Legenden en Romances van Spanje

Thema’s > Legenden en Romances van Spanje I

Project Gutenberg’s Legenden en Romances van Spanje, by Lewis SpenceThis eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included with this eBook or online at www.gutenberg.net

LEGENDEN EN ROMANCES VAN SPANJE
Door
Lewis Spence F.R.A.I.
Schrijver van:
»Legenden en Romances van Bretagne«, »Helden-verhalen en
Legenden van de Rijn«, »Handleiding bij de studie van de
Middeleeuwse Romance en Romance-schrijvers«, enz.
Met 16 illustraties van Otway Mc. Cannell R.B.A.
Uit het Engelsch door S. Vos-Goudsmit
Zutphen–W. J. Thieme & Cie

VOORWOORD.
Sedert de dagen van Southey heeft de Spaanse romantische literatuur
niet die belangstelling van Engelse schrijvers en kritiek genoten,
waarop zij ongetwijfeld aanspraak heeft. In geen enkel land van Europa
heeft het zaad van de Romantiek zo gemakkelijk wortel geschoten,
of is het tot zulk een weelderige bloei gekomen als in Spanje, waar
de geaardheid van het volk nog duidelijker te voorschijn trad uit de
ridderverhalen, dan dit het geval was in Frankrijk of Engeland. Denken
wij bij het begrip Ridderlijkheid niet het eerst aan Spanje, aan zijn
eeuwenlange strijd tegen de heidense overweldigers van Europa, aan
zijn gevoel voor persoonlijke en nationale eer? Denken wij niet aan
den Cid Campeador, aan Gayferos en Gonzalvo de Cordova, reusachtige
geharnaste schimmen, een pantheon van helden, ver uitstekende boven
alles, wat de oorlogslegenden van andere landen ons te aanschouwen
geven. Het heldendicht van Koning Arthur, de Franse chansons de
gestes, zijn bijna evenzeer uitvloeisels van volksoverleveringen als
van de verbeelding der zangers, die er het eerst een letterkundigen
vorm aan gaven. Maar bij de Spaanse romances speelt de folklore een
onbetekenende rol, en de ridderlijke verdichtsels zijn òf gebaseerd
op geschiedkundige gebeurtenissen òf zij zijn voortbrengselen van
die schitterende en sprankelende fantasie, die alles kenmerkt, wat
dit Schiereiland aan literatuur heeft voortgebracht.
Ik heb meer plaats gegeven aan die verhalen, die het verband bewijzen
tussen de Franse chansons de gestes en de Spaanse cantares de
gesta, dan de meesten mijner voorgangers hebben gedaan, die over
Castiliaanse romantiek schreven. Behalve Fitzmaurice Kelly, de
begaafde schrijver over Spaanse letterkunde, is mij geen enkel
Engelse schrijver bekend, die aan dit belangrijke onderwerp zijn
aandacht heeft gewijd. Mijn eigen opvatting over het volkomen
ontbreken van Moorsen invloed op de Spaans romanceros, wordt
gesteund door critici, die veel beter dan ik in staat zijn dit
vraagstuk te beoordelen; maar bij de behandeling van de ballade
heb ik mijn eigen weg gevolgd, en ik meen hiertoe gerechtigd te zijn
door een jarenlange studie van dit onderwerp, dat zo ten volle mijn
belangstelling en liefde heeft. Mijne vertalingen zijn dan ook niet
slechts een wedergave van de inhoud, doch het zijn een getrouwe en
nauwkeurige overzetting van de oorspronkelijke balladen.
Ik heb ernstig getracht, mijn lezers een overzicht te verschaffen van
de Spaanse romantische literatuur, die tot uitdrukking is gekomen
in de cantares de gesta, de ridderverhalen, romanceros en balladen,
en in zangen van meer tedere aard. In de verschillende hoofdstukken
zal de lezer een uitvoerige beschrijving vinden van al deze uitingen
der Spaanse letterkunde.
Wanneer dit werk er toe zou bijdragen, dat de belangstelling van enkele
lezers zou worden gewekt voor de edele Castiliaanse taal, dan zou
het aan zijn doel hebben beantwoord. De werkelijke schoonheid van
deze verhalen ligt verborgen achter de sluiers van een taal, onbekend
aan het grootste deel van het lezende publiek; zij kan slechts worden
bevrijd door de toverstaf van de studie. Dit boek bevat slechts de
armzalige afspiegeling en de zwakke wedergave van verborgen wonderen.

HOOFDSTUK I. DE BRONNEN VAN DE Spaanse ROMANCE.
Het gelovene Franse liefdeslied,
De zangen van ’t schone Brittanje,
Legenden van het zwaard en de speer,
Geboren in Allemanje,
Dit alles verbleekt bij de kleurige pracht
Der balladen van ’t oude Spanje!
Wanneer een vreemdeling op zijne reizen rust zou zoeken in een tuin van
het oude Granada, onder een afdak van citroen- en moerbeibladeren,
en zijn oor zou openen voor de melodieën der wateren van de
Granaatappelstad, en zijn geest voor de betovering van hare atmosfeer,
dan zou het hem gemakkelijk vallen te geloven dat in de dagen, toen
hare kleuren minder geloven en hare verrukkelijke lucht misschien minder
verkwikkend was, de harpen van haar zangers de weefgetouwen waren, waarop
de weefsels van de romance ontstonden. Bijna instinctief zal hij den
indruk krijgen, dat de Spanjaard, die dit paradijs herwonnen heeft,
na eeuwen van ballingschap, en die aangeraakt werd door de betoverde
echo’s van de Moorse muziek, die daar nog rondzweefden, werd
opgewekt tot hartstochtelijke lofzangen op die helden van zijn ras,
die zo onafgebroken hadden gestreden en zooveel hadden opgeofferd,
om het te herwinnen. Maar wanneer hij de Sierra del Sol zou beklimmen
en door de betoverde vertrekken van het Alhambra zou dwalen, zoals
een kind door het land der dromen, dan zou hij in zijn hart zeggen,
dat de mensen, die deze kamers bouwden uit de regenboog, en deze
muren beschilderden van het palet van de zonsondergang, ook het
onzichtbare, doch daarom niet minder schitterende paleis van de
Spaanse Romance opbouwden.
Of als iemand, wandelende in de schaduwen van Cordova, peinst over
de Moskee Maqsure, welker deuren van Andalusisch staal toegang gaven
aan dichters en sterrewichelaars, of wanneer hij denkt aan het paleis
van Azzahra, gebouwd van rozerood en zeegroen marmer, geroofd uit
de Byzantijnse kerken van Ifrikia, zal hij dan niet geloven,
dat in deze stad van verwoeste pracht en vernielde betovering de
passiebloem van de Romance in volle heerlijkheid opbloeide?
Maar wij kunnen de tonen der vergeten melodieën niet meer vinden,
noch kunnen wij samenvoegen het mozaïek van verbroken harmonieën in de
warme en klinkende stad der Saracenen, evenmin als in de »mijn van
zijde en zilver«, het oude Granada; noch te midden van de marmeren
overblijfselen van Cordova, waar het marktplein overstroomd was met de
geschilderde perkamenten van Moorse zang en wetenschap. Wij moeten
ons afwenden van het bloeiende Zuiden, en de kale hoogten van Castilië
en Asturië beklimmen, waar het Christelijk Spanje gedurende 500 jaren
gevangen was op een dorre en verschroeide vlakte en waar geboren
werd een diepe hartstocht van vaderlandsliefde en zelfopoffering,
die uiting vond in heerlijke krijgszangen, waarvan de echo’s tussen
de bergen weerklinken als spook-klaroenen op een vergeten slagveld.
Afzondering en toewijding aan een nationale zaak zijn machtiger
prikkels tot de ontwikkeling der romantiek, dan een atmosfeer van
Oosterse weelde. De borsten van deze strenge bergen brachten melk
voort, zoeter dan de wijn van Almohaden, en liederen ontstonden in
Burgos en Carrión, ontroerender, zij het dan ook minder fantastisch,
dan ooit ontsprongen aan de guitaren van Granada. Maar de nooit
eindigende strijd tussen Arabier en Spanjaard bracht met zich
mede een voortdurende uitwisseling van de zinnelijke geest van het
Zuiden en de ruwere mannelijkheid van het Noorden, zodat ten slotte
het Saraceense goud het staal van het Spaanse lied versierde,
en de Spaanse ziel gevangen werd in de netten van de Oosterse
fantasie. In latere tijd verzachtte een openlijke bewondering voor
de kunst en beschaving van de Moslim de ouden haat, en de Moorse
cavalier bootste de ridderlijkheid, zoal niet de dichtkunst na,
van de Castiliaansen ridder. [1]
DE BAKERMAT VAN HET Spaanse LIED.
Het vaderland van de Spaanse overlevering was inderdaad een
geschikte kweekplaats voor het ras, dat gedurende eeuwen iederen duim
van het Schiereiland moest betwisten aan een vijand, die oneindig
veel bedrevener was in de kunst van oorlogvoeren, al was hij dan
ook de mindere in doortastendheid, en al ontbrak hem de geest van
saamhorigheid.
Te midden van de dorre woestenijen van het Noorden van Spanje,
die tegenwoordig bekend zijn als rijk aan mineralen, vindt men
onverwachts weelderige en vruchtbare valleien, ingebed tussen een
steile, vulcanise bergketen, aan de voet waarvan dichte eiken-,
kastanje- en dennenbossen verrijzen. Deze dalen, door hunne ligging
beschut tegen de ijzig scherpe winden, die van de Pyreneeën jagen,
bieden betrekkelijk dezelfde levensomstandigheden als het zachtere
Zuiden van het land. Ofschoon door de onderlinge afstand het verkeer
tussen de verschillende dalen gering was, waren deze toch voor de
Spaanse Christenen het toevluchtsoord, waarheen zij kwamen om nieuwe
krachten te verzamelen en hun geest te sterken voor de groten strijd
tegen de Saracenen.
In dezen eeuwenlange strijd werd Christelijk Spanje ongetwijfeld
gedragen door een diep gevoel van saamhorigheid en het bezit van een
gemeenschappelijke taal, factoren, die het behoud zijn geweest van
menig volk, dat in een even wanhopige toestand verkeerde; en misschien
is hun vaste wil, het verloren paradijs van het Zuiden te herwinnen,
wel het beste bewijs voor de waarheid van de theorie, dat vóór het
tijdperk der Saraceense overheersing, de Castiliaanse taal
slechts een samenraapsel was uit de elementen van de Romeinse lingua
rustica en het onbeschaafde Gothisch, en volgens sommige autoriteiten,
zonder bepaalde taalregels of een taaleigen. [2] Zeker is het, dat
de eindfase in de ontwikkeling van het Castiliaans plaats vond na
den uitval der Arabieren, maar wij zouden te grote waarde hechten
aan het gebrekkige bewijs, dat wij bezitten, wanneer wij beweerden,
dat de gangbare Castiliaanse taal, onmiddellijk vóór die periode,
niets was dan een patois, zonder regels of methode.

ROMEINS EN VISIGOTISCH.
Toen in het 1e gedeelte van de vijfde eeuw de Visigoten, als
achterhoede van de Vandalen, het Romeinse Spanje binnentrokken,
bouwden zij niet voort op de overblijfselen van zijne beschaving,
doch zij behielden de gewoonten van hun Noordelijk vaderland, en zij
schijnen gedurende enige geslachten weinig te zijn beïnvloed door
de Romeinse cultuur. Ook vond de Latijnse taal van het volk,
dat zij overwonnen hadden, weinig aanhangers onder hen, ofschoon zij
door hun wonen even buiten de grenzen van het keizerrijk, deze taal
ongetwijfeld kenden.
De bewoners van het Schiereiland waren al even weinig geneigd
afstand te doen van de beschaafde taal, waarin hunne landgenoten
Martialis, Lucanus en Seneca zooveel hadden bijgedragen tot den
roem der Romeinse letteren. Een militaire alleenheerschappij is
meestal niet bijzonder gelukkig in hare pogingen, een overwonnen volk
hare taal op te dringen, tenzij de overmacht van wapenen gepaard
gaat aan letterkundige bekwaamheid: en de Visigothen, die niet in
staat waren, zich in dit opzicht te meten met de zeer beschaafde
kolonisten van Spanje, kwamen er in de loop der tijden gemakkelijk
toe, de Romeinse taal tot de hunne te maken. Hunne ongeletterdheid
was echter niet de enige reden voor het verlies van hunne taal,
want ofschoon zij in militaire bekwaamheden uitblonken boven hunne
tegenstanders, waren zij in getal verreweg de mindere. Zij hadden
bij hun inval in het Romeinse rijk weinig vrouwen medegebracht,
en waren dus genoodzaakt, vrouwen uit het overwonnen land te huwen,
die hunne kinderen de Romeinse taal leerden. Het noodzakelijk
verkeer tussen overwinnaar en overwonnene schiep in de loop der
tijden een potjes-Latijn, dat in zijn verhouding tot het klassiek
Latijn te vergelijken was met het Engels van de handeldrijvende
aan de Stille Zuidzee. [3]
Het gebruik van het Latijn als schrijftaal in dat gedeelte van Spanje,
waar de Castiliaanse taal gesproken werd, was geruimen tijd een
beletsel voor de ontwikkeling van de beschaafde omgangstaal uit het
gebruikelijk dialect. Toch vond deze overgang ten slotte plaats. De
wijze, waarop dit geschiedde, is niet bekend. Maar uit de vastheid
van vorm in de letterkunde van het begin der elfde eeuw, blijkt wel
duidelijk, dat de spreektaal ten minste vóór het tijdperk van den
Moorse inval tot volmaaktheid was gekomen.
De Saraceense overwinning, waardoor de eigenlijke bevolking verdreven
werd naar het koude Noordwesten van het land, gaf slechts een kleine
belemmering voor de ontwikkeling van de taal, want door de strijd
tegen andere Romeinse dialecten, waarover zij als schrijftaal
tenslotte bijna volkomen zegevierde, werd hare woordenschat
aanmerkelijk verrijkt.

DE ROMAANSE TALEN VAN SPANJE.
Drie Romaanse of Romeinse talen werden er gesproken in dat
gedeelte van Spanje, dat in handen van de Christenen bleef. In
Catalonië en Aragon het Provençaals, Cataleensch of Limousinsch;
in Asturië, Oud-Castilië en Leon, Castiliaans, en in Galicia,
Gallegoosch, waaruit het Portugees is voortgekomen. Het Cataleensch
was bijna volkomen gelijk aan het Provençaalsch of de langue d’oc
van Frankrijk en met het bestijgen van de troon van Provence door
Raymond Berenger, Graaf van Barcelona, in 1092, werden de volken
van Catalonië en Provence onder één regering samengevoegd. Het
Provençaalsch, de taal der Troubadours, was van Fransen oorsprong,
en draagt de duidelijke sporen van zijne afstamming van het Latijn
van Provençaalsch-Gallië. Het schijnt, dat het in Catalonië werd
geïmporteerd door de Spanjaarden, die naar Provence vluchtten, om te
ontkomen aan het Moorse juk, en die langzamerhand weer Zuidwaarts
trokken, toen de meer Noordelijke gedeelten van Spanje weer bevrijd
waren van de aanvallen der Arabieren. De politieke saamhoorigheid
van Catalonië en Provence bracht natuurlijk met zich mede gelijkheid
van levensgewoonten zowel als van taal, en zo zien wij dan ook,
dat de bevolking van de Catalonische kust en de provincie Aragon de
ridderlijkheid en de hoffelijkheid van het Noordelijker vaderland
van de Gai Saber had overgenomen.
Door geheel Provençaalsch Catalonië werden die romantische
liefdes-samenkomsten gehouden, waar van gedachten gewisseld werd over
de erotische avonturen van de helden en heldinnen uit de liederen,
met een ernst, die bewijst, dat de liefde gelijkwaardig werd geacht aan
wetten en godsdienst, en dat de beoefening van de kunst der liefde de
hoofdbezigheid was van de hogere standen. Uit deze verheerlijking van
de liefdesbetrekkingen tussen de sexen ontstond de daaraan verwante
wetenschap der ridderlijkheid, welker geest en wetten niet minder
overdreven en gestreng waren. Deze Provençaalse ridderlijkheid vond
langzamerhand ingang in Castilië; zij verhoogde en verlevendigde de
verbeelding der bevolking en maakte de Spaansen geest ontvankelijk
voor de romantische literatuur. Maar in geen enkel tijdperk was de
Castiliaanse verbeelding zuiver passief; zij onderwierp iedere
letterkundige strooming, die haar beroerde, aan zulk een geweldige
tooverkracht, dat in verloop van tijd alle vreemde elementen hun eigen
karakter verloren en uit de smeltkroes van de Spaansen geest te
voorschijn kwamen als bijna zuiver Castiliaans. De volmaaktheid
in berijmde verzen werd ongetwijfeld bereikt door de Troubadours
van Provence en Catalonië, en deze vorm van dichtkunst baande den
weg voor een lyrische poëzie, die, zo zij al niet uitblonk door
grootsheid of oorspronkelijkheid, zelden overtroffen werd in
welluidendheid en fijnheid; maar het is opmerkelijk, dat al deze
verzen, met uitzondering van enkele politieke satyren, slechts één
onderwerp behandelden…. de vervoering der liefde. Bij kennismaking
met de dichtkunst in de beminnelijke Provençaalse taal, wordt men
getroffen door de welluidendheid; zij is altijd melodieus en men
vindt er steeds een zekere statigheid in terug, die men in de Pavane
aantreft, en die waarschijnlijk evenzeer voortvloeit uit de geest der
taal als uit het zuivere maatgevoel der zangers. Maar het eentonig
herhalen van de gevoelens der liefde, die men steeds uitdrukte door
dezelfde begrippen en woorden, de weinige natuurlijkheid van deze
eenvormige zinnen, en het ontbreken van warm menselijk gevoel,
zijn spoedig een teleurstelling voor de lezer, die met vreugde het
gehele dichterlijke koninkrijk van Provence zou willen afstaan aan
den taalgeleerde of de letterkundigen oudheidkenner, in ruil voor
natuurlijker en minder opgeschroefde schoonheden van klanken, die
beter geschikt zijn menselijke gevoelens uit te drukken en minder
blijk geven van opzettelijk te zijn geschreven voor een bepaalde
letterkundige kaste. De dichtkunst van Provence herinnert ons aan die
oude weefsels, waarvan het ontwerp zuiver decoratief is, waar stijve,
gestyleerde bloemen met geregelde tussenpozen wederkeren, en
die zich onderseiden door een zekere eentonige gelijkmatigheid van
kleur. De tafereelen van de jacht of van het buitenleven betoveren
ons niet door hun levendigheid of eenvoud en de verdeling der kleuren
van het zijden weefsel is niet natuurlijk en bekoorlijk. [4]
De Provençaalse en Catalanise troubadours hadden inderdaad een
zekeren invloed op de ontwikkeling van de Castiliaanse dichtkunst
en romantiek en er zijn talrijke bewijzen voor hun verkeer met
Castilië. Het »Boek van Apollonius« uit de 13e eeuw, is vol van
Provençalismen, evenals de latere »Geschiedenis der Kruistochten.«
Gedurende de vervolgingen, waaraan zij blootstonden tijdens de
Albigenser-oorlogen, vluchtten zij in groten getale naar Spanje, waar
zij een schuilplaats vonden voor hunne onverdraagzame vijanden. Zoo
vluchtte Aimeric de Bellinai naar het hof van Alfonso IX en hij bleef
later aan het hof van Alfonso X, evenals Montagnagunt en Folquet
de Lunel, Raimond de Tours en Bertrand Carbunel, die met Riguier
hunne werken opdroegen aan die vorst, of treurzangen dichtten ter
gelegenheid van zijn dood.
Koning Alfonso schreef zelf verzen van onloochenbaar Provençaalsch
karakter en nog in 1433 schreef de Markies de Villena, een familielid
van de beroemden Markies van Santillana, die wij later nog zullen
ontmoeten, een verhandeling over de kunst der Troubadours, [5] welke
hij wilde herboren zien in Castilië. [6]
Het Galiciaansch, een Romaanse taal, die dezelfde oorsprong had als
het Portugees, is nauw verwant aan het Castiliaans. Maar het is
niet zo rijk aan keelklanken, zodat wij mogen aannemen, dat het in
zijne samenstelling minder overeenkomst heeft met het Germaansch dan
zijne zustertaal. Evenals het Portugees heeft het een overvloed van
sis-klanken, en wordt het, zoals het Frans, neuzig uitgesproken,
wat naar alle waarschijnlijkheid in verband staat met het bestijgen
van de troon door een Bourgondise dynastie in vroeger tijden. Maar
reeds spoedig hield de Galiciaanse invloed op de Castiliaanse
literatuur op, ofschoon het omgekeerde volstrekt niet het geval was.

DE OPKOMST VAN HET Castiliaans.
De ontwikkeling van het Castiliaans uit het oorspronkelijke Latijn,
dat door de Romeinse kolonisten in Spanje werd gesproken, werd
door verschillende plaatselijke omstandigheden bemoeielijkt. Bij het
samentrekken van woorden uit de Romeinse taal, liet men niet dezelfde
letters weg als in het Italiaans. Ook verkortte men de woorden niet
in die mate, als in het Provençaalsch of Galiciaansch. Waarschijnlijk
tengevolge van de overheersing van het Gothise element onder hen,
die Castiliaans spraken, is de taal rijk aan aspiraten, en heeft
zij een sterker bouw dan de andere Romaanse talen. De Latijnse
f is in het Castiliaans dikwijls veranderd in een h, zoals bij
hablar = fabulari (spreken). De letter f, die sterk geaspireerd wordt,
vervangt dikwijls de l, zodat filius (zoon) hijo wordt. De zachte ll
daarentegen komt in de plaats van de Latijnse pl, en zo vinden wij
het Latijnse planus (zacht), in het Castiliaans terug als llano
(spreek uit: lyàh-no). Het Spaanse ch neemt de plaats in van het
Latijnse ct, zoals facto = hecho, dictu = dicho, enz.
Nog andere bewijzen voor de verwantschap met het Germaansch ontbreken
niet. Zo heeft de g voor de c en i, die in het Gothisch en Duits
een keelklank is, hetzelfde karakter in het Castiliaans. De Spaanse
verandering van de o in de ue vindt hare analogie in het Duits. Wij
kunnen bv. het Castiliaanse cuerpo en pueblo vergelijken met het
Duitse Körper en Pöbel.

DE UITBREIDING NAAR HET ZUIDEN VAN HET Castiliaans.
Het gebruik van het Castiliaans als spreek- en schrijftaal werd
tenslotte bestendigd door de eindeloze strijd van het stoutmoedige
volk, dat deze taal sprak tegen de Saraceensche bezetting van hun
vaderland. Toen de Castiliaanse krijgslieden door een strijd, die
geslachten lang aanhield, langzamerhand stad na stad en district na
district in plaats van provincie na provincie, heroverden, verdrong hun
taal telkens in het kleine herwonnen gebied, die van hunne Arabische
vijanden, [7] totdat tenslotte de laatste vesting van de Mooren viel
en zij geen vasten voet meer behielden op het Schiereiland. »Wel
was het een harde oefenschool, die onze dappere voorouders moesten
doorloopen als inleiding tot zo menige roemrijke overwinning en
tot verovering van de wereld,« zegt Martinez in zijn roman Isabel de
Solis, [8] »neergedrukt door hun harnas en met het zwaard in de hand,
sliepen zij gedurende 8 eeuwen geen enkelen nacht rustig.«
Van de nederlaag van Roderick af, »den laatste der Visigothen«,
bij de slag van Xeres de la Frontera in 711, tot aan de val van
Granada in 1492, was Spanje inderdaad een land van veldslagen. Bijna
ogenblikkelijk na hun eerste nederlaag tegen de Arabieren, werden
de Visigothen verdreven naar de Noord-Westelijke grenzen van het
Schiereiland, waar zij een toevluchtsoord vonden in de bergen
van Biskaje en Asturië. Daar zouden zij zich, evenals de bewoners
van Wales na de inval der Saksen in Engeland, misschien verzoend
hebben met het betrekkelijk kleine gebied, dat hun was overgelaten,
maar de omstandigheid van hunne feitelijke gevangenschap, droeg
er slechts toe bij, hen nauwer te verbinden in een sterk gevoel van
vaderlandsliefde, en een gemeenschappelijk besluit, hun oorspronkelijk
bezit te herwinnen.
Gedurende vele geslachten bepaalden hunne worstelingen zich
voornamelijk tot rooftochten aan de grens, en tot guerilla-gevechten,
waarbij zij volstrekt niet altijd gelukkig waren, want de vurige en
moedige Saracenen stelden zich niet tevreden met zich uitsluitend te
verdedigen, maar tegenover elke overwinning, waarop de Castilianen
zich konden beroemen, stonden tegenslagen en verliezen, die zij,
met hun klein aantal, moeilijk konden verdragen. Toch werd hun
moed en vasthoudendheid langzamerhand beloond, en voordat een eeuw
verloopen was, hadden zij het grootste gedeelte van Oud-Castilië
heroverd. Alleen reeds de naam van deze provincie, »Het Land van
Kastelen«, bewijst, dat, al was zij herwonnen, zij slechts behouden
kon blijven, wanneer elke heuveltop versterkt was door vestingen; en
zo gaf deze landstreek, met al hare kastelen, ten slotte haar naam
aan het volk, dat haar bezit op zulk een hoge prijs stelde. Voordat
er weder 20 jaren verloopen waren, hadden de Castiliaanse strijders
vasten voet in Nieuw-Castilië gekregen, en van dat oogenblik af,
schijnen zij voortdurend met succes te hebben gestreden.
Met de val van Toledo in 1085 na een Saraceensche bezetting van
drie en een halve eeuw, begint een nieuw tijdperk voor de voortgang
van de Castilianen in Zuidelijke richting, en met de inname van
Saragossa in 1118, keerden de kansen voor de Arabische overweldigers,
die nu verdreven werden naar een klein gebied in het Zuiden en het
Zuid-westen van het land. Deze omstandigheid schijnt echter meer
gunstig te zijn geweest voor hun gevoel van saamhoorigheid, dan dat
het hen heeft vernietigd, en de Castilianen moesten nog gedurende
vier eeuwen rekening met hen houden, totdat bij de val van Granada,
Boabdil of Abu-Abdallah, de laatste der Moorse koningen, de sleutels
afstond aan Koning Ferdinand van Castilië, een laatsten blik wierp
op de stad, en naar Afrika voer, waar hij strijdend de dood vond.
In deze atmosfeer van voortdurenden strijd en onrust werd de
romantische literatuur van Spanje geboren. Het is volstrekt
niet verwonderlijk, dat hare ontwikkeling samenviel met dit
wapengekletter. Trompetgeschal klinkt uit de gedichten. De letterkunde
van dezen tijd is niet alleen de afspiegeling van de geest van een
strijdend volk, maar zij is tevens een noodzakelijk product, want
uit de liederen en legenden putten de ridders van Castilië nieuwen
moed, strijdlust en opgewektheid, en zij werden er door bezield op
den dag van de strijd. Wel mocht de zwervende ridder van Castilië,
zoals in de oude ballade, zingen:
»Het harnas is mijn eenig kleed,
En strijd is mij festijn!
Mijne lamp, de straal van een planeet,
Mijn wereld …. een woestijn.« [9]
Grensgevechten met hun herhaalde verandering van tooneel en
voortdurende onrust, waren een geschikte voorbereiding tot het
dolende ridderschap.

DE LETTERKUNDIGE ONTWIKKELING VAN HET Castiliaans.
Ofschoon verschillende vreemde invloeden op het Castiliaans
inwerkten, ontwikkelde het toch een geheel eigen letterkundig karakter,
voornamelijk wat zijn gedichten betreft, zoals blijken zal bij de
behandeling van zijne diverse Romantische vormen. Het had niets
overgenomen van de letterkundige methoden van het Provençaalsch
of Catalonisch, echter wel van de geest en de uitwendigen vorm
daarvan. Toen het hoffelijke en enigszins schoolse dichterlijke
systeem van de Troubadours in aanraking kwam met het ernstige en
krachtige Castiliaans, was het niet in staat, lang weerstand te
bieden aan dezen invloed. Waar politieke omstandigheden de oorzaak
waren geweest van het samentreffen dier twee elementen, waren zij
het ook, die de overwinning van het Castiliaans verhaastten. De
regeringsmacht in Aragon was sedert een vroeger tijdperk in
aanraking geweest met het Castiliaanse koningschap, en Ferdinand
de Rechtvaardige, die in 1412 de troon van Aragon besteeg, was
een Castiliaans vorst. De hoven van Valencia en Burgas waren dus
feitelijk toegankelijk voor dezelfde politieke invloeden. Wanneer
onze gevolgtrekkingen juist zijn, dan was het tijdens de regeringen
van Ferdinand de Rechtvaardige en Alfons V (1412-’58), dat de
invloed van het Castiliaans voor het eerst inwerkte op de sfeer van
Catalonië. Wij zien het voor het eerst als dichtertaal gebruikt bij een
zangwedstrijd ter eere van de Madonna, in 1474 te Valencia gehouden,
en de 40 liederen, die bij deze gelegenheid werden gezongen, zijn
later verzameld in het eerste boek, dat in Spanje gedrukt werd. Vier
hiervan zijn in de Castiliaanse taal, die dus blijkbaar beschouwd
werd als zijnde van voldoende letterkundige waarde, om bij zulk
een wedstrijd te worden gebezigd. Het schijnt, dat Valencia, dat in
vroegere tijden, wat spraak en kunst betreft, zuiver Catalonisch was,
van 1470-1550 een eigen school had voor Castiliaanse dichters,
die er veel toe hebben bijgedragen, het Castiliaans als volkstaal
te bestendigen. Maar de Cataloniërs waren niet van zins, hun taal,
als de letterkundige taal van Spanje, zonder meer prijs te geven,
en zij trachtten haar te handhaven door de instelling van een
vakopleiding voor Troubadours, en door de schoonheden hunner taal
hoog te prijzen bij de grote openbare zangwedstrijden. Het was te
vergeefs. Zij moesten het afleggen tegen een taal, die krachtiger en
rijker aan woorden en vormen was, en die daarenboven gesteund werd
door een politieke macht, die sterker was dan de hunne.

DE DICHTKUNST AAN DE HOVEN VAN CASTILIË.
De opkomst van het Castiliaans als letterkundige taal werd ook
zeer bevorderd door de natuurwetenschappelijke belangstelling van
verscheidene vorsten van Castilië. Alfonso de Wijze was zelf een
dichter, en beoefende zijn moedertaal met verstand en toewijding,
waardoor hij hare zuiverheid en nauwkeurigheid van uitdrukking
aanmerkelijk verbeterde.
Onder zijn toezicht werd de Heilige Schrift in het Castiliaans
vertaald, en op zijn aandringen werd een Algemene Kroniek van Spanje,
zowel als de Geschiedenis der Eerste Kruistocht, geschreven. Hij
maakte het Castiliaans tot de taal der gerechtshoven en trachtte
in de verzen de meer exacten geest en de dichterlijke zinswendingen
der Provençalen over te brengen.
Alfonso XI schreef een Algemene Kroniek in de vlotte en vloeiende
versmaat van de inheemse redondillas, in plaats van de stijve
en strakke Alexandrijnen, die in die tijd gebruikelijk waren in
letterkundige kringen. Ook liet hij boeken schrijven in Castiliaans
proza over de jachtkunst en over de stamboom van de adel. [10] Zijn
familielid, Don Juan Manuel, droeg veel bij tot de ontwikkeling van de
Spaanse fantasie, en hij gaf vastere vormen aan de Spaanse proza
in zijn Conde Lucanor, een boek van ethische en politieke stelregels,
waarvan de strekking duidelijk te voorschijn treedt in verhalen en
fabels, ontleend aan de geschiedenis en de klassieke literatuur.
Hoewel Juan II [11] een zwak en lui vorst was, was hij toch een
beschermer van de letterkunde; hij schreef verzen, ging veel om met
dichters, en liet in 1449 een bloemlezing samenstellen uit de beste
Spaanse gedichten.
Maar aan zijn hof heerste een schoolse geest; men volgde er
de Italiaanse methodes, en hijzelf toonde grote liefde voor de
Provençaalse kunstuitingen. Niettegenstaande al deze kunstmatige
hinderpalen, maakte de Castiliaanse taal grote vorderingen op
haar veroveringspad. Zij was voorgoed de taal der Romance geworden,
en de Romance zou in Spanje voor een gehele generatie van die tijd
de voornaamste letterkundige vorm worden.

DE OPKOMST VAN DE ROMANCE.
De ontwikkeling van de Romance in Spanje en de verschillende phasen,
die zij heeft doorloopen, heeft niet die mate van belangstelling
van de kant der Engelse schrijvers gehad, die men had mogen
verwachten in dezen tijd, waarin de kenner met toewijding de
verborgen schuilhoeken der aarde moet doorzoeken, wil hij nieuwe
letterkundige schatten te voorschijn brengen. De verschillende trappen
van ontwikkeling der Romance zijn slechts terloops aangeduid, in plaats
van uitvoerig behandeld, niet zo zeer om de waardeloosheid van het
materiaal, dan wel uit gemakzucht en een zekere oppervlakkigheid,
die het kenmerk zijn van de meeste Britse pogingen, om een juiste
indeeling te maken van verschillende tijdperken en het onderling
verband daartussen duidelijk te belichten. Ik mag niet hopen,
te slagen in een taak, die andere, en beter toegeruste autoriteiten
wellicht uit goede overwegingen hebben verwaarloosd, maar ik zou liever
tekort schieten in mijn streven een behoorlijk overzicht te geven van
de verschillende overgangstrappen van de Spaanse Romance, dan den
lezer te vergasten op een serie alleenstaande feiten en uitspraken
zonder onderling verband, die, hoe belangrijk zij ook mogen zijn, geen
duidelijk inzicht geven in oorzaak en gevolg, en die door de gebrekkige
voorlichting, meestal aanleiding geven tot onjuiste gevolgtrekkingen.
Wanneer wij de letterkundige kaart van Europa beschouwen van de elfde
tot de dertiende eeuw, dan zien wij het licht schijnen vanuit twee
kwartieren–Joodsch-Arabisch Spanje en Frankrijk. Het eerste is voor
het oogenblik voor ons van geen belang. Zijne letterkundige uitingen
waren toen ten tijde niet sympathiek aan Christelijk Spanje, dat,
zoals wij later zullen zien, alles wat Saraceensch was haatte, totdat
de strijd tussen ’t zwaard en de kromme sabel was uitgevochten. Maar
in Frankrijk had Castilië een schitterend voorbeeld, dat het volgde op
zijn eigen wijze, die hem voorgeschreven werd zowel door nationalen
trots als door politieke noodzakelijkheid.
Wij hebben reeds gesproken over de invloed van Zuid-Frankrijk. In
het tijdperk, waarover wij spreken, was Noord-Frankrijk, het land
van de langue d’oïl, ofschoon het er betrekkelijk weinig rustig
was, veel beter in staat, goede literatuur voort te brengen dan
Castilië, welks voortdurende Vendetta met de Mooren, slechts weinig
gelegenheid overliet aan het intellectueele deel der bevolking, zich
aan de letterkunde te wijden, een gelegenheid, waarvan de fijnste
geesten echter een ruim gebruik maakten. De opkomst van de kaste der
reizende dichters in Frankrijk voldeed aan de behoefte van het volk
naar verhalen, en de trouvères van de twaalfde eeuw vonden in den
glorierijken tijd van Karel de Grote, een steeds vloeiende bron
voor hunne ridderlijke verbeelding, die zulk een ingang vond bij een
middeleeuwsch publiek. De verzen, of beter gezegd, de epise poëzie,
die zij ontleenden aan de geschiedenis van het Carlovingise tijdperk,
waren bekend als chansons de gestes, »zangen van daden« van den
groten Frankischen Keizer en zijne onoverwinnelijke paladijnen. De
trouvères zelf noemden ze Matière de France, terwijl de verhalen van
Koning Arthur aangeduid werden als Matière de Bretagne, en die, welke
berustten op de klassieke geschiedenis, Matière de Rome werden genoemd.
Tot voor betrekkelijk korten tijd waren deze reusachtige werken,
waarvan verscheidene uit zes- of zevenduizend dichtregels bestaan,
eigenlijk volkomen onbekend, zelfs bij het meerendeel van de
letterkundige autoriteiten. [12]
Zoals wij ze kennen, zijn zij betrekkelijk modern van vorm, na
dikwijls te zijn omgewerkt, waarschijnlijk zeer tot hun nadeel. Maar
zij zijn het oudste voorbeeld van met zorg bewerkte verzen in eenige
moderne taal, uitgezonderd Engelsch en Noorsch, en ongetwijfeld heeft
de moderne literatuur van alle Europeese landen zich ontwikkeld
uit deze werken.
Deze chansons waren bestemd om gezongen te worden in de feestzalen der
riddersloten, door rondtrekkende troubadours, die ze zelf maakten, of
ze aan elkander afstonden. Zij handelden meer over wapengekletter dan
over gelovene gevoelens, ofschoon ook deze zo nu en dan meesterlijk
beschreven waren. De oudste van deze gedichten zijn geschreven in
coupletten, laisses of tirades genoemd, elk bestaande uit twintig tot
meerdere twintigtallen van regels, terwijl deze groepen onderlingen
samenhang vertoonden door hun berijmd refrein. Later echter waren de
gehele chansons berijmd.

CastiliaansE OPPOSITIE TEGEN DE CHANSONS DE GESTES.
In deze gedichten, die waarschijnlijk oorspronkelijk uit het Noorden
van Frankrijk kwamen, en zich in de loop der tijden naar het Zuiden
verspreidden, werd Karel de Grote voorgesteld als het bolwerk van
het Christendom tegen de Saracenen van Spanje. Omringd door zijne
paladijnen Roland, Olivier, Naymes, Ogier en Willem van Oranje,
voerde hij een onafgebroken strijd tegen de Mooren of de »Saracenen«
(heidenen) van Saksen. Van deze gedichten heeft Gautier er 110
gecatalogiseerd, waarvan de helft uit de twaalfde eeuw stamt. Een
aantal van de latere chansons zijn in het Provençaalsch geschreven,
maar alle pogingen, om van de gehele cyclus de oorspronkelijke
vorm op te sporen, hebben blijkbaar gefaald.
Zeker is het, dat deze romantische stof in haar geheel haar weg vond
in Castilië. Het is niet met zekerheid bekend, of dit geschiedde door
Provence en Catalonië, maar het is niet onmogelijk, dat dit het geval
was. Men zou menen, dat Christelijk Spanje door zijn moeilijken strijd
tegen de Mooren, zich voelde aangetrokken tot een literatuur, die zo
voortdurend handelde over de nederlagen van zijn aartsvijand. Dit was
oorspronkelijk ook het geval, en de chanson vond dan ook een gunstig
onthaal. Maar er bleken spoedig twee beletselen te bestaan voor eene
onverdeelde waardering. In de eerste plaats schijnt het Castilië
van de twaalfde eeuw te hebben begrepen, dat, als Karel de Grote
Spanje binnenviel, hij niet alleen de Moor, maar ook de Spanjaard
tegenover zich zou vinden. Dit wordt niet gestaafd, zoals sommige
autoriteiten menen, door een gedeelte van een populair gedicht, bij
de Baskiërs bekend als Altobiskarko Cantar, of Lied van Altobiskar,
dat stilzwijgend erkent, dat de nederlaag van de achterhoede van Karel
den Grote niet te danken was aan de Saracenen, maar aan de Baskiërs,
die gebelgd waren over de doortocht van het Frankische leger door
hunne bergpassen. Het geheel is een uitvoerig stuk in het Baskisch,
door de Baskischen student Duhalde vertaald uit het Franse gedicht
van François Garay de Montglave (circa 1833). Een tweede slag van
Roncevalles had plaats onder de regering van Lodewijk de Vrome in
824, toen twee Frankische graven, uit Spanje komende, weder overvallen
werden en verslagen door de Pyreneesche bergbewoners. Maar er schijnt
nog een vroeger gevecht te zijn geweest tussen Franken en Baskiërs
in de Pyreneeën, onder de regering van Dagobert I (631-638). De
herinnering aan deze gevechten schijnt bij de bevolking levendig te
zijn gebleven, zodat de Spanjaard de Frank bleef beschouwen als zijn
erfvijand. Aartsbisschop Roderick van Toledo trad streng op tegen die
Spaanse juglares, die de heldendaden van Karel de Grote in Spanje
bezongen, en Alfonso de Wijze trachtte, zoveel het hem mogelijk was,
de mythische overwinningen van de Frankischen keizer te kleineeren.
Maar dit was niet alles. Het denkbeeld, dat Karel de Grote zijn
intocht in Spanje had gedaan als overwinnaar, alles voor zich
uitdrijvende, was in hoge mate beledigend voor de trots en het
patriotisme van de Castilianen, die de chansons de gestes in hun
eigen geest wensten uit te leggen, en in plaats van ze woordelijk
over te nemen, zelf een verzameling liederen schiepen. Zij namen als
den nationalen held van het Carlovingische tijdperk een denkbeeldigen
ridder aan, Bernaldo de Carpio, die zij begroetten als de bevrijder
van Castilië, en ter wiens verheerlijking zij zangen dichtten, waarin
hij wordt voorgesteld als de strijder, die Roland bij Roncevalles
versloeg aan het hoofd van een zegevierend leger, dat niet uit
Arabieren of Baskiërs, maar uit Castilianen was samengesteld.

DE CANTARES DE GESTA.
Maar al namen de Castilianen de inhoud van de chansons niet aan, den
vorm namen zij wél over. Hun tegenzin tegen de uitheemsen geest en
de strekking van de chansons schijnt te zijn ontstaan enige tijd
nadat zij door geheel Spanje verspreid waren. Een Spaansch priester
uit het begin der twaalfde eeuw schreef de wonderbaarlijke kroniek van
Aartsbisschop Turpinus van Rheims; het moest de levensbeschrijving
voorstellen van die krijgshaftige geestelijke, maar de werkelijke
bedoeling was, aan te sporen tot bedevaarten naar Compostella, waarvan
in het geschrift sprake was. Vele Franken trokken naar deze heilige
plaats, onder wie Troubadours, die naar alle waarschijnlijkheid den
geest en de metriek van de chansons brachten tot de Castiliaanse
zangers, zodat wij later horen van Spaanse Cantares de gesta,
waarvan echter de meeste, in tegenstelling met hunne Franse
voorbeelden, voor ons verloren zijn gegaan. De beroemde Poema del Cid,
handelende over de krijgsverrichtingen van een groot Castiliaans
held, is in vorm en geest het type van een Cantar de gesta, en wij
mogen op goede gronden aannemen, dat vele van de latere romanceros
of balladen over helden als Bernaldo de Carpio, Gonzalvo de Cordova
en Gayferos, oude cantares zijn, omgewerkt en vervormd door de tijd.
Evenals in Frankrijk, verloren in Spanje de Cantares de gesta
hun aanzien. In de loop der tijden werden zij verdrongen naar
marktplaatsen en herbergen. Van verscheidene werd de stof verwerkt in
kronieken, maar de Juglares, die ze nu zongen, maakten er, wanneer
ze ouderwets werden, slechte uittreksels van, of vervormden ze
tot balladen, om ze geschikt te maken voor de smaak van een minder
beschaafd publiek. [13]

DE KRONIEKEN.
Maar al kunnen wij het merendeel van de Cantares de gesta niet meer
in hun ouden vorm terugvinden, gedeelten ervan komen voor in de oude
kronieken van Spanje. Zo vertelt de Algemene Kroniek van Spanje
(c. 1252), waarvan wij, op grond van de laatste onderzoekingen,
mogen aannemen, dat zij tenminste drie veranderingen of bewerkingen
van de tekst heeft ondergaan, het leven van Bernaldo de Carpio,
Fernán González, en de zeven kinderen van Lara; zij geeft korte
vertellingen over Karel de Grote, terwijl het laatste gedeelte de
geschiedenis van de Cid verhaalt, en er zo nu en dan zelfs verwezen
wordt naar de Cantares als de bron van een of ander relaas. Daarenboven
zijn verscheiden gedeelten van de Kronieken klaarblijkelijk in hun
geheel overgenomen uit zekere Cantares. De omstandigheid, dat zij hun
oorspronkelijke onberijmde doch metrische vorm hadden behouden,
maakte het de latere ballade-dichters gemakkelijk, ze weder om te
werken tot verzen. Dit is o.a. geschied met de Kronieken van Bernaldo
de Carpio en de Kinderen van Lara, en in dezen nieuwen vorm vinden
wij ze terug in de cancioneros of bundels Volkszangen.

DE BALLADEN.
De onsterfelijke balladen van Spanje zijn het onderwerp geweest van een
felle strijd, en hun belangrijkheid noopt ons, er een afzonderlijk
hoofdstuk aan te wijden. Het tijdperk waartoe zij behooren in
aanmerking genomen, en hunne verhouding tot de grotere verhalende
gedichten, kunnen wij ze hier niet al te uitvoerig behandelen. Volgens
sommige autoriteiten zijn zij van nog ouderen datum dan verzen als de
Poema del Cid en Kronieken als van Alfonso de Wijze, terwijl anderen
als hunne vaste overtuiging te kennen geven, dat het grootste gedeelte
der ballades uit een latere tijd stammen. Het schijnt mij toe, dat er
waarheid schuilt in beide veronderstellingen, en dat het hier zoals
dikwijls in de letterkundige zeevaart, verstandig is, de middenkoers
te houden. Volgens mijne opvatting zijn er vier verschillende typen
van Spaanse balladen:
1. die welke spontaan ontstonden in het Noorden van Spanje, enige
tijd nadat de Castiliaanse taal gevormd was, en die, wanneer wij
er al enige overblijfselen van bezitten, waarschijnlijk zóó totaal
veranderd zijn, dat zij, die ze het eerst gezongen hebben, ze zelf
niet meer zouden herkennen;
2. balladen, die als kronieken uit de Cantares de gesta zijn
overgenomen;
3. volksballaden uit latere tijd, meer of minder veranderd;
4. de modernere voortbrengselen van een bewuste kunst.
Ik geloof, dat de balladen of romanceros weer verdeeld moeten worden
in twee soorten: die, welke spontaan uit het volk zijn voortgekomen,
zonder letterkundige basis, en die, welke eigenlijk Cantares de gesta
of gedeelten uit kronieken zijn, die in de loop der tijden een ander
uiterlijk hebben gekregen. Ik ben met de meeste onderzoekers van de
oude Spaanse literatuur van mening, dat de Cantares of Kronieken
niets hebben overgenomen van de balladen uit eenig tijdperk, die, naar
ik stellig geloof, slechts een volksuiting zijn. Natuurlijk omvatten
deze twee soorten niet de meer »poëtische« of vervalste balladen, die
geschreven werden, nadat de ballade een erkende vorm voor proefnemingen
op het gebied van bewuste dichtkunst was geworden; het is duidelijk,
dat deze soort in geen der beide klassen kan worden ondergebracht.
Wij bezitten geen stellige aanwijzing omtrent de mate van vervalsching
of verandering, die de balladen ondergingen, voordat zij verzameld en
uitgegeven werden. Het zou echter vreemd zijn, wanneer geen balladen
uit de vroegsten tijd tot ons waren gekomen, zij het dan ook in
veranderden vorm, en het lijkt mij een even overdreven uiting van
zucht tot kritiek, wanneer men de oudheid zou ontkennen van een lied,
alleen omdat het eerst in een later tijdperk gedrukt werd, of omdat
men het nooit in oude manuscripten heeft aangetroffen, als wanneer men
zou twijfelen aan de oudheid van een legende of een volksgebruik, op
grond van het feit, dat deze in onze dagen nog gangbaar zijn, tenzij
men hun ontstaan in een latere periode zou kunnen bewijzen. Toch
schijnt het mij toe, dat weinig van deze balladen ouder zijn dan
bijv. die van Schotland of Denemarken.
Weinig balladen van Europa zijn meer waard bestudeerd te worden dan
de Spaanse. Maar op deze plaats kunnen wij haar slechts beschouwen
in hare verhouding tot de Romance. Dat zij nauw verwant is aan de
romantische literatuur van het Schiereiland, zien wij reeds dadelijk
aan de naam, die de Spanjaarden aan deze gedichten hebben gegeven,
nl. Romanceros. [14] Sommige ervan zijn eigenlijk slechts in naam
romances of Cantares de gesta, doch inderdaad behandelen zij alle
onderwerpen, die in de Cantares bezongen zijn, of in de Kronieken
beschreven, zoals de Cid, Bernaldo de Carpio, Graaf Alarcos
enz. Zij schijnen echter weinig gemeen te hebben met de latere,
werkelijke romance, zoals Amadis, Palmerin of Felixmarte, en wel,
omdat in de tijd, toen deze in de mode waren, de ballade reeds het
eigendom geworden was van het volk. Zoals de markies van Santillana
(1398-1458), die zelf een verdienstelijk dichter was, opmerkte in
een brief, die beroemd is geworden om het licht, dat hij werpt op
den toestand van de Spaanse letterkunde van die tijd: »Er zijn
verachtelijke dichters, die zonder systeem, methode of maat van die
liederen en romances maken, waarin het gemeene volk behagen schept.«
Zo zouden Lovelace of Drummond of Hawthornden hebben kunnen schrijven
over de Engelse balladedichters.
Waar de balladen dus waren overgelaten aan de boeren en de
arbeidersklasse, daar waren de hogere standen, die tijd tot lezen
hadden, aangewezen op de Kronieken en de enkele Cantares de gesta,
die op schrift waren gebracht. Maar als gevolg van de vernietiging der
Moorse staten in Spanje, van de toenemende rijkdom onder de hoogere
standen en de uitvinding der boekdrukkunst, ontstond een meerdere
vraag naar gedrukte boeken, die in de behoefte naar ontspanning
zouden voorzien. Een grote scheppingsdrang ontwaakte. Eerst werd
de romantische stof, die als het ware versteend en begraven lag in
de Kronieken, tot nieuw leven gewekt. Voor sommige dezer gedichten
was het slechts een kleine stap naar de eigenlijke romances. Maar
Spanje snakte naar iets nieuws, en in het begin der vijftiende eeuw
wendden de romancedichters hunne ogen opnieuw naar Frankrijk, welks
onuitputtelijke bron van geestelijken rijkdom hun een overvloed van
romantische stof begon te verschaffen.

DE BLOEITIJD VAN DE ROMANCE.
Misschien zijn de eerste gegevens, die wij bezitten over de echte
Spaanse Romance, die van Ayala, Kanselier van Castilië (1407),
die zich in zijn Rimado de Palacio beklaagt over de tijd, die hij
verspilde met het lezen van zulk een »leugenachtig prul« als Amadis
de Galliër. Hij zou zijn tijd slechter hebben kunnen besteden, maar
hoe het zij, door zijn uitspraak krijgen wij een denkbeeld van den
machtigen indruk, die deze soort van romance op de Castiliaansen
geest maakte, die in plaats van zich tevreden te stellen met het
slaafs nabootsen van het Franse voorbeeld, het herschiep in iets
zuiver Spaans. In geen enkel ander land van Europa vond het zaad
van de Romance zulk een geschikte bodem om te ontkiemen en zich te
ontwikkelen, en zeker gaf het nergens zulk een bijna tropische weelde
en overdaad van bloem en vrucht.
Amadis werd gevolgd door een lange rij van dergelijke verhalen,
die de lezer alle in dit boek zal ontmoeten. Het wordt algemeen
erkend door de critici, te beginnen met Cervantes, als de beste en
belangrijkste van de Spaanse Romances, en het werd vertaald in het
Frans, het Italiaans en de meeste Europese talen; zelfs werd
er, naar men zegt, een speciale vertaling van gemaakt voor Joodsche
lezers. Met één slag had de Spaanse Romantiek de Franse ridderlijke
fantasie overwonnen op haar eigen terrein. Maar Amadis was niet,
zoals Cervantes schijnt te meenen, het eerste ridderverhaal, dat in
Spanje gedrukt werd. Want deze onderscheiding komt Tirante de Witte
toe (1490), dat volgens Southey geen ridderlijken geest ademt. Onder
anderen maken wij hierin kennis met Warwick de Konings-maker, die
met goed gevolg een inval in Engeland door de Koning der Canarische
Eilanden afslaat, en ten slotte geheel alleen de overrompelaar doodt
en zijn krijgsmacht op de vlucht jaagt. Maar al vergist Cervantes zich
in zijne bibliografie, de verklaring van zijn barbier, dat »Amadis
het beste is van alle boeken, die in deze soort geschreven zijn,« is
niet ver van de waarheid. [15] Tasso beschouwde het als »het mooiste
en misschien ook het leerzaamste verhaal in zijn soort, dat men kan
lezen.« Gaf hij slechts het oordeel weer van de kritischen scheerder,
zoals men wellicht uit zijn taal zou kunnen opmaken?
Amadis werd gevolgd door een menigte van dergelijke gedichten. Door
het buitengewone succes bij het publiek, ontstond er een heele
literatuur van gelijke strekking en karakter, zij het ook niet van
gelijke waarde. De eerste van deze letterkundige voortbrengselen
was Palmerin de Oliva, waarvan de eerst bekende uitgave in 1525 in
Sevilla verscheen, en die, evenals de Amadis, weer gevolgd werd door
soortgelijke gedichten, zoals Primaleón, Platir en Palmerin van
Engeland, misschien wel het beste van deze reeks.
Men neemt als vaststaand aan, dat Amadis en Palmerin van Portugeesen
oorsprong zijn, en ik zal hierop later terugkomen; maar ik wil hier
slechts vermelden, dat er geen Portugees origineel bestaat, noch
gedrukt, noch in manuscript. Maar deze romances werden zóó zuiver
Castiliaans als de Arthur-legenden Engelsch werden, ondanks hun
vreemden oorsprong; en Spaansch zijn zij gebleven, zowel voor het
volk als voor de critici van geheel Europa.
De Palmerin-reeks wakkerde slechts de hartstocht voor Romantiek aan,
en Spanje snakte zóó naar een letterkundig voedsel, dat geschikt leek
voor zijne behoeften, dat zij, die trachtten het publiek te voorzien
van romantische lectuur, nauwelijks in staat waren, een voldoende
hoeveelheid ervan te leveren. Het natuurlijk gevolg hiervan was een
stroom van haastig geschreven minderwaardige verhalen. De fantasie,
die eerst alleen maar gewaagd was, werd nu schaamteloos, en het toppunt
werd in dit opzicht bereikt in uitingen van een ongezonde verbeelding
als Belianis van Griekenland, Olivante de Laura, en Felixmarte van
Hyrcania. Maar ofschoon de meeste van deze voortbrengselen onzinnig
waren en beledigend voor het menselijk intellect en de goeden
smaak, vonden zij toch ontelbare lezers, en alles wijst er op, dat
het beroep van uitgever in het Spanje van de zestiende en zeventiende
eeuw buitengewoon voordeelig moet zijn geweest. Deze flauwe verhalen,
die de schoonheid, de ware fantasie en de eenvoud misten van de
andere romances, stonden tot deze in dezelfde verhouding als een
menigte romans, uitgegeven in het begin der negentiende eeuw, tot die
van Scott, die zij trachtten na te bootsen. Mexia, de sarcastische
geschiedschrijver van Karel V, verbaast zich in zijn verhandeling over
de Romance (1545) over de onnozelheid van een publiek, dat zich met
zulk een flauwe kost bezighoudt; »want«, zegt hij, »er zijn mensen,
die geloven, dat al die dingen werkelijk gebeurd zijn, ofschoon het
grootste gedeelte ervan onmogelijk is.« Zo zou een criticus van onze
dagen kunnen spreken over de voorkeur van het grote publiek voor de
goedkope romans, of de minderwaardige sensatie-lectuur, artikelen,
die in het groot worden gefabriceerd door de al te vlugge machines
van de »Vernuft-Onderneming«.
Een andere merkwaardige en nog minder sympathieke uiting van
het verlangen naar romantiek bij het Spaanse publiek, waren de
godsdienstige verhalen als De Hemelse Ridderschap, De Ridder van de
Heldere Ster, en andere minderwaardige producten, waarin Bijbelse
figuren zijn bekleed met ridderlijke eigenschappen, en op zoek gaan
naar avonturen. De tijd, waarin al deze verschillende typen der
Spaanse Romance elkander opvolgden, was merkwaardig kort. Maar
er verliep een halve eeuw tussen het verschijnen van Amadis en de
allerlaatste van zijne waardeloze imitaties. Het is niet moeilijk een
verklaring te vinden voor de vlugge fabricatie en verspreiding van zulk
een hoeveelheid goede en slechte lectuur. Wanneer wij bedenken, dat
Spanje sedert eeuwen het land was geweest van de ware ridderlijkheid,
dat zijn fantasie sterk ontwikkeld was in een langdurige strijd
met zijne heidense vijanden, en dat het, in de ridderverhalen, die
het nu met zulk een grote bewondering las, de afspiegeling vond van
zijn eigen hoffelijken en heldhaftigen geest–den fijnstbesnaarden
en ridderlijkste geest van Europa.

EEN MOGELIJKE Moorse INVLOED OP DE Spaanse ROMANCE.
Er zijn bewijzen te over, dat de eeuwenlange strijd op leven en dood
met de Saracenen, een geweldigen invloed heeft uitgeoefend op de
Spaanse romantische verbeelding. Maar was die invloed van directen
aard, en het gevolg van een voortdurend contact met de Mooren, of kwam
hij voort uit de atmosfeer van betovering, die de Saraceen in Spanje
achterliet, een betovering, die nog versterkt werd door de wonderen
van zijn architectuur en zijn kunst? Er bestaat bijna geen Spaanse
romance, waarin de Moor niet beschreven wordt als een caballero en een
waardig vijand. Maar is het de werkelijke Moor, die wij ontmoeten in
deze lijvige boekdelen, die naast onze moderne boeken statige galeien
lijken in gezelschap van visscherspinken; of is het de Saraceen der
verbeelding, een Oosterling, door de fantasie geschapen, zoals de
Turk in de werken van Byron? Het vraagstuk van de invloed der Moorse
literatuur op de Spaanse romance is vertroebeld door een ongelukkig
wanbegrip van het publiek. Laat ons dus even de aard onderzoeken van
de Arabische letterkundige scheppingen, en nagaan, in hoeverre deze
in staat waren, de Castiliaanse kunst en fantasie te beïnvloeden.
De geschiedenis van de ontwikkeling van het Arabisch uit het dialect
van een zwervende woestijnbevolking tot een taal, waarvan de schoonheid
en dichterlijkheid wellicht ongeëvenaard zijn, is op zichzelf
belangrijk genoeg, om een geheel boekdeel over een romantisch tijdperk
te vullen. De vorm, waarin het Arabisch voor het eerst in Spanje
optrad in het begin der achtste eeuw, moet de bewondering opwekken
van iedereen, die belang stelt in letterkundige volmaaktheid. Het
ontwikkelde zich in zeer korten tijd als letterkundige taal en
handhaafde zich als zodanig. Het was, alsof de tonen van een harde
trompet langzamerhand waren opgenomen in die van een zilveren klaroen,
waarvan de tonen zelfs nog helderder klinken, totdat zij tenslotte zulk
een graad van scherpte bereiken, dat het oor er pijnlijk door getroffen
wordt. Deze rijke taal, de ware taal van de letterkundigen aristocraat
is, doordat zij zo lastig te leeren is, en door de moeilijkheid van
hare lettertekens, bij de grote massa van Europeanen zo goed als
onbekend, ook al, omdat er bij vertaling zoveel verloren gaat van
hare fijnere schakeringen. Zelfs bij het grootste gedeelte van de
Arabieren in Spanje, waren de fijnbesnaarde verzen, waaraan hunne
letterkunde zo rijk was, onbekend. Hoeveel verder moesten zij dan
wel niet afstaan van de Castiliaan of de Cataloniër?

ARABISCHE DICHTKUNST.
De omstandigheid, dat de Arabieren, toen zij nog een onbeschaafd volk
waren, in de woestijn leefden, was niet gunstig voor het bereiken van
een hoge trap van letterkundige bekwaamheid, maar zij bevorderde
wel de ontwikkeling van hunne aangeboren opmerkingsgave, die hen een
schat van synoniemen deed vinden, waardoor hunne taal zeer verrijkt
werd. De vondst van synoniemen en van mooie en treffende vergelijkingen
moeten beschouwd worden als de eerste voorwaarde voor een bloeiende
dichtkunst, en gedurende een eeuw in het tijdperk der Moorse
overheersing in het Oosten, zien wij de schitterende dynastie van
de Abbassiden (circa 750) optreden als beschermers van een dichtkunst,
die door de rijke Arabische taal zo gemakkelijk tot uiting kwam.
Vertellen was altijd een geliefkoosde bezigheid geweest van
de Arabieren in de woestijn, en nu kwam deze edele, ongedwongen
oefening van de fantasie hun goed te pas. Wij kunnen ons geen juiste
voorstelling maken van de snelheid, waarmede de Arabische letterkunde
in die tijd tot bloei kwam. De dichtkunst, die tegenwoordig geen
»marktwaarde« meer heeft, was toen voor de waarlijk ontwikkelde hoogere
standen een noodzakelijke levensbehoefte, kostbaarder dan de balen
zijde van Damascus, de juweelen van Samarkand, of de reukwerken van
Syrië, waarvan hunne legenden vol zijn, zoals de muren van Aladins
paleis overdekt zijn met toverachtige edelstenen. Maar voor de
Arabieren waren woorden inderdaad juwelen. Toen Al-Mamoun, de zoon
van Haroun-al-Raschid, zijne vredesvoorwaarden dicteerde aan den
Griekse keizer Michael de Stamelaar, was de cijns, die hij van
zijn overwonnen vijand eischte, een verzameling manuscripten van de
beroemdste Griekse schrijvers. Een eis, de heerscher over een
volk van dichters waardig!
Maar het veroverde Spanje was vóór alles de zetel en het middelpunt
van Arabische dichtkunst en wetenschap. Cordova, Granada, Sevilla–ja,
eigenlijk alle steden van het Schiereiland, die door de Saracenen
bezet waren, betwistten elkander de roem van hunne scholen en
onderwijsinrichtingen, hunne bibliotheken en andere centra voor den
geleerde en de kunstenaar.
De zeventig bibliotheken, die in de twaalfde eeuw in Moorsch Spanje
bestonden, maakten Europa, met zijn gebrek aan ontwikkeling, te
schande, en in die tijd was het veel meer Arabië dan het vervallen
Rome, dat Europa weer nieuwe beschaving bracht. Het Arabisch
werd niet alleen de letterkundige taal, maar ook de spreektaal van
duizenden Spanjaarden, die in het Zuiden onder Moorse heerschappij
leefden. Zelfs werd in het midden der achtste eeuw de Heilige Schrift
in het Arabisch vertaald voor de talrijke Christenen, die geen andere
taal kenden. De colleges en universiteiten, die door Abderahman
en zijne opvolgers gesticht waren, werden bezocht door een grote
menigte Europese geleerden. Zo was het, behalve de dichtkunst,
ook de kennis en de filosofie van de Saracenen, die van groten
invloed waren op de geestelijke vorming van Europa. Wanneer wij echter
dieper doordringen in het vraagstuk van deze merkwaardige beschaving,
dan zullen wij ontdekken, dat Europa nog meer te danken heeft aan de
Spaanse Joden dan aan de Mooren zelf.
De vorm van Arabische cultuur, waarin wij voornamelijk belangstellen,
is hare dichtkunst, in verband met de invloed, die deze gehad heeft
op de Spaanse letterkunde. De dichtkunst van dit zeer begaafde volk,
dat zo rijk was aan verbeeldingskracht, had op het oogenblik van
hare komst in Spanje zeker wel haar hoogtepunt bereikt. Haar warme
en zinnelijke geest was wel in zeer grote tegenstelling met de meer
stemmige en ingetogen Griekse en Romeinse verzen, die door de
Arabieren koud en vormelijk werden genoemd, en niet de moeite waard,
vertaald te worden. Het overtrof alles, wat tot nu toe verschenen
was, in gewaagde en overdreven uitingen, in beeldspraak en gelovene
gevoelens. De Arabische dichter stapelde het ene beeld op het
andere. Hij was niet in staat in te zien, dat men door overlading
te kort kan doen aan de schoonheid van iets, dat uit zichzelf reeds
waarlijk schoon is. Verscheidene critici hebben het nodig gevonden,
ons gerust te stellen, wat zijn oordeel en onderscheidingsvermogen
betreft. Maar reeds bij een oppervlakkige kennismaking met de
Arabische literatuur, zien wij, dat de dichter werd meegesleept door
zijn grote liefde voor het onderwerp, dat hij beschreef. In den
tuin van de Arabische dichter is elke bloem een juweel, elk stukje
grond een kostbaar Perzisch tapijt, en elk meisje een engel uit het
Paradijs, wier lichamelijke eigenschappen ieder op zichzelf weder het
onderwerp worden van gloeiende dichtregels. Het voortdurende gebruik
van synoniemen en van de overtreffende trap, de overdrijving in
de uitingen hunner liefde, en het dikwijls geheel ontbreken van een
strekking en van die wijdlopige bespiegelingen, waarin de dichters
van het Westen hunne tijdgenoten geleerd hebben, filosofische
vraagstukken voor zichzelf op te lossen–dat waren de zwakheden van
de Arabische zangers. Zij stelden een korte spreuk in de plaats van
een verhandeling. Zij begrepen niet, dat de dichtkunst niet slechts
vermaak beoogt, maar ook een middel is van grote opvoedkundige waarde.
De waarachtige liefde voor de natuur schijnt de Arabier evenzeer
te hebben ontbroken als de Griek en de Romein. Hij hanteerde zijn
onderwerp met evenveel zorg als een juwelier. Het schilderen van
een lelie was hem niet genoeg; hij polijstte haar, totdat het een
voortbrengsel uit een goudsmidswinkel geworden scheen. Voor hem was
de natuur niet iets, dat verbeterd, maar dat overtroffen moest worden,
een diamantmijn, waaruit elke steen geduldig moest worden geslepen.
Maar het zou onbillijk zijn, de fantastische literatuur der Arabieren
een belangrijke plaats onder de kunstuitingen te ontzeggen. Wij kunnen
het slechts betreuren, dat hun, door verschillende omstandigheden,
de gelegenheid niet werd geboden, hunne gaven in de goede richting te
ontwikkelen. Wanneer wij de geschiedenis lezen der Arabische staten,
met hun hoog ontwikkelde beschaving, hunne druk bezochte academies,
en hunne ver reikende macht, die zich uitstrekte van Centraal-Azië tot
aan de Westelijke havens van de Middellandse Zee, en wij wenden ons
dan naar de plaatsen, waar dit alles bloeide, dan moet het ons wel
zeer aan verbeeldingskracht ontbreken, wanneer wij niet onder den
indruk komen van het totale verval, waaraan deze streken ten prooi
zijn geworden. Het grote, naijverige en moedige ras, dat deze landen
heeft overwonnen en beheerst, heeft de volkeren voor zijne poorten
verzameld, en de onbeschaafde bewoners van Europa zetten zich neder aan
zijne voeten, om te luisteren naar zijn toverachtige verhalen en de
Openbaringen der Wetenschap, die van zijne lippen vloeiden. Het volk,
dat uit de woestijn gekomen was, keerde weer tot de woestijn terug.
Waar ééns, in Djamschids fonkelend paleis
De jonge Houri’s dansten bij de klank der luit,
Daar dwaalt de wilde ezel, kind van de woestijn;
En op het graf van Barlaam jaagt de leeuw naar buit.

DE MOORSE »MODE« IN DE SPAANSE ROMANCE.
Van Moorse grootsheid van gedachte en diepte van gevoel, vinden
wij weinig in de Spaanse letterkunde, tenminste tot aan het begin
der vijftiende eeuw. Hare eigenschappen waren beslist, zo nu en dan
zelfs hinderlijk, Europees, hetgeen verklaard moest worden uit
haar oorsprong. [16] Maar het schijnt, dat met de Castiliaanse
bezetting van de Moorse gedeelten van Spanje, de atmosfeer, die
de Saraceen had achter gelaten, groten invloed uitoefende op den
Spanjaard, die zijn ouden vijand schijnt te hebben omgeven met een
stralenkrans van romantiek, en voor wiens fijne beschaving, waarvan
de bewijzen zo ruimschoots voorhanden waren in zijn architectuur en
andere kunstuitingen, hij zulk een diepe bewondering had. Wanneer
onze gevolgtrekkingen juist zijn, moet er ongeveer in die tijd
een Moorse »Mode« in de Spaanse letterkunde zijn opgetreden,
zoals er in Engeland een hartstocht ontwaakte voor alles wat
Oosters was, ten tijde van Byron en Moore, toen de Engelsen
in de Levant begonnen te reizen. Maar deze mode was voornamelijk
pseudo-Saraceensch, niet beïnvloed door letterkundige voorbeelden,
en meer het indirect gevolg van atmosfeer en de kunstuitingen dan van
het persoonlijk contact met de bevolking. Lang vóór de vijftiende eeuw
echter, met hare manie voor alles wat Moorsch was, had de Arabische
geest al ingewerkt op de Spaanse letterkunde, zij het ook slechts
in geringe mate en onbewust. Wat echter de uiterlijke vormen van de
Spaanse letterkunde betreft, deze hadden, noch in proza, noch in
poëzie, iets van de Moorse overgenomen, en dit is voornamelijk
het geval met de assonanten, die de Castiliaanse dichtkunst
kenmerkten, een prosodie, welke gevonden wordt in de gedichten
van alle Romaanse talen uit vroegere tijden. De Mooren schijnen
echter de balladen van de Spaansch-Moorse grensbewoners naar hunne
behoeften te hebben veranderd, voornamelijk die, welke betrekking
hebben op het verlies van Alhamia. Zij zijn in ieder geval gebaseerd
op Moorse legenden. Sommige duffe geleerden, zoals de Markies
van Santillana, hanteerden de Arabische versvorm zoals Swinburne
de Franse rondeau, of Dobson de ballade, of zoals droogstoppels
aan de Engelse universiteiten in Griekse hexameters schrijven,
waarbij zij, uit bewondering voor het uitheemse en diepzinnige,
de onbegrensde mogelijkheden over het hoofd zien, die hun eigen
taal hun biedt. Dit maakwerk, waarmede vele letterkundigen uit
alle tijden zich hebben beziggehouden, had niet meer invloed op den
groten stroom van Castiliaanse literatuur, dan dergelijke pogingen
plegen te hebben op de letterkundige oogst van een land. Sommige
van de populaire Coplas, of coupletten, schijnen echter rechtstreeks
uit het Arabisch te zijn vertaald, hetgeen niet te verwonderen is,
wanneer wij denken aan het grote aantal mensen van gekruist ras,
dat in het midden der zeventiende eeuw Spanje bewoonde. Het staat ook
vast, dat Arabisch de spreektaal was van duizenden Christenen in het
zuiden van Spanje. Maar het blijkt meer en meer, dat het een ernstige
tegenstander had in het Spaansch, een tegenstander, die het Arabisch
even hardnekkig bestreed als de Spanjaard het de Moor deed. [17]
Misschien is wel de beste maatstaf voor het verval van het
Arabisch als spreektaal in Spanje het feit, dat de schrijvers van
verscheidene romances beweren, dat het slechts vertalingen uit
het Arabisch zijn–meestal de scheppingen van Moorse tovenaars
en sterrenwichelaars. Deze beweringen kunnen gemakkelijk worden
weerlegd. Maar wanneer wij dit vraagstuk objectief beschouwen, moeten
wij erkennen, dat de Spaanse literatuur zich evenmin kon vrijhouden
van Arabische invloed, als dit het geval was met de Spaanse muziek,
de architectuur en het handwerk. Al deze invloeden waren echter
ongetwijfeld van latere datum en wat de romances betreft, was de
invloed meer »geestelijk« dan »materieel.« Christelijk Spanje had
gedurende achthonderd jaar de Saracenen van zich af weten te houden
en toen het tenslotte erin toestemde uit de Saraceenschen beker te
drinken, vulde het die met Spaanse wijn. Maar de uitheemse drank,
die dezen beker vroeger tot de rand toe vulde, had de geheimzinnige
geur en smaak van het Oosten erin achtergelaten, wel is waar zwak,
maar toch onmiskenbaar.

HET TYPE VAN DE Spaanse ROMANCE.
Het beste type van de Spaanse Romance is dat, waarin de geest van
het wonderbaarlijke vermengd is met de geest van ridderlijkheid. Het
oude Spanje met zijn grootse opvattingen van eer, zijn fijn gevoel
voor hoffelijkheid en zijn aangeboren fantasie, was als het ware de
smeltkroes, waarin de elementen voor de romance gemengd werden. De
eigenaardigheden van klimaat en omgeving droegen er ruimschoots
toe bij, de sprookjes, waarvan de Spaanse geschiedenis wemelde,
te onderhouden; en bovenal had het Spaanse volk een levendige
belangstelling in de daden der ridders, zoals dat in geen enkel ander
land van Europa het geval was. De Spanjaard droeg de kentekenen
der ridderlijkheid op waardiger wijze dan de Fransman of de
Engelsman; het was zijn natuurlijk gewaad, en hij droeg het met
een gratie, een ernst en een gevoel voor betamelijkheid, die niet te
overtreffen waren. Wanneer hij ontaardde in een Don Quixote, dan was
dit tengevolge van de grote toewijding, waarmede hij zich aan zijn
ridderleven gegeven had. Hijzelf was de eerste, die er om lachte,
toen hij bemerkte, dat zijn riddermanieren en zijn pantser veranderd
waren, maar zelfs de klank van die lach was edel, en het boek, dat
dien lach opwekte, heeft minstens zoveel harten voor het romantisme
gewonnen als het ontgoochelde.
De geschiedenis van de Spaansen strijd is een verhaal van
ridders, van strijders met een bijna bovenmenselijke eerzucht
en uithoudingsvermogen; van machtige stichters van koninkrijken,
grote hervormers van de wereldkaart, die, gesteund door een handjevol
getrouwen, in Valencia, Mexico, Italië of Arancanië, de fabelachtige
daden van Amadis of Palmerin voorbijstreefden. In latere tijden zond
het ijzerland Castilië oorlogsschepen uit, om zijne banieren over
de onmetelijke zeeën te dragen naar de verst verwijderde gedeelten
der aarde. Wat bewoog hen, te leven en te sterven in het harnas,
omgeven door gevaren, groter dan de tooverkunsten van kwaadwillige
tovenaars, of de avonturen, die de dolende ridders ontmoetten, die
op zoek waren naar geheimzinnige kastelen? Wat hield hen staande in
hun leven van voortdurenden strijd, ontbering en doodsgevaar? Kunnen
wij er aan twijfelen, dat de heldenverhalen van hun Vaderland hen als
met tooverkracht bewogen en bezielden, dat, wanneer zij ten strijde
trokken, de verre klanken van het krijgsgeweld der helden uit de oude
romances in hunne ooren schalden, zoals een fanfare uit de trompetten
van herauten bij een toernooi?
En toen wij rustten ons ten strijd,
Toen zong ons hart van zaligheid,
Wij hoorden ’t krijgsgetier.
Bij ’t denken aan Orlando’s smart
Aan Felixmarte’s ridderhart
En de dood van Olivier.

HOOFDSTUK II. DE »CANTARES DE GESTA« EN DE »POEMA DEL CID«.
Als in de hoge koningszaal
De ridders en jonkvrouwen bij het maal
Een kostelijk lied verlangen,
Dan komt des minstreels schone tijd,
Hij zingt van ridders en woesten strijd
En zijn gelovene minnezangen.
Wij hebben reeds gesproken over de Fransen oorsprong van de Cantares
de Gesta; hun naam reeds verraadt hunne Gallische afkomst. Maar
wij moeten nog eens duidelijk in het licht stellen, dat de Cantares
spoedig hun Noordelijk gewaad hebben verwisseld voor de Castiliaanse
kleederdracht. Sommige landen bezitten zulk een uitgesproken eigen
karakter, zulk een gemakkelijkheid, het eigen stempel te drukken
op wat hen omringt, dat alles, stoffelijk zowel als geestelijk,
wat over hunne grenzen binnenkomt, van uiterlijk verandert en wordt
omgetooverd, zodat het in korten tijd zich volkomen heeft aangepast
aan zijne nieuwe omgeving. Van deze toovergave schijnen Spanje, Egypte
en Amerika het geheim te bezitten. Maar verander het uiterlijk van
de Franse Chansons zoveel gij wilt, voor de kenner van dezen
dichtvorm zal hun oorsprong nooit twijfelachtig zijn. Ook kon de
aard van de scheppende en uitvoerende kunstenaars op dit gebied niet
voorgoed worden veranderd, zodat wij niet verwonderd behoeven te zijn,
wanneer wij in Spanje de Franse trouvères en jongleurs terugvinden
als trovadores en juglares. De trovador was de dichter, de schepper;
de juglar was slechts de zanger, de voordrager, ofschoon de grenslijn
tussen beiden niet scherp getrokken was. Sommige bijzonder begaafde
juglares waren ook de makers van de cantares, die zij zongen, terwijl
een onbetekenende trovador soms genoodzaakt was, de liederen van
anderen te zingen. Instrumentalisten of begeleiders waren bekend
onder de naam van juglares de péñola, ter onderscheiding van de
voordragers of zangers, de juglares de boca.

DE ZANGERS VAN HET OUDE SPANJE.
Met het optreden van de juglar werd er afstand gedaan van de Cantar,
want hij pleegde hem te veranderen en te besnoeien, langer of korter
te maken, naar zijn gevoel voor de behoeften en de smaak zijner
toehoorders het hem ingaf. Menigmaal trachtte hij de Cantar te gieten
in de vorm van een volkslied, wat het geheel niet altijd ten goede
kwam. Dikwijls was hij niet slechts vergezeld van een instrumentalist,
maar door een remendador of gebarenspeler, die zijn verhaal door
een stom spel toelichtte. Deze zonen van de luchtige kunsten waren
berucht om hun onverschilligheid voor het aardsche slijk en zij
leefden meestal van de hand in de tand. Een korst brood en een
beker wijn was hun voldoende, wanneer het geld schaarsch was. Nog
niet bezoedeld door de dorst naar goud, trokken zij van feestzaal
naar feestzaal, van kasteel naar kasteel, slechts denkende aan hun
zending–het verzachten van de zeden van een barbaarsche eeuw.
Gij lang gestorven broeders van de minnezangen,
Die voor uw loon een beker wijn en lof slechts hebt ontvangen,
Gij leeft nog voort in ’t hedendaagsche lied!
Maar deze eenvoudige toestand was niet blijvend. Met het toenemen van
den smaak voor de cantares, werden de trovadores en hunne trawanten,
zoals dat meestal pleegt te geschieden, begeerig naar de genietingen
van het leven, zich beroepende op de eeuwenoude bewering, dat de
uiterlijke kentekenen van de schoonheid het geboorterecht van den
kunstenaar zijn, en vergetende, hoe noodlottig het is, »te bezoedelen
met rijkdom en macht, de rijken en hemelschen geest van de dichter.«
Deze »geesten uit hooger sfeer« versmaadden helaas de goede gaven
niet. Koningen, prinsen en edelen overlaadden de trovador met
hunne gunsten, vleiden hem, door zijn kunst en zijn leven na te
bootsen, en voegden zichzelf bij hun gilde. Weinig mensen van
geest zijn zóó geschapen, dat zij een natuurlijke hooghartigheid
en heerschzucht volkomen kunnen onderdrukken. In die dagen schijnt
dichterlijke aanmatiging even veelvuldig te zijn voorgekomen als
militaire blufferij, en de trovadores, verwend en gevierd als zij
waren door vorsten en edelen, werden tenslotte onverdraaglijk in hunne
onbeschaamdheid en begeerigheid. Het land was overstroomd door echte
en zogenaamde zangers, wier levenswijze overal schandaal verwekte,
zelfs in een tijd, waarin men in dit opzicht niet kieskeurig was. Het
publiek kreeg genoeg van die eeuwige cantares en het getokkel op
één snaar. Het werd meer en meer gebruikelijk romances te lezen,
in plaats van ernaar te luisteren, en zóó kwam het voor, dat de
juglares langs de heirwegen van Spanje trokken en op de hoeken der
straten hunne liederen voordroegen in een toestand van verarming, die
vrij wat droeviger was te aanschouwen dan hunne vroegere gebrekkige,
maar toch eervolle omstandigheden.
Weinige van de oude Spaanse cantares zijn bewaard gebleven,
in tegenstelling met de meer dan honderd chansons, die Frankrijk
kan vertoonen. Maar wat ervan is overgebleven, is voldoende om ons
een duidelijk beeld te geven van het type. Zoals wij reeds vroeger
aantoonden, hebben wij onze bekendheid met meer dan één ervan te danken
aan de omstandigheid, dat zij werden opgenomen in de oude Kronieken
van Spanje. Een uitstekend voorbeeld van dit proces van letterkundig
balsemen wordt ons gegeven door de wijze, waarop de cantar van Bernaldo
de Carpio werd ingebed in de betrekkelijk vervelende massa van de
Algemene Kroniek van Spanje, die in 1260 door Koning Alfonso den
Wijze werd samengesteld, en waar men dit gedicht zal kunnen vinden
in de hoofdstukken VII en XII van het derde deel. De dichterkoning
verklaart, dat hij zijne geschiedenis van Bernaldo heeft gegrond op
»Oude balladen« en in de geest, zowel als de vorm van zijn verhaal
van de legendarischen held kunnen wij de invloed van de cantar
duidelijk waarnemen.

DE GESCHIEDENIS VAN BERNALDO DE CARPIO.
Toen de jonge Bernaldo de Carpio de mannelijken leeftijd bereikt had,
was hij, zoals zoveel romanhelden, niet bekend met de omstandigheid,
dat hij van vorstelijken bloede was; want zijn moeder was een zuster
van Don Alfonso van Castilië en was in het geheim gehuwd met den
dapperen en edelen Graaf de Sandras de Saldaña. Koning Alfonso, diep
beleedigd dat zijn zuster iemand gehuwd had, die zo zeer haar mindere
in rang was, wierp de graaf in de gevangenis, waar hij hem van het
gezicht liet berooven, en sloot de prinses in een klooster op. Hun
zoon Bernaldo voedde hij echter zeer zorgvuldig op. Toen hij nog een
jongeling was, bewees hij zijn oom belangrijke diensten, maar toen
hij vernam, dat zijn vader in de gevangenis zuchtte, maakte een diepe
zwaarmoedigheid zich van hem meester, en hij stelde geen prijs meer op
de dingen, die vroeger zijn grootste vreugde uitmaakten. in plaats van
zich bezig te houden met dans en toernooi, kleedde hij zich in zwaren
rouw, en tenslotte begaf hij zich naar Koning Alfonso, en smeekte hem,
zijn vader de vrijheid terug te geven.
Alfonso was diep bewogen, toen hij bemerkte, dat Bernaldo bekend was
met zijne afkomst en de gevangenschap van zijn vader, maar zijn haat
voor de man, die zijne zuster veroverd had, was groter dan de liefde
voor zijn neef. Eerst gaf hij geen antwoord, en plukte aan zijn baard,
zóó verbluft was hij. Maar koningen zijn niet spoedig uit het veld
geslagen, en daar hij dacht, de zaak het vlugst van de baan te helpen
door een barsch antwoord, zei hij streng: »Bernaldo, als gij mij
lief hebt, spreek dan nooit meer over deze zaak, want ik zweer u,
dat uw vader, zo lang ik leef, de gevangenis niet zal verlaten.«
»Sire«, antwoordde Bernaldo, »gij zijt mijn Koning en kunt doen,
wat u goeddunkt, maar ik bid God, dat Hij u tot andere gedachten
moge brengen.«
Koning Alfonso had geen eigen zoon, en in een zwak oogenblik stelde
hij voor, dat Karel de Grote, de machtige keizer der Franken, hem
zou opvolgen. Maar zijne edelen verzetten zich tegen zijne keus,
en weigerden een Frank te erkennen als erfgenaam van de troon van
Christelijk Spanje. Toen Karel de Grote hoorde van het voorstel
van Alfonso, maakte hij zich op, om Spanje binnen te vallen, onder
het voorwendsel, de Mooren uit te roeien; maar Alfonso, die berouw
had van zijn voornemen, de kroon aan een vreemdeling na te laten,
verzamelde zijne troepen om zich heen, en sloot een bondgenootschap
met de Saracenen. Er werd een zware en hardnekkige slag geleverd
bij Roncevalles, waarin de Franken ten slotte verslagen werden,
voornamelijk door de behendigheid van Bernaldo, die met eigen hand
den beroemden ridder Roland doodde.
Koning Alfonso trachtte deze en de andere diensten van Bernaldo te
beloonen, maar deze wilde geen enkele gunst uit ’s Konings handen
ontvangen dan de vrijheid van zijn vader. Telkens weer beloofde
de koning het verzoek in te willigen, maar even dikwijls vond
hij een voorwendsel, om zijn woord te breken, totdat ten slotte
Bernaldo, bitter teleurgesteld, zijn bondgenootschap verbrak, en
zijn verraderlijken oom de oorlog verklaarde. De koning, die de
populariteit en de oorlogskunde van zijn neef vreesde, nam toen een
laffe krijgslist te baat. Hij verzekerde Bernaldo, dat zijn vader
in vrijheid zou worden gesteld, wanneer hij er in toestemde, het
grote kasteel Carpio aan hem af te staan. De jonge ridder gaf hem
ogenblikkelijk zelf de sleutels over en smeekte, dat zijn vader hem
dadelijk zou worden teruggegeven. Als antwoord wees de verraderlijke
Alfonso op een troep ruiters, die in galop naderden.
»Daar komt uw vader, Bernaldo«, zei hij spottend, »omhels hem.«
Bernaldo, zo luidt het verhaal, ging tot hem en kuste zijne hand. Maar
toen hij bemerkte, dat deze koud was en zijn kleur zwart, begreep hij,
dat hij dood was; en onder de indruk van zijn leed begon Bernaldo
luid te schreien en te jammeren, zeggende: »Helaas, Graaf Sandas,
ik ben in een kwaad uur geboren, want nooit was iemand zóó verlaten
als ik; want nu gij dood zijt, en mijn kasteel is weg, weet ik niet,
wat ik beginnen moet!« Sommige Cantares de Gesta vermelden, dat de
koning toen zei: »Bernaldo, het is nu geen tijd voor vele woorden,
en daarom beveel ik u ogenblikkelijk mijn land te verlaten.«
Met een gebroken hart, en volkomen vernietigd door dezen genadeslag,
wendde Bernaldo de teugels, en reed langzaam heen. En van die dag af
werd zijn banier niet meer in Christelijk Spanje gezien, noch werd
de echo van zijn hoorn tussen de heuvelen gehoord. Ongelukkig en
wanhopend nam hij dienst bij de Mooren. Maar zijn naam leeft in de
balladen en romances van zijn vaderland voort, als van een dapper
ridder, wie door het verraad van een leugenachtig en wraakgierig
Koning, groot onrecht is aangedaan.
Ofschoon de Cantares van Fernán González en de Kinderen van Lara ook
in de kronieken zijn opgenomen, heb ik er de voorkeur aan gegeven,
deze in het hoofdstuk over de ballades te behandelen, daar zij in
dien vorm het meest bekend zijn.

DE »POEMA DEL CID«.
Maar verreweg de meest volledige en eigenaardigste van de Cantares
de gesta is de beroemde Poema del Cid, die nog steeds zo genoemd
wordt, ondanks alles wat wij van de oorspronkelijke vorm weten. Dat
het een Cantar is, moet iedereen duidelijk zijn, die enigszins
bekend is met de Franse Chansons de gestes. Zoals zovelen der
Chansons-helden wordt de Cid het slachtoffer van de ondankbaarheid
zijns Konings, en wordt hij later weder in genade aangenomen. Wij
ontmoeten in het gedicht voortdurend de gebruikelijken zinsbouw
van de Chansons, en ook de atmosfeer van blufferige heldhaftigheid
versterkt de overeenkomst, die tussen beide bestaat. Er zijn ook
duidelijke bewijzen, dat de schrijver van de Poema, de Chanson de
Roland had gelezen of ervan had gehoord. Ik wil hiermede niet beweren,
dat hij dit gedicht omwerkte, of, wat nog erger is, plagiaat pleegde
ten opzichte van het grootse werk van Roncevalles, maar er bestaat
overeenkomst tussen verschillende kleinere gebeurtenissen, hetgeen
echter volkomen wordt goedgemaakt door de oorspronkelijke en bezielende
wijze, waarop het onderwerp behandeld is. De gedachte en de vorm
zijn typisch Spaansch; ook vertoont de taal geen Fransen invloed,
behalve, zoals reeds gezegd is, in de afgezaagde uitdrukkingen,
die de clichés zijn van het middeleeuwsche heldengedicht.

HET enige MANUSCRIPT.
Er is slechts één manuscript bekend van de Poema del Cid, het
handschrift van een zekeren Per of Pedro de Abt. Ongeveer in
het laatste kwartaal van de achttiende eeuw kreeg de koninklijke
bibliothecaris Sanchez door bibliografische nasporingen het vermoeden,
dat zulk een manuscript zou kunnen bestaan in de buurt van Bivar, de
geboorteplaats van de held van het gedicht, en hij slaagde erin, het
in dit dorp op te diepen. De datum onder aan het handschrift vermeldt
MCCXLV en de kenners zijn het niet eens over de beteekenis hiervan,
daar enkelen meenen, dat na de tweede C, waar iets is weggeschrapt,
met opzet een kleine ruimte is opengelaten en dat men moet lezen 1245
(1207 Gregoriaansche tijdrekening). Anderen geloven echter, dat de
juiste datum onder het manuscript 1307 is. Hoe het zij, het gedicht
zelf dateert in ieder geval uit het tijdperk tussen het midden van
de 12e en het midden van de 13e eeuw.

Het manuscript is in een vrij verminkten en beschadigden toestand. Het
begin en de titel zijn verloren gegaan, er mist een blad uit het
midden, en het einde is slordig bijgeplakt door een onbekwame
hand. Sanchez verklaart in zijn Poesias Castellanas anteriores al
Siglio XV (1779-’90), dat hij een afschrift heeft gezien, dat in 1596
gemaakt is en waaruit blijkt, dat het manuscript toen reeds dezelfde
onvolkomenheden vertoonde als nu.

DE SCHRIJVER ONBEKEND.
De persoonlijkheid van de schrijver van de Poema del Cid zal
waarschijnlijk wel eeuwig onbekend blijven. Misschien was het een
priester, zoals Ormsby veronderstelt, maar ik geloof eerder, dat het
een beroeps-trovador was. In Frankrijk waren de trouvères en niet de
geestelijken de scheppers van dergelijke gedichten, waarom zouden de
trovadores het dan niet in Spanje zijn? [18]
Dat de schrijver leefde in een tijd, niet lang na dien, waarin de
gebeurtenissen die hij verheerlijkte plaats grepen, is duidelijk;
waarschijnlijk ongeveer een halve eeuw nadat de Cid voor de laatste
maal zijn beroemd zwaard Colada uit de schede trok. Op grond van
verschillende plaatselijke toespelingen, die in het gedicht voorkomen,
heeft men uitgemaakt, dat hij geboortig was uit de Valle de Arbujuelo,
en een monnik was uit het klooster Cardeña, in de nabijheid van Burgos;
maar deze veronderstellingen berusten slechts op wat men uit het
gedicht heeft opgemaakt, en zijn niet veel waarschijnlijker dan het
vermoeden, dat hij een Asturiër zou zijn, omdat hij de tweeklank
ue niet gebruikt. Wij hebben echter goede redenen, aan te nemen,
dat hij in elk geval een Castiliaan was, en wel voornamelijk om zijn
heftigen politieken afkeer van het koninkrijk Leon, en alles, wat
daarbij behoorde. Dat Pedro de Abt slechts een copiïst was, blijkt
duidelijk uit de mishandeling van het manuscript, want ofschoon wij
hem het behoud van de Poema te danken hebben, wordt onze dankbaarheid
wel zeer getemperd door onze ontstemming over de wijze, waarop hij
zijn taak volbracht. Want de copie staat vol noodelooze herhalingen,
hij schrijft dikwijls twee regels door elkaar, en plaatst zo nu en
dan zelfs de inhoud van de éénen regel op de anderen, in zijn haast,
om van zijn werk af te zijn.

ANDERE CANTARES VAN de CID.
Dat er ook andere Cantares zijn, die van de Cid verhalen, weten
wij door de onderzoekingen van Señor Don Ramón Menéndez Pidal,
die bewezen heeft, dat één ervan is opgenomen in de oudste uitgave
van de Crónica General, waarvan blijkbaar drie exemplaren bewaard
zijn gebleven, dateerende uit verschillende tijdperken. Wij weten
nu ook, dat het gedeelte, waarvan hier sprake is, niet zoals men
vroeger meende, afkomstig is van de Poema zoals wij die kennen. De
gedeelten over de Cid in het tweede exemplaar van de Crónica zijn
ook overgenomen uit een anderen Cantar van de vereerden held, bekend
als de Crónica Rimáda, of Cantar de Rodrigo, dat waarschijnlijk het
werk was van een juglar uit Palencia, en blijkbaar een mengelmoes
van verschillende verloren Cantares over de Cid, zowel als van
andere Spaanse volksoverleveringen. Dit exemplaar dateert echter
uit een latere tijd dan de Poema en is vooral belangrijk omdat er
verscheiden overleveringen van de Cid en oude volksverhalen van
Spanje in zijn opgenomen.

DE MAAT VAN DE »POEMA DEL CID«.
Het heeft er allen schijn van, dat het gedicht, zoals dit met alle
Cantares het geval was, geschreven is om in het openbaar te worden
voorgedragen. De uitdrukking »O Señores,« die wij telkens ontmoeten,
heeft dezelfde bedoeling als het »Listen lordings,« dat zo veelvuldig
in de oude romances en balladen van Engeland voorkomt, nl. de aandacht
te trekken en de afnemende belangstelling weer te wekken van een
middeleeuwsch publiek. De maat, waarin het werk is geschreven, is
bijna even ongelijk als de dichterlijke waarde van de inhoud. Het is
voornamelijk geschreven in Alexandrijnen of veertienlettergrepige
regels, maar sommige regels hebben veel meer lettergrepen,
terwijl andere weer geweldig besnoeid zijn, waarschijnlijk door de
onoplettendheid of de haast van de copiïst. Het komt mij voor, dat
de Poema, ofschoon in veel van de beste gedeelten van grote waarde,
toch enigszins overschat is, en ik verdenk menig Engelsch criticus,
die zo uitbundig de voortreffelijkheden van het werk prijst, ervan,
het nooit in zijn geheel te hebben gelezen. Heele gedeelten ervan zijn
buitengewoon onbeduidend, en in sommige ontaardt het in een rijmelarij,
die ons herinnert aan de barbaarschheden van de pantomime; maar wanneer
de oorlogstrompet schalt, dan wekt zij de zanger, zoals zij Scott
wekt (de overeenkomst tussen beiden is in veel opzichten opvallend)
en een machtig orkest barst los. De regels golven aan en zwellen in
een waar Homerisch stormgeloei, en wanneer wij luisteren naar het
breken der Castiliaanse speren op de Moorse schilden, dan worden
wij herinnerd aan die geweldige regels van Swinburne’s Erechtheus:
»Met een aardschok van botsend geweld,
en met hoeven, bloeddruipend en rood,
Grijpt de woedende krijg naar de zeis
en zijn voet brengt de vlammenden dood.«
Maar de waarde der muziek van de Poema is niet uitsluitend gelegen
in luidklinkende tonen. Het is de ware krijgsmuziek, die het bloed
vuriger door de aderen jaagt, en de schrijver bereikt zijn effect
niet alleen door de metrischen galop van zijn strijdros, zoals dit
met de Engelsen dichter het geval is.

BEGIN VAN HET GEDICHT.
Het begin van de Poema del Cid, zoals wij dat bezitten, is treffend
en dramatisch genoeg, om ons te troosten over het verlies van het
oorspronkelijke begin. De grote bevelhebber, die tengevolge van het
verraad van de Leonsche partij aan het Hof van Koning Alfonso, door een
koninklijk bevel verbannen is uit het huis van zijn vader (c. 1088),
rijdt ontroostbaar heen uit de verwoeste poorten van zijn kasteel. Een
vrij nauwkeurige vertaling van dit treffende gedeelte volgt hier:
Hij wendt de blik nog eens naar ’t huis, en tranen stromen neer,
De plek, die eens hem schuilplaats bood, hij kent haar nauwlijks
meer.
Verwoest de poorten van het slot, de wind blaast door de hal,
Geen kleeden dekken meer de vloer, geen paard staat in de stal.
Geen valk of havik vliegt hem toe, en zet zich op zijn hand;
Een ridderlijke bedelaar…., zóó trekt hij uit zijn land,
Hij zucht, zoals een strijder zucht: »U Heer, zij lof en prijs!
Mij en de mijnen schonkt Gij reeds zo menig gunstbewijs.
De lastertong, de leugentaal, die sloegen mij terneer,
Maar éénmaal komt de dag, dat Gij mij wreken zult, o Heer!«
Een raaf vloog hem op zijde, toen hij reed uit Bivar’s poort.
Toen hij te Burgos ruste zocht, vloog nog de vogel voort.
En bij dit somber teeken, verduisterde zijn blik:
»Alvarez Fannez, wees gegroet, gij banneling als ik!«
Met zijn getrouwen, zestig man, zo reed hij door de straat;
Vanuit de vensters zag hem na zo menig droef gelaat.
»Daar gaat,« zo zuchtte menig hart, »een goed en trouw vasal,
Die door zijn Koning werd miskend, door laster kwam ten val.
En zeker had hem menig dak beschut die droeven nacht,
Als Burgos’ volk niet had gevreesd des Konings sterke macht;
Want een decreet, van zegels zwaar, ging door het gansche land:
»Hij, die de Cid bescherming geeft, diens huis wordt platgebrand.«
Toen dus de droeve stoet reed voort, toen wendde men de blik….
Met zijn getrouwen reed hij heen, de strijder Roderick.
Bij ’t huis, waar hij te wonen placht, daar sprong hij van zijn ros:
»Uw meester staat hier voor de poort, maak slot en grendels los!«
Maar uit een venster sprak de maagd, die ’t slot voor hem bewaart:
»O Heer, die eens in beter tijd hanteerde ’t roemrijk zwaard,
Een brief des Konings kwam naar hier, gezegeld door zijn hand,
Die U en Uw getrouwen bant voor goed uit ’t Spaanse land.
Wie onzer, zij het slechts één nacht, een schuilplaats U mocht biên,
Die is veroordeeld, en hij zal nooit meer het zonlicht zien.
Ga dan, gij strijder voor het recht, en Gode sta U bij;
Voor U geen rust in ’t Vaderland, want gij zijt vogelvrij.
Daar de Cid en zijne getrouwen binnen de stad geen plaats konden
vinden om hun hoofd neer te leggen, reden zij mistroostig naar
de vlakte van Glera, ten Oosten van Burgos, waar zij hunne tenten
opsloegen aan de oevers van de rivier Arlanzon. Daar voegde Martinez
Antolinez zich bij hen, één van de vroegere vasallen van de Cid,
die voedsel en wijn bracht voor hem en zijne volgelingen, en hem
trachtte te troosten. De Cid bezat geen maravedi en wist niet,
hoe hij zijne mannen van voedsel en wapenen moest voorzien. Maar
hij en Antolinez bedachten een plan, waardoor zij hoopten, zich het
nodige voor de krijg te verschaffen. Zij namen twee grote kisten,
bedekten deze met rood leder, en versierden ze met vergulde spijkers,
zodat zij er zeer kostbaar uitzagen. Toen vulden zij de kisten met
rivierzand, en sloten ze stevig dicht.

GELD LEENEN IN DE ELFDE EEUW.
»Martinez Antolinez«, zei de Cid, »gij zijt een eerlijk man en
een trouw vasal. Ga naar de Joden Raquel en Vidas, en vertel hun,
dat ik vele kostbaarheden bij mij heb, die ik hun in bewaring wil
geven, omdat zij te zwaar zijn, om mede te nemen. Geef hun deze
kisten als pand voor wat zij ervoor willen geven. Ik roep God en
al zijne heiligen tot getuigen, dat ik dit doe, omdat ik tot het
uiterste gedreven ben, en terwille van hen, die op mij vertrouwen.«
Antolinez, enigszins huiverig van deze zending, zocht de Joden Raquel
en Vidas op in hun woning, waar zij bezig waren, hun rijkdom en hun
winst te berekenen. Hij vertelde hun, dat de Cid een grote schatting
had geheven, die hij onmogelijk kon medenemen, en dat hij hun die in
bewaring wilde geven, wanneer zij hem een behoorlijke som daarop wilden
leenen; maar zij moesten plechtig beloven, de kisten gedurende een vol
jaar niet te openen. De Joden overlegden samen en stemden er in toe,
de kisten te verbergen en gedurende minstens een jaar de inhoud niet
te onderzoeken. »Maar zeg ons eens«, zein zij, »met hoeveel is de
Cid tevreden en welke interest wil hij ons voor dat jaar geven?«
»Van alle kanten komen arme mensen bij mijn meester, de Cid, om
hulp«, zei Antolinez; »hij heeft minstens zeshonderd Marken nodig.«
»Wij willen hem die som met genoegen geven«, zein Raquel en Vidas,
»want de schat van zulk een machtig heer als de Cid, kan niet anders
dan onmetelijk groot zijn.«
»Haast u dan«, zei Antolinez, »want de nacht nadert en mijn meester,
de Cid, is door een vonnis gedwongen, Castilië ogenblikkelijk te
verlaten.«
»Neen«, zein de Joden naar de aard van hun ras, »dat is geen
zaken doen; eerst ontvangen en dan betalen.« Zij verzochten dus te
worden gebracht naar de plaats, waar de Cid kampeerde, en nadat zij
hem begroet hadden, betaalden zij hem de afgesproken som. Zij waren
verbaasd en verrukt over de zwaarte der kisten, en vertrokken hoogst
voldaan, nadat zij Antolinez nog een commissieloon van 30 gouden
Marken hadden gegeven voor het aandeel, dat hij in de zaak gehad had.
DONNA XIMENA.
Toen zij vertrokken waren, brak de Cid zijn kamp op, en galoppeerde
door de nacht naar het klooster San Pedro de Cardeña, waar zijn vrouw,
Donna Ximena, met zijn beide jeugdige dochters vertoefden. Hij vond
haar verzonken in gebed voor zijn welzijn, en zij ontvingen hem met
de hartelijkste betuigingen van vreugde. Hij nam de Abt ter zijde en
deelde hem mede, dat hij op het punt stond op avontuur uit te trekken
naar het land van de Mooren, en hij overhandigde hem een som, die
toereikend was voor het onderhoud van Donna Ximena en hare dochters
tot aan zijn terugkomst en hij voegde daarbij nog een milde gift ten
behoeve van het klooster.
Maar reeds was het bericht van de verbanning van de Cid door het
gehele land verspreid en zóó groot was de roem van zijn dapperheid,
dat ridders van heinde en ver zich onder zijne banieren schaarden. Toen
hij de voet in de stijgbeugel plaatste bij de brug van Arlanzon,
was hij omringd door honderdvijftig ridders, die hem wensten te
volgen op zijn avontuurlijke tocht. Het afscheid van zijn vrouw en
dochters is treffend geteekend:
Scherp als de pijn van nagels, die men afrukt van de hand,
Zo voelde hij zijn droefenis, toen hij verliet zijn land.
En telkens wendde hij de blik, het hart vervuld van rouw,
Bij d’aanblik van zijn dierbaarst goed: zijn kinderen en vrouw.
Totdat Minaya eind’lijk riep, zijn metgezel en vriend:
»De droefheid is geen passend kleed voor wie de wapens dient,
Gij, die geboren zijt, mijn held, in een gelukkig uur,
Trek vroolijk en verheugd van ziel op zoek naar avontuur.
Wat heden gij als smart gevoelt, is morgen zaligheid!
Het leed verdooft noch krijgstrompet, noch vreugde van de strijd!«
Toen gaven zij hunne paarden de sporen en galoppeerden naar de grenzen
van Christelijk Spanje en staken op vlotten de rivier Duero over,
waarna zij op Moorsen bodem stonden. Ver in het Westen konden zij de
sierlijke Minaretten van de Saraceensche stad Ahilon zien, glinsterende
in de middagzon, een zinnebeeld van de rijke schat, die zij zouden
veroveren in het land der heidenen. In Higeruela schaarden zich nog
meer dappere strijders onder de banieren van de Cid, grensbewoners,
voor wie een rooftocht een feest was, en het breken van speren de
schoonste muziek. Toen de Cid die nacht sliep, droomde hij, dat
de Aartsengel Gabriel hem verscheen, en tot hem zei: »Stijg op,
o Cid Campeador, stijg op en rijd heen; uw zaak is rechtvaardig;
zo lang gij leeft, zal alles, wat gij onderneemt, u gelukken.«
Met driehonderd volgelingen reed de Cid het land der Mooren binnen. Hij
lag in hinderlaag, terwijl Alvarez Fañez en andere ridders een
rooftocht ondernamen naar Alcalá. In hun afwezigheid bemerkte de
Cid, dat de mannen van Castijon, een naburige Moorse stad, de
plaats verlieten om op het land te gaan werken, zonder de poorten te
sluiten. Hij en zijne mannen deden een aanval op de poorten, doodden
de weinige heidenen, die ze bewaakten, en namen de stad zonder veel
strijd. Zijne mannen waren zeer verheugd over de schat van goud en
zilver, die zij in de eigenaardige Moorse huizen vonden. Maar zij
waren barmhartig tegenover de inwoners, die zij meer tot dienaren
dan tot slaven maakten.

DE INNEMING VAN ALCOCER.
Nadat zij te Castijon gerust hadden, reden de Cid en zijne volgelingen
door de Vallei van Henares langs Alhamia naar Bubierca en Ateca, en
daar hij in een onbekend land was, omringd door een menigte vijanden,
nam hij stelling op een heuveltop bij de sterke Saraceensche stad
Alcocer, die hij belegerde. Maar de stad was goed bewaakt en hij
zag, dat, wanneer hij door de versterking wilde heendringen, het door
krijgslist moest gebeuren en niet alleen door vechten. Daarom riep hij
op een morgen, nadat hij gedurende vijftien weken Alcocer belegerd had,
zijne manschappen terug, alsof hij zijne nuttelooze pogingen opgaf,
en hij liet maar één tent achter.
Toen de Mooren zijn terugtocht bemerkten, juichten zij, en in hunne
begeerte om te zien welken buit zij in die eenzame tent zouden vinden,
liepen zij in alle haast de stad uit, en lieten de poorten open en
zonder bewaking. Toen de Cid zag, dat de Mooren een groot eind van de
stad verwijderd waren, gaf hij zijne manschappen bevel, terug te keeren
en het opgewonden Saraceensche gepeupel te overvallen. Het kostte
hem niet veel overredingskracht, zijne manschappen daartoe over te
halen. De Castiliaanse ridders wierpen zich met hooggeheven lansen
op de dichte menigte, en richtten een vreeselijke slachting aan. De
ongelukkige Mooren, die zo onverwachts overvallen werden, vluchtten
in alle richtingen en spoedig was de vlakte overdekt met in het wit
gekleede lijken. Intussen draafde de Cid met enkele vertrouwde
volgelingen naar de poorten en bezette ze, zodat de Spanjaarden
Alcocer in triomf binnentrokken. Zoals het zijn gewoonte was,
behandelde de Cid de Mooren, die zich goedschiks aan hem overgaven,
barmhartig, want, zei hij, wij kunnen hen niet verkoopen, en wij
zullen er niets bij winnen, als wij hun de hoofden afsnijden. Laat
ons liever hen tot onze dienaren maken.
De Saracenen uit de naburige steden Ateca en Zerrel waren zeer
verschrikt door de wijze, waarop Alcocer ingenomen was en zij
berichtten de Moorsen Koning van Valencia, dat een zekere Roderigo
Diaz uit Bivar, een vogelvrije, hun land was binnengevallen om er te
plunderen, en reeds de sterke stad Alcocer had ingenomen. Toen Koning
Tamin van Valencia deze tijding hoorde, was hij zeer vertoornd en zond
een leger van drieduizend goed uitgeruste strijders de Campeador
tegemoet. In zijn woede gaf hij zijne officieren het bevel, den
Spaansen verrader gevangen te nemen en hem levend bij hem te brengen,
opdat hij zijn gerechten straf zou ondergaan. De Cid wist niets van de
komst van deze troepen, en toen zijne schildwachten op zekeren morgen
op de muren van Alcocer heen en weer liepen, waren zij verbaasd de
gehele omgeving overstroomd te zien door Moorse soldaten, die op
hunne vlugge paardjes heen en weer draafden en hunne kromme zwaarden
dreigend zwaaiden. Zijne buitenposten brachten spoedig het bericht,
dat zij omsingeld waren, en zijne ridders en soldaten smeekten hem,
ten strijde te mogen trekken tegen de ongeloovigen. Maar de Cid was
bekend met de Moorse krijgskunst en hij weigerde het verzoek in te
willigen. Dagen lang paradeerde de vijand om de muren van Alcocer. Maar
de Cid wist te goed, dat het dwaasheid zou zijn, met zijne driehonderd
man een leger van drieduizend goed uitgeruste soldaten aan te vallen,
en hij wachtte dus zijn tijd af.

DE STRIJD MET de MoorseN KONING.
Eindelijk slaagden de Mooren erin, de watertoevoer van Alcocer af
te snijden. De mondvoorraad verminderde ook, en de Cid begreep, dat
zulk een wanhopige toestand een gewaagd besluit nodig maakte. Alvarez
Fannez, die altijd naar het gevecht hunkerde, zoals een strijdros,
wanneer het de krijgstrompet hoort, drong aan op een krachtigen uitval,
en de Cid, die de moed van zijne mannen kende, stemde toe. Eerst zond
hij alle Mooren buiten de stad en inspecteerde de versterkingen. Hij
liet slechts twee mannen achter om de poort te bewaken, stelde zijne
troepen op, en zij verlieten Alcocer in gesloten rijen en in volkomen
slagorde. En hier moeten wij weder het woord laten aan de dichter.
Hoera! daar rijdt de woeste Moor, en zwaait het kromme zwaard,
Hoor ’t schetterend trompetgeschal en ’t dreunen van de aard!
Twee vaandels heffen zij omhoog, met trotsch en woest gebaar,
En om elk vaandel legert zich een zwarte heidenschaar;
Als golven van een woeste zee, zo wast de vijand aan,
En denkt de Christen Ridderschap met wreede hand te slaan.
»Houdt stand! blijft in het zadel nu, gij ridders,« roept de Cid,
»En sluit de rijen, want de aard’ zag nog zo’n aanval niet.«
Maar ’t vurig hart van Bermuez sprong op bij ’t tromgeluid:
»Hoe? wachten tot de vijand komt? Dat nooit!« zo riep hij uit.
»Dit trotsche vaandel hef ik hoog; Op! volgt mij in de strijd!
Op, Ridders, tegen ’t heidendom, voor Spanje en Christenheid!«
»Blijf kameraad,« zo sprak de Cid, maar Pedro schudde ’t hoofd,
En sprak: »Hij volg’ mij trouw, die in de heil’ge zaak gelooft.«
Fier hief de ridder zich in ’t zaâl, en liet de teugels los,
De sporen drukte in de flank hij van zijn edel ros.
En als een schip, dat golven klieft en schuim opspatten doet,
Zo wierp de held zich in die zee, de Saracenenvloed;
En onbewogen als een rots, die in de branding staat,
Terwijl de woeste golf zich op haar borst te pletter slaat,
Zo hield, terwijl het heidensch tuig zijn slagen dalen doet
Op helm en schild, de ridder stand met ongebroken moed.
»Ter hulpe!« roept de eedle Cid, »op! voor het heilig kruis!
Oud Castiliaanse Ridderschap, verdelg het Moorsch gespuis!«
Zoals de jachthond voorwaarts stuift, zijn keten losgemaakt,
Zoals de valk schiet naar omhoog, als men zijn kluisters slaakt,
Nòg feller dan de vurigheid van ’t ongebreideld ros,
Zo barst de woede van Castille op de vijand los.
»Verzamelt U, gij Ridderschap, en valt de heiden aan,
En volgt de strijder van Bivar, die nooit nog werd weerstaan!«
Driehonderd lansen heft men hoog…., zij dalen op bevel,
Driehonderd heid’nen liggen neer, een vlug en dood’lijk spel,
De lansen rijzen weer omhoog, de lansen dalen weer;
Ontelb’re schilden liggen dan in ’t zand versplinterd neer.
Het sneeuwwit vaandel is gedrenkt in ’t bloed nu van de Moor,
Het onbeheerde krijgsros draaft de omwoelde vlakte door.
Gelijk de bliksem ’t luchtruim klieft, zo schittert in de hand
Van Roderick het scherpe zwaard; en mèt hem houden stand
Alvarez Fannez, Gustior, en enk’le trouwen meer.
Maar ziet, o bange schrik, de Saracenen velden neer
Het strijdros van Alvar Fannez, de groten, eedlen held!
Maar haastig komt de Cid Campeador ter hulp gesneld,
Ziet, hoe de dappere Fannez bedreigd wordt door de dood,
Doordat een emir op zijn ros de held geen uitweg bood.
Dan grijpt de onverschrokken Cid het zwaard met vaste hand,
Hij zwaait het met een forschen greep…, de emir ligt in ’t zand.
»Bestijg zijn vurig strijdros nu, stijg op, nog dreigt gevaar,
De phalanx van de vijand staat nog ongebroken daar.«
Fannez werpt in het zadel zich, en zaait verderf en dood,
Waarheen zijn ros hem draagt, daar kleurt het bloed de aarde rood.
De Cid rent op de veldheer toe, doorklieft zijn schild met kracht,
De Moorse veldheer neemt de vlucht; de ridders is de macht.
De moedige Antolinea valt dan op Galve aan;
Hij en Fariz, zij wenden zich, zonder hun man te staan.
Zij trokken op ten zegepraal, zij vluchtten voor de smaad,
Hun helm gespleten door het zwaard, en met bebloed gelaat.
Sinds dichters zongen van een slag en roemden eedlen strijd,
Werd zulk een slagveld niet geroemd, nog tot op dezen tijd.
Geen waardiger en trotscher strijd bezong een heldenlied:
Nog kronen lauweren uw hoofd, o held, gij eedle Cid!
Het was een woedend en bloedig gevecht. De Moorse nederlaag was
volkomen, en de kleine Castiliaanse troep had slechts vijftien man
verloren. Vijfhonderd, rijk opgetuigde Arabische paarden, elk met een
schitterend zwaard aan de zadelknop, vielen de Cid in handen. Hij
hield het vijfde gedeelte daarvan voor zichzelf, zoals dat het gebruik
was voor bevelhebbers van dergelijke vrije troepen. Maar daar hij zeer
verlangend was, vrede te sluiten met Koning Alfonso van Castilië,
zond hij Alvarez Fañez als zijn vertegenwoordiger naar het Hof met
dertig van deze kostbaar getuigde en gezadelde paarden.
Maar de Mooren waren, niettegenstaande hun nederlaag, niet van zins,
den Cid vrij over hunne grenzen te laten trekken, en daar de Cid zag,
dat hij niet lang bij machte zou zijn Alcocer in handen te houden,
onderhandelde hij met de Saracenen van de naburige steden over den
losprijs van Alcocer. Zij kwamen overeen, dat hij de plaats voor
drieduizend Marken in goud en zilver zou verlaten, en zo trok de
Campeador verder Zuidwaarts, en nam stelling op een heuvel, ten Noorden
van het district Mont’real. Hij maakte alle Moorse steden in den
omtrek schatplichtig, en bleef volle vijftien weken in zijn nieuw kamp.
Intussen was Alvarez Fañez naar het Hof gereisd, en had de Koning
de dertig prachtige paarden, die zij veroverd hadden, ten geschenke
aangeboden. »Nog is het geen tijd om de Cid weder in genade aan te
nemen«, zei Alfonso; »maar daar deze paarden van de ongeloovigen
komen, heb ik geen bezwaar ze aan te nemen. Ik schenk u vergiffenis,
Alvarez Fañez, en hef uw ballingschap op. Wat de Cid betreft, ik kan
niet anders zeggen, dan dat, wanneer een dapper strijder zich onder
zijn banier wil scharen, ik hem dat niet zal beletten.

DE OORLOG MET RAYMOND BERENGER.
De Graaf van Barcelona echter, Raymond Berenger, een trotsch en
aanmatigend heer, beschouwde de aanwezigheid van de Cid in een gebied,
zóó dicht bij het zijne gelegen, als een persoonlijke beleediging, en
in grote woede verzamelde hij al zijne manschappen, Mooren zowel als
Christenen, en maakte zich op, om de Cid te verdrijven uit de streek,
die hij schatplichtig had gemaakt. Toen de Campeador hoorde, dat dit
leger in aantocht was, zond hij een afgezant naar Graaf Raymond, om
hem de verzekering te geven van zijne vredelievende bedoelingen ten
opzichte van hem. Maar de Graaf vond, dat zijn persoonlijke waardigheid
beleedigd was, en hij weigerde de boodschapper te ontvangen.
Toen de Cid het leger van Raymond zag optrekken naar de heuvelen van
Mont’real, wist hij, dat zijne vredesvoorstellen vergeefsch waren
geweest; hij verzamelde zijne troepen voor het woedende gevecht, dat
hij wist, dat volgen moest, en wachtte de vijand af op de vlakte, die
de gunstigste voorwaarden bood voor zijne ruiters. Het lichtgewapende
Moorse paardevolk van Berenger stormde tot de aanval, maar werd
zonder enige moeite door de Castilianen teruggeslagen. De Frankische
krijgslieden van de Graaf, een troep flinke en oorlogszuchtige
huurlingen, stormden toen de heuvel af, en vielen de soldaten van den
Cid aan. Het samentreffen was geweldig, maar de strijd was kort, want
de ridders van Castilië, geschoold in een voortdurend oorlogvoeren,
hadden de Frankische ruiters spoedig verslagen. De Cid zelf viel Graaf
Berenger aan en dwong hem, zijn beroemd zwaard Colada af te staan,
dat zulk een belangrijke rol heeft gespeeld in de verdere oorlogsdaden
van de Campeador. Een strijdzwaard, waarvan de overlevering vertelt,
dat het dit beroemde wapen is, het Spaanse Excalibur, wordt nog
getoond in de Armeria te Madrid, en alle geloovige bewonderaars van
ridderverhalen zijn er van overtuigd, dat dit het zwaard is, dat de
Campeador op de trotschen Berenger veroverde; zelfs de zekerheid,
dat het gevest uit de vijftiende eeuw dateert, brengt dit geloof niet
aan ’t wankelen.
De troepen van de Cid waren buitengewoon verheugd over de zegepraal
zowel als over de buit en er werd een vorstelijk feest aangericht,
om de blijde gebeurtenis te vieren.
De Cid nodigde de overwonnen Raymond Berenger op hoffelijke wijze
uit zijn gast te zijn bij dit feestmaal, maar deze antwoordde uit
de hoogte, dat zijn gevangenneming door vogelvrijen, hem de eetlust
benomen had. Geprikkeld door deze onbeschoftheid, liet de Cid hem
weten, dat hij zijn land niet zou terugzien, voordat hij het brood
met hem zou hebben gebroken en een beker wijn met hem zou hebben
gedronken. Gedurende drie volle dagen weigerde de Graaf ieder voedsel,
en op de derden dag deelde de Cid hem mede, dat hij onmiddellijk in
vrijheid zou worden gesteld, wanneer hij zijn vasten zou opgeven. Dit
was teveel voor de trotschen Berenger, wiens honger nu groter bleek
te zijn dan zijn tegenstand. »Grote Goden!« roept de dichter uit,
»met welk een gulzigheid at hij! Hij bewoog zijne handen zo vlug,
dat de Cid de bewegingen niet kon volgen.« Toen gaf de Cid hem de
vrijheid en zij scheidden als goede vrienden.
»Stijg op, rijd heen, mijn eedle Graaf, als vrij en moedig Frank,
Voor allen buit, die gij mij liet, brengt u mijn harte dank.
En komt gij met trompetgeschal, opdat de krijgskans keer’,
Dan wacht ik u, verheugd van ziel, hoor ik die klanken weer.«
»Neen Roderick, de krijg is uit, en tussen ons is ’t vree:
Geen strijd meer tussen u en mij, het zwaard blijv’ in de schee.«
Toen reed hij heen; maar kort daarna wendde hij steels ’t gelaat
En keek hij angstig achterom, als vreesde hij verraad;
Maar de gedachte aan zulk een daad was nimmer opgeweld,
In ’t harte van de trouwen Cid, die nooit volprezen held!

DE CID VOERT OORLOG AAN DE ZEEKUST.
De Cid wendde zich af van Huesca en Montalvan en voerde zijne troepen
naar de zeekant. Toen de Mooren van Valencia bemerkten, dat hij
zich in Oostelijke richting voortbewoog, ontstelden zij zeer, en zij
besloten hem zulk een ontzaglijk leger tegemoet te zenden, dat hij
onmogelijk zou kunnen voortdringen. Maar hij weerde zijne aanvallers
met zulk een woede af, dat zij het niet waagden, hem langer tegen
te houden. Drie jaren lang voerde de Cid oorlog in deze streek en
ontelbaar waren zijne overwinningen. Hij en zijne ridders vestigden
zich in dit land als koningen. Zij maaiden het koorn, en zij aten het
brood van het overwonnen volk, zodat er hongersnood uitbrak onder
de Mooren, die bij duizenden stierven.
Toen zond de Cid afgezanten naar Castilië en Aragon met de boodschap,
dat alle Christenen, die zich aan zijne heerschappij wilden
onderwerpen, bescherming zouden genieten. Op dit bericht schaarden
duizenden zich onder zijn vaandel, en zijn leger werd hierdoor zóó
versterkt, dat hij in staat was, op te trekken tegen Valencia, de
Moorse hoofdstad van deze landstreek. Hij stelde zich met zijn
gehele leger op voor de poorten der stad en belegerde haar. Negen
maanden lang omsingelde hij de stad en in de tiende maand openden de
inwoners van Valencia de poorten, en gaven zij zich over. Groot was
de buit aan goud en zilver en kostbare stoffen, zodat alleen het
aandeel van de Cid een waarde vertegenwoordigde van dertigduizend
Marken. Zijn macht nam dientengevolge zóó toe, dat niet alleen zijn
eigen volgelingen, maar ook de Mooren van Oost-Spanje, hem begonnen
te beschouwen als hun rechtmatigen Koning.
Die steeds groeiende macht verontrustte de Moorsen Koning
van Sevilla zeer, en hij besloot zijn gehele legermacht te
mobiliseeren. Met een leger van dertigduizend man trok hij op tegen
Valencia. Maar de Cid ontmoette hem aan de oevers van de Huerta en
versloeg hem zóó volkomen, dat hij na die nooit meer in staat was
den Campeador te bestoken.
Toen ontwaakte in het hart van de Cid de hoop, dat de Koning hem weer
in genade zou aannemen en hem zijn vertrouwen weer zou schenken. En
hij zwoer een duren eed, dat hij uit liefde voor Alfonso nooit meer
zijn baard zou laten scheren. »Zo,« zei hij, »zal mijn baard beroemd
worden onder Mooren en Christenen.« Hij zond Alvarez Fañez ten tweede
male naar het Hof, met een geschenk van honderd schitterend opgetuigde
paarden van het zuiverst Arabische bloed, met de bede, dat hij zijn
vrouw, Donna Ximena, en hunne dochters, zou mogen brengen naar zijne
goederen, die hij zich met het zwaard veroverd had.
Intussen was uit het Oosten een monnik naar Valencia gekomen,
Bisschop Don Jerome, die in verre landen van de moed van de Cid had
gehoord, en ernaar verlangde, tegen de ongeloovigen te strijden. De
Cid was zeer met hem ingenomen en stichtte het bisdom Valencia voor
den dapperen Christen, wiens enige gedachte was, het Christendom te
verspreiden en de Saracenen uit te roeien.
Inmiddels reisde Alvarez Fañez naar het Hof en werd tot de Koning
toegelaten. Deze was verrukt over de verhalen, die Fañez hem deed over
de krijgsverrichtingen van de Campeador, die de Mooren had bevochten
in vijf grote veldslagen, hunne landen had onderworpen aan de Kroon
van Castilië, en een bisdom had gesticht midden in het gebied der
heidenen, zodat hij hem gaarne wilde toestaan, Donna Ximena en de
jonkvrouwen Elvira en Sol naar Valencia te brengen. Bij het hooren
van dit bericht, was Graaf Garcia Ordoñez van de Leonesische partij,
die indertijd de aanleiding was geweest tot de verbanning van de Cid,
en die hem uit de grond van zijn hart haatte, zeer verstoord. De
twee Infantes of Prinsen van Carrión echter, die de grote macht en
den groeienden invloed van de Cid zagen, besloten, diens dochters
ten huwelijk te vragen aan de Koning, maar zij verzwegen dit plan
voorloopig.
Het tijdstip, waarop de Cid zijn schuld zou moeten aflossen bij de
Joden Raquel en Vidas was reeds lang verstreken; en toen zij hoorden,
dat Alvarez Fañez zich aan het Hof bevond, begaven zij zich daarheen,
en zij verzochten hem, de geleende som terug te betalen. Alvarez Fañez
verzekerde hun, dat alles zou geschieden, zoals de Cid beloofd had,
en dat slechts het voortdurend oorlogvoeren zijn meester belet had,
aan zijne verplichtingen tegenover hen te voldoen. Zij waren volkomen
bevredigd door deze verklaring, en zo groot was hun vertrouwen in
den Cid geweest, dat zij de kisten nooit hadden geopend, om de aard
te onderzoeken van het onderpand, dat hij hun gegeven had.
DE CID VERWELKOMT ZIJN GEZIN.
Alvarez Fañez reisde nu met Donna Ximena en de dochters van den
Cid naar Valencia, en hij bracht haar veilig naar hare nieuwe
woonplaats. Toen de Cid hoorde, dat zij naderden, besteeg hij zijn
beroemd paard Babieca, dat hij enige dagen te voren op de Mooren
veroverd had, en reed zijn vrouw en dochters in galop tegemoet, om haar
naar hare nieuwe bezittingen te brengen. Nadat hij zijn familie met
grote hartelijkheid begroet had, geleidde hij haar naar het kasteel,
van welks torens hij haar de landen toonde, die hij voor haar veroverd
had. En zij dankten God voor zulk een rijke gave.
Er ontstond echter grote onrust onder de Mooren van Afrika, toen zij
van de krijgsverrichtingen van de Cid hoorden, want zij beschouwden
het als een schande, dat hij zulk een groot gedeelte van Spanje op
hunne broeders van het Schiereiland veroverd had. Hun Koning Yussef
verzamelde een machtig leger van vijftigduizend man, waarmee hij over
zee voer, om tegen Valencia op te trekken, in de hoop, deze stad
voor de Mooren te heroveren. Toen de Cid dit hoorde, riep hij dit:
»Ik dank God en de Heilige Maagd, dat ik mijn vrouw en dochters hier
heb. Nu kunnen zij zien, hoe wij de Mooren bestrijden, en ons brood
verdienen in het vreemde land.«
De troepen van Yussef kwamen spoedig in het gezicht, en zij
omsingelden Valencia zóó dicht, dat niemand de stad kon binnengaan
of verlaten. Toen de vrouwen die grote krijgsmacht zagen, die om de
stad gelegerd was, waren zij zeer beangst, maar de Cid stelde haar
gerust. »Houdt goeden moed,« zei hij, »want grote rijkdom zal ons
deel zijn; ik ga een bruidsschat voor onze dochters veroveren.«

DE STRIJD MET KONING YUSSEF.
De Cid besteeg Babieca, en bracht zijne soldaten in het veld tegen de
Mooren van Afrika. Toen begon een hardnekkige en woeste strijd. De
Spaanse speren waren die dag rood van het Moorse bloed, en de
Cid zwaaide zijn scherp zwaard Colado zóó verwoed, dat de Saracenen
werden weggemaaid als het koren door de zeis. Hij richtte het zwaard
op de helm van Koning Yussef, maar de Moorse aanvoerder ontweek den
slag, gaf zijn paard de sporen, en vluchtte in razende vaart, gevolgd
door zijne zwarte troepen. Onmetelijk was de buit in goud, zilver,
kostbaar opgetuigde paarden, schilden, zwaarden en wapenrustingen.
Door deze onafgebroken gevechten was de Cid te vermoeid, om de vijand
te vervolgen, en met zijn zwaard nog druipend van het bloed, reed hij
naar de plaats, vanwaar zijn vrouw en dochters de strijd gevolgd
hadden. En zich voor zijne dames terneder buigende, riep hij uit:
»Zóó worden de Mooren op het slagveld vernietigd.« Maar als steeds
gedachtig aan zijn Koning en leenheer, zond hij ogenblikkelijk Alvarez
Fañez en Pero Bermuez naar het Hof met de tent van Koning Yussef en
200 kostbaar uitgeruste paarden. Alfonso was zeer verheugd. »Ik zal
dit geschenk van de Cid gaarne aannemen,« zei hij, »en moge de
dag van onze verzoening spoedig aanbreken.«
Toen de Infantes van Carrión zagen, dat de roem van de Cid dagelijks
toenam, werden zij versterkt in hun besluit, de Koning om de hand
van de dochters van de Campeador te vragen. Alfonso beloofde hun,
met de Cid in onderhandeling te treden, niet alleen over een huwelijk
van zijne dochters, maar ook over een verzoening met hem, want hij
was zich volkomen bewust van de grote diensten, die de Campeador
hem bewezen had. Daarom ontbood hij Alvarez Fañez en Pero Bermuez,
stelde hen in kennis met het aanzoek van de Infantes van Carrión,
en verzocht hun, het de Cid ogenblikkelijk over te brengen en hem
tevens de verzekering van zijn hoogachting te geven.
De afgezanten begaven zich in allerijl naar Valencia en brachten den
Cid de vereerende boodschap van de Koning over. De Cid was bijzonder
verheugd over de toenadering. »Het is mij een vreugde de wensen
van mijn Koning te vervullen,« zei hij, »ofschoon de Infantes van
Carrión trotsch zijn, en slechte vasallen van de Troon. Maar de wil
van God en van de Koning geschiede.«
Daarop maakte de Cid zich gereed, en begaf zich op reis naar het Hof;
en toen de Koning vernam, dat hij naderde, verliet hij zijn paleis
en reed hem tegemoet. En de Cid knielde neder voor de Koning, en
hij beet in het gras, om zich voor zijn heer te vernederen. Maar Don
Alfonso was ontroerd bij dit gezicht, en hem opheffende, gaf hij hem de
verzekering van zijn gunst en van zijn liefde, bij welke betuiging de
Cid diep bewogen was, en van vreugde schreide. Toen richtte de Koning
een schitterend feestmaal aan, en toen dit ten einde liep, deed hij
namens de Infantes van Carrión aanzoek om de hand zijner dochters. De
Cid antwoordde, dat hij en zijne dochters het eigendom van de Koning
waren, en dat Alfonso dus de jonkvrouwen ten huwelijk kon geven.

DE DOCHTERS VAN de CID TREDEN IN HET HUWELIJK.
Na enige dagen van feesten en vermaak, keerde de Campeador terug
naar Valencia, in gezelschap van de twee Infantes van Carrión. Hij
vertelde zijn vrouw en dochters, dat dit huwelijk niet tot stand
was gebracht door hem, maar door de Koning, en dat hij niet zonder
vrees was over de afloop van deze verbintenis. Hij maakte echter die
voorbereidingen, die in overeenstemming waren met de belangrijkheid
van zulk een huwelijk met twee van de machtigste vorsten van Spanje;
en Donna Elvira en Donna Sol werden met de Infantes van Carrión in den
echt vereenigd in de Kerk van Sante Maria, door de krijgsman-bisschop
Jerome. De huwelijksfeesten duurden veertien dagen, en de Cid had
geen reden tot ontevredenheid over zijn schoonzoons, die zich zowel
in het toernooi als bij de dans als ware ridders gedroegen.

HET AVONTUUR VAN de LEEUW.
De Infantes van Carrión hadden met hunne echtgenoten ongeveer twee
jaar in Valencia gewoond, toen er iets ernstigs gebeurde. Op zekeren
dag, tijdens het middagrustuur, verbrak een leeuw, die gehouden werd
ten dienste van de arena, zijne tralies, en drong het paleis binnen. De
Campeador lag op een rustbank te slapen, maar al zijne onverschrokken
schildknapen schaarden zich om hem heen om hem te beschermen, behalve
de Infantes van Carrión, van wie de een achter de divan wegschoot,
terwijl de ander zóó haastig het paleis ontvluchtte, dat hij over den
boom van een druivenpers viel, en zijne kleeren scheurde. Door het
rumoer ontwaakte de Cid; hij stond op, liep rustig op de leeuw toe,
legde zijn vaste hand op de ruigen kop, en bracht het trotsche dier
naar zijn hok terug. De leeuw verzette zich niet; klaarblijkelijk
voelde hij in de Campeador zijn meester.
Toen de Infantes bemerkten, dat alle gevaar geweken was, verlieten
zij hun schuilplaats; zij zagen er zóó bleek en angstig uit, dat de
dappere volgelingen van de Cid niet konden nalaten te lachen. De
trotse Grandes van het Noorden voelden zich daardoor diep beleedigd,
en in hunne harten ontwaakte de lust tot wraak.
Eenige dagen na deze gebeurtenis verspreidde zich de mare in de
hoofdstad, dat Abu Bekr, de aanvoerder der troepen van de Koning van
Marocco, naar Valencia optrok. De Cid en zijne strijders verheugden
zich over dit bericht; de Infantes van Carrión echter waren minder
verrukt over het nieuws, en zij beraadslaagden samen over middelen
om de strijd te ontloopen, en weer naar hun eigen grondgebied terug
te keeren.
Hier mist een gedeelte van het verhaal, maar uit het verder verloop
blijkt, dat de ontbrekende regels betrekking hebben op een proeve
van moed van ten minste één der Infantes, die, geprikkeld door de
beschuldiging van lafheid, zich wapende om met een Moor te strijden,
die hem echter op de vlucht dreef. Maar Pero Bermuez, die de gevoelens
van de Cid wilde sparen, doodde de Saraceen, en liet het voorkomen,
alsof de Infante het had gedaan.

EEN »GEHEIME DIENST«-GESCHIEDENIS VAN »DE CID«.
Er is een zeer romantisch verhaal verbonden aan de eersten regel
van het volgende gedeelte van het gedicht:
»Eens koom’ de dag, dat ‘k van U bei hetzelfde ondervind.«
Deze regel wordt verondersteld de laatste te zijn van de toespraak
van Pero Bermuez tot de Infant Don Ferrando, die hem waarschijnlijk
zijn dankbaarheid had betuigd.
De eerste Engelse schrijver, die getracht heeft de Poema del Cid te
vertalen, was John Hookham Frere, de vertaler van de tooneelstukken
van Aristophanes, die jaren geleden Britsch gezant te Madrid was. Hij
gaf een waarschijnlijke verklaring van bovengenoemden regel en stelde
den Markies de la Roma daarmede in kennis. enige jaren later, in
1808, toen de Markies in Fransen dienst het bevel voerde over een
legerafdeeling in Denemarken, was Frere in de gelegenheid, hem een
vertrouwelijke instructie te doen toekomen, en om de Spaansen
bevelhebber te overtuigen van de echtheid van de boodschap die hem
gebracht werd, zinspeelde hij in zijn brief op bovengenoemden regel,
waarvan slechts de Markies en hemzelf deze uitlegging bekend was. De
boodschap leidde tot één van de gewichtigste troepenbewegingen in
den oorlog met Napoleon.

DE STRIJDENDE BISSCHOP.
De Infantes van Carrión, die niet veel lust hadden in een langdurigen
oorlog met de Mooren, besloten, bij de eerstvoorkomende gelegenheid
naar hun eigen grondgebied terug te keeren. Maar, als om hen te
beschamen, verscheen de strijdlustige Bisschop Jerome tot de tanden
gewapend voor de Cid, en smeekte hem, aan het gevecht te mogen
deelnemen. De Cid gaf glimlachend zijn toestemming, en ogenblikkelijk
daarna besteeg de dappere geestelijke een reusachtig strijdros en rende
in vollen draf de poort uit en de Saracenen tegemoet. Bij het eerste
samentreffen doodde hij er dadelijk twee, maar hij had het ongeluk,
zijn lans te breken. Niet in het minst uit het veld geslagen, trok deze
vurige zoon van de Kerk het zwaard, zwaaide het boven zijn hoofd als
de meest geoefende soldaat, en wierp zich met zijn geweldig strijdros
ten tweede male op de Moorse gelederen; en terwijl hij verwoed om
zich heensloeg, wondde of doodde hij met elken slag een Moor. Maar
de vijand omsingelde hem, en het zou slecht zijn afgeloopen met den
vechtenden Bisschop, als niet de Cid, die met de oprechte bewondering
die de strijder gevoelt voor de daden van een ander moedig man,
diens dapperheid had gadegeslagen, zijn eigen strijd had gestaakt,
Babieca de sporen had gegeven, en zich in het heetst van het gevecht
had gestort. Bij dezen vreeselijken aanval weken de lichtgewapende
Mooren angstig terug. Ten tweede male draafde hij op hen in, brak
door hunne gelederen als een orkaan, en zaaide dood en verderf om zich
heen. De Mooren wankelden, hunne troepen werden uiteengeslagen en zij
vluchtten in allerijl. Het gehele leger van de Cid viel toen op hen
aan; met al het voetvolk en paardenvolk stormden zij het Moorse kamp
binnen, verbraken de koorden der tenten, en wierpen de schitterende
Oosterse paviljoens omver, waarin de Saracenen gehuisd hadden.
Zóó stormt in het vijandlijk kamp de Spaanse ruiterschaar,
En door de schrik verlamd, staan Koning Bucars mannen daar.
Het afgehouwen, bloedend hoofd, de arm van ’t lijf gekapt,
Verbrijzeld liggen zij in ’t zand, door paardenhoef vertrapt.
»Halt Koning Bucar!« roept de Cid; »tot mij kwaamt ge over zee;
Gij zocht mij in deez’ felle strijd!… aan mij is ’t woord
van vree.«
»Als in uw zwaard die vrede huist, en in uw steigrend ros,
Begeer ik uwen vrede niet!…« Hij laat de teugels los.
En als de wind stuift hij vooruit, recht naar de open zee,
En naast hem, op zijn edel ros, draaft Spanje’s ridder mee.
Colado schittert in zijn hand, hij grijpt de Koning aan:
»Kies!« wilt gij sterven door het zwaard, of in de golven gaan?«
Het scherpe zwaard doorklieft de Moor, in stromen vloeit
zijn bloed.
Moog’ zóó verdwijnen van de aard’ het ganse Moorsch gebroed!
— — — — — — — — — — — — — — — — — — — —
’t Was op deez’ glorierijken dag, dat Spanje’s ridder won
Dat kostbaar stuk als oorlogsbuit: zijn edel zwaard Tizon.
Toen de Cid uit de strijd terugkeerde, zag hij de Infantes van
Carrión, en begroette hen: »Nu zij zich als dapperen gedragen,
zullen zij ook door de dapperen goed worden ontvangen,« zei hij
ernstig tegen Alvarez Fannez. De trotse en domme prinsen waren zeer
vertoornd, toen zij deze uitlating toevallig hoorden, en de zucht
naar wraak ontwaakte opnieuw in hunne harten. »Wij zullen de Cid in
den steek laten en naar Carrión terugkeeren,« zein zij, »wij worden
door deze roovers en hun leider bespot en beleedigd. Op weg naar huis
zullen wij wel gelegenheid hebben, ons te wreken op zijne dochters.«
Bezield met dit laffe voornemen, vroegen zij de Cid glimlachend
verlof tot vertrekken. Deze gaf met een bedroefd hart zijn toestemming,
overlaadde hen met geschenken, waaronder de beroemde zwaarden Colado en
Tizon, die hijzelf op de Mooren veroverd had, en droeg zijn neef, Felix
Muñoz, op, de Infantes en zijne dochters naar Carrión te begeleiden.
DE WRAAK VAN DE INFANTES.
Groot was de droefheid van de Cid en van Donna Ximena, toen zij
afscheid namen van hunne dochters Elvira en Sol, want zij waren
niet gerust over haar lot. Maar zij droegen Felix Muñoz op, hunne
dochters goed te bewaken, en hij beloofde dit te zullen doen. Na een
reis van enkele dagen moest het gezelschap het grote woud van Corpes
doortrekken, waar zij op een open plek hunne tenten opsloegen en den
nacht doorbrachten. In de morgen zonden de Infantes de leden van
hun gevolg vooruit, namen de zadelriemen van hunne paarden en sloegen
daarmede de dochters van de Cid op gruwelijke wijze. De ongelukkige
vrouwen smeekten te mogen sterven, liever dan deze schande te moeten
ondergaan, maar de wraakzuchtige Infantes lachten verachtelijk,
bespotten haar en mishandelden haar zóó schandelijk, dat zij haar
voor dood achterlieten. »Zoo,« zein zij, »is de schande van het
avontuur met de leeuw gewroken.« Daarop bestegen zij hunne paarden
en reden heen.
Toen de verlaten en vernederde vrouwen bloedend in het gras lagen,
kwam Felix Muñoz, haar neef, die de nacht in een ander gedeelte van
het bos had doorgebracht, aangereden, en toen hij haar ongelukkigen
toestand zag, haastte hij zich, haar te helpen. Nadat hij hare wonden
zoo goed mogelijk verbonden had, reed hij vlug naar de naastbijgelegen
stad en kocht daar kleederen en paarden voor haar, zoals haar rang
dat eischte.
Toen het bericht van dit alles de Cid te Valencia bereikte, werd
zijn hart vervuld van toorn; hij gaf daaraan echter geen uiting,
maar bleef mokken over de schande, zijne dochters aangedaan. Na
enkele uren riep hij uit: »Bij mijn baard! dit zal de Infantes van
Carrión geen voordeel brengen!« Spoedig daarna kwamen de dames Elvira
en Sol te Valencia aan en hij ontving haar liefdevol maar niet met
beklag. »Welkom, dochters,« zei hij, »God behoede u voor kwaad. Ik
heb dit huwelijk aanvaard, omdat ik het niet kon tegengaan. God geve,
dat ik u spoedig gelukkiger gehuwd zie, en dat ik mij zal kunnen
wreken op mijn schoonzoons van Carrión.«

HET HOF VAN TOLEDO.
De Cid zond zijne afgezanten naar Koning Alfonso om hem in kennis
te stellen met de groten smaad, zijne dochters aangedaan door de
Infantes, en hem zijn steun te verzoeken, opdat gerechtigheid zou
geschieden. De Koning was zeer verontwaardigd over het gebeurde, en
beval, dat het Hof te Toledo zou bijeenkomen, en dat de Infantes daar
zouden verschijnen, om zich over hun misdaad te verantwoorden. Zij
verzochten toestemming on weg te blijven, maar de Koning weigerde
beslist iedere uitvlucht, en eischte, dat zij ogenblikkelijk gehoor
zouden geven aan zijn oproep. Met groten tegenzin reisden zij naar
Toledo, in gezelschap van Graaf Don Garcia, Asur González, Gonzalo
Asurez en verscheiden vazallen, in de hoop, door uiterlijk vertoon
den Cid ontzag in te boezemen. Spoedig kwam ook de Campeador aan
het Hof aan, met enige beproefde strijders, allen tot de tanden
gewapend. Hij droeg een kostbaar gewaad van rood fluweel met goud
geborduurd, en zijn baard was met een koord samengebonden. Toen hij
binnentrad, verrees het gehele Hof om hem te begroeten, behalve de
Infantes van Carrión met hun gevolg, want hij leek een hoog edelman,
en de Infantes waagden het niet, hem aan te zien.
»Vorsten, baronnen en edelen«, zei Koning Alfonso, »ik heb
u opgeroepen, om in de zaak van de Cid Campeador recht te
spreken. Zoals gij allen weet, is zijne dochters grote schande
aangedaan, en ik heb rechters aangesteld, om deze zaak te onderzoeken
en de waarheid aan het licht te brengen, want ik verdraag geen onrecht
in Christelijk Spanje. Ik zweer bij het gebeente van San Isidro,
dat hij, die deze zitting verstoort, uit mijn koninkrijk zal worden
verbannen, en mijn liefde zal verbeuren, en dat ik zal staan aan de
zijde van hem, die zijn recht zal kunnen bewijzen. Laat nu de Cid
zijn klacht indienen, en wij zullen de verdediging van de Infantes
van Carrión hooren.«
Toen verrees de Cid van zijn zetel en er was geen edeler figuur onder
al deze hoge ridders aan het Hof.
»Mijn Heer en Koning«, zei hij, »niet alleen mij hebben de Infantes
van Carrión beleedigd, maar ook u, die hun mijne dochters ten huwelijk
hebt gegeven. Laat hen, nu zij mijn schoonzoons niet langer zijn,
mij eerst mijne zwaarden Colado en Tizon teruggeven.«
Toen de Infantes de Cid zo hoorden spreken, dachten zij, dat hij niet
verder tegen hen zou optreden, wanneer hij zijne zwaarden maar terug
had, en dus overhandigden zij deze in allen vorm aan de Koning. Maar
het was de bedoeling van de Cid, hen te treffen met alle middelen,
die hem ten dienste stonden, en toen hij dus de kostbare zwaarden
uit de hand van Alfonso had ontvangen, bood hij ze ogenblikkelijk
Felix Muñoz en Martinez Antolinez aan, daarmede te kennen gevende,
dat hij ze niet voor zichzelf begeerd had. Daarna wendde hij zich
weer tot de Koning.
»Heer«, zei hij, »toen de Infantes Valencia verlieten, gaf ik hun
drieduizend Marken in goud en zilver ten geschenke. Laat hen, nu zij
mijne schoonzoons niet langer zijn, mij dit geld teruggeven.«
»Neen«, riepen de Infantes uit, »wanneer wij daartoe gedwongen worden,
verarmt de landstreek Carrión.« Maar de rechters eischten, dat de som
ogenblikkelijk betaald zou worden. De verraderlijke prinsen konden
zulk een schat niet in geld opbrengen, en dus besliste het Hof, dat
zij dan in natura moesten betalen. Toen zagen de Infantes, dat er geen
ontkomen aan was, en dus brachten zij de Cid verscheiden prachtige en
kostbaar getuigde rijpaarden, die zij grotendeels van de leden van
hun gevolg moesten leenen, waardoor zij voor de eerstvolgende jaren,
grote verplichtingen op zich moesten nemen.
EERHERSTEL DOOR STRIJD.
Toen deze zaak eindelijk geregeld was, bracht de Cid zijn voornaamste
aanklacht tegen de Infantes in het geding, en vroeg eerherstel in
het toernooi voor de groten smaad zijn dochters aangedaan. Hierop
stond Graaf Garcia op, om de Infantes te verdedigen. Hij pleitte,
dat zij van vorstelijken bloede waren, en alleen reeds daarom volkomen
gerechtigd, zich te ontdoen van de dochters van de Cid. Toen verrees
de oudste van de Infantes, Fernandez González, van zijn zitplaats
om zijn instemming te betuigen met hetgeen zijn vazal gesproken had,
en hij toonde opnieuw zijn minachting voor het huwelijk dat hij had
aangegaan, door zijn laffe handelwijze te verdedigen, op grond van
zijn vorstelijken rang. Hierop ontstak Pero Bermuez in hevigen toorn;
hij hoonde de Infantes om hun lafheid bij het avontuur met de leeuw,
en daagde hen tot de strijd uit.

HET OPTREDEN VAN ASUR GONZÁLEZ.
Toen de twist het hoogst gestegen was, trad Asur González, een
aanmatigende vazal van de Infantes, de rechtszaal binnen.
Het grof gelaat verhit door wijn en ’t overvloedig maal,
De kleeren slordig en gescheurd, zóó drong hij in de zaal.
Hij mat de Koning en het Hof met onbeschaamde blik
En riep: »Wat moet die bluffer hier, die roover Roderick?
Wil hij zich meten met Carrión, dat edel Vorstenhuis,
Hij, die op roof trekt door het land, met al zijn vuil gespuis?«
Maar woest sprong Muño Gustioz op: »Zwijg stil, gij dronken zwijn,
Die ’s morgens vroeg, nog voor ’t gebed, reeds zat zijt van
den wijn,
Voor wie geen eed ooit heilig was, en trouw slechts was een woord,
Van wie geen daad van menselijkheid door iemand werd gehoord!
O, moog’ het mij gegeven zijn, dat ‘k met dit scherpe staal
De tong u snijde uit de mond, en stoppe uw leugentaal!«
»Genoeg!« zo riep de Koning uit; »deez’ twist wordt niet beslecht
Met woorden in het Parlement, maar met een zwaardgevecht.«
Nauwelijks was het tumult door het optreden van de Koning enigszins
bedwongen, of twee ridders traden de rechtszaal binnen. Het waren
afgezanten van de Infantes van Navarra en Arragon, die gekomen waren,
om namens hunne meesters de Koning om de hand te vragen van de
dochters van de Cid. De Koning wendde zich tot de Cid en verzocht
zijne toestemming tot dit huwelijk, en toen de Cid nederig zijne
machtiging had gegeven, deelde de Koning de vergadering mede, dat het
huwelijk op de gebruikelijke wijze zou worden voltrokken, en dat de
strijd tussen de twistende partijen de volgende dag zou worden
uitgevochten. Dit was slecht nieuws voor de Infantes van Carrión, die
in hun angst eenig uitstel verzochten, om in de gelegenheid te zijn,
zich te voorzien van goede paarden en wapenen, zodat de Koning ten
slotte minachtend zei, dat het toernooi nu definitief zou plaats
hebben over drie weken, en wel in Carrión, zodat de Infantes geen
enkele uitvlucht zouden kunnen bedenken of zouden kunnen beweren,
dat de strijders van de Cid iets op hen vóór hadden gehad.
Toen nam de Cid afscheid van de Koning en bij het vertrek verzocht
hij hem, zijn strijdros Babieca van hem aan te nemen, maar Alfonso
weigerde dit vriendelijk aangeboden geschenk, met de hoffelijke
verklaring, dat, als hij Babieca aannam, het dier een minder goeden
meester zou krijgen. Daarna wendde de Campeador zich tot hen, die
geroepen waren, zijn zaak in het toernooi te verdedigen, sprak enige
hartelijke woorden van afscheid, en vertrok weer naar Valencia, terwijl
de Koning naar Carrión reisde, om het zwaardgevecht bij te wonen.

HET GERECHTELIJK BEWIJS DOOR MIDDEL VAN de STRIJD.
Toen de tijd van de wapenstilstand verstreken was, begaven de
strijdende partijen zich naar de plaats, waar het toernooi zou plaats
vinden. De mannen van de Cid hadden niet veel tijd nodig om zich te
wapenen; maar de verraderlijke Infantes van Carrión hadden een grote
menigte vazallen medegebracht, in de hoop, dat zij in de nacht de
kampioenen van de Cid zouden kunnen overvallen, wanneer dezen niet
op hunne hoede waren. Maar Antolinez en zijne metgezellen waren op
verraad bedacht, en verijdelden het plan. Toen zij zagen, dat er geen
ontkomen aan was, en dat zij gedwongen waren met hun tegenpartij op
leven en dood te vechten, smeekten zij de Koning, de kampioenen
van de Cid te verbieden, de beroemde zwaarden Colado en Tizon te
gebruiken, want zij hadden een bijgelovige vrees voor de macht van
deze wonderbaarlijke wapenen, en zij betreurden het zeer, dat zij ze
hadden teruggegeven. Maar Alfonso weigerde aan dit verzoek te voldoen.
»Gij hebt uwe eigen zwaarden,« zei hij kortaf; »deze zijn zeer
voldoende. Ziet toe, dat gij ze als mannen hanteert, want gij kunt
er op aan, dat er van de zijde van de Campeador geen fouten zullen
worden begaan.«
De trompetten schalden, en de Cid en drie zijner kampioenen sprongen op
hunne ongeduldige strijdrossen, nadat zij eerst het teken des kruises
op hun zadel hadden gemaakt. De Infantes van Carrión bestegen ook
hunne paarden, echter met minder animo. De maarschalken of herauten,
wier taak het was de regelen van het gevecht te bepalen, en uitspraak
te doen in geval van onenigheid, namen hunne plaatsen in. Toen sprak
Koning Alfonso: »Hoort naar mijne woorden, Infantes van Carrión. Het
was uw plicht geweest, dezen strijd in Toledo te voeren, maar gij
wildet niet; daarom heb ik deze drie ridders veilig naar Carrión
gebracht. Maakt gebruik van uw recht, maar met eerlijke middelen. Wie
verraderlijk handelt, die zal het slecht vergaan.«
Hier volgt de beschrijving van de strijd:
Als de heraut het perk verlaat, dan staan zij oog in oog,
Zij heffen ’t schild zich voor de borst, de speren gaan omhoog;
Tot d’aanval buigen zij het hoofd, dan sporen zij het paard,
En stormen op elkander toe in razend woeste vaart.
Dof klinkt de echo van de schok, en dreunend trilt de grond,
Vol spanning zien de ridders toe of geen nog is gewond.
Ferrando’s speer stoot door het schild van Bermuez met kracht,
Maar vóór hij nog het harnas raakt, versplintert reeds de schacht.
Maar nu heft Bermuez zijn lans, en stoot met forse hand;
Door schild en harnas dringt de speer: Ferrando glijdt in ’t zand,
En kermend smeekt hij om genâ, het bloed stroomt uit zijn borst,
En angstig op d’omwoelden grond ligt daar de laffe vorst!
Toen trok Bermuez ’t zwaard Tizon, te eindigen de strijd,
Maar de Infant riep: »Ik erken, dat ge overwinnaar zijt.«
Daarna kwam het samentreffen tussen Antolinez en den
anderen Infant. Beiden braken zij hun lans op het schild van de
tegenpartij. Toen trokken zij de zwaarden, en renden op elkander
in. Antolinez deed met Colada zulk een geweldigen uitval naar Diego,
dat het scherpe zwaard de stalen helm middendoor sneed, en een gedeelte
van het hoofdhaar van Diègo medenam. De verschrikte prins wendde zijn
paard en vluchtte, maar Antolinez vervolgde hem met voorgewende woede,
en sloeg hem met het vlakke zwaard tussen de schouders. Zóó kreeg de
lafaard de straf der laffen. Toen Diègo de aanraking van het zwaard
voelde, begon hij luidkeels te schreeuwen, gaf zijn paard de sporen
en sprong over de omheining van het strijdperk, hiermede, volgens de
regelen van het gevecht, zich gewonnen gevende.
Toen de trompetten der herauten schalden, stormden Muño Gustioz en
Asur González op elkander in. De punt van Asurs speer gleed af op
de wapenrusting van Muño, maar de speer van de kampioen van de Cid
doorboorde het schild van zijn tegenstander en ging door diens borst
heen, zodat zij meer dan een vadem uit zijn schouderbladen stak. De
trotse Asur viel met een doffen slag ter aarde, maar had nog kracht
genoeg, om genade te smeeken.
Toen verklaarde de Koning plechtig, dat de kampioenen van de Cid de
overwinning hadden behaald, en zonder tijd te verliezen, reden zij
naar Valencia terug, om hun meester op de hoogte te brengen van het
blijde bericht, dat zijn eer gewroken was.
Spoedig daarna werd met grote praal het huwelijk voltrokken van de
dochters van de Cid met de edele Infantes van Navarra en Arragon. De
Poema del Cid eindigt echter even plotseling als zij begon:
Zoo kwamen bei zijn dochters dus tot grote eer en macht,
En op de troon van Spanje zit zijn roemrijk nageslacht.
Steeds groter werd zijn eedle naam, roemruchtiger zijn zwaard,
Tot op een schone Pinksterdag hij scheidde van deez’ aard.
Voor Christus, die Zijn zegen gaf, buig ‘k mij ootmoedig neer,
Zóó leefde de Campeador, zijn groten naam zij eer!

DE WARE CID.
De bewerking, die Cervantes geeft van de Poema del Cid is misschien wel
de beste, die in deze soort bewaard is gebleven. Stellig heeft de Cid
geleefd; wat doet het er toe, of hij inderdaad zo edelmoedig was? Want
de Cid uit de romance is een totaal verschillende persoonlijkheid
van de historischen Cid, die wel is waar een geboren leider, maar
een slim, gewetenloos en wreed man was. De Poema is dus een romance,
gebaseerd op de historie, en daar dit boek handelt over de romance en
niet over geschiedenis, heeft het weinig zin de lezer te vergasten op
een beschrijving van de waren inhaligen Roderigo van Bivar. »Mio Cid«,
de naam, waarmede hij meestal wordt aangeduid, is een half Arabische,
half Spaanse vertaling van het Arabise »Sid-y«–»Mijn Heer«,
onder welken naam hij waarschijnlijk bekend was bij zijne Moorse
onderdanen in Valencia, en het is niet waarschijnlijk, dat hij bij zijn
leven zo werd genoemd in Spanje. Maar nog in deze tijden gaat er in
het Schiereiland een zekere betovering uit van die naam. Zoolang
het hart van de Brit sneller klopt, wanneer de naam van Koning
Arthur genoemd wordt, en de Fransman ontroerd wordt door de naam
van Roland, zoolang zal de Spanjaard de romantische schim vereeren,
die als een machtig oorlogsgod zweeft boven de vroegste geschiedenis
van zijn vaderland,–den Cid Campeador.

HOOFDSTUK III. »AMADIS DE GALLIËR«.
Op tooverheuvel staat een heerlijk slot;
Betreed met mij de lichte tooverpaden,
Waarop ééns jonkvrouwen en ridders traden;
Beklim de heuvel, want u wacht een hoog genot:
Uw blik zal waren langs de schone dreven,
De wegen, waar nog zweeft gestorven heerlijkheid
Van roem en glorie uit de schone tijd,
Die in aloude verzen is beschreven.
De wapenrusting glinsterend in tere kleuren,
Vergeten schimmen uit het licht verleden,
Verbleekte flarden van veroverde banieren,
Doordrongen van de onsterfelijke geuren
Van d’ouden tijd! O, kom met mij getreden:
De Moorse Fantasie gaat hoogtij vieren!
Menig venster in het aloude kasteel van de Spaanse Romantiek geeft
het uitzicht op taferelen van fantastische schoonheid of sombere
grootsheid, maar geen enkel verschaft ons zulk een schitterend
afwisselend en kleurrijk vergezicht, als het hoge torenvenster, van
waaruit wij die omgeving van wonderen en hoge ridderlijkheid kunnen
aanschouwen, waar de beroemde geschiedenis van de dapperen Amadis den
Galliër zich heeft afgespeeld. Het venster, waarvan hier sprake is,
bevindt zich in een hoge toren van een eeuwenoud kasteel en toont
ons de soort van landschap, die de wevers van oude tapijten, of de
fantastische schilders van het oude Florence zo lief hadden. Beneden
ons ligt een vorstelijk domein van heerlijk weiland, waar zilveren
beekjes doorheen stromen; naar het Noorden toe verrijzen heuvels,
waarop kastelen gebouwd zijn. Daarachter, ver verwijderd, en meer
gelijkend op lucht dan op aarde, verheffen zich de blauwe, scherp
geteekende toppen van spookachtige bergen. Dit schouwspel van bijna
bovennatuurlijke schoonheid geeft bij de eersten aanblik de indruk
van onvergelijkelijken rijkdom van kleur en schittering. Het weiland
is bezaaid met Moorse tenten, en tegen de lucht tekenen zich de
heldere kleuren van wimpels en de gouden pracht van banieren af. Het
geschitter der wapenen prikkelt het bloed, evenals het geschal der
krijgsmuziek. Wonderbaarlijke marmeren paleizen, wit als gebeeldhouwd
ijs, verrijzen aan de grens van toverachtige bossen, of glinsteren
op een vooruitspringende vlakte van het gebergte, en hunne tuinen
en terrassen lopen schuin af naar een stil en eenzaam strand. Het
toneel is inderdaad »schoon als een stukje van het Paradijs.«
Zóó schijnt ons het verhaal van Amadis toe, wanneer wij voor het
eerst bladeren in dit levendige en kleurige boek. Maar wanneer wij,
met behulp van de tooverspiegel van de romancedichter, er een
dieperen blik in slaan, dan zien wij, dat op sommige plaatsen het
heldere toneel in diepe schaduwen ligt. Naast de lichte heuvelen
liggen diepe bergkloven, donker als de nacht, waarin allerlei
monsters krioelen en zich vermenigvuldigen. De vorstelijke kastelen,
de lichte paleizen, herbergen dikwijls vogelvrije rovers en boze
tovenaars. Afschuwelijke reuzen wonen in de bergen of op de bosrijke
eilanden, die uit de lichtblauwe zee verrijzen, en draken bevolken de
rotsen en bossen. Maar al bevat het gedicht sombere naast lichte
gedeelten, de atmosfeer van Amadis is doortrokken van zulk een
glans, dat wij eindigen met ook de donkere plaatsen lief te krijgen;
wij gevoelen, dat de gruwelen, die zij bevatten, slechts een sterker
product zijn van de wijnstok der romantiek, een bijzondere oogst,
die bedwelming geeft.
En wanneer wij tot aan het vallen van de avond op onze observatiepost
blijven, en de toverachtige maansbelichting van deze wonderbare
streek aanschouwen, dan zal ons een nog bezielende drank worden
toegereikt uit de beker der romantiek. In het geheimzinnige maanlicht
glinstert de wapenrusting als zilver in een bovenaardse blankheid;
bloedrode lichten stralen uit de torenkamers der tovenaars, en de
bevallige gestalten van nimfen dwalen tussen zee en bos als
levende manestralen. Uit de woestijnen tussen de heuvelen en de
ver verwijderde bergen, komen de kreten van roofzuchtige monsters,
en de gehele fantastische wereld van Tovenarij is tot leven ontwaakt.
Is het dan een wonder, dat, toen dit heerlijke schouwspel aan de ogen
van een volk van ridders werd geopenbaard, er zulk een geestdriftig
gejuich opging, als waarmee slechts weinig voortbrengselen der
letterkunde begroet werden? De schrijver van Amadis ontsluierde
voor de ridderschap van Spanje die wereld, waarvan zij gedroomd
had. Elke ridder voelde in zich de mogelijkheid van een Amadis
en iedere jonkvrouw vond in zichzelf de eigenschappen van een
Oriana. De geest en de stemming van het boek veroverden de Spaanse
ziel volkomen, verbonden grovere idealen, en schiepen een nieuw
wetboek van gebruiken en opvattingen. De intrige van het verhaal
en de verschillende gebeurtenissen, die er uit voortkomen, zijn een
samenhangend geheel en niet slechts een opsomming van afzonderlijke
krijgsverrichtingen, of vervelende beschrijvingen van klederen,
uitrustingen of architectuur, afgewisseld door het gebluf van ruwe
ridders of breedsprakige koningen, zoals dat bij de Cantares de
gesta het geval was geweest. Daarenboven was het geheel doorweven met
de liefdes-philosophie van ridderlijkheid, volgens welke de vrouw,
in plaats van het eigendom of een stuk speelgoed van de man te zijn,
werd verheven tot een oppermachtig voorwerp van verering, zoals
dat nooit gedroomd was door de ruwere dichters der Cantara.

DE OORSPRONG DER »AMADIS«-ROMANCES.
De eerste Spaanse lezing van Amadis verscheen in een Portugees
kleed en was het werk van een Lusitaansch ridder, Joham de Lobeira
(1261-1325), die te Porto geboren werd, te Aljubarrota streed,
waar hij door Koning Joham, zaliger nagedachtenis, op het slagveld
tot ridder werd geslagen, en die te Elvas stierf. Maar al beweert
Southey het tegendeel, alles wijst er op, dat Frankrijk de bakermat
was van deze romance, en er wordt in de Portugese literatuur zelfs
melding gemaakt van de omstandigheid, dat een zekere Pedro de Lobeira,
Amadis uit het Frans vertaalde, in opdracht van de Infant Don Pedro,
den zoon van Joham I. Het oorspronkelijke Franse verhaal is volkomen
verloren gegaan, maar de Spaanse vertalingen, die er uit voortkwamen,
bleven behouden, en ook de Portugeese uitgaven zijn niet bewaard
gebleven. Het is bekend, dat een handschrift van Lobeira’s romance
reeds in het eind van de zestiende eeuw in de archieven der Hertogen
van Arveiro te Lissabon gevonden werd, en daar ook nog aanwezig was
in 1750. Na dit tijdstip echter werd het door de boekenverzamelaars
uit het oog verloren, en alles wijst er op, dat het vernietigd werd
bij de aardbeving van Lissabon in 1755, tegelijk met het hertogelijk
paleis, waarin het bewaard werd.
Zijn roem en zijn inhoud bleven echter behouden door de Spaanse
vertaling; wij moeten Portugal beschouwen als het geboorteland van
Amadis in het Schiereiland, en wij hebben het te danken aan den
Castiliaansen geest, dat deze romance ons niet alleen bewaard
bleef, maar dat dit waarschijnlijk zelfs geschiedde in verbeterden
vorm. In de jaren tussen 1492 en 1508 wijdde Garcia Ordoñez de
Montalvo, gouverneur van de stad Medina del Campo, zich aan de taak,
de romance te vertalen en om te werken. Het is niet bekend, wanneer
het werk gedrukt werd; de eerste exemplaren zijn verloren gegaan,
maar men zegt, dat de Spaanse veroveraars van Mexico getroffen waren
door de gelijkenis dezer stad met de betoverde plaatsen, waarover
in Amadis gesproken werd. Dit was in 1519 en niet in 1549, zoals
Southey vermeldt. Misschien hadden zij het oog op de Portugese
vertaling, maar in ieder geval is het bekend, dat er in 1519 een
uitgave verscheen, en in 1547 een tweede in Sevilla. Wij hebben elders
reeds vermeld, dat deze romance in alle talen werd overgebracht,
en dat verschillende dichters er een vervolg op schreven, maar wij
moeten er bijvoegen, dat slechts de eerste vier boeken van Amadis
(dus de oorspronkelijke Amadis) door Montalvo zijn geschreven; de
rest is van de hand van anderen.

ELISENA EN PERION.
De handeling der romance begint op een duister en onbepaald tijdstip,
dat volgens de beschrijving, onmiddellijk valt na de dood van
den Verlosser, toen er in Brittanje een Christelijk Koning leefde,
Garinter genaamd, die gezegend was met twee bekoorlijke dochters. De
oudste, bekend als »de vrouw met de guirlande«, omdat zij steeds
een bloemenkrans droeg, was enige jaren tevoren in het huwelijk
getreden met Koning Languines (Angus) van Schotland, en zij had twee
mooie kinderen, Agrayes en Mabilia. Elisena, de jongste dochter,
was over de gehele Christelijke wereld beroemd om hare schoonheid,
maar ofschoon vele machtige koningen en prinsen om hare hand hadden
gedongen, wilde zij niemand huwen, en wijdde zij haar leven aan
heilige werken. Volgens de opvatting van alle ridders en edelvrouwen
van haar vaders Koninkrijk, overtrad deze bekoorlijke jonkvrouw
door ongehuwd te blijven, alle wetten der liefde, en het geschiedde,
dat de schone en heilige Elisena door de meer wereldse onder de
vroolijke ridderschap, werd aangeduid als de »Verloren Kwezel.«
Zoals Elisena voldoening vond in een gestreng leven, zo vond haar
koninklijke vader vreugde in de jacht, en hij bracht veel tijd door
in de groene bossen, die in die dagen het grootste gedeelte van
Klein-Brittanje bedekten. Bij één van deze gelegenheden, toen hij,
zoals dat zijn gewoonte was, geheel alleen door de bossen reed,
hoorde hij wapengekletter, en toen hij bij een open plek in het bos
kwam, vanwaar de klanken van de strijd kwamen, zag hij twee Britsche
ridders, die een gewapende vreemdeling aanvielen, in wie hij,
afgaande op zijn houding en wapenrusting, een man van rang en hooge
geboorte vermoedde, en die zich met zulk een moed en behendigheid
gedroeg, dat het hem gelukte, zijne beide tegenstanders te verslaan.
Toen de vreemdeling bezig was, zijn zwaard in de schede te steken,
ontdekte hij Garinter, reed op hem toe en groette hem op hoffelijke
wijze. Hij beklaagde zich erover, dat een dolende ridder in Christelijk
Spanje, zóó door de bewoners behandeld kon worden, als dit met hem
het geval was geweest, waarop de Koning zeer verstandig antwoordde,
dat er in ieder land goede en slechte mensen gevonden werden,
en dat de verslagen ridders hun leenheer ontrouw waren, en hun lot
hadden verdiend.
De vreemdeling deelde toen mede, dat hij op weg was naar de Koning van
Brittanje met berichten van een vriend, en toen de Koning dit hoorde,
maakte hij zich bekend. De ridder vertelde hem, dat hij Koning Perion
van Gallië was, die reeds lang gehoopt had, vriendschap met hem te
sluiten. Garinter drong er op aan, dat zijn vorstelijke ambtgenoot
hem naar zijn paleis zou vergezellen, en toen Perion hierin toestemde,
keerden zij naar de stad terug.
Toen zij in het paleis waren aangekomen, werd er een kostelijk
feestmaal aangericht, waarbij de Koningin en Prinses Elisena
aanzaten. Nauwelijks hadden Elisena en Perion elkander aanschouwd,
of zij gevoelden, dat een grote en onsterfelijke liefde zich van
hen had meester gemaakt. Toen de Koningin en de Prinses de feestzaal
hadden verlaten, stortte Elisena haar hart uit bij haar dienstmaagd
en vertrouweling Darioleta, en zij vroeg haar, te onderzoeken, of de
Koning reeds gehuwd was. Darioleta, die niet spoedig uit het veld
was geslagen, begaf zich regelrecht naar Perion, die zijn liefde
voor Elisena in hartstochtelijke bewoordingen bekende, en beloofde,
haar tot vrouw te nemen. Hij smeekte de dienstmaagd, hem bij Elisena
te brengen, opdat hij het geluk mocht smaken, haar persoonlijk zijn
liefde te verklaren. Darioleta keerde tot de Prinses terug met deze
boodschap, en Elisena was zóó verlangend, zelf van Perions lippen de
bekentenis zijner liefde te horen, dat zij, niet denkende aan plaats
of uur, zich naar zijne vertrekken begaf, waar zij bleef tot aan de
morgenschemering, teruggehouden door zijne liefdesbetuigingen en door
haar eigen verlangen, het bewijs van haar liefde te geven aan de edelen
en ridderlijken vorst, die zo plotseling erin geslaagd was, haar
ervan te overtuigen, dat haar vroeger leven kleurloos en droefgeestig
was geweest. Tien dagen bleef Perion aan het Hof van Garinter, toen
moest hij weer vertrekken; maar voordat hij afscheid nam, gaf hij zijn
woord aan Elisena, wie hij één van de twee volkomen gelijke ringen,
die hij droeg, als pand gaf van zijn trouw. Hoe hij echter zocht,
hij kon zijn zwaard niet vinden, een beproefd en betrouwbaar wapen,
en tenslotte gaf hij het op, ernaar te zoeken.

DE GEBOORTE EN HET VERSTOTEN VAN AMADIS.
Na het vertrek van haar minnaar was Elisena diep bedroefd, en Darioleta
slaagde er niet in, haar te troosten en haar op te wekken uit den
toestand van wanhoop, waarin zij vervallen was. In het rijk van
haar vader bestond, evenals in het moderne Schotland, een oude wet,
die bepaalde, dat twee mensen, die zich door een plechtige eed aan
elkander hadden verbonden, geen verdere formaliteiten nodig hadden om
hun huwelijk te wettigen, ofschoon het gebruikelijk was, dat het later
door Kerk en Wet bekrachtigd werd. Perion en Elisena hadden elkander
deze plechtige gelofte gedaan, maar de Prinses vreesde de toorn van
haar vader, omdat de gelieven hem geen toestemming hadden gevraagd,
en toen haar dus een zoontje geboren werd, was zij in groten angst
voor de gevolgen, want zij kende haar vader als een trots en driftig
man, die in staat was tot het nemen van ernstige maatregelen, voordat
hij zich op de hoogte had gesteld van de waarheid. Maar de wereldse
en schrandere Darioleta was niet kieskeurig in hare middelen om haar
meesteres en zichzelf te vrijwaren voor de woede van de Koning,
en ondanks de tegenwerpingen van Elisena, die te zwak was om het te
beletten, bouwde zij een kleine houten ark, maakte die waterdicht met
teer, en zonder te letten op de tranen en klachten van haar meesteres,
plaatste zij het pasgeboren jongetje erin, met het zwaard van Perion,
dat zij uit zijn slaapvertrek had weggenomen. Toen schreef zij op
een stuk perkament: »Dit is de Koningszoon Amadis«, bedekte dit
geschrift met was, zodat de letters niet konden worden uitgewist,
bond het aan de trouwring, die Perion aan Elisena had gegeven, en
hing het aan een zilveren koord om de hals van het kind. Toen droeg
zij het kleine vaartuig voorzichtig en ongemerkt naar de rivier,
die langs de tuin van het paleis stroomde, en vertrouwde het toe
aan de kabbelende golfjes van het diepe water.
De kleine ark dreef vlug naar de zee, die slechts een halve mijl
van het paleis verwijderd was, en nauwelijks was zij opgenomen door
de golven, of zij werd ontdekt door de bemanning van een Schots
schip, waarmede een Caledonise ridder, Gandales genaamd, uit
Gallië naar zijn Noordelijk vaderland terugkeerde. Op zijn bevel
zetten de zeelieden een boot uit, en toen zij het kleine vaartuig
gegrepen hadden, brachten zij het naar het schip. De echtgenote van
Gandales was zóó verrukt over de schoonheid van het kind, dat zij
besloot, het als haar eigen aan te nemen. enige dagen later voer
het schip de Schotse haven Antalia [19] binnen, en Gandales bracht
den kleinen Amadis naar zijn kasteel, waar hij hem opvoedde met zijn
eigen zoontje Gandalin.
Enige tijd daarna, toen Amadis ongeveer vijf jaren oud was, brachten
Languines, de Koning van Schotland, en zijn Koningin, »de Vrouw met
de Guirlande,« een bezoek aan het kasteel van Gandales, en zij waren
zoo bekoord door de bevalligheid en schoonheid van Amadis, dat zij
den wens uitdrukten, hem als hun eigen kind aan te nemen. Gandales
vertelde hun, wat hij van de geschiedenis van het kind wist, en
het Koninklijke paar beloofde hun, het geheel als hun eigen zoon te
beschouwen. Amadis was, om de merkwaardige omstandigheden, waaronder
hij gevonden was, bij iedereen bekend als »het Kind van de Zee,« en
deze naam bleef aan hem verbonden, totdat zijn identiteit volkomen
bewezen was. Hij toonde geen tegenzin zijne nieuwe beschermers
te volgen, maar hij was wel bedroefd, omdat hij zijne pleegouders
verlaten moest. De kleine Gandalin wilde echter volstrekt niet van
hem gescheiden worden, en hij smeekte zóó hen samen te laten, dat
Koning Languines tenslotte beide jongens met zich mee nam.

PERIONS DROOM.
Laat ons nu terugkeren tot Koning Perion. Hoewel hij weer in beslag
genomen werd door staatszaken, voelde hij zich toch bezwaard van ziel
om een droom, die hij gehad had tijdens zijn verblijf aan het Hof van
Garinter. In die droom was iemand zijn slaapvertrek binnengekomen, had
een hand in zijn borst gestoken, zijn hart er uitgenomen en dat in de
rivier geworpen, die langs de tuin van Koning Garinter stroomde. Toen
hij in zijn angst gilde, zei een stem, dat hem nog een hart was
overgebleven. Hij werd verontrust door de herinnering aan dezen droom,
dien hij niet kon ontraadselen, en dus riep hij alle wijzen van zijn
koninkrijk te samen en verzocht hen te beproeven, een verklaring
ervan te vinden. Slechts één van hen kon de droom uitleggen, en de
wijze verzekerde hem, dat het hart, dat hem uit de borst was gerukt,
een zoon was, die hem door een edele jonkvrouw was geboren, terwijl
het tweede hart een andere zoon betekende, die op een of andere
wijze zou worden weggenomen tegen de wil van haar, die zich van het
eerste kind had ontdaan. Toen de Koning terugkwam van de wijzen man,
ontmoette hij een geheimzinnige jonkvrouw, die hem groette, en zei:
»Weet, o Koning Perion, dat wanneer gij uw eigendom terugkrijgt, het
Koninkrijk Ierland zijn schoonste bloem zal verliezen«, en voordat de
Koning haar terug kon houden om haar te ondervragen, was zij verdwenen.
Na verloop van tijd stierf Koning Garinter, en Perion en Elisena traden
in allen vorm in het huwelijk. Maar toen Perion zijn vrouw vroeg,
of zij hem een zoon had geschonken, schaamde zij zich zo over de rol
die zij gespeeld had bij de verdwijning van het kind, dat zij alles
loochende. Later werden hun twee mooie kinderen geboren, een zoon
en een dochter, Galaor en Melicia genaamd. Toen Galaor nog slechts
twee en een half jaar oud was, wandelden de Koning en de Koningin,
die in die tijd in de stad Banzil, in de nabijheid der zee woonden,
eens in de tuinen van het paleis, toen er plotseling een geweldige
reus uit de golven verrees, de kleinen Galaor greep, en zich met
hem uit de voeten maakte, voordat iemand het kon verhinderen.
Het monster sprong met het kind te water, klom aan boord van een
schip, waarmede hij snel zee koos, en riep triomfantelijk uit:
»De jonkvrouw heeft de waarheid gesproken!« De ouders waren diep
bedroefd over het verlies van hun zoon, en in haar groot verdriet
bekende Elisena het gebeurde met Amadis. Nu wist Perion, dat de wijze
de waarheid had gezegd, toen hij zijn verklaring van de droom over
de twee harten had gegeven. De reus, die de kleinen Galaor gestolen
had, was echter geen kwaadaardig monster, doch een edelmoedig en
vriendelijk schepsel. Hij zorgde voor het kind, alsof het één van
zijn eigen reuzengeslacht ware geweest.
Hij woonde te Lyonesse, was bekend onder de naam van Gandalue,
en bezat twee kastelen op een eiland in de zee. Hij had dit eiland
bevolkt met Christenen, en gaf de kleinen Galaor in de hoede van
een vromen kluizenaar, met het uitdrukkelijk bevel, hem op te voeden
tot een dapper en trouw ridder. Hij vertelde de kluizenaar, dat een
jonge vrouw (dezelfde die de geheimzinnige woorden tot Koning Perion
gesproken had, en die een machtige tovenares was), hem had gezegd, dat
slechts een zoon van Perion zijn aartsvijand zou kunnen verslaan, den
reus Albadan [20], die zijn vader gedood had en hem de rots Galtares
had ontstolen. En zo werd Galaor opgevoed door de kluizenaar.

ORIANA.
Ongeveer in dezelfde tijd landde Koning Lisuarte van Brittanje
in een Schotse haven, waar hij met veel eerbetoon ontvangen werd
door Koning Languines. Lisuarte had zijn echtgenote Brisena en zijn
bekoorlijk dochtertje Oriana bij zich, het schoonste schepseltje
ter wereld; en omdat zij zoo’n last van zeeziekte had, besloten
de ouders haar enige tijd aan het Schotse Hof te laten. Amadis
was nu twaalf jaren oud, maar hij leek wel vijftien, zóó groot en
forsch was hij, en de Koningin stelde hem aan als page van Oriana,
die zei, dat zij »dit prettig vond«. Amadis koesterde deze woorden
in zijn hart, zodat hij ze nimmer meer kon vergeten. Maar hij wist
niet, dat Oriana hem lief had, en hij had groot ontzag voor dit lieve
en ernstige kleine meisje, voor wie hij zulk een diepe genegenheid
opvatte. De stille liefde, die deze kinderen elkander toedroegen,
was aandoenlijk schoon, maar zij bleef onuitgesproken, want Amadis
was zeer bescheiden en Oriana was een ingetogen meisje.
In het hart van Amadis ontwaakten hoge gevoelens van ridderlijkheid,
zodat hij ten slotte Koning Languines verzocht, hem tot ridder te
slaan. Languines was zeer verbaasd, dat deze jongen verlangde naar
een eer, die hem zulke zware verplichtingen zou opleggen, maar hij
ging op het verzoek in, en gaf bevel, dat er wapens voor hem gesmeed
zouden worden. Hij zond Gandales, de ridder die hem in zee gevonden
had, het bericht van de plannen van de jongen, en Gandales stuurde
een afgezant naar het Hof, met het zwaard, de ring en het perkament,
die hij in de ark had gevonden bij de kleinen zeevaarder.
Deze zaken werden Amadis als zijn eigendom ter hand gesteld, en
toen hij dit alles aan Oriana toonde, vroeg zij hem de was, die het
perkament voor bederf bewaarde, niet wetende, dat het een gewichtig
document was, en natuurlijk gaf hij het haar. Korten tijd daarna
bracht Koning Perion een bezoek aan Languines, om hem zijn hulp te
vragen tegen Koning Abies van Ierland, die Gallië was binnengevallen
met zijn gehele strijdmacht. Daar Amadis wist, welk een groten
naam Perion had als krijgsman, wilde hij liefst door zijn hand
tot ridder worden geslagen, en hij vroeg de Koningin, hierin zijn
voorspraak te zijn. Maar zij was bedroefd en afgetrokken en lette
niet op zijn vraag. Hij vroeg Oriana naar de oorzaak dezer droefheid,
en zij antwoordde: »Kind van de Zee, dit is de eerste vraag, die gij
mij ooit gedaan hebt.«
»Ach jonkvrouw«, zei Amadis, »ik ben niet waard iets te vragen aan
iemand zoals gij.«
»Wat?« riep zij uit, »is uw hart zóó zwak?«
»O, jonkvrouw«, antwoordde hij, »het is te zwak in alles wat u betreft;
maar het zou u willen dienen, alsof het uw eigendom was.«
»Mijn eigendom«, zei Oriana verward, »en sedert wanneer?«
»Sinds gij »het prettig vond«, antwoordde Amadis met een
glimlach. »Weet gij niet meer, dat dit uwe woorden waren, toen de
Koningin mij voor uw dienst bestemde?«
»Ik vind het heerlijk, dat het zo werd geschikt«, zei Oriana
verlegen; en daar zij zag, dat Amadis zeer ontroerd was door haar
allerliefst antwoord, sloop zij weg, om de Koningin naar de reden
van haar droefheid te vragen.
De Koningin vertelde haar, dat zij treurig was, omdat vijanden het
Koninkrijk van haar zuster Elisena waren binnengevallen, en Oriana
keerde tot Amadis terug en legde hem uit, waarom de Koningin niet op
zijn vraag had gelet. Daarop gaf Amadis als zijn wens te kennen,
naar Gallië te gaan, om tegen de Ierse overweldigers te strijden,
en Oriana juichte dit plan met geestdrift toe. »Gij zult als mijn
ridder ten strijde trekken,« zei zij eenvoudig en lieftallig. Amadis
kuste haar hand, en verzocht haar, Prinses Mabilia, Perions dochter
(en dus de zuster van Amadis) te vragen, er op aan te dringen, dat
haar vader Amadis tot ridder zou slaan. Het meisje beloofde hem dit,
en Koning Perion was zeer ingenomen met de vurige wens van den
jongeling, het beroep van krijgsman te volgen. Hij verzocht hem dus
te knielen, gaf hem de ridderslag, bevestigde de ridderlijke sporen
aan zijne hielen, en gordde hem het zwaard aan.

AMADIS TREKT OP AVONTUUR UIT.
Amadis besloot, dadelijk op weg te gaan naar Gallië, en dus nam hij
geloven afscheid van Oriana, en verliet, begeleid door zijn pleegbroeder
Gandalin, tegen de avond het paleis. Zij hadden nog niet lang gereden,
of zij ontmoetten de geheimzinnige tovenares, die, zoals wij gezien
hebben, zulk een levendig belang stelde in het lot van onzen held,
en wier naam Urganda was.
De fee groette Amadis bijzonder vriendelijk en gaf hem een lans ten
geschenke, zeggende, dat deze binnen drie dagen »het huis, waaruit hij
was voortgekomen, voor ondergang zou behoeden.« Zij was vergezeld van
een jonkvrouw, en toen Urganda vertrokken was, bleef deze bij hem, en
zei, dat zij drie dagen met hem zou medereizen, en dat zij gewoonlijk
niet bij de tovenares was, maar haar nu toevallig had ontmoet. Zij
hadden nog niet ver gereden, toen zij bij een kasteel kwamen, waar zij
een schildknaap hoorden jammeren, dat zijn meester daarin bedreigd werd
door de bewoners. Amadis spoedde zich naar het voorplein, en ontdekte
Koning Perion, die zich heldhaftig verdedigde tegen twee ridders en
eenige soldaten. Met een kreet van woede viel Amadis de belagers aan,
zwaaide zijn zwaard in alle richtingen, en deelde zulke hevige slagen
uit, dat de verachtelijke ridders, die de Koning hadden aangevallen,
gedood werden, en dat hunne volgelingen op de vlucht werden gedreven.
Perion herkende Amadis ogenblikkelijk als de jongeling, die hij
niet lang geleden tot ridder had geslagen. Zij verlieten te samen
het kasteel, en namen bij een tweesprong afscheid van elkander, met
de wederzijdse belofte, elkander in Gallië weder te ontmoeten. De
jonkvrouw, die Amadis tot zoover begeleid had, vertelde hem, dat zij
een afgezant van Oriana was, waarop Amadis bij hethorenvan de naam
zijner Vrouwe, zóó begon te beven van vreugde, dat hij, als Gandalin
hem niet gesteund had, van zijn paard zou zijn gevallen. Toen nam
de jonkvrouw afscheid van hem, zeggende, dat zij haar meesteres zijn
succes zou melden.
Na verscheiden andere avonturen, kwam Amadis met Gandalin aan het
Hof van Koning Perion van Gallië aan. Zij hadden nog slechts eenige
oogenblikken gerust, toen zij de klaroenen van Koning Abies van
Ierland hoorden schallen voor de aanval op de stad. Zij bestegen
dadelijk hunne strijdrossen en deden met Agrayes en andere ridders een
uitval naar het vijandelijk leger. Er volgde een hardnekkige strijd,
waarin Amadis wonderen van dapperheid verrichtte. Perion en zijne
volgelingen vielen daarna de vijand aan, maar zij waren zooveel minder
in aantal dan het leger van Koning Abies, dat zij wel gedwongen waren,
terug te trekken. De dag werd echter weer goed gemaakt door Amadis,
die met zulk een woede vocht, dat paard noch man hem kon weerstaan, en
in het heetst van het gevecht doodde hij o.a. Daugavel, de lieveling
van Abies. Toen de Ierse Koning dit hoorde, was hij diep bedroefd,
en toen hij tegenover Amadis kwam te staan, daagde hij hem voor den
volgende dag uit tot een tweestrijd op leven en dood. Zij kwamen dus
samen en na een verwoed tweegevecht, dat verscheidene uren duurde,
werd Abies verslagen; en hiermede nam de oorlog een plotseling einde.
Nu gebeurde het, dat Melicia, de dochter van Perion, haar ring
verloor, die zij van haar vader gekregen had, dezelfde, die de
Koning gedragen had, toen hij voor het eerst Elisena ontmoette, en
die het duplicaat was van de ring, die hij haar geschonken had, en
dien zij om de hals van Amadis had gebonden, toen zij zich van hem
ontdeed. Om te voorkomen, dat haar vader het verlies zou bemerken,
gaf Amadis zijn eigen ring aan de prinses. Maar de Koning vond zelf
het verloren kleinood en stelde een onderzoek in naar de herkomst van
den tweeden ring. Door de bekentenis van Melicia, en de herkenning
van het zwaard, dat Amadis droeg, kwam Perion tot de overtuiging,
dat Amadis niemand anders zijn kon dan zijn lang verloren zoon; en
toen de jonge ridder zijn levensgeschiedenis verhaalde, en hoe hij
in zee was gevonden, verdween elke twijfel der ouders omtrent zijn
identiteit. Zij waren zielsgelukkig, dat zij hem hadden teruggevonden,
en erkenden hem in het openbaar als de troonopvolger.
Wij moeten nu weer de levensloop volgen van de broeder van Amadis,
Galaor, die als kind zo plotseling door de reus was weggevoerd. Hij
was opgegroeid tot een dapper en behendig jongeling, en daar hij
gehoord had, dat aan geen enkel Hof zulk een ridderlijke geest
heerste als aan dat van Koning Lisuarte van Brittanje, besloot
hij daarheen te reizen, in de hoop, daar de ridderslag te mogen
ontvangen. Zijn pleegvader, de reus, vergezelde hem, en zij hadden
nog slechts twee dagen gereisd, toen zij aan het kasteel kwamen van
een wrede ridder, die, geholpen door zijne ondergeschikten, juist
een eenzamen krijgsman aanviel. Galaor snelde hem te hulp en slaagde
erin, de bende te verslaan. Galaor vatte zulk een liefde op voor
den vreemdeling, dat hij verzocht, uit zijne handen de ridderslag
te mogen ontvangen. Deze gunst werd hem met vreugde verleend, en
nadat Amadis–want hij was de vreemde ridder–vertrokken was, vroeg
Galaor een jonkvrouw, die hij plotseling naast zich vond staan, of
zij de naam kende van de ridder, die hij zoojuist geholpen had. De
jonkvrouw, de tovenares Urganda, antwoordde, dat hij Amadis heette
en dat hij de eigen broeder van Galaor was. Toen Galaor dit hoorde,
was hij uitgelaten van vreugde, maar zijn vreugde was vermengd
met grote droefheid, omdat hij hun verwantschap niet ontdekt had,
voordat zij afscheid van elkander hadden genomen.
Nadat de tovenares Galaor had ingelicht, reisde zij Amadis achterna,
die op weg was naar het Hof van Koning Lisuarte in Windsor. Zij
vertelde hem, dat het zijn broeder Galaor was, die hem bevrijd had,
het kind, dat zijn ouders ontstolen was. Dit bericht verrukte hem,
maar bedroefde hem tevens.
Gesterkt door deze merkwaardige ontmoeting, vervolgde Galaor zijn
reis, die ten doel had, de rots Galtares voorgoed te ontrukken aan
de wreede heerschappij van de reus, die haar veroverd had.
Een reis van enige dagen bracht hem op de plaats zijner bestemming,
en op zijn uitdaging kwam de reus naar buiten, gezeten op een geweldig
strijdros, en de vreselijkste bedreigingen uitroepend. Hij reed
onmiddellijk op de jongen ridder toe, in de hoop, met één slag den
strijd te beslechten. Maar toen hij woest zijn knots zwaaide, trof hij
zijn eigen paard; hij viel met donderend geweld ter aarde, en Galaor
reed over zijn lichaam heen. Daarbij viel hij echter van zijn ros,
en ontving een vreeselijken vuistslag van de reus, maar hij herstelde
zich spoedig, trok zijn zwaard, en sneed de arm van het monster bij
den schouder af. Feitelijk was hiermede de strijd geëindigd, want
met een tweeden slag van zijn zwaard, onthoofde hij zijn tegenstander.
Amadis kwam nu aan het Hof van Koning Lisuarte, werd daar opgenomen in
den kring van ridders en was daar spoedig de ziel hunner ondernemingen,
zodat hij in korten tijd beroemd was als een der edelste paladijnen
van de Christelijke ridderschap. Zijne avonturen aan het Hof van
Lisuarte zouden boekdelen kunnen vullen; zijne voornaamste praestaties
waren een verdelgingsoorlog tegen de reuzen, de nederlaag van den
overweldiger Barsinan en de tovenaar Archelaus, benevens een grote
menigte krijgsverrichtingen, te veel om ze hier te beschrijven. Zijne
heldendaden zijn samen geweven  met die van zijn broeder Galaor, met
wie hij eens zelfs in felle strijd geraakte, daar geen van beiden
den ander herkende door de wapenrusting.

Lees verder deel 2: DE BELOFTE VAN LISUARTE.

Project Gutenberg’s Legenden en Romances van Spanje, by Lewis SpenceThis eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included with this eBook or online at www.gutenberg.net

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *