Legenden en Romances uit Spanje

De geestverschijning zwaaide met de armen, schudde het hoofd, en
noodigde Ayala door een handbeweging uit, mede te gaan. De student
zeide, dat hij bereid was het spook te volgen, waarop het de trap begon
af te dalen, terwijl het zijne beenen voortsleepte als iemand, wiens
gang belemmerd wordt door ijzeren boeien. Ayala volgde hem onbevreesd,
maar bij het loopen begon zijn kaars plotseling te flikkeren en doofde
zij uit, een omstandigheid, die niet zeer geschikt was om zijn moed
te verhoogen. “Halt!” riep hij het spook toe, “je ziet toch, dat mijn
kaars is uitgegaan! Als je even wachten wilt tot ik haar weer heb
aangestoken, kom ik dadelijk terug.” Hij begaf zich haastig naar de
hal, waar een lamp brandde, en stak zijn kaars weder aan; daarna keerde
hij terug naar de plek, waar hij het spook had achtergelaten. Hij
betrad den tuin, waar hij het spook in de nabijheid van een put zag
staan. Op haar wenken volgde de jonge student de verschijning weder,
maar toen zij een klein eindje hadden afgelegd, was zijn griezelige
begeleider plotseling spoorloos verdwenen.

In de grootste verwarring keerde Ayala naar zijn kamer terug en hij
verzocht zijne makkers, hem naar den tuin te vergezellen. Maar hoe zij
ook zochten, zij konden niets vinden. Den volgenden dag berichtten zij
den alcade van het dorp, wat er dien nacht geschied was; deze liet
den tuin doorzoeken, met dat gevolg, dat er juist beneden de plek,
waar het spook verdwenen was, een geraamte werd opgegraven, dat met
ketenen beladen was. Toen men de overblijfselen een Christelijke
begrafenis bezorgd had, hielden de nachtelijke geluiden plotseling
op; maar het avontuur had de bijgeloovige Spanjaarden zóó hevig
aangegrepen, dat zij hals over kop naar huis terugkeerden, en van
hun voorgenomen reis afzagen.

Dit verhaal is een uitstekend voorbeeld van de typische
spookgeschiedenis in het primitieve stadium. Ik zal er niet verder over
uitweiden, want een boek over Spaansche romances en legenden is niet
de geschikte plaats voor een verhandeling over het occultisme. Maar
wij komen er langzamerhand toe, deze dingen uit een ander oogpunt
te beschouwen dan onze grootvaders uit een materialistisch
tijdperk deden, die met groote minachting alle bovennatuurlijke
verschijnselen voorbijgingen, zonder zich een oogenblik erin te willen
verdiepen. In elk geval behoort de schrijver van dit boek tot hen,
die er in gelooven, en die wenschen dat geloof te behouden, zoodat
de bespiegelingen van iemand, die zóó bevooroordeeld is, niet veel
waarde kunnen hebben.

Torquemada vertelt ons een griezelig verhaal van een zekeren Antonio
Costilla, een Spaansch edelman, die op zekeren dag voor familiezaken op
reis ging. Toen hij verscheidene mijlen had afgelegd, daalde de nacht
plotseling, en hij besloot weer naar huis terug te keeren. Maar tot
zijn grooten spijt kon hij door de duisternis niets onderscheiden,
en daar hij voor zich uit een licht zag branden, stuurde hij zijn
paard in die richting. Hij zag, dat het licht uit een kluizenaarshut
kwam, en nadat hij was afgestegen, trad hij de kleine kapel binnen,
en begon hij te bidden. Toen zijne oogen gewend waren geraakt aan de
duisternis, bemerkte hij, dat hij niet alleen was, want er bevonden
zich in de kapel drie personen, die op den grond lagen, in zwarte
mantels gehuld. Zij spraken geen woord tot hem, maar staarden hem met
woeste, sombere oogen aan. Door een onverklaarbaren angst gedreven,
sprong hij in het zadel, en reed weg. Na korten tijd kwam de maan
te voorschijn, en bij het licht daarvan herkende hij de drie mannen,
die hij nog in de kapel waande, maar die op zwarte paarden een eindje
voor hem uit reden.

