Legenden en Romances van Spanje II

Thema’s > Legenden en Romances van Spanje

Lees eerste deel 1.

Project Gutenberg’s Legenden en Romances van Spanje, by Lewis SpenceThis eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included with this eBook or online at www.gutenberg.net

DE BELOFTE VAN LISUARTE.
Het gebeurde, dat terwijl Lisuarte recht sprak te Londen, er een bejaarde ridder in de zaal trad, die zulk een wonderschone kroon en mantel vertoonde, dat de Koning verklaarde, ze tot elken prijs te willen kopen. De ridder zei dat hij op een bepaalden dag zou terugkomen om zijn loon op te eisen, en de Koning verbond zich, kroon en mantel zorgvuldig te bewaren, op straffe van verlies van zijn dierbaarst bezit. De ridder was een gezant van de valse tovenaar Archelaus en de versierselen, die hij Lisuarte getoond had, waren door tovenarij gemaakt, zodat, toen de Koning ze wenste te dragen, en de koffer ontsloot, waarin ze bewaard werden, hij ontdekte, dat ze verdwenen waren. De oude ridder kwam terug en verlangde zijn loon. Lisuarte was genoodzaakt te bekennen, dat kroon en mantel verdwenen waren, en de handlanger van de sluwe tovenaar eiste Prinses Oriana als prijs van de Koning op. In een zwak ogenblik ging Lisuarte op dien eis in, en de ridder reed heen met Oriana, die hij dadelijk in de macht van Archelaus stelde; Lisuarte viel in een hinderlaag, die hem door de listige tovenaar gelegd was.

Toen Amadis en Galaor, die op dat ogenblik niet aan het Hof vertoefden, van dit verraad hoorden, spoedden zij zich naar Windsor, vast besloten de boze plannen van de tovenaar te verijdelen. Deze wilde n.l. Oriana uithuwelijken aan de pretendent naar de Britsen troon, de verraderlijken Barsinan, die al eens door Amadis overwonnen was. Galaor bevrijdde Lisuarte uit de macht zijner vijanden, en nadat Amadis in alle richtingen gezocht had naar de edele jonkvrouw, ontmoette hij haar ten slotte in een bos, toen zij door Archelaus werd weggevoerd. Toen de tovenaar de dapperen ridder in het oog kreeg wiens heldendaden hij reeds zoo dikwijls had horen roemen, maakte hij zich haastig uit de voeten, en liet Oriana achter in de handen van haar minnaar, die haar veilig naar het Hof terugbracht.

HET VERSTERKTE EILAND.
Met het begin van het Tweede Boek treden wij een wonderbaarlijke en geheimzinnige wereld binnen; dit boek kan in waarheid het Cor Cordium, de spiegel, de kwintessence der romantiek genoemd worden. Het brengt ons in kennis met de Griekse koningszoon Apolidon, die ons beschreven wordt als een dapper ridder en een machtig tovenaar. Hij stond zijne rechten af aan zijn jongeren broeder, en voer door de Grote Zee, waar hij een eiland ontdekte, dat slechts door boeren bewoond werd, en waar een machtige reus heerste; dit eiland was bekend als het Versterkte Eiland, en werd in verscheidene romances bezongen als een waar paradijs.

Nadat hij de reus verslagen had, bleef Apolidon op het eiland wonen totdat zijn broeder stierf en hij naar Griekenland terugkeerde; maar voordat hij de plaats verliet, legde hij haar onder een machtige betovering, opdat geen ridder of jonkvrouw daar zou mogen wonen, die niet zijn gelijke was in dapperheid, of niet even schoon als zijn geliefde Grymenysa. De wonderen van dit toverland zijn wel waard beschreven te worden, en daar een groot gedeelte van de handeling dezer romance zich daar afspeelt, zullen wij ons inschepen op de tovergalei, die altijd gereed ligt in de haven der legende, en naar het eiland zeilen, om op de betoverde kust te landen.

Hier volgt dan een beschrijving in dichtregels van het eiland.

HET VERSTERKTE EILAND.
Apolidon, door tovermacht, Bouwde een huis van wondre pracht Op een eiland, waar geen enkel schip Voer door de zee langs die eenzame klip. Op de granieten zuilen van de poort Grifte hij het strenge woord, Dat slechts hij, die hem in deugden was gelijk, Zou mogen komen in dit gezegend rijk. Hangende terrassen glinsterend wit in de zon, Schoon als de tuinen van koningin Semiramis van Babylon, En de hoogte was van zulk een stralende pracht Alsof de dag lag opgestapeld op de nacht, En uit een groep van mirten, tedergroen, Verrees een wit en heerlijk paviljoen, Dat toescheen aan de zeelieden van ver, Een op een weiland neergedaalde ster. Tussen paleis en zee vertoonde zich aan ‘t oog Een toverachtig fonkelende stralenboog Met zon en sterren heerlijk bejuweeld; En in die nis stond een betoverd beeld, In welks ten hemel opgeheven hand Een koperen klaroen scheen, lichtend als in fellen brand. En als een ridder of een maagd In overmoed het had gewaagd, Geboren uit een vrij geslacht, Minder in schoonheid en in macht Dan tovenaar Apolidoon, Of Grymenysa, wonderschoon, Te treden in de toverhal, Dan zou, met bulderend geschal De koperen klaroen uitbarsten in geweld, Zodat daar de vermetele werd neergeveld. Maar als een jonkvrouw, hoog van naam, Een ridder zonder vrees of blaam Zou komen aan de poort, Dan zouden in de zaal’gen hof Fanfares, daverend van lof En vreugde zijn gehoord. Kristallen zuilen gaven aan de toverlijn; Een platte steen van jaspis of van serpentijn, Waar, tussen vlammende arabesken glinst’ren zou de naam Des ridders of der jonkvrouw van zoo hoge faam, Straalde op het Grieks plaveisel; wie van beiden Eenmaal de toverlijn zou overschrijden, Die zou aanschouwen in een glans, als stralend ijs De heersers uit dit wond’re paradijs, Gegoten in de bovenaardse praal Van glinsterend, onsterfelijk metaal. Nog dieper in de hof plaatste de tovenaar Voor Grymenysa, in zijn hogen zin, Als een verheerlijking van grenzenlooze min, Een wacht voor haar vertrekken, vol gevaar: Met negen zegels vol vervloeking, sloot hij haar ivoren deur Opdat slechts ‘t edelst hart, dat ooit werd voortgebracht, Aanschouwen zou die goddelijke pracht En zich zou laven aan de bovenaardsen geur. En opdat laagheid nimmer daar zou binnengaan, Liet hij twee woeste geesten met de macht van Sheol in de zwaarden, Onzichtbaar echter voor de ogen dezer aarde, Als strenge wachters voor de kamer staan. En alle draden van zijn wonderbaren geest, Waren geweven in het geheimzinnig toverspel Rondom de schaduwen van deze citadel Waar hij zoo lange tijden oppermachtig was geweest. Toen ging hij uit die plaats van zaligheid, Aanroepend alle geesten als beschermers dezer oorden: Sabitu, Baphomet, Siduri, met zijn toverwoorden, En macht hun gevend tot in eeuwigheid. En toen de maan verduisterde aan de lucht, Toen is de tovenaar dit paradijs ontvlucht; Hoe hij zijn rijk verliet, heeft niemand ooit gehoord, En nimmer keerde hij terug naar ‘t zalig oord. Maar nog zien herders in het morgensemerlicht, Gestalten zweven, witter dan de neev’len dicht, En altijd horen zij nog bij het vallend duister, Een teder zuchten en een lispelend gefluister.

Share

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *