding nam. Ten laatste, door maar steeds aan te
dringen, kreeg hij eindelijk verlof om naar San Domingo te gaan, en daar de
aankomst van eenige schepen, die uit Spanje werden verwacht, af te wachten.
Terstond ging hij te voet op weg en legde een afstand van
200 mijlen door de wildernis af. Zoodra hij vertrokken was, zond Ovando het
schip uit onder bevel van den oproerling Escobar, die den onverklaarbaren
tocht naar den schipbreuklijdenden admiraal ondernam.
Wetteloosheid en misdaad brengen altijd ellende voort. De
opstandelingen te Jamaïca, die onder elkander twistten, en zich den haat van
de inboorlingen op den hals gehaald hadden, verkeerden in den
deerniswaardigsten toestand. Nu men wist, dat hij schipbreuk geleden had,
twijfelde Columbus er geen oogenblik aan, of men zou hem spoedig schepen tot
zijn redding zenden. Al wist Ovando ook een verschooning voor zijn talmen te
bedenken, hij zou het toch niet durven wagen den admiraal en zooveel
Spanjaarden hulpeloos te laten sterven. Toen Columbus met den toestand van
de oproermakers bekend was, zond hij twee van zijn manschappen naar hen toe,
om hen in kennis te stellen met het bezoek van Escobar en om hen te
verzekeren, dat er spoedig schepen zouden komen om hem te bevrijden. Allen,
die terug wilden keeren, beloofde hij vergiffenis en een
[164]vrijen
overtocht naar Hispaniola met de verwachte schepen. De hoofden van den
opstand poogden deze aanbiedingen voor hun misleide bondgenooten verborgen
te houden. Zij lieten Columbus weten, dat zij niet naar Hispaniola terug
verlangden, maar liever vrij op het eiland bleven wonen.
Met het doel den mannen daden van geweld te laten
verrichten, waardoor het hun onmogelijk zou worden genade te verwerven,
begaven zij zich op weg, om de wrakken te plunderen en Columbus gevangen te
nemen. Columbus kreeg van hun komst bericht. Bartholomeus Columbus, die den
titel van adelantado droeg, trok met 50 goed gewapende mannen uit, om den
vijand tegemoet te gaan1.
Hij had in last, alles te doen wat mogelijk was, om hen tot een vreedzaam
terugkeeren aan te sporen, en volstrekt geen geweld te gebruiken, wanneer
dit niet zeer noodzakelijk was.
Francisco de Porras wilde echter van geen vrede weten.
Onder woest geschreeuw en de grootste verwoedheid beval hij zijn manschappen
vuur te geven. Zelf ging hij met zes van de moedigsten naar den adelantado;
want, dacht hij, als we dien aanvallen en dooden, dan kunnen we de overigen
gemakkelijk uit elkander jagen. Een verwoed gevecht volgde. Met één slag
sloeg Porras het schild van den adelantado in stukken en wondde hem aan de
hand. Het zwaard zat zoo diep in het schild, dat hij het er niet weer uit
kon trekken. Onderscheidene mannen grepen Porras, en hij was een
krijgsgevangene. De overigen liepen in verwarring weg.
Vele Indianen stonden om het slagveld heen, en keken met
verbazing naar dit moordtooneel. Bartholomeus keerde met Porras en vele
andere gevangenen naar de schepen terug. Een aantal opstandelingen had den
dood gevonden. Van zijn eigen partij waren slechts twee gewond. Den
volgenden dag, ’t was de 20e Mei, zonden de vluchtelingen een
smeekschrift om genade aan den admiraal, dat door allen onderteekend was.
Hoe groot hun begeerte was om weer tot hun eed terug te keeren, kan uit den
bijzonderen eed zelf blijken, dien zij bij het kruis en het misboek
aflegden. Die eed luidde:
“Als wij ooit onzen eed breken, dan hopen wij, dat geen
priester of een ander christen ons de biecht zal afnemen; dat berouw niets
baten kan; dat wij de heilige genademiddelen van
[165]de
kerk zullen missen; dat wij bij onzen dood geen vergeving ontvangen; dat
onze lijken op het veld zullen geworpen worden, evenals die van ketters en
afvalligen, in plaats van in heilige aarde te worden begraven; dat wij noch
van den paus, noch van de aartsbisschoppen, andere bisschoppen of priesters
vergeving ontvangen.”
Tot toelichting van deze verschrikkelijke vervloekingen,
waardoor deze schuldige en slechte lieden de kracht van den eed nog
trachtten te verhoogen, merkt Irving terecht op:
“De weinige waarde van iemands beloften kan men altijd
afleiden uit de buitensporige middelen, die hij aanwendt, om er kracht aan
bij te zetten.”
[Inhoud]
Dertiende Hoofdstuk.
De laatste tooneelen uit het leven van Columbus.
Gedurende de afwezigheid van Columbus waren er onder het
bestuur van Ovando op de inlanders zulke vreeselijke misdaden gepleegd, dat
het al te erg is ze te noemen. Duivels hadden niet erger kunnen handelen. De
moed ontbreekt mij, om die barbaarschheden te beschrijven. Deze onmenschen
stelden bedaagde vrouwen en jonge maagden, bejaarde mannen en jongens aan
alle laagheid en wreedheid bloot, die een verdorven verbeelding uitdenken
kan.
Ruwe benden zwierven in alle richtingen rond, om goud te
zoeken. Het weinige geld, dat de gelukzoekers hadden meegebracht, was al
spoedig verteerd. Zij waren in de diepste armoede en ellende gedompeld.
Velen stierven, en vervloekten den dag, waarop ze uit Spanje waren gegaan.
In den loop van een paar maanden stierven meer dan duizend Spanjaarden. Er
werd een geregeld stelsel van slavernij ingevoerd, waarbij de inboorlingen,
niet aan zwaren arbeid gewend, gedwongen werden in de mijnen te werken.
Ieder Spanjaard kreeg een zeker aantal slaven. Zij werden aan hun vrouwen en
kinderen ontrukt, voor uitputtenden arbeid gebruikt en aan de wreede
zweepstraf onderworpen. Wist een slaaf aan deze barbaarschheid te ontkomen,
dan werd hij achtervolgd en door bloedhonden verscheurd, als een
waarschuwing voor anderen. Geheele ploegen werden vaak 200 of 300 mijlen
voortgejaagd als vee. Velen bezweken onderweg. Las Casas schrijft:
[166]
“Velen zag ik dood op den weg liggen, anderen onder de
boomen naar lucht snakken, en weer anderen vond ik stervende, nauwelijks
hoorbaar kreunend: ‘Honger, honger!’”
Irving, die van zulke vreeselijke tooneelen, uit afkeer er
van, geen melding maakt, schrijft: “Het is onmogelijk, om de schilderij,
door den eerwaardigen Las Casas opgehangen, en die schilderde niet wat hij
gehoord maar wat hij gezien had, aan te vullen. De natuur, de
menschelijkheid verzetten er zich tegen. Genoeg is het te zeggen, dat de
zware arbeid en het lijden, die dezen zwakken en goedhartigen menschen
werden opgelegd, zoo ondraaglijk waren, dat zij er onder bezweken, en als
het ware van den aardbodem verdwenen. Velen maakten in wanhoop een einde aan
hun leven; moeders zelfs overwonnen haar natuur en doodden haar zuigelingen,
om hun een leven van ellende te besparen. Sedert de ontdekking van het
eiland waren nog geen twaalf jaren verloopen, en toch waren er reeds veel
honderdduizenden bewoners gestorven, allen als ellendige slachtoffers van de
hebzucht der blanken.”
Vergelijkt men het bestuur van Bobadilla en Ovando met dat
van Columbus, dan is dit laatste rechtvaardig en menschelijk geweest. Hij
paste de doodstraf niet lichtzinnig toe, en gaf geen verlof tot het opleggen
van barbaarsche straffen. Zijn ernstige begeerte was het de Indianen te
beschaven en tot het christendom te bekeeren. Wel zond hij vele inlanders
naar Spanje, om daar als slaven te worden verkocht, maar dat kwam door een
dweepzucht, die men destijds vrij algemeen aantrof, en die, wij schamen het
ons te zeggen, nog geen halve eeuw geleden, van de predikstoelen zoowel in
Engeland als in Amerika, verdedigd en aanbevolen is. Toch heeft Columbus
hiervoor een strenge afkeuring verdiend. Maar evenzeer zal een eerlijk
gemoed rekening houden met de eeuw, waarin hij leefde.
Sedert de schipbreuk was er een jaar vol angst en
droefheid voorbijgegaan, toen in den morgen van den 28en Juni
1504 twee karveelen werden gezien, die naar de haven kwamen. Men werd bijna
krankzinnig van vreugde, en de wanhoop was geweken. De samenzweerders, die
vergiffenis hadden gekregen, waren in een kamp op het land gelegerd. Porras,
den aanvoerder, hield men gevangen. De anderen werden behandeld, alsof ze
aan geen misdaad schuldig stonden. Maar zij beefden toch van angst en waren
zeer gedwee en kruipend. Columbus stelde een vertrouwd officier over hen
aan, en zoo wachtten de twee troepen, één aan land en één op de schepen, de
aankomst van hulp af.
[167]
Algemeene verontwaardiging te San Domingo had Ovando
genoodzaakt deze hulp, hoe laat dan ook, te zenden. Met de inscheping was er
geen tijd te verliezen. Columbus liet op een van de schepen zijn
admiraalsvlag hijschen, en, grootmoedig alle geleden onrecht vergetende,
behandelde hij allen met de grootste vriendelijkheid. Van Santa Gloria langs
de zuidelijke kust van Jamaïca, van daar naar het westen van Haïti en dan
langs den zuidkant van het eiland naar San Domingo is nog al een verre reis.
Stormen, tegenwinden en sterke tegenstroomen vertraagden
den overtocht, en niet voor den 13en Augustus wierpen de
karveelen in de haven het anker uit. Daar had Columbus veel vrienden, en
zijn ongelukken hadden een groote verandering in de gevoelens jegens hem
veroorzaakt bij velen, die ook eerst meegeschreeuwd hadden tegen hem. Zelfs
de Goeverneur, wiens geweten niet zuiver was, begon bang te worden, dat men
hem om zijn wreed uitstel ter verantwoording zou roepen. Columbus
verwonderde zich zelf, dat hij door allen met zooveel hoffelijkheid
ontvangen werd. Maar noch hij, noch zijn zoon Fernando liet zich misleiden
door de gehuichelde beleefdheden van den Goeverneur.
Zeer spoedig ontstond er een botsing tusschen beider niet
juist omschreven macht. Moeielijkheden over de bevoegdheden om recht te
spreken deden zich voor. Columbus was tot in het diepst van zijn ziel
getroffen over de behandeling, die de inlanders hadden ondergaan en ook over
de verwoesting, waarvan het heele eiland de sporen droeg. Hij had gehoopt,
de inlanders aan arbeid te gewennen en daardoor zoowel hun eigen welvaart
als die van de kroon te bevorderen. Hij schreef aan den koning en de
koningin:
“De Indianen van Hispaniola waren en zijn de rijksten van
het eiland. Zij bebouwen den grond en bakken brood voor de christenen; zij
halen het goud uit de mijnen en doen alle diensten en al het werk, die
mensch en dier verrichten. Ik heb bericht ontvangen, dat, sinds ik dit
eiland verliet, 6/7 van de inboorlingen dood is, en dit enkel door
onmenschelijkheid en mishandeling. Sommigen kwamen door het zwaard om,
anderen door slagen en wreede straffen, velen door honger. Het grootste deel
stierf in de bergen en bergpassen, werwaarts zij gevlucht waren, om van den
al te zwaren arbeid verlost te worden, dien men hun had opgelegd.”
Columbus was niet in staat ook maar een enkele grief weg
te nemen. Hij kon van Ovando geen afrekening krijgen en was
[168]daardoor
niet in staat te betalen wat hij schuldig was. Daarom maakte hij aanstalten,
om met zijn broeder naar Spanje terug te keeren. Twee schepen werden voor de
reis gereedgemaakt. Columbus zorgde voor het eene, de adelantado voor het
andere. Heel mild stond Columbus van het weinige, dat hij zelf bezat, nog
af, om in de behoeften van de arme zeelieden te voorzien, die achter moesten
blijven, ofschoon velen er van de grootste oproermakers waren geweest.
Nauwelijks waren zij buiten de haven, of een windvlaag nam den mast van het
admiraalschip weg. Het ontredderde schip werd teruggezonden, en Columbus
ging met zijn zoon op dat van zijn broeder over, om de reis voort te zetten.
Met aanhoudende stormen hadden zij te worstelen. Columbus
kon zijn bed niet verlaten, zoo folterend waren de pijnen, die hij door de
jicht leed. Den 12en September 1504 verlieten de schepen San
Domingo, en den 7en November wierp zijn door stormen zeer
gehavend schip het anker in de haven van San Lucar uit. Dadelijk zette hij
de reis naar Sevilla voort. Zwakte, pijn, zorg en verdriet volgden hem
overal. Zijn eigen zaken waren deerlijk in de war en hij stak diep in de
schulden. Koningin Isabella lag op haar ziek- en sterfbed, verteerd door
zulk een menigte huiselijke verdrietelijkheden als maar weinigen ooit hebben
moeten verdragen. Ferdinand was een ongevoelig mensch, die niet in staat was
om door gevoelens van edelmoedigheid geleid te worden.
Columbus schreef aan zijn zoon, dat het hoogst noodig was
de meest mogelijke zuinigheid in acht te nemen. “Ik ontvang,” schreef hij,
“niets van hetgeen men mij schuldig is. Ik leef door te borgen. Weinig
voordeel heeft een twintigjarige dienst mij opgeleverd, een dienst, waaraan
zooveel moeite en gevaren verbonden waren. En nu heb ik in Spanje zelfs geen
eigen dak. Als ik eten en slapen wil, moet ik mijn toevlucht tot een herberg
nemen. En meestentijds heb ik zelfs niet eens geld om de rekening te
betalen.”
Isabella stierf levenszat en met een gebroken hart te
Medina del Campo op den 26en November 1504. Haar levenspad werd
slechts door eenige weinige vreugdestralen verlicht. Toen zij haar vrienden,
die om haar heen stonden, in tranen zag baden, zeide zij tot hen:
“Weent niet om mij, en brengt uw tijd niet zoek met
vruchtelooze gebeden voor mijn herstel; bidt liever voor het heil van mijn
ziel.” [169]
Zij was 54 jaar oud en had 30 jaren geregeerd. Toen men
haar lijk grafwaarts droeg, heerschte er een vreeselijke storm, die hemel en
aarde in beroering bracht. De regen viel in stroomen neer, en een van de
hevigste winterstormen gierde om de torens van het Alhambra, toen Isabella
in de sombere gewelven werd begraven.
De dood van Isabella was een van de grootste rampen, die
Columbus overkwam. Het overige gedeelte van den winter en de lente bracht
hij te Sevilla door. Den meesten tijd lag hij te bed met vreeselijk lijden.
Hij was zeer aan zijn broeders gehecht en hield veel van zijn zoons
Ferdinand en Diego. Aan den oudste schreef hij:
“Gedraag u jegens uw broeder als het den oudste tegenover
den jongeren betaamt.
Gij hebt geen ander, en ik dank God, dat hij er een is zooals
gij behoeft. Tien broeders zouden niet te veel voor u zijn. Nooit en nergens
heb ik betere vrienden dan mijn broeders gevonden.”
Aan het hof had Columbus nog veel vijanden, die er
tamelijk wel in slaagden om te maken, dat men op zijn armoedige
omstandigheden geen acht sloeg. Hij gevoelde zich zeer ongelukkig en
begreep, dat een persoonlijk bezoek aan het hof een gebiedende
noodzakelijkheid was. Maar hij was zoo verbazend zwak, dat het lang duurde
eer hij de reis wagen kon.
Nadat de winterstormen over waren, maakte hij van het
zachte weer in Mei gebruik, en ging hij met zijn broeder, den adelantado,
den koning te Segovia bezoeken. Als een vermoeid, droefgeestig, miskend man,
meer door verdriet dan door den ouderdom gebogen, ging de ontdekker van een
nieuwe wereld, door de poorten van de koninklijke stad.
De zelfzuchtige Ferdinand dacht niet meer aan de bewezen
diensten, en vond den man met zijn vragen lastig. Hij ontving hem wel is
waar vriendelijk, maar met dien kouden, onbeduidenden glimlach, die als een
zonnestraal bij winterdag over het gelaat gaat, zonder het hart te
verwarmen.
Columbus gaf den koning een uitgebreid en nauwkeurig
verhaal van zijn laatste reis. Maar geen vroolijken lach, geen traan van
deernis kon het meegedeelde afdwingen. De koning was mild met vriendelijke
woorden, maar karig, tot wreedheid toe, waar het aankwam op stoffelijke
erkenning van de verdiensten of de behoeften van den levensmoeden admiraal.1
[170]
Droeve maanden van uitgestelde hoop en bittere
teleurstellingen vloden voorbij. De laatste zandkorrels uit het uurglas van
het leven begonnen te vloeien. Zijn geest werd minder en door een hevige
aanval van de jicht, werd de admiraal opnieuw aan zijn bed gekluisterd. Ter
wille van zijn bloedverwanten was hij er bijzonder op gesteld, dat zijn
waardigheden erkend, zijn eigendom beschermd zou worden en dat zij, die hij
liefhad, voor gebrek bewaard mochten blijven. Toch was hij er veel meer op
uit, zijn kinderen een eervollen naam na te laten dan zijn geldelijke
verliezen te herstellen. Van zijn sterfbed schreef hij den koning nog, en
verzocht dat zijn zoon Diego tot onderkoning benoemd mocht worden, van welke
waardigheid hij zelf zoo onrechtvaardig ontzet was geworden.
“Dit”, schreef hij, “is een zaak, die mijn eer raakt. Voor
het overige moet Uwe majesteit maar doen, wat zij het best vindt. Geef of
neem mij af, zooals het voor U het voordeeligst is, en ik zal tevreden
wezen. Ik geloof dat de zorg, die het uitstellen van deze zaak mij geeft, de
voornaamste oorzaak van mijn ziekte is.”
Eindelijk kreeg hij de overtuiging, dat er van de zijde
van Ferdinand geen hoop op herstel van grieven was. Op zijn ziekbed schreef
hij aan zijn trouwen vriend, Diego de Deza, den volgenden wanhopigen brief:
“Het schijnt, dat de koning niet doen wil, wat hij en
wijlen de koningin mij mondeling en schriftelijk hebben beloofd. Het zou met
den wind vechten wezen, als ik mij daartegen ging verzetten. Ik heb alles
gedaan, wat ik kon. De rest laat ik aan God over, die altijd goed voor mij
geweest is.”
Er is in den dood van dezen zwakken maar heldhaftigen man
iets onuitsprekelijk droevigs. Lichaam en geest hadden bij dien man door de
stormen van het onrustigste aardsche leven, dat men zich denken kan, veel
geleden. Sedert eenigen tijd was het zijnen vrienden duidelijk geworden, dat
zijn einde naderde. Hij zelf werd hiervan overtuigd. Het verheven karakter
van Columbus komt duidelijk uit bij het uitspreken van zijn laatsten wil in
die plechtige uren.
Overeenkomstig het erfrecht, was zijn zoon Diego zijn
voornaamste erfgenaam. Columbus bepaalde, dat zijn landgoed nooit
[171]in
vreemde handen overgaan of verbrokkeld mocht worden. Hij drong er op aan,
dat zijn erfgenamen altijd aan den koning getrouw zouden blijven en alles
zouden doen ter bevordering van het christelijk geloof. Eén tiende van het
inkomen moest besteed worden om arme bloedverwanten en andere gebrek
lijdende personen te ondersteunen. Hij stond er op, dat bij de stad
Concepcion op Hispaniola een kapel zou gebouwd worden, waar dagelijks missen
werden gelezen voor de rust van zijn eigen ziel, en voor die van zijn vader,
zijn moeder, zijn vrouw en van allen, die in het geloof gestorven waren.
Eindelijk brak het stervensuur aan. Columbus was zich
volkomen bewust, dat de tijd van gaan voor hem gekomen was. Hij was blijde,
dat de dood naderde, als de vriendelijke bode, die hem van zorg, pijn en
verdriet zou bevrijden. Zijn laatste woorden waren: “In uwe handen, o God!
beveel ik mijnen geest.”
Het was de 20en Mei 1506. Men vermoedt, dat
Columbus toen 70 jaren oud was. Zijn begrafenis had te Valladolid met veel
plechtigheid plaats. Eerst werd zijn lijk in de kerk van Santa Maria de la
Antigua bijgezet, maar zeven jaren daarna, in 1513, werd het naar het
Karthuizer klooster van Las Cuevas te Sevilla overgebracht. Drie en twintig
jaren later werd het met dat van zijn zoon Diego in de hoofdkerk van de stad
San Domingo begraven. Maar zelfs hier mocht het de laatste rustplaats niet
vinden. Toen de Franschen zich in 1797 van het eiland hadden meester
gemaakt, werden de lijken door de Spaansche gezaghebbers naar de hoofdkerk
van Havana, op Cuba, overgebracht. Daar rusten ze nu.
Ieder lezer zal, wanneer hij het vorenstaande verhaal
nagaat, een eigen oordeel vellen over het karakter van Columbus. Zijn
afwisselend leven was over het geheel een van de meest vreugdelooze en
moeitevolle levens, waarvan de geschiedenis melding maakt. Dat hij zijn
gebreken had, geven we toe. Maar geen eerlijk gemoed zal ontkennen, dat deze
vlekken op zijn karakter door vele en verhevene deugden werden vergoed.