Legenden en Romances van Spanje III

Thema’s > Legenden en Romances van Spanje III

Lees eerste deel 1 en deel 2.

Project Gutenberg’s Legenden en Romances van Spanje, by Lewis SpenceThis eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included with this eBook or online at www.gutenberg.net

»DE GEVANGEN RIDDER EN DE MEREL«

verhaalt ons de droefheid van een krijgsman, die in zijn diepen kerker
niet bemerkt, hoe de jaren wisselen en hoe de maan wast en afneemt:

Ach, droefenis woont in mijn hart, hoe schoon de Mei ook straalt,
Ik weet niet, dat de dag ontwaakt, en dat de avond daalt;
Eéns zong een blijde vogelstem bij ‘t rijzen van de zon;
Dan wist ik, dat de nacht verdween, en dat de dag begon.

Een wreede hand had de merel gedood, die de vreugde had uitgemaakt
van den armen gevangene. Maar de Koning hoorde zijn droeve klacht,
toen hij langs den kerker wandelde, en hij gaf den ongelukkige de
vrijheid terug. Wij zullen het droefgeestige »Valladolid« voorbijgaan,
dat een beschrijving geeft van het bezoek van een ridder aan het graf
zijner geliefde, die in deze stad gewoond had. »De Ongelukkig-Getrouwde
Vrouw« verhaalt het leed van een dame, wier echtgenoot haar ontrouw
is, en die zich met een anderen ridder troost. Zij worden verrast
door haar heer en gebieder, en zij vraagt hem, alsof het vanzelf
spreekt: »Moet ik vandaag nog sterven?« en zij smeekt hem, haar onder
de oranje-appelboomen te begraven. De romance vertelt ons niet, of
haar laatste wenschen vervuld werden, noch of zij ter dood gebracht
werd, maar voor een Spaansch publiek der zeventiende eeuw was dit
waarschijnlijk zóó vanzelfsprekend, dat het onnoodig was, het nog
te vermelden.

»Dragut« geeft het verhaal van een beroemd zeeroover, wiens schip
in den grond geboord werd door een galei, behoorende aan de Maltezer
Ridders. Dragut ontkwam aan den dood door naar de kust te zwemmen, maar
de Christen gevangenen, waarmede zijn boot volgeladen was, verdronken
allen, met uitzondering van één, wien de ridders een touw toewierpen.

Het was een ridder uit een edel Spaansch geslacht,
Die lang gezucht had onder Saraceensche macht.
Gedwongen door den wreeden Moor met ijzren hand,
Op zee galeislaaf, en een tuinmansknecht aan land.

De romancero: »Sale la estrella de Venus« verhaalt een tragische
geschiedenis. Een Moorsch krijgsman, die de stad Sidonia ontvlucht was
om de wreedheid zijner geliefde, die hem bespot had om zijn armoede
en haar hand aan een ander geschonken had, vervult de lucht met zijn
droeve klachten. Hij vervloekt de trotsche en wreede jonkvrouw, die
hem zoo gegriefd heeft. Waanzinnig van smart begeeft hij zich naar het
paleis van den Alcade, met wien de trouwelooze schoone dien avond in
het huwelijk zal treden. Het gebouw schittert in een zee van licht,
en is vervuld van vroolijk gezang.

En de gasten gaan opzijde,
Als hij voortschrijdt als een vorst.
Wee! hij nadert den Alcade
En doorsteekt diens trotsche borst.
Ach, het bloed uit diepe wonde
Kleurt het vorstelijke kleed.
Het paleis weergalmt van klagen,
Angstgeschrei en wanhoopskreet!
En terwijl de bange klachten
Nog weerklinken in de lucht,
Is de ridderlijke wreker
Naar Medina reeds gevlucht.

Wij hebben nu ieder type der Spaansche balladekunst min of meer
uitvoerig behandeld, en gezien, dat over het algemeen de domineerende
toon romantisch en ernstig is, een gevolg van de gemoedsgesteldheid
van een trotsch en fantasierijk volk. Ook zagen wij, dat tal van
deze gedichten iets typisch Spaansch hebben, en dus raseigenschappen
vertoonen. »Arm Spanje!« Hoe menigmaal hooren wij deze uitdrukking
gebruiken door menschen van het Angelsaksische ras! Zij vergissen
zich. Wat beteekent materieele armoede voor een volk, dat begaafd
is met zulk een heerlijke verbeeldingskracht? Arm Spanje! Neen, rijk
Spanje, schatkamer van een onuitputtelijken rijkdom aan overleveringen,
van de kostbaarste juweelen der romance, van het drama en van het lied!

HOOFDSTUK XI: MOORSCHE ROMANCES UIT SPANJE.

Het spreekt vanzelf, dat dit meer romances over Mooren zijn dan door
Mooren geschreven, want het zijn eigenlijk Spaansche volkszangen,
die Saraceensche onderwerpen behandelen, of den tijd der Saraceensche
overheersching beschrijven, en niet, zooals men wellicht zou meenen,
overleveringen geput uit oude Arabische manuscripten. De Arabische
letterkunde van Spanje draagt eerder een didactisch, theologisch
en philosophisch, dan een romantisch karakter. Het verdichtsel was
voornamelijk het gebied van den rondtrekkenden zanger, zooals het
dit ook nu nog in het Oosten is; en het staat vast, dat vele Moorsche
legenden en verhalen rondgingen onder de Spaansche boerenbevolking,
speciaal in de zuidelijkste gedeelten van het Schiereiland. De
verzamelaars hebben echter niet veel aandacht geschonken aan deze
gedichten, waarvan de meeste ook weinig belangrijk zijn. Maar de
weinige romances, die opgeschreven zijn, bekoren ons door haar groote
schoonheid en glans. De belangrijkste verzameling overleveringen
van de Mooren in Spanje, is ongetwijfeld die van Washington Irving,
de Vertellingen uit het Alhambra. Hij verklaart zelf, dat hij deze
»met groote toewijding gestalte en vorm heeft gegeven naar aanleiding
van de verschillende vage aanduidingen en verhaaltjes, die hij op
zijne vele voetreizen verzameld heeft, zooals een oudheidkundige
een historisch document opbouwt uit enkele verspreide letterteekens
van een bijna uitgewischt opschrift.« De eerste van onze Moorsche
legenden zal ik dus navertellen uit de wondere bladzijden van den
grooten Amerikaanschen schrijver.

DE ARABISCHE STERRENWICHELAAR.

Aben Habuz, Koning van Granada, mocht zeker wel aanspraak maken op een
rustigen ouden dag. Maar de jonge en strijdlustige vorsten, wier landen
aan zijn gebied grensden, waren niet van plan hem de verschrikkingen
van den oorlog te besparen; en ofschoon hij alle mogelijke voorzorgen
nam, opdat zijn rijk gevrijwaard zou zijn tegen de invallen dezer
heethoofden, vervulde de voortdurende bedreiging van een aanval van
één hunner, en de telkens terugkeerende binnenlandsche woelingen,
zijn ouden dag met angst en ergernis.

Gekweld en verontrust, zocht hij een raadsman, die hem zou
kunnen helpen zijn positie te versterken. Maar onder de wijzen
en edelen aan zijn Hof ontmoette hij zulk een grove zelfzucht en
gebrek aan vaderlandsliefde, dat hij er niet toe besluiten kon,
één hunner zijn vertrouwen te schenken en hem in te wijden in zijne
staatszaken. Terwijl hij zijn vereenzaamd bestaan overdacht, kwam men
tot hem met de mededeeling, dat een Arabisch geleerde in Granada was
aangekomen, wiens groote wijsheid en scherp verstand in het geheele
Oosten spreekwoordelijk was. De naam van dezen geleerden Brahmaan was
Ibrahim Elben Abu Ajib, en er werd gefluisterd, dat hij geboren was in
den tijd van Mohammed, en de zoon was van een van diens persoonlijke
vrienden. In zijne kinderjaren had hij het leger van Amru, den generaal
van den Profeet, op zijn veldtocht naar Egypte begeleid, en hij was
gedurende eenige eeuwen in dat land gebleven, waar hij zijn tijd
had gebruikt voor de studie van die verborgen wetenschappen, waarin
de Egyptische priesters zoo doorkneed waren. Niettegenstaande zijn
hoogen ouderdom (hij zag er inderdaad zeer eerwaardig uit), had hij
den langen weg van Egypte te voet afgelegd, steunende op zijn staf,
waarin allerlei geheimzinnige teekens gegrift waren. Zijn baard reikte
tot aan zijn gordel, zijne doordringende oogen verraadden een bijna
bovenmenschelijk verstand en inzicht, en zijn houding was waardiger en
vorstelijker dan van den meest verheven Mullah in Granada. Men vertelde
van hem, dat hij het geheim bezat van het levenselixir, maar daar hij
dit slechts op lateren leeftijd verkregen had, moest hij erin berusten,
dat hij het uiterlijk van een grijsaard had, ofschoon hij er reeds in
geslaagd was, zijn bestaan te verlengen tot meer dan tweehonderd jaren.

Share

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *