Legenden en Romances uit Spanje

Intusschen was Flerida doodelijk ongerust geworden over het uitblijven
van Duardos, en zij begaf zich, vergezeld van een aantal ridders, op
weg om hem te zoeken. Terwijl zij het bosch door trok in de hoop hem te
vinden, gaf zij het leven aan twee zonen, die door haar kapelaan onder
het loof der boomen gedoopt werden. Nauwelijks was deze plechtigheid
afgeloopen, toen een woeste man, die in een verborgen schuilplaats
van het woud woonde, uit het dichte gebladerte te voorschijn sprong,
de kinderen greep en zich haastig met hen verwijderde. Niemand kon
hem tegenhouden, want hij was vergezeld van twee leeuwen, die zóó
reusachtig groot waren en verschrikkelijk om te aanschouwen, dat zelfs
de dappersten uit het gevolg van Flerida met angst geslagen waren.

De boschbewoner bracht de kinderen, die Palmerin en Florian
gedoopt waren, naar zijn hol, met het plan, hen voor de leeuwen te
werpen. Flerida keerde diep bedroefd naar het paleis terug en zond
een boodschapper naar Constantinopel met het bericht van alles wat
haar overkomen was. Toen Primaleón de treurige tijding ontvangen had,
scheepte hij zich met een aantal ridders in naar Engeland, waar zij
hoorden, dat Duardos in het kasteel der reuzin gevangen gehouden
werd. Zij trachtten hem te bevrijden, maar begingen de bij dolende
ridders gebruikelijke fout, afzonderlijk inplaats van te zamen ten
strijde te trekken, zoodat zij gemakkelijk verslagen werden door
Dramuziando, die elken nieuwen vijand, die naderde, dwong met hem
te vechten.

De woeste boschbewoner, die de koninklijke tweelingen had meegenomen
als voedsel voor zijne leeuwen, had geen rekening gehouden met zijn
vrouw, wier moederlijk instinct zich verzette tegen dien wreeden
dood der kinderen. Zij overreedde haar man hen te sparen, en voedde
hen op met haar eigen zoon Selvianus. Na verloop van tijd werden zij
zeer bedreven in de jacht en den boschbouw, en op één zijner tochten
door het woud, toen hij het spoor van een rood hert volgde, ontmoette
Florian den zoon van den hertog van Wales, Pridos, die hem medenam
naar het Engelsche Hof, waar hij bij zijn moeder Flerida gebracht
werd. Zij gevoelde zich zeer aangetrokken tot den schuwen knaap, nam
hem als haar zoon aan, gaf hem den naam van “Het Kind van het Woud,”
en voedde hem op in beschaafde manieren.

Op zekeren dag, kort nadat Florian van de boschbewoners gescheiden was,
liepen Palmerin en Selvianus langs het strand, en ontdekten een galei,
die door den storm op de kust geworpen was. Polendos (wiens vroegere
lotgevallen in de romance Primaleón beschreven zijn) stapte aan wal
in gezelschap van eenige andere Grieksche ridders, die met hem naar
Engeland gekomen waren om Duardos te zoeken. Palmerin en Selvianus
vroegen hem, hen mede te nemen op het schip, dat spoedig weer zee koos,
en niet lang daarna kwamen zij te Constantinopel aan, waar zij bij
den Keizer gebracht werden. Deze wist natuurlijk niets van de afkomst
van Palmerin, maar het was hem door brieven, die hij ontvangen had
van een zekere “Jonkvrouw van het Bad”, die als beschermengel van
den jongen held schijnt te zijn opgetreden, bekend, dat de knaap
van hooge geboorte was. De keizer, die door de aanbeveling dezer
edele dame zeer vriendelijk gestemd was tegenover Palmerin, sloeg
hem tot ridder, en Polinarda, de dochter van Primaleón, gordde hem
het zwaard aan. Gedurende het verblijf van Palmerin te Constantinopel
werd er een tournooi gehouden, waarin hij en een vreemde ridder, die
als devies de beeltenis droeg van een boschbewoner met twee leeuwen,
zich onderscheidden door groote dapperheid. De vreemdeling vertrok
nog incognito, maar later ontdekte men, dat het Florian was, die van
dit oogenblik bekend bleef als “De Ridder met den Boschbewoner.”

Palmerin geraakte dadelijk onder de bekoring van prinses Polinarda,
maar de heftigheid, waarmede hij om haar hand dong, waarschijnlijk het
natuurlijk gevolg van zijn eigenaardige opvoeding, beleedigde de edele
jonkvrouw, en zij wees hem de deur. Wanhopig over hare hardvochtigheid,
verliet hij de Grieksche hoofdstad en reisde onder den naam van
den “Gelukzoeker” naar Engeland, waarheen hij Selvianus als zijn
schildknaap mee nam. Op zijn reis daarheen had hij vele avonturen,
waarin hij zonder onderscheid gelukkig was, en eindelijk kwam hij
in het rijk van zijn grootvader aan. Maar terwijl hij door het bosch
trok, waar zijn pleegvader woonde, kwam hij onverwachts tegenover hem
te staan, en hij vertelde hem zijne lotgevallen. Daarna haastte hij
zich verder, en kwam hij bij een kasteel in de buurt van Londen, waar
de slotvoogd hem vroeg voor hem te strijden met den “Ridder met den
Boschbewoner”, die zijn zoon gedood had. Hij vertrok dus naar Londen
en daagde Florian uit, maar prinses Flerida kwam tusschenbeide en
verbood den strijd, die nooit hervat werd, want Palmerin had eindelijk
Dramuziando overwonnen en Duardos bevrijd. Het geheim van de geboorte
der tweelingen werd door den toovenaar Doliarte geopenbaard en door
hun pleegvader bevestigd.

HET KASTEEL ALMAUROL.

Gedreven door de zucht naar avonturen versmaadden Florian en Palmerin
het gemakkelijke leven aan het Hof, en zij trokken weer verder. Wij
kunnen hen niet volgen door den doolhof van verwikkelingen, waarin
zij belandden, maar verscheidene hunner beproevingen, vooral die,
welke Palmerin op het “Gevaarlijke Eiland” moest doorstaan, behooren
tot het belangrijkste en bekoorlijkste gedeelte van het boek, dat
naar hem genoemd is.

In verschillende gedeelten der romance speelt de beminnelijke reus
Dramuziando een mooie rol, maar zijn tante, de wraakzuchtige Eutropa
blijft volharden in haar haat tegen het geslacht der Palmerins,
en zij smeedt voortdurend booze plannen tegen hen. Door de macht
van den toovenaar Doliarte slaagt zij er echter niet in, hen te
vernietigen. Het tooneel der meeste avonturen is het kasteel Almaurol,
waar, onder de bewaking van een reus de schoone, doch hooghartige
Miraguarda woonde, wier trekken afgebeeld waren op een schild, dat
boven de poort van het kasteel was opgehangen. Het werd bewaakt door
een stoet van ridders, die verliefd waren geworden op het origineel,
en wanneer er andere paladijnen kwamen, die de bekoorlijkheden hunner
aangebedenen prezen, dan moesten zij met die ridders strijden. Tot
de slachtoffers der schoone Miraguarda behoorde de reus Dramuziando;
maar terwijl hij de wacht hield bij het schilderij, werd het geroofd
door Alhayzar, den Sultan van Babylon, wiens geliefde Targiana,
de dochter van den Sultan van Turkije, hem had bevolen, het haar te
brengen als bewijs van zijn trouw.

Share

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *