1909 Castilië en Andalusië

This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included with this eBook or online at www.gutenberg.org

+++
Castilië en Andalusië, De Aarde en haar Volken, 1909, Jane Dieulafoy, naar het Fransch van Mme Jane Dieulafoy.

“Ga reizen, en gij zult een vriend ontmoeten, die den vriend vervangt, welken gij verliet,” zegt een Oostersch spreekwoord. Zoo ging het ook mij. Met open armen werd ik te Burgos ontvangen door vrienden, die mij van harte welkom heetten in hun midden. De reis was niet lang geweest; doch na Victoria zeer warm. Wij maakten dan ook geen gebruik van de wachtende rijtuigen, doch begaven ons, in de avondkoelte, te voet langs de met boomen beplante kade, die het riviertje de Arlanzon begrenst, naar de bekoorlijke wandelplaats, Espolon genaamd, waar standbeelden van beroemde Castilianen prijken tusschen het groen der olmen en de kleurige bloemperken. Ook de bloem van Burgos’ schoonen scheen hier bijeen verzameld, om te bewonderen, en bewonderende blikken op te vangen. Naast de meer aristocratische hoofddeksels der deftige dames, modieuse hoeden, beladen met vrachten bloemen, vruchten, linten, kant en veeren, maakte nog steeds de eenvoudige volksdracht, de mantilla, een bekoorlijken indruk, zooals zij in sierlijke plooien afhing van den coquet schuin gedragen grooten schildpadden kam, en met een roos of anjelier boven het oor was opgestoken. Wij sloegen de lachende en babbelende wandelaars eenigen tijd gade, en richtten toen onze schreden naar de Arco de Santa Maria, een bekroonde poort, die het midden houdt tusschen een zegeboog en een versterkte vesting. Ik herinnerde mij van een vorig bezoek de beelden en reliefs, die den voorgevel versieren. Zij zijn log en zwaar, en niet bijzonder fraai uitgevoerd. Doch het geheimzinnige maanlicht, dat de gave bezit, al wat het beschijnt, te verheerlijken, en te bekleeden met een tooverachtig, etherisch waas, vervaagde ook hier alle storende bijkomstigheden, en verleende het bouwwerk een te voren niet vermoede schoonheid. Tot de warme kleur van den rossigen steen, waaraan zelfs het koele licht der maan geen afbreuk deed, herinnerde aan die antieke tempels, welker godenbeelden uit penthelisch marmer waren gehouwen. Een lange, gewelfde doorgang, laag als de ingang tot een vesting, volgde op de voorpoort. Het was er pikdonker. Ver weg, aan de overzijde van het binnenplein, zag ik de torens der kathedraal zich afteekenen tegen den sterrenhemel. Mijne vrienden waren aanstonds bereid, met mij het kerkgebouw te betreden. De lust tot nachtelijke zwerftochten is den Spanjaard aangeboren, evengoed als der Spaansche haar aanleg voor den dans. En al zou hij zich ook verzetten tegen dien drang, de zomerhitte zou hem dwingen, eraan te gehoorzamen; want wie de middagzon ontvliedt, kan niet nalaten zich te verlustigen in het licht der sterren.

Wij traden dus binnen. Plotseling doortrilde de 50ruimte boven ons hoofd een galmende, zware klank, die zijn oorsprong scheen te vinden in het luchtige kantwerk, dat de torens der kathedraal versierde, en die in langgerekte golven werd voortgedragen tot in de verste verte, alsof een onzichtbare hand de snaren van een wonderbaar grootsch instrument had in trilling gebracht. Het was het klokkenspel, dat het uur van middernacht verkondigde. De maan, die steeds hooger aan den hemel klom, deed de schaduwen meer en meer inkrimpen, en verlichtte het schip der kerk, dat door zijn indrukwekkende afmetingen ons een denkbeeld deed vormen van de geweldige hoogte der beide torens. Het voorplein, en de tuin, die daaraan grensde, waren niet geheel ledig. Zwijgende gedaanten, in hun wijde mantels gehuld, stonden hier en daar, in mijmering verzonken. Slechts het roodgloeiende puntje van hun sigaret verried, dat zij geen spookgestalten waren, opgeroepen door den galm van het middernachtelijk klokgelui. “Ik rook, dus ben ik,” konden zij zeggen. Toen deze bewonderaars der oude kathedraal, die haar elken avond hun eerbiedige hulde brachten, vernamen, dat ook ik in die bewondering deelde, dankten zij mij met een veelzeggende blik, en een van hen stelde mij voor, mij de stad Burgos te vertonen, gezien uit de hoogte, van het oude kasteel dat eertijds der stad tot sterkte diende, en dat nu slechts een ruïne is, waar bedelaars een schuilplaats vinden.

Het was nacht; maar zoo licht, alsof het helder dag was. Boven ons hoofd een heirleger van flonkerende sterren; beneden in de vlakte onder de donkere populieren langs den oever van de Arlanzon, flikkerde, als een felle zilveren streep, het blinkende watervlak van het kleine riviertje. Van verre klonk het klagend geprevel der arme lieden, die hier een nachtverblijf hadden gezocht, en door onze nadering uit hun rust opgeschrikt, hun eentonige en treurige jammerklacht aanhieven. In het maanlicht rezen de hooge torens der kathedraal op, als fijn en luchtig kantwerk, of als die kunstig gedreven pronkstukken van goudsmeedkunst, waar kostbare steenen zijn gevat in een omlijsting van fijn geciseleerd zilver. De bekroning der ingangspoort was zoo wonderlijk scherp verlicht, dat het van hier gezien, scheen, als kon men de steenen, op dezen afstand, met de hand aanraken, het slingerende lofwerk ontrollen, of een ruiker plukken van die in strengen stijl gehouden bloemvormen.

Zóó, als in vogelvlucht, konden wij het plan van het bouwwerk duidelijk overzien; de kapel van den Connétable, zich aansluitend bij de apsis, de groote lijnen van het klooster en de aartsbisschoppelijke kapel, en de verschillende zijbeuken met de monumentale poortingangen, die van den Sarmental, van het voorplein, en van la Pellejeria. Daarna dwaalde mijn blik nogmaals naar de kronkelingen van den Arlanzon, die als ’t ware een levenden band vormden tusschen de Cartuja de Miraflores, waarvan de tinnen zich verhieven boven een hoogen heuvelrand, en de zware toren van de abdij de las Huelgas Reales, het beroemde klooster, twee gedenkteekenen van castiliaansche godsvrucht, die reeds zoovele eeuwen de stoffelijke overblijfselen hunner vroegere heerschers getrouw hebben bewaard.

Beroepsgidsen zijn in den regel onaangenaam; want zij beletten u door hun gepraat, zelf iets op te merken, en vertellen u niets anders, dan wat zij reeds honderdmalen voor anderen hebben ten beste gegeven. Mijne vrienden volgden gelukkig niet hun voorbeeld; zij lieten mij aan mijn eigen gedachten over, en begrepen zeker wel, dat op zulk een oogenblik hun woorden mijn geestdrift niet zouden aanwakkeren, en veeleer aan mijn bewondering afbreuk konden doen. Ik moest mij tot hen wenden, om nadere bijzonderheden, welke ik uit hun mond gaarne wilde vernemen. Duidelijk, en in levendige bewoordingen, schilderden zij mij verschillende tafereelen uit het grijze verleden der oude stad. Zij verhaalden, hoe deze beroemde burcht werd gebouwd door de christelijke koningen, in hun brandenden ijver, om de Mooren te verdrijven en de rijken te heroveren, die hun voorvaderen eertijds hadden bezeten. De burcht der Bloemen was in die dagen haar naam. Rondom hare muren en in de vlakte, waarboven zij trotsch haar tinnen verhief, werden heldendaden bedreven door de dapperen, wier beeltenis is gebeiteld in den Arco de Santa Maria; bovenal door den Cid Campeador, wiens roemrijke krijgsbedrijven, bezongen door Guillen de Castro, nog thans de harten der nazaten vol geestdrift doen kloppen. Te Burgos leefde de edele held; drie rechtopstaande steenen, als iberische menhirs, welke zijn wapenschild vertoonen, wijzen de plek aan, waar eens zijn woonplaats was. Door haar klokgelui, door de schoonheid harer rijkversierde kerkgebouwen, ja, door het ruischen van den wind in de twijgen, door den mond van kinderen en grijsaards verheerlijkt de stad Burgos den Cid, en van San Pedro de Cardenas klinkt een echo, die deze zangen beantwoordt. Want in dat klooster bracht Chimène, vergezeld van een talrijke schare geestelijken en edelvrouwen, het lijk van haren gemaal ten grave, na den gedenkwaardigen dag, waarop de gestorven held, reeds koud en stijf, in zijn wapenrusting, op zijn ros Babieça geplaatst, door zijn geduchte verschijning alleen de vijanden van het geloof deed terugdeinzen. Van al die mannelijke dapperheid en vrouwelijke toewijding is slechts een handvol stof overgebleven; doch de stad, die getuige was van zoo glorierijke daden, verkondigt nog hun roem. Nog meer verhaalden mij mijn vrienden. Op den Cid volgden de Koningen, die den ouden burcht beurtelings aanvielen of verdedigden. Isabella de Katholieke noemde zich eerst in waarheid koningin, nadat zij de stad onderworpen en aan de rebellen ontrukt had. Zij spraken van feesten en plechtigheden, van vorstelijke huwelijken, hier met pracht en praal gesloten; doch ook van verraad en moord. Hier werd de beroemde Alvaro de Luna, de machtige gunsteling van koning Juan II, gegrepen, toen hij de groote feestzaal betrad, waar hij als gast was genoodigd, en naar Valladolid ontvoerd, om daar den dood te vinden. Hoevele kreten van vreugde, van smart en razernij hebben niet weergalmd binnen deze muren; van welke tragische tooneelen zijn zij niet getuige geweest, tot op den dag, dat nieuwe oorlogswerktuigen de zware vestingmuren vernielden, en slechts de herinnering bleef aan de glorie, die ze eertijds omgaf.

Share