1906 Van Toledo naar Granada

This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included with this eBook or online at www.gutenberg.net

Van Toledo naar Granada
“De Aarde en haar volken,” Jaargang 1906, Jane Dieulafoy naar het Fransch van Mevr. JANE DIEULAFOY.
I.

De aanblik van Castilië.–De rondtrekkende kudden.–De
Mesta.–De Taag en haar dichters.–De Cuesta del Carmel.–De
Cristo de la Luz.–De hydraulische machine van Juanilo
Turriano.–De Zocodover.–Oude paleizen en antieke
synagogen.–De Joden van Toledo.–Een herinnering aan de
overstrooming van de Taag.

“Van Madrid naar Toledo,” schrijft een spaansch schrijver uit de 18de
eeuw, “leidt een volkomen vlakke weg.”

Hoe waar is dat nog steeds, en wat is die weg somber en eentonig, die
zich tusschen de hoofdstad van het moderne Spanje en de oude hoofdstad
van het westgothisch rijk uitstrekt! Nauwelijks heeft men de huizen
van Madrid, die amphitheatersgewijs gerangschikt zijn boven den blauwen
halven cirkel van de Guadarramaketen, uit het gezicht verloren, of men
betreedt een streek zoo verlaten, dat ze iemand een huivering bezorgt.

Boven zich ziet men den hemel onverstoorbaar blauw, en beneden strekt
zich eene eentonige, grijze vlakte uit, bezaaid met sprieten van een
harde grassoort, en hier en daar de asch van het stroo, dat terstond
na den oogst verbrand wordt. De zeer weinige dorpen, waarvan de hutten
gebouwd zijn van aarde of van steenen, die de kleur van den grond
hebben, zijn haast niet te onderscheiden. Men zou ze heelemaal niet
zien, wanneer niet enkele boomen een mager bouquetje van groen deden
oprijzen rondom de armoedige plaatsjes. Als men door de kale vlakte
gaat, komt men tot de overtuiging, dat de bevelen van den Raad van
Castilië, waarbij aan elken dorpsbewoner de plicht werd opgelegd,
minstens vijf boomen per jaar te planten, wel slecht werden opgevolgd.

De oorsprong van die antieke verordening klimt seker wel op tot een
periode uit het grijs verleden. Zou zij mogelijk nog in verband staan
met zekere oude wetten van den godsdienst, waarbij het aanplanten van
boomen, het ontginnen van woeste gronden en het telen van vee behoorden
tot de vrome werken, door Ormuzd, den god van het oude Perzië, bevolen
en gezegend? De Arabieren hadden zich in hun omzwervingen te zeer
gemengd onder de volken, die ze onderworpen hadden, en de Perzen hadden
door hun wetenschap, hun intelligentie en hun kunstzin te veel indruk
op hen gemaakt, dan dat zij aan dien invloed konden zijn ontsnapt. Moet
men zich erover verbazen, als ze aan dat volk hun wetten ontleenden en
de daar heerschende overleveringen meebrachten naar Spanje, wetten,
die de Christenen na de verdrijving van den erfvijand wijs genoeg
waren te behouden? Wat zou het te wenschen zijn geweest, dat ze de
bepalingen onveranderd hadden gelaten, die den akkerbouw regelden; de
helft van Spanje zou niet onvruchtbaar en dor zijn zooals tegenwoordig.

Hoe het zij, men behoeft geen moeite te doen, boomen te zoeken tusschen
Madrid en Toledo. Men zou er zijn oogen vruchteloos bij inspannen en
er zijn geduld bij verliezen.

Zeker, de Castiliaan houdt wel van schaduw, die de hitte van de
gloeiende zon tempert; maar hij houdt meer van de graankorrels, die
opgegeten zouden worden door de vogels, nestelend in het gebladerte
der boomen. Wat kan den landman het gekweel der vogels schelen, van
die beeldige bouquetjes van vederen, zooals Calderon ze zoo aardig
noemt, als hij denkt aan den oogst, dien hij heeft gezaaid, gewied en
ingehaald met zwaren, noesten arbeid! Enkel de nachtegaal en de zwaluw
vinden genade in zijn oogen, maar alleen omdat ze insecten verdelgen
en de insecten verderfelijk zijn voor den oogst. De Castiliaan is arm;
hij heeft slechts te kiezen tusschen het eene of het andere kwaad!

Als vergoeding mogelijk is Castilië rijk aan historische en
legendarische herinneringen.

Te Esquivias zal men niet nalaten, zich het huwelijk en het langdurige
verblijf van Cervantes ter plaatse te herinneren; iets verder zal
men zich de schaduw van den ridder van de droevige figuur voor
den geest roepen, die van Sancho Pansa en zelfs die van Dulcinea,
wier geboortedorp het in de onmiddellijke nabijheid gelegen Toboso
was. Al wat in die geschiedenis voorkomt, heeft sporen nagelaten in
het land, en tot Rossinante toe, tot het rijdier van Sancho Pansa,
tot de kudden; waar de Ridder op aan viel, hebben een talrijke
nakomelingschap gekregen in magere paarden, domme ezels en langharige
merinosschapen. Wie zou eraan durven twijfelen? Om zoo’n ongeloovigen
Thomas te straffen, zou het nog niet eens voldoende zijn, dat men de
Inquisitie weer in het leven riep.

Het is niet de eerste keer, dat ik die rondzwervende kudden aantref,
die al sedert oude tijden van de eene naar de andere weide trekken
van het eene eind van Spanje naar het andere, al naar de wisselende
seizoenen. Ze zijn niet van heden of gisteren, die zwervende kolonies,
geleid door herders te paard en gehoed door halfwilde honden, alle
planten wegvretend van den grond en dien daardoor onvruchtbaar houdend,
terwijl ze hem onder hun voeten treden.

Millioenen schapen in het bezit van een soort van genootschap, bekend
onder den naam van Mesta en waartoe de grootste heeren en de abten van
de rijkste kloosters behoorden, lieten zich in de lente en den herfst
in sommige streken neer, waar hun korte, gretige tanden weldra elk
grassprietje hadden afgegraasd. Er waren bepaalde privileges aan het
genootschap toegekend, waardoor de omzwervingen begunstigd werden,
en de Mesta werd zelfs zoo machtig, en kon zoo autoritair optreden,
dat het durfde verbieden, bepaalde vruchtbare landen te bebouwen,
om er overvloedige weidegronden te behouden.

En terwijl de herders, die zoo in bescherming werden genomen, al
stoutmoediger werden, verloor de onderdrukte boer allen moed, want
niets beschermde hem tegen een gevreesden inval van den vijand. Het
zou hem niets geholpen hebben, had hij zich beklaagd over de door de
kudden aangerichte verwoestingen, kudden, die toebehoorden aan de
edele heeren van Santiago of Calatrava, of dat hij zich verdedigde
tegen de veertig duizend tot den ongehuwden staat veroordeelde
herders, daar de eischen van het nomadenleven hun niet toestonden te
trouwen, en die vaak nog veel woester en boosaardiger waren dan hun
honden! Zonder hoop en zonder ergens een toevlucht te kunnen vinden,
liet de boer zijn ploeg in den steek en verliet het ouderlijk dak. Het
was dan nog beter tot landverhuizing zijn toevlucht te nemen, naar
de Nieuwe Wereld te gaan, die fabelachtige streken op te zoeken,
waar men het goud met de spade opschepte; waar men niets wist van de
onderdrukking door de groote grondbezitters, van den dwang tot arbeid,
uitgaande van de kloosterorden, en vooral niet van de schapen! In de
Middeleeuwen was het zachte, lieve schaapje een plaag, nog veel erger
dan de sprinkhanen; het moderne Spanje gaat nog onder de gevolgen
gebukt. De boer keert nooit terug naar den grond, die hem is lief
geweest, als hij eenmaal zijn hart en zijn krachtige armen ervan
heeft losgemaakt. Bij hem is een dergelijk besluit onherroepelijk.

Share