1906 Van Toledo naar Granada

De kapel, het graf en het mooie beeld, dat op de sarcofaag
is geplaatst, zijn het werk van den meester Alonso de
Covarrubias. Zeven-en-twintig beeldhouwers hielpen hem bij zijn
arbeid. In vier jaren was die voltooid, en in 1504 werd het monument
ingewijd, na den dood van Isabella.

Door aan het stoffelijk overschot van Mendoza een plaats af te staan
tusschen die van koningen en prinsen van Castilië, had de koningin
den trouwen dienaar willen beloonen, en den dapperen krijgsman, den
grooten staatsman, die na den slag van Toro er toe had meegewerkt,
haar den troon te verzekeren, en die vóór Granada haar zoo krachtig
hielp in het winnen van een koninkrijk. Hij was het, die, zich
stellende boven de vooroordeelen van zijn tijd, en van zijn Orde,
het oor leende aan de smeekbeden van Columbus, voor diens inzichten
gewonnen werd en hem den nog wel wat weifelenden steun van de koningin
bezorgde. Zonder Mendoza zou Isabella misschien nooit vorstin over
een Nieuwe Wereld zijn geworden.

Daar zij edelmoedig van aard en dankbaar was, nam zij het hem niet
kwalijk, dat hij bij zijn leven zich den bijnaam had verworven van
“den derden beheerscher van Spanje”, en na zijn dood voerde zij
gewetensvol zijn laatste wilsbeschikking uit. De kloosterschool van
Santa Cruz te Valladolid en het hospitaal van denzelfden naam, waarvan
zij den eersten steen te Toledo legde, zijn ook een uitvloeisel van
die gevoelens.

De groote kardinaal was juist een man, zooals men zich de groote
vorsten van dien tijd kan denken. Eens maakte een geestelijke,
die op een dag in de tegenwoordigheid van den kardinaal preekte,
van de gelegenheid gebruik, om uit te varen tegen de verslapping
van den godsdienst in de tijden, die hij beleefde, en deed dat in
zulke bewoordingen, dat het onmogelijk was, zich in zijn bedoeling
te vergissen.

Het gevolg van den prelaat kookte van ongeduld en wilde zich op den
overmoedige wreken. Maar wel verre van zich beleedigd te toonen, beval
Mendoza den prediker een schotel wild te brengen, dien men hem nog
denzelfden dag moest voorzetten, en hij liet het geschenk vergezeld
gaan van een beurs, gevuld met dubloenen bij wijze van specerij.

Ter verontschuldiging van den wereldschen zin van Mendoza moet men
bedenken, dat aan het celibaat der geestelijken niet de hand werd
gehouden en dat het in Arragon zelfs aan afstammelingen van priesters
geoorloofd was te erven van hun overleden ouders, ook al hadden
dezen geen testament gemaakt. Dit zijn gebruiken, die men mudejarisch
of mozarabisch zou kunnen noemen en die tot de westersche zeden in
dezelfde betrekking staan en er op dezelfde wijze van verschillen als
de architectuur der paleizen van Toledo, voor de Christenen gebouwd,
van die der in denzelfden tijd in Frankrijk opgerichte gebouwen.

Bij een der laatste bezoeken, die Isabella bracht aan haar stervenden
minister, vroeg de koningin hem, zijn opvolger aan te wijzen, een
keuze, die van bijzonder groot belang was, daar de aartsbisschop uit
den aard der zaak president was van den Raad van Castilië. Gedrongen,
om den naam te noemen van dengene, die het meest waardig was deze
dubbele functie te vervullen, beval Mendoza haar den broeder Francisco
Ximenes de Cisneros, van de orde der Franciscanen aan, die reeds haar
biechtvader was, ofschoon dan zeer tegen zijn zin. Nooit heeft Mendoza
zijn vaderland een grooteren dienst bewezen, want hij vertrouwde den
staat toe aan reiner handen dan de zijne, en stelde de leiding onder
de hoede van een veelomvattenden geest, die in staat was Spanje verder
te voeren op den weg der eenheid en de unificatie tot een goed einde
te brengen.

Ximenes rust niet als zijn voorganger in de kathedraal van Toledo. Hij
had als plaats om zijn laatsten slaap te slapen een bescheidener
hoekje gekozen, namelijk in de universiteit van Alcala, die hij had
laten bouwen; maar toch leeft de herinnering aan hem in zijn kerk
en vooral in de mozarabische kapel, waar allerlei oude en de eeuwen
trotseerende herinneringen opleven.

Wat is dat eigenlijk, die mozarabische eeredienst?

Toen de Mohammedanen Toledo hadden ingenomen, oefenden zij er zulk
een gematigde heerschappij uit, dat de Christenen vergunning kregen,
er hun eeredienst uit te oefenen. Drie eeuwen later vond Alfonsus VI,
bij het heroveren der stad er een christelijke bevolking, die alle
vormen van den ouden gothischen eeredienst had behouden, terwijl
ze zich sterk hadden gewijzigd in landen, die christelijk waren
gebleven. De toledaansche ritus werd dus bewaard in de zes kerken,
waar hij in stand was gebleven tijdens de vreemde overheersching;
maar langzamerhand nam het aantal Mozarabieren af, en die dienst
zou onherroepelijk verloren zijn geweest, als Ximenes er niet een
kapel aan had gewijd, die in directe gemeenschap werd gesteld met
de kathedraal. De mis, die er dagelijks met groote praal wordt
voorgediend, verschilt van de zoogenaamd romeinsche mis. Ofschoon
er hier slechts sprake is van bloote vormquaesties, zooals van
het breken der hostie in negen stukken, de volgorde der gebeden,
de weglating van het laatste Evangelie enz. toch was er vroeger een
hevige strijd tusschen de aanhangers der twee richtingen. Er werden
formeele gevechten voor geleverd; ieder had zijn ridders, die voor
haar in het strijdperk traden, en als de kamp onbeslist bleef, ging
men tot de vuurproef over, om des hemels wil te vernemen. Er werd
een brandstapel ontstoken, en in tegenwoordigheid van een angstig
wachtende menigte werden de boeken van den eeredienst van Toledo en
de latijnsche richting er tegelijk op geworpen. De eerste bleven
ongedeerd, terwijl de andere verteerd werden. De stem des hemels
had gesproken; de toledaansche ritus of die van den H. Isidorus
werd behouden.

Tegenwoordig wordt de mozarabische mis min of meer als een
curiositeit beschouwd; zij behoort tot het gebied der christelijke
archaeologie. Hoewel de vreemdelingen er in grooten getale heen
stroomen, kan men dat zelfde niet zeggen van de stadgenooten, die
enkel door de ceremoniën der groote kerkfeesten er nog eens worden
heengelokt. Het steeds afnemend aantal van de Mozarabieren behoeft
geen verwondering te baren, als men bedenkt, dat bij de gemengde
huwelijken de echtgenoot, die den latijnschen ritus aanhangt, meer
voorrechten heeft dan hij, die den toledaanschen ritus volgt. Zoo
ook moet in het eerste geval de vrouw terugkeeren in den schoot der
latijnsche kerk, terwijl in het tweede zij niet mozarabisch wordt.

Share