Om een ontmoeting met hen te vermijden, sloeg hij een zijweg in,
maar tot zijn ontsteltenis zag hij hen weder eenige passen voor zich
uit. In razende vaart, en steeds voorafgegaan door de mannen, die hij
wilde ontloopen, kwam hij bij zijn eigen huis, waar hij van zijn paard
sprong, en het naar de binnenplaats bracht…. waar hij alweder de
drie mannen in hunne zwarte mantels vond. Hij rende naar binnen en liep
naar de kamer zijner vrouw, luidkeels om hulp roepende. Dadelijk kwam
het geheele gezin aangeloopen, maar ofschoon hij steeds schreeuwde,
dat de drie duivels of spoken naast het rustbed stonden, waarop hij
was neergevallen, kon niemand anders hen zien. Eenige dagen later
stierf de rampzalige Costilla, die tot het laatst toe volhield, dat
drie gestalten hem met vurige oogen aanstaarden en hem met vreeselijke
gebaren bedreigden!

Het is jammer, dat onze kennis van het bovennatuurlijke, dat zich in
Spanje zoo veelvuldig geopenbaard heeft, zoo onvolledig is. Maar de
vrees voor het lot, dat den toovenaar wachtte, leefde sterk in het
volk, en de angst voor de pijnbank en den brandstapel heeft er veel
toe bijgedragen, om de heks, den toovenaar, de fee en het spook uit
Spanje te verbannen.

HOOFDSTUK XIII: HUMORISTISCHE SPAANSCHE ROMANCES.
Cervantes’ “Don Quixote”.
Cervantes was een van de grootste satiristen, die de wereld heeft
voortgebracht, een man, die begaafd was met een fijn en merkwaardig
gevoel voor het belachelijke. Hijzelf zou de eerste geweest zijn,
die gelachen zou hebben om die moderne critici, die in hem een groot
dichter zagen, en inderdaad heeft hij op het eind van zijn leven,
toen hij zijn voornaamste werk, het humoristische heldengedicht De reis
naar den Parnassus, schreef, verklaard, dat hij de gave der dichtkunst
miste. Dat hij een merkwaardige fantasie had is wel duidelijk voor
iedereen, die de moeite neemt zijn Galatea te lezen, en Don Quixote
vloeit over van zeldzame vondsten en schitterenden geest, ofschoon
latere bladzijden van deze satire wel sterk herinneren aan sommige
stukken uit het eerste gedeelte.

Ik persoonlijk heb Don Quixote altijd een van de boeiendste en
merkwaardigste boeken gevonden, die ooit geschreven zijn; maar
waarschijnlijk om geheel andere redenen dan die het meerendeel van
het publiek voor zijn voorliefde voor dit werk heeft. Want voor
mij ligt de groote bekoring van het verhaal in het inzicht, dat
het ons geeft in de romantische literatuur en in de gewoonten van
dien tijd. Wanneer de spot gewettigd is, vermaakt hij mij kostelijk,
maar dikwijls voel ik er een onwaardigen beeldenstorm in, en heb ik
den indruk, dat zijn scherpe kritiek niet slechts gericht is op de
overdreven en belachelijke uitingen der ridderlijkheid, maar tegen den
geheelen geest en het karakter van de romance. Cervantes zou er wèl bij
gevaren zijn, wanneer hij zich uitsluitend gehouden had aan de satire;
want wanneer hij zich aan dat gedeelte der literatuur waagt, dat hij
met voorliefde belachelijk maakt, wordt hij dikwijls sentimenteeler
dan de zoetsappigste schrijvers, tegen wie hij te velde pleegt te
trekken. Zijne herders en herderinnen en zijne weggeloopen nonnetjes,
zijn lang van stof en ingebeeld, en hij was sterk beïnvloed door het
vervelende Arcadische tijdperk in de Europeesche letterkunde, dat zijn
hoogtepunt bereikte in het herdersverhaal met zijn onnatuurlijkheid
en zijn atmosfeer van nagebootsten landelijken eenvoud. Sannazaro was
met zijn Arcadia inderdaad het voorbeeld geweest, dat Cervantes langen
tijd volgde, totdat zijn eigen gezond verstand hem de minderwaardigheid
liet zien van de modellen, die hij nabootste.

Geef uw mening over dit artikel! Het is altijd leuk om iets van onze lezers te horen.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *