1909 Castilië en Andalusië

Terugkeerend van de Casa de los Picos, die aan het uiterste einde der stad is gelegen, gaan wij tusschen het Ayuntamiento aan onze rechterhand, en links de kathedraal, met het beroemde beeld Piedad, door Juan de Juni, door de St. Andreaspoort, en bereiken weldra de overzijde van den Clamares, waar wij een prachtig gezicht hebben op de stad. Weldra ontdekken wij, tusschen het groen der bosschen, die zich uitstrekken aan den voet van het Alcazar, het klooster van Parral. Dit werd gebouwd in het midden der 15de eeuw, onder de regeering van Enrique IV, en was door milde vorstelijke gaven een der rijkste kloosters van Castilië geworden. Thans echter is het van al zijn schatten beroofd; alles wat eenige kunstwaarde had, is naar het museum te Madrid overgebracht, en niets is gebleven, dan een schoon altaarstuk, en de prachtige graven der familie de Villena, in het middenschip der kerk.

Het klooster zelf is slechts een bouwval; in de tuinen en op de binnenpleinen woekert het onkruid, en in de vroegere kloosterzalen versperren de ingestorte daken gedeeltelijk den weg.

Al bezit Spanje te veel bouwvallige kloosters, om ze allen weer in hun vroegere glorie te herstellen, het klooster van Parral was toch zeker een beter lot waardig geweest. Als in de zomervacantie de kadetten het Alcazar ontvlieden, richt zich de aandacht der inwoners van Segovia naar het koninklijk paleis La Granja, waar het hof elk jaar eenigen tijd pleegt te vertoeven. Het is een bekoorlijk lustverblijf. Philips V, nog onder den indruk van Versailles, liet het hier oprichten, te midden van bosschen en liefelijke beekjes, op de plek, waar Enrique IV reeds in 1450 een hermitage had gebouwd. Het park heeft heerlijke vijvers en waterpartijen, en als de fonteinen springen, die beeldengroepen vertoonen van de Gratiën, de Winden, Amphitrite en Neptunus, komt de bevolking van Segovia en de naburige dorpen feestvieren in het kleine plaatsje van 3000 inwoners, dat in de buurt van het koninklijk lustverblijf is gelegen.

Vele adellijke families, die vreezen zouden, onbescheiden te zijn, als zij zich te dicht in de buurt der koninklijke bezoekers gingen vestigen, gedachtig aan den wijzen raad van Francisco de Rojas aan alle hovelingen: “Het vuur, dat op een afstand verwarmt, brandt van nabij,” komen des zomers naar Segovia, waar zij gelegenheid vinden, hunne Majesteiten althans van uit de verte, te huldigen.

Over ’t algemeen moest men de spaansche steden liefst zien bij mooi weer, blauwe lucht, en helderen zonneschijn. Doch Avila maakt hierop een uitzondering; het stadje is te oud, zwaarmoedig en mystiek, om in het volle zonlicht tot zijn recht te komen. Bij de zware vestingmuren en dreigende wachttorens past beter het geheimzinnig nachtelijk duister, en het licht der sterren. De geboorteplaats der heilige Theresa moet niet voor het eerst in het nuchtere daglicht worden aanschouwd.

Bij mijn aankomst scheen de volle maan, die nu en dan wegschuilde achter een voorbijdrijvende wolk, zilveren schamplichten wierp op de kanteelen der torens, en lichtopeningen teekende in de kijkgaten der zware poortdeuren, die des nachts gesloten worden, als bij een vesting in oorlogstijd. Het gelukte mij zonder veel bezwaar, den drempel van een dier poorten te overschrijden; door het eenige deurtje, dat opengelaten was, en waarachter geen gewapende 67krijgsbende op den loer lag; doch slechts een moderne douanenbeambte op zijn post zat. Vóór mij lag toen een warnet van nauwe, bochtige, wonderlijke straatjes, als verzwolgen in de schaduw der muren van hooge kloosters en paleizen. De geest der middeneeuwen zelfs schijnt hier te huizen, in die vensterlooze woningen, met haar strenge torreons op de hoeken, haar bogengalerijen, en gebeeldhouwde wapenschilden boven de majestueuse ingangspoort. Kon ik niet elk oogenblik verwachten, de geesten van Torquemada en zijn handlangers door die verlaten straten te zien dwalen, vervolgd door de zielen der ongelukkige slachtoffers van hun dweepzieken godsdiensthaat? Doch neen, ook zij rusten in vrede; als zij zondigden, dan was het ter goeder trouw, in het geloof, den God, dien zij vereerden, een welgevallig offer te brengen. Het eenige spooksel, dat ik hier zag rondwaren, en met den mantel hoog over het gezicht opgetrokken, gewapend met zijn lantaarn en piek, langs de muren zag glijden, was een wezen van vleesch en bloed, de goedaardige sereno, die waakt voor de veiligheid der bewoners, en met luider stem het nachtelijk uur verkondigt, terwijl zijn eentonige zang, die als een boetpsalm klinkt, overstemd wordt door het luid en aanhoudend gebengel der klokken van het veertigtal kerken en kloosters, dat binnen de muren van het kleine plaatsje is saamgedrongen. Veel beter dan in Segovia was het hier dus in dit opzicht ook al niet. Toch is Avila een zeer gezocht uitspanningsverblijf, niet alleen om de zuivere en versterkende lucht, die men er inademt, maar ook, omdat het zoo rustig gelegen is. Hier zoeken diegenen verpoozing, welke kalmte en stilte verkiezen boven het luidruchtig gewoel der drukbezochte badplaatsen. In den zomer is Avila een plaats van bijeenkomst voor tal van vertegenwoordigers der hoogste spaansche aristocratie, die hier hun buitenverblijven bezitten, en voor wie l’Escurial te druk en te burgerlijk, St. Sebastiaan te kostbaar en verafgelegen is. Al dat bezoek brengt natuurlijk druk verkeer van buitenaf mede. Zoodra des morgens de poorten geopend zijn, komen de boeren uit de naburige dorpen van alle kanten aanstroomen. Van Arevalo ter eener zijde, van Cerebro aan den anderen kant, komen zij naar de stad getogen, op hun muilezels of kleine paardjes, en brengen in groote manden hun mooiste vruchten, versche eieren en melk, lammetjes en kalkoenen voor de tafel der deftige gasten, die gesteld zijn op goede waar, en deze hier tegen ongewoon lage prijzen kunnen bekomen. De mannelijke dorpsbewoners dragen kleederen van grauwe of bruine wol, de vrouwen zijn echter keurig uitgedost, om haar hoofd dragen zij bonte doekjes, van een anderen tint dan de meekraproode of saffraangele rokken van grove zware stof. Zij zijn forsch gebouwd en dikwijls schoon, ofschoon haar trekken een ietwat mannelijk karakter hebben. Zoodra de buitenlui zijn aangekomen, haasten zij zich om hun deel te ontvangen van den watervoorraad, die de stad, wel wat zuinig, aan haar bewoners gelieft te verstrekken, en daarna begeven zij zich naar de markt, waar zij de tenten opslaan; die hun sierlijk uitgestalde waren voor de zon zullen beschermen. Weldra verschijnen, met groote manden gewapend, de aardige spaansche keukenprinsessen, keurig gekapt, in lichte japonnetjes, zwierig en frisch, en het loven en bieden begint om de versche bossen wortelen, meloenen, vette kippen, prachtige forellen, en risten kolossale uien, genoeg om alle koks van Castilië, ja van heel Spanje, nacht en dag te laten doorhuilen.

Geef uw mening over dit artikel! Het is altijd leuk om iets van onze lezers te horen.