Legenden en Romances uit Spanje

“Maar wat heeft dat alles te maken met mijne moeilijkheden, o zoon
van Abu Ajib?” vroeg de Koning geprikkeld.

“Ik heb u dit verteld, o Koning, omdat ik door middel van dit
wonderboek de geesten van de aarde en de lucht kan aanroepen, en ik
met hun hulp een talisman zal maken, zooals dien van den heuvel bij
de stad Borsia.”

De sterrenwichelaar hield zijn woord. Doordat hij de beschikking kreeg
over alle hulpbronnen van het koninkrijk, was hij in staat een hoogen
toren te bouwen, boven op den heuvel Albayan. Op zijn bevel droegen
de geesten groote steenen van de pyramiden van Egypte aan, en hieruit
werd het gebouw opgetrokken. Op de bovenste verdieping maakte hij een
ronde hal, waarvan de vensters in alle richtingen uitzagen, en voor
elk venster plaatste hij een tafel, waarop als bij een schaakbord,
houten soldaten waren opgesteld, ruiters en voetvolk, en de beeltenis
van den vorst, die in die richting heerschte. Naast elke tafel lag
een kleine speer, waarin tooverletters gegrift waren. De hal werd
gesloten met een ijzeren hek, waarvan de sleutel door den Koning
bewaard werd. Boven op den toren plaatste hij het bronzen beeld van
een Moorsch ruiter, dat op een draaienden stang was bevestigd. Het
droeg een schild en een speer, welke laatste hij loodrecht in de hand
hield. Het beeld keek naar de stad, maar wanneer een vijand naderde,
zou de ruiter zich naar hem toekeeren en de lans op hem richten,
alsof hij hem wilde aanvallen.

Niettegenstaande zijn grooten afkeer van den oorlog, brandde Aben Habuz
van verlangen, de deugdelijkheid van zijn talisman te beproeven. Hij
behoefde niet lang te wachten, want op zekeren morgen bracht men hem
de tijding, dat het gelaat van den bronzen ruiter naar de bergen
was gekeerd, en dat zijn lans in de richting van den pas van Lope
wees. Er werd oogenblikkelijk bevel gegeven, alarm te blazen, maar
Ibrahim verzocht den Koning, de stad niet op te schrikken, en zijne
troepen niet te mobiliseeren, maar hem te volgen naar de geheime hal
in den toren.

Toen zij daar binnentraden, vonden zij het venster, dat op den
pas van Lope uitzag, wijd open. “Aanschouw nu, o Koning,” zeide de
astroloog, “het wonder van de tafel.” Aben Habuz keek naar de tafel,
die bedekt was met de kleine houten ruiters en het voetvolk, en tot
zijn groote verbazing zag hij, dat zij allen in volle actie waren, dat
de krijgslieden hunne wapens zwaaiden, en dat de paarden hinnikten,
maar deze geluiden waren niet sterker dan het gezoem, dat uit een
bijenkorf opstijgt.

“Uwe Majesteit,” zeide de sterrenwichelaar, “indien U wenscht een
paniek te veroorzaken onder Uwe vijanden, dan behoeft gij slechts met
den knop van de tooverspeer op de tafel te slaan; maar wanneer gij
dood en verderf onder hen wilt brengen, moet gij met de punt slaan.”

Aben Habuz greep de kleine lans en stootte deze in eenige der kleine
figuurtjes, terwijl hij andere met de knop bewerkte. De eersten
vielen voor dood op de tafel neer, en de anderen vielen in groote
verwarring over elkander heen. Er werden bespieders uitgezonden,
die zich ervan overtuigen moesten, of de werkelijke aanvallers
inderdaad verslagen waren, en zij kwamen terug met het bericht,
dat Christentroepen door den pas van Lope waren getrokken, maar dat
zij onderling slaags waren geraakt, en in groote verwarring naar hun
eigen land teruggevlucht waren.

De Koning was verrukt over het resultaat, en hij verzocht Ibrahim,
zelf zijn belooning te noemen. “Ik heb slechts weinig behoeften,”
antwoordde de sterrenwichelaar; “wanneer mijn grot wordt ingericht
als een gepaste verblijfplaats van een philosoof, dan begeer ik
niets meer.”

Verbaasd over deze groote bescheidenheid, ontbood de Koning zijn
schatbewaarder, en hij droeg hem op, kennis te nemen van de wenschen
van den sterrenwichelaar. De wijze verlangde, dat men een geheele
reeks vertrekken in de rots zou uithouwen; en toen dit geschied
was, gaf hij bevel, dat zij met de grootste weelde zouden worden
ingericht. Vorstelijke ottomanes en heerlijke divans vulden alle
hoeken, en de vochtige muren waren behangen met de kostbaarste zijden
stoffen van Damascus, terwijl de rotsachtige vloeren bedekt waren
met de schitterendste Perzische kleeden. Verleidelijke baden waren
aangebracht, voorzien van de heerlijkste Oostersche reukwateren. De
vertrekken werden verlicht door ontelbare zilveren en kristallen
lampen, die Ibrahim vulde met een geurige en wonderbare olie, die
voortdurend brandde, en niet kon worden uitgedoofd.

De schatbewaarder, die ongerust was over de verregaande verkwisting
van den sterrenwichelaar, sprak den Koning erover aan; maar daar
Zijne Majesteit zijn woord aan den wijze gegeven had, en hij diens
verkwisting eenigszins had uitgelokt, kon hij moeilijk tusschenbeide
komen, en hij kon slechts hopen, dat de inrichting der grot spoedig
voltooid zou zijn. Toen de “kluizenaarswoning” eindelijk gevuld was
met de weelde-artikelen van drie koninkrijken, vroeg de schatbewaarder,
of de wijze tevreden was.

“Ik heb nog één klein verzoek,” antwoordde hij; “ik zou nl. gaarne
eenige danseressen tot mijn beschikking hebben, om mij te verstrooien.”

Ofschoon de schatbewaarder verontwaardigd was over dezen eisch,
volgde hij de bevelen van den astroloog op, en toen Ibrahim dus
alles had gekregen, wat zijn hart begeerde, sloot hij zich in zijn
onderaardsch verblijf op. Intusschen hield de Koning zich in den toren
bezig met zijn houten soldaatjes, en daar de sterrenwichelaar niet
bij de hand was, om zijn strijdlust te temperen, vermaakte hij zich
met het verdelgen van legers, en het verslaan van geheele bataljons
door een enkelen stoot met de tooverlans. Zijne vijanden waren zóó
ontdaan over het lot van elken krijgstocht naar zijn gebied, dat zij
tenslotte ophielden hem te bestoken, en gedurende vele maanden bleef
de bronzen ruiter stil staan. Doordat Aben Habuz dus beroofd was van
zijn liefste bezigheid, verveelde hij zich, en werd hij brommig. Maar
op een goeden morgen bracht men hem het bericht, dat de bronzen ruiter
zijn lans had gekeerd naar de bergen van Guadix.

De Koning begaf zich oogenblikkelijk naar den toren, maar op de
toovertafel, die in de richting was geplaatst, waarheen de ruiter wees,
bleef alles rustig. Geen houten soldaatje bewoog zich, geen paardje
hinnikte. Aben Habuz zond een troep bespieders uit, en dezen keerden
na verloop van drie dagen terug met de tijding, dat alles rustig was,
en dat zij niets anders hadden gezien dan een Christen jonkvrouw,
die bij een bron lag te slapen, en die zij gevangen genomen hadden.

Geef uw mening over dit artikel! Het is altijd leuk om iets van onze lezers te horen.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *