Legenden en Romances uit Spanje

Onder zijn toezicht werd de Heilige Schrift in het Castiliaansch
vertaald, en op zijn aandringen werd een Algemeene Kroniek van Spanje,
zoowel als de Geschiedenis der Eerste Kruistocht, geschreven. Hij
maakte het Castiliaansch tot de taal der gerechtshoven en trachtte
in de verzen den meer exacten geest en de dichterlijke zinswendingen
der Provençalen over te brengen.

Alfonso XI schreef een Algemeene Kroniek in de vlotte en vloeiende
versmaat van de inheemsche redondillas, inplaats van de stijve
en strakke Alexandrijnen, die in dien tijd gebruikelijk waren in
letterkundige kringen. Ook liet hij boeken schrijven in Castiliaansch
proza over de jachtkunst en over den stamboom van den adel. [10] Zijn
familielid, Don Juan Manuel, droeg veel bij tot de ontwikkeling van de
Spaansche fantasie, en hij gaf vastere vormen aan de Spaansche proza
in zijn Conde Lucanor, een boek van ethische en politieke stelregels,
waarvan de strekking duidelijk te voorschijn treedt in verhalen en
fabels, ontleend aan de geschiedenis en de klassieke literatuur.

Hoewel Juan II [11] een zwak en lui vorst was, was hij toch een
beschermer van de letterkunde; hij schreef verzen, ging veel om met
dichters, en liet in 1449 een bloemlezing samenstellen uit de beste
Spaansche gedichten.

Maar aan zijn hof heerschte een schoolsche geest; men volgde er
de Italiaansche methodes, en hijzelf toonde groote liefde voor de
Provençaalsche kunstuitingen. Niettegenstaande al deze kunstmatige
hinderpalen, maakte de Castiliaansche taal groote vorderingen op
haar veroveringspad. Zij was voorgoed de taal der Romance geworden,
en de Romance zou in Spanje voor een geheele generatie van dien tijd
de voornaamste letterkundige vorm worden.

DE OPKOMST VAN DE ROMANCE.

De ontwikkeling van de Romance in Spanje en de verschillende phasen,
die zij heeft doorloopen, heeft niet die mate van belangstelling
van den kant der Engelsche schrijvers gehad, die men had mogen
verwachten in dezen tijd, waarin de kenner met toewijding de
verborgen schuilhoeken der aarde moet doorzoeken, wil hij nieuwe
letterkundige schatten te voorschijn brengen. De verschillende trappen
van ontwikkeling der Romance zijn slechts terloops aangeduid, inplaats
van uitvoerig behandeld, niet zoo zeer om de waardeloosheid van het
materiaal, dan wel uit gemakzucht en een zekere oppervlakkigheid,
die het kenmerk zijn van de meeste Britsche pogingen, om een juiste
indeeling te maken van verschillende tijdperken en het onderling
verband daartusschen duidelijk te belichten. Ik mag niet hopen,
te slagen in een taak, die andere, en beter toegeruste autoriteiten
wellicht uit goede overwegingen hebben verwaarloosd, maar ik zou liever
tekort schieten in mijn streven een behoorlijk overzicht te geven van
de verschillende overgangstrappen van de Spaansche Romance, dan den
lezer te vergasten op een serie alleenstaande feiten en uitspraken
zonder onderling verband, die, hoe belangrijk zij ook mogen zijn, geen
duidelijk inzicht geven in oorzaak en gevolg, en die door de gebrekkige
voorlichting, meestal aanleiding geven tot onjuiste gevolgtrekkingen.

Wanneer wij de letterkundige kaart van Europa beschouwen van de elfde
tot de dertiende eeuw, dan zien wij het licht schijnen vanuit twee
kwartieren–Joodsch-Arabisch Spanje en Frankrijk. Het eerste is voor
het oogenblik voor ons van geen belang. Zijne letterkundige uitingen
waren toen ten tijde niet sympathiek aan Christelijk Spanje, dat,
zooals wij later zullen zien, alles wat Saraceensch was haatte, totdat
de strijd tusschen ‘t zwaard en de kromme sabel was uitgevochten. Maar
in Frankrijk had Castilië een schitterend voorbeeld, dat het volgde op
zijn eigen wijze, die hem voorgeschreven werd zoowel door nationalen
trots als door politieke noodzakelijkheid.

Wij hebben reeds gesproken over den invloed van Zuid-Frankrijk. In
het tijdperk, waarover wij spreken, was Noord-Frankrijk, het land
van de langue d’oïl, ofschoon het er betrekkelijk weinig rustig
was, veel beter in staat, goede literatuur voort te brengen dan
Castilië, welks voortdurende Vendetta met de Mooren, slechts weinig
gelegenheid overliet aan het intellectueele deel der bevolking, zich
aan de letterkunde te wijden, eene gelegenheid, waarvan de fijnste
geesten echter een ruim gebruik maakten. De opkomst van de kaste der
reizende dichters in Frankrijk voldeed aan de behoefte van het volk
naar verhalen, en de trouvères van de twaalfde eeuw vonden in den
glorierijken tijd van Karel den Groote, een steeds vloeiende bron
voor hunne ridderlijke verbeelding, die zulk een ingang vond bij een
middeleeuwsch publiek. De verzen, of beter gezegd, de epische poëzie,
die zij ontleenden aan de geschiedenis van het Carlovingische tijdperk,
waren bekend als chansons de gestes, “zangen van daden” van den
grooten Frankischen Keizer en zijne onoverwinnelijke paladijnen. De
trouvères zelf noemden ze Matière de France, terwijl de verhalen van
Koning Arthur aangeduid werden als Matière de Bretagne, en die, welke
berustten op de klassieke geschiedenis, Matière de Rome werden genoemd.

Tot voor betrekkelijk korten tijd waren deze reusachtige werken,
waarvan verscheidene uit zes- of zevenduizend dichtregels bestaan,
eigenlijk volkomen onbekend, zelfs bij het meerendeel van de
letterkundige autoriteiten. [12]

Zooals wij ze kennen, zijn zij betrekkelijk modern van vorm, na
dikwijls te zijn omgewerkt, waarschijnlijk zeer tot hun nadeel. Maar
zij zijn het oudste voorbeeld van met zorg bewerkte verzen in eenige
moderne taal, uitgezonderd Engelsch en Noorsch, en ongetwijfeld heeft
de moderne literatuur van alle Europeesche landen zich ontwikkeld
uit deze werken.

Deze chansons waren bestemd om gezongen te worden in de feestzalen der
riddersloten, door rondtrekkende troubadours, die ze zelf maakten, of
ze aan elkander afstonden. Zij handelden meer over wapengekletter dan
over teedere gevoelens, ofschoon ook deze zoo nu en dan meesterlijk
beschreven waren. De oudste van deze gedichten zijn geschreven in
coupletten, laisses of tirades genoemd, elk bestaande uit twintig tot
meerdere twintigtallen van regels, terwijl deze groepen onderlingen
samenhang vertoonden door hun berijmd refrein. Later echter waren de
geheele chansons berijmd.

CASTILIAANSCHE OPPOSITIE TEGEN DE CHANSONS DE GESTES.

In deze gedichten, die waarschijnlijk oorspronkelijk uit het Noorden
van Frankrijk kwamen, en zich in den loop der tijden naar het Zuiden
verspreidden, werd Karel de Groote voorgesteld als het bolwerk van
het Christendom tegen de Saracenen van Spanje. Omringd door zijne
paladijnen Roland, Olivier, Naymes, Ogier en Willem van Oranje,
voerde hij een onafgebroken strijd tegen de Mooren of de “Saracenen”
(heidenen) van Saksen. Van deze gedichten heeft Gautier er 110
gecatalogiseerd, waarvan de helft uit de twaalfde eeuw stamt. Een
aantal van de latere chansons zijn in het Provençaalsch geschreven,
maar alle pogingen, om van de geheele cyclus den oorspronkelijken
vorm op te sporen, hebben blijkbaar gefaald.

Geef uw mening over dit artikel! Het is altijd leuk om iets van onze lezers te horen.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *