Legenden en Romances uit Spanje

Is het dan een wonder, dat, toen dit heerlijke schouwspel aan de oogen
van een volk van ridders werd geopenbaard, er zulk een geestdriftig
gejuich opging, als waarmee slechts weinig voortbrengselen der
letterkunde begroet werden? De schrijver van Amadis ontsluierde
voor de ridderschap van Spanje die wereld, waarvan zij gedroomd
had. Elke ridder voelde in zich de mogelijkheid van een Amadis
en iedere jonkvrouw vond in zichzelf de eigenschappen van een
Oriana. De geest en de stemming van het boek veroverden de Spaansche
ziel volkomen, verbonden grovere idealen, en schiepen een nieuw
wetboek van gebruiken en opvattingen. De intrige van het verhaal
en de verschillende gebeurtenissen, die er uit voortkomen, zijn een
samenhangend geheel en niet slechts een opsomming van afzonderlijke
krijgsverrichtingen, of vervelende beschrijvingen van kleederen,
uitrustingen of architectuur, afgewisseld door het gebluf van ruwe
ridders of breedsprakige koningen, zooals dat bij de Cantares de
gesta het geval was geweest. Daarenboven was het geheel doorweven met
de liefdes-philosophie van ridderlijkheid, volgens welke de vrouw,
inplaats van het eigendom of een stuk speelgoed van den man te zijn,
werd verheven tot een oppermachtig voorwerp van vereering, zooals
dat nooit gedroomd was door de ruwere dichters der Cantara.

DE OORSPRONG DER “AMADIS”-ROMANCES.

De eerste Spaansche lezing van Amadis verscheen in een Portugeesch
kleed en was het werk van een Lusitaansch ridder, Joham de Lobeira
(1261-1325), die te Porto geboren werd, te Aljubarrota streed,
waar hij door Koning Joham, zaliger nagedachtenis, op het slagveld
tot ridder werd geslagen, en die te Elvas stierf. Maar al beweert
Southey het tegendeel, alles wijst er op, dat Frankrijk de bakermat
was van deze romance, en er wordt in de Portugeesche literatuur zelfs
melding gemaakt van de omstandigheid, dat een zekere Pedro de Lobeira,
Amadis uit het Fransch vertaalde, in opdracht van den Infant Don Pedro,
den zoon van Joham I. Het oorspronkelijke Fransche verhaal is volkomen
verloren gegaan, maar de Spaansche vertalingen, die er uit voortkwamen,
bleven behouden, en ook de Portugeesche uitgaven zijn niet bewaard
gebleven. Het is bekend, dat een handschrift van Lobeira’s romance
reeds in het eind van de zestiende eeuw in de archieven der Hertogen
van Arveiro te Lissabon gevonden werd, en daar ook nog aanwezig was
in 1750. Na dit tijdstip echter werd het door de boekenverzamelaars
uit het oog verloren, en alles wijst er op, dat het vernietigd werd
bij de aardbeving van Lissabon in 1755, tegelijk met het hertogelijk
paleis, waarin het bewaard werd.

Zijn roem en zijn inhoud bleven echter behouden door de Spaansche
vertaling; wij moeten Portugal beschouwen als het geboorteland van
Amadis in het Schiereiland, en wij hebben het te danken aan den
Castiliaanschen geest, dat deze romance ons niet alleen bewaard
bleef, maar dat dit waarschijnlijk zelfs geschiedde in verbeterden
vorm. In de jaren tusschen 1492 en 1508 wijdde Garcia Ordoñez de
Montalvo, gouverneur van de stad Medina del Campo, zich aan de taak,
de romance te vertalen en om te werken. Het is niet bekend, wanneer
het werk gedrukt werd; de eerste exemplaren zijn verloren gegaan,
maar men zegt, dat de Spaansche veroveraars van Mexico getroffen waren
door de gelijkenis dezer stad met de betooverde plaatsen, waarover
in Amadis gesproken werd. Dit was in 1519 en niet in 1549, zooals
Southey vermeldt. Misschien hadden zij het oog op de Portugeesche
vertaling, maar in ieder geval is het bekend, dat er in 1519 een
uitgave verscheen, en in 1547 een tweede in Sevilla. Wij hebben elders
reeds vermeld, dat deze romance in alle talen werd overgebracht,
en dat verschillende dichters er een vervolg op schreven, maar wij
moeten er bijvoegen, dat slechts de eerste vier boeken van Amadis
(dus de oorspronkelijke Amadis) door Montalvo zijn geschreven; de
rest is van de hand van anderen.

ELISENA EN PERION.

De handeling der romance begint op een duister en onbepaald tijdstip,
dat volgens de beschrijving, onmiddellijk valt na den dood van
den Verlosser, toen er in Brittanje een Christelijk Koning leefde,
Garinter genaamd, die gezegend was met twee bekoorlijke dochters. De
oudste, bekend als “de vrouw met de guirlande”, omdat zij steeds
een bloemenkrans droeg, was eenige jaren tevoren in het huwelijk
getreden met Koning Languines (Angus) van Schotland, en zij had twee
mooie kinderen, Agrayes en Mabilia. Elisena, de jongste dochter,
was over de geheele Christelijke wereld beroemd om hare schoonheid,
maar ofschoon vele machtige koningen en prinsen om hare hand hadden
gedongen, wilde zij niemand huwen, en wijdde zij haar leven aan
heilige werken. Volgens de opvatting van alle ridders en edelvrouwen
van haar vaders Koninkrijk, overtrad deze bekoorlijke jonkvrouw
door ongehuwd te blijven, alle wetten der liefde, en het geschiedde,
dat de schoone en heilige Elisena door de meer wereldschen onder de
vroolijke ridderschap, werd aangeduid als de “Verloren Kwezel.”

Zooals Elisena voldoening vond in een gestreng leven, zoo vond haar
koninklijke vader vreugde in de jacht, en hij bracht veel tijd door
in de groene bosschen, die in die dagen het grootste gedeelte van
Klein-Brittanje bedekten. Bij één van deze gelegenheden, toen hij,
zooals dat zijn gewoonte was, geheel alleen door de bosschen reed,
hoorde hij wapengekletter, en toen hij bij een open plek in het bosch
kwam, vanwaar de klanken van den strijd kwamen, zag hij twee Britsche
ridders, die een gewapenden vreemdeling aanvielen, in wien hij,
afgaande op zijn houding en wapenrusting, een man van rang en hooge
geboorte vermoedde, en die zich met zulk een moed en behendigheid
gedroeg, dat het hem gelukte, zijne beide tegenstanders te verslaan.

Toen de vreemdeling bezig was, zijn zwaard in de scheede te steken,
ontdekte hij Garinter, reed op hem toe en groette hem op hoffelijke
wijze. Hij beklaagde zich erover, dat een dolende ridder in Christelijk
Spanje, zóó door de bewoners behandeld kon worden, als dit met hem
het geval was geweest, waarop de Koning zeer verstandig antwoordde,
dat er in ieder land goede en slechte menschen gevonden werden,
en dat de verslagen ridders hun leenheer ontrouw waren, en hun lot
hadden verdiend.

De vreemdeling deelde toen mede, dat hij op weg was naar den Koning van
Brittanje met berichten van een vriend, en toen de Koning dit hoorde,
maakte hij zich bekend. De ridder vertelde hem, dat hij Koning Perion
van Gallië was, die reeds lang gehoopt had, vriendschap met hem te
sluiten. Garinter drong er op aan, dat zijn vorstelijke ambtgenoot
hem naar zijn paleis zou vergezellen, en toen Perion hierin toestemde,
keerden zij naar de stad terug.

Share

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *