Legenden en Romances van Spanje III

Thema’s > Legenden en Romances van Spanje III

Lees eerste deel 1 en deel 2.

Project Gutenberg’s Legenden en Romances van Spanje, by Lewis SpenceThis eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included with this eBook or online at www.gutenberg.net

»DE GEVANGEN RIDDER EN DE MEREL«

verhaalt ons de droefheid van een krijgsman, die in zijn diepen kerker
niet bemerkt, hoe de jaren wisselen en hoe de maan wast en afneemt:

Ach, droefenis woont in mijn hart, hoe schoon de Mei ook straalt,
Ik weet niet, dat de dag ontwaakt, en dat de avond daalt;
Eéns zong een blijde vogelstem bij ’t rijzen van de zon;
Dan wist ik, dat de nacht verdween, en dat de dag begon.

Een wreede hand had de merel gedood, die de vreugde had uitgemaakt
van den armen gevangene. Maar de Koning hoorde zijn droeve klacht,
toen hij langs den kerker wandelde, en hij gaf den ongelukkige de
vrijheid terug. Wij zullen het droefgeestige »Valladolid« voorbijgaan,
dat een beschrijving geeft van het bezoek van een ridder aan het graf
zijner geliefde, die in deze stad gewoond had. »De Ongelukkig-Getrouwde
Vrouw« verhaalt het leed van een dame, wier echtgenoot haar ontrouw
is, en die zich met een anderen ridder troost. Zij worden verrast
door haar heer en gebieder, en zij vraagt hem, alsof het vanzelf
spreekt: »Moet ik vandaag nog sterven?« en zij smeekt hem, haar onder
de oranje-appelboomen te begraven. De romance vertelt ons niet, of
haar laatste wenschen vervuld werden, noch of zij ter dood gebracht
werd, maar voor een Spaansch publiek der zeventiende eeuw was dit
waarschijnlijk zóó vanzelfsprekend, dat het onnoodig was, het nog
te vermelden.

»Dragut« geeft het verhaal van een beroemd zeeroover, wiens schip
in den grond geboord werd door een galei, behoorende aan de Maltezer
Ridders. Dragut ontkwam aan den dood door naar de kust te zwemmen, maar
de Christen gevangenen, waarmede zijn boot volgeladen was, verdronken
allen, met uitzondering van één, wien de ridders een touw toewierpen.

Het was een ridder uit een edel Spaansch geslacht,
Die lang gezucht had onder Saraceensche macht.
Gedwongen door den wreeden Moor met ijzren hand,
Op zee galeislaaf, en een tuinmansknecht aan land.

De romancero: »Sale la estrella de Venus« verhaalt een tragische
geschiedenis. Een Moorsch krijgsman, die de stad Sidonia ontvlucht was
om de wreedheid zijner geliefde, die hem bespot had om zijn armoede
en haar hand aan een ander geschonken had, vervult de lucht met zijn
droeve klachten. Hij vervloekt de trotsche en wreede jonkvrouw, die
hem zoo gegriefd heeft. Waanzinnig van smart begeeft hij zich naar het
paleis van den Alcade, met wien de trouwelooze schoone dien avond in
het huwelijk zal treden. Het gebouw schittert in een zee van licht,
en is vervuld van vroolijk gezang.

En de gasten gaan opzijde,
Als hij voortschrijdt als een vorst.
Wee! hij nadert den Alcade
En doorsteekt diens trotsche borst.
Ach, het bloed uit diepe wonde
Kleurt het vorstelijke kleed.
Het paleis weergalmt van klagen,
Angstgeschrei en wanhoopskreet!
En terwijl de bange klachten
Nog weerklinken in de lucht,
Is de ridderlijke wreker
Naar Medina reeds gevlucht.

Wij hebben nu ieder type der Spaansche balladekunst min of meer
uitvoerig behandeld, en gezien, dat over het algemeen de domineerende
toon romantisch en ernstig is, een gevolg van de gemoedsgesteldheid
van een trotsch en fantasierijk volk. Ook zagen wij, dat tal van
deze gedichten iets typisch Spaansch hebben, en dus raseigenschappen
vertoonen. »Arm Spanje!« Hoe menigmaal hooren wij deze uitdrukking
gebruiken door menschen van het Angelsaksische ras! Zij vergissen
zich. Wat beteekent materieele armoede voor een volk, dat begaafd
is met zulk een heerlijke verbeeldingskracht? Arm Spanje! Neen, rijk
Spanje, schatkamer van een onuitputtelijken rijkdom aan overleveringen,
van de kostbaarste juweelen der romance, van het drama en van het lied!

HOOFDSTUK XI: MOORSCHE ROMANCES UIT SPANJE.

Het spreekt vanzelf, dat dit meer romances over Mooren zijn dan door
Mooren geschreven, want het zijn eigenlijk Spaansche volkszangen,
die Saraceensche onderwerpen behandelen, of den tijd der Saraceensche
overheersching beschrijven, en niet, zooals men wellicht zou meenen,
overleveringen geput uit oude Arabische manuscripten. De Arabische
letterkunde van Spanje draagt eerder een didactisch, theologisch
en philosophisch, dan een romantisch karakter. Het verdichtsel was
voornamelijk het gebied van den rondtrekkenden zanger, zooals het
dit ook nu nog in het Oosten is; en het staat vast, dat vele Moorsche
legenden en verhalen rondgingen onder de Spaansche boerenbevolking,
speciaal in de zuidelijkste gedeelten van het Schiereiland. De
verzamelaars hebben echter niet veel aandacht geschonken aan deze
gedichten, waarvan de meeste ook weinig belangrijk zijn. Maar de
weinige romances, die opgeschreven zijn, bekoren ons door haar groote
schoonheid en glans. De belangrijkste verzameling overleveringen
van de Mooren in Spanje, is ongetwijfeld die van Washington Irving,
de Vertellingen uit het Alhambra. Hij verklaart zelf, dat hij deze
»met groote toewijding gestalte en vorm heeft gegeven naar aanleiding
van de verschillende vage aanduidingen en verhaaltjes, die hij op
zijne vele voetreizen verzameld heeft, zooals een oudheidkundige
een historisch document opbouwt uit enkele verspreide letterteekens
van een bijna uitgewischt opschrift.« De eerste van onze Moorsche
legenden zal ik dus navertellen uit de wondere bladzijden van den
grooten Amerikaanschen schrijver.

DE ARABISCHE STERRENWICHELAAR.

Aben Habuz, Koning van Granada, mocht zeker wel aanspraak maken op een
rustigen ouden dag. Maar de jonge en strijdlustige vorsten, wier landen
aan zijn gebied grensden, waren niet van plan hem de verschrikkingen
van den oorlog te besparen; en ofschoon hij alle mogelijke voorzorgen
nam, opdat zijn rijk gevrijwaard zou zijn tegen de invallen dezer
heethoofden, vervulde de voortdurende bedreiging van een aanval van
één hunner, en de telkens terugkeerende binnenlandsche woelingen,
zijn ouden dag met angst en ergernis.

Gekweld en verontrust, zocht hij een raadsman, die hem zou
kunnen helpen zijn positie te versterken. Maar onder de wijzen
en edelen aan zijn Hof ontmoette hij zulk een grove zelfzucht en
gebrek aan vaderlandsliefde, dat hij er niet toe besluiten kon,
één hunner zijn vertrouwen te schenken en hem in te wijden in zijne
staatszaken. Terwijl hij zijn vereenzaamd bestaan overdacht, kwam men
tot hem met de mededeeling, dat een Arabisch geleerde in Granada was
aangekomen, wiens groote wijsheid en scherp verstand in het geheele
Oosten spreekwoordelijk was. De naam van dezen geleerden Brahmaan was
Ibrahim Elben Abu Ajib, en er werd gefluisterd, dat hij geboren was in
den tijd van Mohammed, en de zoon was van een van diens persoonlijke
vrienden. In zijne kinderjaren had hij het leger van Amru, den generaal
van den Profeet, op zijn veldtocht naar Egypte begeleid, en hij was
gedurende eenige eeuwen in dat land gebleven, waar hij zijn tijd
had gebruikt voor de studie van die verborgen wetenschappen, waarin
de Egyptische priesters zoo doorkneed waren. Niettegenstaande zijn
hoogen ouderdom (hij zag er inderdaad zeer eerwaardig uit), had hij
den langen weg van Egypte te voet afgelegd, steunende op zijn staf,
waarin allerlei geheimzinnige teekens gegrift waren. Zijn baard reikte
tot aan zijn gordel, zijne doordringende oogen verraadden een bijna
bovenmenschelijk verstand en inzicht, en zijn houding was waardiger en
vorstelijker dan van den meest verheven Mullah in Granada. Men vertelde
van hem, dat hij het geheim bezat van het levenselixir, maar daar hij
dit slechts op lateren leeftijd verkregen had, moest hij erin berusten,
dat hij het uiterlijk van een grijsaard had, ofschoon hij er reeds in
geslaagd was, zijn bestaan te verlengen tot meer dan tweehonderd jaren.

Het verheugde Koning Aben Habuz zeer, in de gelegenheid te zijn, zulk
een beroemd man gastvrijheid te verleenen, en dus behandelde hij hem
met buitengewone onderscheiding, maar de geleerde Arabier was afkeerig
van elken vorm van weelde, en hij installeerde zich in een grot van
den heuvel, waarop later het beroemde Alhambra gebouwd werd. Hij
liet deze grot zoodanig veranderen, dat zij geleek op het inwendige
van de hooge tempels van het Egyptische rijk, waar hij zoovele jaren
van zijn lang leven had doorgebracht. Door de natuurlijke rots, die
het dak vormde, liet hij door den hofarchitect een lange buis slaan,
zoodat hij vanuit zijn duistere verblijfplaats zelfs midden op den
dag den loop der sterren zou kunnen volgen. Want Ibrahim was doorkneed
in de studie van de wetenschap der hemellichamen, die driewerf edele
kunst der sterrenwichelarij, die door de geleerden van alle eeuwen
erkend wordt als de ware bron van alle goddelijke wijsheid, en die
door de oppervlakkige waanwijzen van een lateren tijd veronachtzaamd
is geworden. Maar slechts voor een enkelen dag in de eeuwigheid zal
dit wondere en gouden boek op zij gelegd worden; nooit zullen zijne
bladzijden, beschreven met geheimzinnige en duistere letters, geheel
voor den mensch gesloten worden. De vreemde, kronkelende letters
van de taal der wijzen, en de even geheimzinnige symbolen van het
oude Egypte, versierden de muren der grot van den sterrenwichelaar,
en omringd door deze hieroglyphen, en voorzien van den primitieven
telescoop, dien wij beschreven hebben, bracht de wijze Ibrahim zijne
dagen door met het ontcijferen van de geschiedenis der toekomst,
die in de schitterende bladzijden van het uitspansel beschreven stond.

Het was niet meer dan natuurlijk, dat de ongelukkige Aben Habuz
hulp zocht bij den wijzen en helderzienden sterrenwichelaar. Het
duurde dan ook niet lang, of Ibrahim was hem onmisbaar geworden,
en werd overal in geraadpleegd. Hij antwoordde steeds vriendelijk
en stelde zijne wonderbaarlijke gaven geheel in dienst van den
gekwelden vorst. Op zekeren dag beklaagde Aben Habuz zich bitter
erover, dat hij voortdurend bedacht moest zijn op de aanvallen
zijner strijdlustige buren. De astroloog bleef eenige oogenblikken
in gedachten verzonken; toen antwoordde hij: »O, Koning, lang geleden
heb ik iets wonderbaars in Egypte aanschouwd, gemaakt door een wijze
priesteres van dat land. Ten Noorden van de stad Borsia verheft zich
een reusachtige berg, waarop het beeld van een ram geplaatst is,
waarboven een haan zetelt; beide beelden zijn van glanzend koper en
draaien om een spil. Wanneer het land door een inval bedreigd wordt,
keert de ram zich in de richting van den vijand, en de haan begint
te kraaien. Op deze wijze zijn de inwoners van Borsia in staat,
tijdig hunne verdedigingsmaatregelen te treffen.

»Konden wij maar iets dergelijks in Granada uitvinden,« riep de Koning
uit, »dan zouden wij weder gerust ons hoofd kunnen neerleggen.«

De sterrenwichelaar glimlachte over den ernst van den Koning. »Ik heb
u reeds verteld, o Koning,« zeide hij, »dat ik vele jaren in Egypte
heb doorgebracht, en mij heb toegelegd op de verborgen wetenschappen
van dat geheimzinnige land. Op zekeren dag, toen ik aan den oever van
de Nijl zat, en van gedachten wisselde met een Egyptischen priester,
sprak mijn metgezel, wijzende op de geweldige pyramiden, die hunne
schaduwen wierpen op de plek, waar wij ons bevonden: »Mijn zoon, hier
ziet gij deze bergen van steen, de gedenkteekenen voor Koningen, die
stierven toen Griekenland nog in opkomst was, en er nog geen steen van
Rome stond; alle kennis, die wij u kunnen schenken, is als een droppel
water in den Oceaan, vergeleken bij de geheimen, die deze monumenten
bevatten. In het hart van de Groote Pyramide is een doodenkamer,
waar de mummie rust van een hoogepriester, die dit geweldige monument
ontwierp en bouwde. Op zijn borst ligt een wonderboek, dat gewichtige
toovergeheimen bevat; het is hetzelfde boek, dat Adam geschonken
werd na zijn val en met welks hulp Salomon den tempel te Jeruzalem
bouwde. Van het oogenblik af, waarop ik deze woorden hoorde, o Koning,
had ik geen rust meer. Ik besloot, door te dringen in de Groote
Pyramide, en in het bezit te komen van dit wonderboek. Ik vormde een
klein leger uit soldaten van den zegevierenden Amru en uit geboren
Egyptenaren, en begon het stevige gebouw te doorboren, waarin dat boek
van onschatbare waarde verborgen was. Na onbeschrijfelijk veel moeite
en arbeid gelukte het mij, de verborgen gangen op te sporen. Langen
tijd doorzocht ik de labyrinthen der reusachtige pyramide, voordat ik
bij de doodenkamer kwam. En tastende in de zwartste duisternis, terwijl
ik telkens opgeschrikt werd door het geritsel der kleeden, waarin de
mummies der Pharao’s gewikkeld waren, bereikte ik de heilige plaats,
waar het lichaam van den hoogepriester in zijn strenge waardigheid
lag. Ik opende de sarcophaag, ontdeed het stoffelijk overschot van
zijne omhulsels, en vond het geheimzinnige boek, dat temidden van
geurige kruiden en amuletten op de verschrompelde borst lag. Ik greep
het, vluchtte terug door de duistere gangen en herademde eerst, toen
ik den helderen Egyptischen dag en de vriendelijke groene oevers der
rivier weder aanschouwde.«

»Maar wat heeft dat alles te maken met mijne moeilijkheden, o zoon
van Abu Ajib?« vroeg de Koning geprikkeld.

»Ik heb u dit verteld, o Koning, omdat ik door middel van dit
wonderboek de geesten van de aarde en de lucht kan aanroepen, en ik
met hun hulp een talisman zal maken, zooals dien van den heuvel bij
de stad Borsia.«

De sterrenwichelaar hield zijn woord. Doordat hij de beschikking kreeg
over alle hulpbronnen van het koninkrijk, was hij in staat een hoogen
toren te bouwen, boven op den heuvel Albayan. Op zijn bevel droegen
de geesten groote steenen van de pyramiden van Egypte aan, en hieruit
werd het gebouw opgetrokken. Op de bovenste verdieping maakte hij een
ronde hal, waarvan de vensters in alle richtingen uitzagen, en voor
elk venster plaatste hij een tafel, waarop als bij een schaakbord,
houten soldaten waren opgesteld, ruiters en voetvolk, en de beeltenis
van den vorst, die in die richting heerschte. Naast elke tafel lag
een kleine speer, waarin tooverletters gegrift waren. De hal werd
gesloten met een ijzeren hek, waarvan de sleutel door den Koning
bewaard werd. Boven op den toren plaatste hij het bronzen beeld van
een Moorsch ruiter, dat op een draaienden stang was bevestigd. Het
droeg een schild en een speer, welke laatste hij loodrecht in de hand
hield. Het beeld keek naar de stad, maar wanneer een vijand naderde,
zou de ruiter zich naar hem toekeeren en de lans op hem richten,
alsof hij hem wilde aanvallen.

Niettegenstaande zijn grooten afkeer van den oorlog, brandde Aben Habuz
van verlangen, de deugdelijkheid van zijn talisman te beproeven. Hij
behoefde niet lang te wachten, want op zekeren morgen bracht men hem
de tijding, dat het gelaat van den bronzen ruiter naar de bergen
was gekeerd, en dat zijn lans in de richting van den pas van Lope
wees. Er werd oogenblikkelijk bevel gegeven, alarm te blazen, maar
Ibrahim verzocht den Koning, de stad niet op te schrikken, en zijne
troepen niet te mobiliseeren, maar hem te volgen naar de geheime hal
in den toren.

Toen zij daar binnentraden, vonden zij het venster, dat op den
pas van Lope uitzag, wijd open. »Aanschouw nu, o Koning,« zeide de
astroloog, »het wonder van de tafel.« Aben Habuz keek naar de tafel,
die bedekt was met de kleine houten ruiters en het voetvolk, en tot
zijn groote verbazing zag hij, dat zij allen in volle actie waren, dat
de krijgslieden hunne wapens zwaaiden, en dat de paarden hinnikten,
maar deze geluiden waren niet sterker dan het gezoem, dat uit een
bijenkorf opstijgt.

»Uwe Majesteit,« zeide de sterrenwichelaar, »indien U wenscht een
paniek te veroorzaken onder Uwe vijanden, dan behoeft gij slechts met
den knop van de tooverspeer op de tafel te slaan; maar wanneer gij
dood en verderf onder hen wilt brengen, moet gij met de punt slaan.«

Aben Habuz greep de kleine lans en stootte deze in eenige der kleine
figuurtjes, terwijl hij andere met de knop bewerkte. De eersten
vielen voor dood op de tafel neer, en de anderen vielen in groote
verwarring over elkander heen. Er werden bespieders uitgezonden,
die zich ervan overtuigen moesten, of de werkelijke aanvallers
inderdaad verslagen waren, en zij kwamen terug met het bericht,
dat Christentroepen door den pas van Lope waren getrokken, maar dat
zij onderling slaags waren geraakt, en in groote verwarring naar hun
eigen land teruggevlucht waren.

De Koning was verrukt over het resultaat, en hij verzocht Ibrahim,
zelf zijn belooning te noemen. »Ik heb slechts weinig behoeften,«
antwoordde de sterrenwichelaar; »wanneer mijn grot wordt ingericht
als een gepaste verblijfplaats van een philosoof, dan begeer ik
niets meer.«

Verbaasd over deze groote bescheidenheid, ontbood de Koning zijn
schatbewaarder, en hij droeg hem op, kennis te nemen van de wenschen
van den sterrenwichelaar. De wijze verlangde, dat men een geheele
reeks vertrekken in de rots zou uithouwen; en toen dit geschied
was, gaf hij bevel, dat zij met de grootste weelde zouden worden
ingericht. Vorstelijke ottomanes en heerlijke divans vulden alle
hoeken, en de vochtige muren waren behangen met de kostbaarste zijden
stoffen van Damascus, terwijl de rotsachtige vloeren bedekt waren
met de schitterendste Perzische kleeden. Verleidelijke baden waren
aangebracht, voorzien van de heerlijkste Oostersche reukwateren. De
vertrekken werden verlicht door ontelbare zilveren en kristallen
lampen, die Ibrahim vulde met een geurige en wonderbare olie, die
voortdurend brandde, en niet kon worden uitgedoofd.

De schatbewaarder, die ongerust was over de verregaande verkwisting
van den sterrenwichelaar, sprak den Koning erover aan; maar daar
Zijne Majesteit zijn woord aan den wijze gegeven had, en hij diens
verkwisting eenigszins had uitgelokt, kon hij moeilijk tusschenbeide
komen, en hij kon slechts hopen, dat de inrichting der grot spoedig
voltooid zou zijn. Toen de »kluizenaarswoning« eindelijk gevuld was
met de weelde-artikelen van drie koninkrijken, vroeg de schatbewaarder,
of de wijze tevreden was.

»Ik heb nog één klein verzoek,« antwoordde hij; »ik zou nl. gaarne
eenige danseressen tot mijn beschikking hebben, om mij te verstrooien.«

Ofschoon de schatbewaarder verontwaardigd was over dezen eisch,
volgde hij de bevelen van den astroloog op, en toen Ibrahim dus
alles had gekregen, wat zijn hart begeerde, sloot hij zich in zijn
onderaardsch verblijf op. Intusschen hield de Koning zich in den toren
bezig met zijn houten soldaatjes, en daar de sterrenwichelaar niet
bij de hand was, om zijn strijdlust te temperen, vermaakte hij zich
met het verdelgen van legers, en het verslaan van geheele bataljons
door een enkelen stoot met de tooverlans. Zijne vijanden waren zóó
ontdaan over het lot van elken krijgstocht naar zijn gebied, dat zij
tenslotte ophielden hem te bestoken, en gedurende vele maanden bleef
de bronzen ruiter stil staan. Doordat Aben Habuz dus beroofd was van
zijn liefste bezigheid, verveelde hij zich, en werd hij brommig. Maar
op een goeden morgen bracht men hem het bericht, dat de bronzen ruiter
zijn lans had gekeerd naar de bergen van Guadix.

De Koning begaf zich oogenblikkelijk naar den toren, maar op de
toovertafel, die in de richting was geplaatst, waarheen de ruiter wees,
bleef alles rustig. Geen houten soldaatje bewoog zich, geen paardje
hinnikte. Aben Habuz zond een troep bespieders uit, en dezen keerden
na verloop van drie dagen terug met de tijding, dat alles rustig was,
en dat zij niets anders hadden gezien dan een Christen jonkvrouw,
die bij een bron lag te slapen, en die zij gevangen genomen hadden.

Aben Habuz gaf bevel, de jonkvrouw bij hem te brengen. Haar trotsche
houding en haar kostbare kleeding verraadden haar hooge afkomst. Op
een vraag van den Koning antwoordde zij, dat zij een Gothische prinses
was, en dat het leger haars vaders als het ware door een tooverslag
in de bergen was uiteengejaagd.

»Wacht U voor deze vrouw, o Koning,« fluisterde de astroloog, die
naast hem stond; »het schijnt mij toe, dat zij een toovenares is,
die hierheen is gezonden om U ten val te brengen; ik zeg U: wees
voorzichtig!«

»Zwijg Ibrahim,« antwoordde Aben Habuz, »gij zijt een wijs man, maar
wat weet gij van de vrouw? Wie harer is geen toovenares? De jonkvrouw
behaagt mij.«

»O Koning,« zeide Ibrahim, »ik heb U vele overwinningen bezorgd, maar
van allen buit, dien gij behaald hebt, heb ik niets ontvangen. Geef
mij deze gevangen Christin, die, zooals ik zie, een zilveren lier
bij zich heeft, waarop zij heerlijke muziek voor mij kan maken in
mijn onderaardsche verblijfplaats. Wanneer zij, zooals ik vermoed,
een toovenares is, beschik ik over toovermiddelen om haar onschadelijk
te maken. Maar U zou zij spoedig beheerschen, wanneer gij haar in uw
huis opneemt.«

»Wat!« riep de vertoornde vorst uit, »bij den baard van den Profeet,
gij zijt een zonderlinge kluizenaar! Deze jonkvrouw is niet voor u!«

»Het zij zoo,« sprak Ibrahim met van woede trillende stem, »maar
ik vrees voor U, o Koning Aben Habuz. Neem U in acht, herhaal ik;
wees voorzichtig.« En met deze woorden trok de sterrenwichelaar zich
terug in zijn onderaardsche woonplaats.

Aben Habuz was op het eerste gezicht hartstochtelijk verliefd
geworden op de schoone Gothische prinses, en in zijn verlangen, haar
te behagen, verspilde hij alle schatten van zijn koninkrijk. Hij
overlaadde haar met de kostbaarste geschenken en richtte, om
haar genoegen te doen, honderd feesten aan–stierengevechten,
tooneeluitvoeringen en tournooien. Dit alles aanvaardde de schoone
als iets, wat haar toekwam. Het had er inderdaad allen schijn van,
alsof zij den verdwaasden vorst aanspoorde tot steeds roekeloozer
uitgaven. Maar hoeveel heerlijkheden hij ook over haar uitstortte, zij
weigerde hardnekkig te luisteren naar een enkel verliefd woord van de
lippen van Aben Habuz, en telkens wanneer hij trachtte van liefde te
spreken, begon zij met hare vingers op de zilveren lier te tokkelen,
en zij glimlachte dan raadselachtig. En telkens wanneer zij dit deed,
voelde de Koning zich slaperig worden, en wanneer de zoete klanken
zich van zijne zinnen meester maakten, viel hij in een diepen slaap,
waaruit hij dan gewoonlijk verfrischt en versterkt ontwaakte. Zijne
onderdanen waren echter volstrekt niet tevreden met den gang van zaken;
zij waren ontstemd over zijn geweldige verkwisting en over het feit,
dat hij zulk een gewillig slaaf was geworden van een vrouw van een
vijandelijk ras, en ten slotte kwamen zij openlijk in opstand. Maar
evenals Sardanapalus van Babylon, maakte hij zich los uit de zachte
ketenen, plaatste zich aan het hoofd zijner troepen, en onderdrukte
het oproer, nog voordat het zijn hoogtepunt bereikt had. Dit voorval
verontrustte hem echter zeer, en hij herinnerde zich de woorden van
den wijzen Ibrahim, die hem gewaarschuwd had, dat de Gothische prinses
zijn ongeluk zou worden.

Hij zocht den sterrenwichelaar op in zijn grot, en vroeg hem
raad. Ibrahim verzekerde hem, dat zijn positie onzeker zou blijven,
zoolang de prinses in zijn woning vertoefde. Aben Habuz wilde daar
echter niets van hooren, en hij vroeg den wijze, een plaats voor hem
op te zoeken, waar hij zijne verdere levensdagen rustig zou kunnen
doorbrengen met de prinses, die hij zoo vurig beminde.

»En wat zal mijn loon zijn, als ik zulk een verblijfplaats voor U
vind?« vroeg Ibrahim.

»Gij moogt uw belooning zelf kiezen,« antwoordde de onverstandige
oude vorst.

»Hebt gij wel eens gehoord van den tuin van Irem, o Koning, dat
kleinood van Arabië?«

»Ja, uit sprookjes. Houdt gij mij voor den gek, o astroloog?«

»Evenmin als mijne oogen mij bedrogen hebben, o Koning, want ikzelf
heb dit heerlijkste der paradijzen aanschouwd. Toen ik een kind was,
ontdekte ik het toevallig, terwijl ik naar een kameel van mijn vader
zocht. Vroeger was het het land der Additen; de hoofdstad was gesticht
door Sheddad, zoon van Ad, achterkleinzoon van Noach, die besloot,
daar een paleis te bouwen, omringd door tuinen, die het Paradijs in
schoonheid zouden evenaren. Maar de vloek des hemels trof hem wegens
deze vermetelheid. Hij en zijn volk werden van de aarde weggevaagd,
en zijn paleis en de tuinen werden betooverd, zoodat zij onzichtbaar
werden voor het menschelijk oog. Toen ik het boek van Salomon gevonden
had, ging ik weder op zoek naar den tuin van Irem, en ik ontfutselde
den geesten, die den tuin bewaken, het geheim van het tooverwoord,
dat hem onzichtbaar maakt voor sterfelijke wezens. Door middel van
dit tooverformulier kan ik U zulk een verborgen en heerlijk oord
zelfs hier op den berg bij de stad verschaffen, o Koning!«

»O wijze sterrenwichelaar,« riep Aben Habuz geestdriftig uit, »het was
verkeerd van mij, aan uwe woorden te twijfelen; doe wat gij beloofd
hebt en bepaal zelf uw belooning.«

»Ik verlang slechts het eerste lastdier met zijn lading, dat de poort
van Uw paradijs zal binnengaan,« zeide Ibrahim; »dat is toch zeker
een bescheiden eisch?«

»Bescheidener kan het al niet,« riep de Koning uit, opgewonden door
de gedachte aan zijn toekomstig geluk; »uw wensch zal vervuld worden.«

De sterrenwichelaar toog oogenblikkelijk aan het werk. Op den top
van den heuvel boven zijn grot, bouwde hij een stevigen toren met
een groote poort. Op den sluitsteen van dezen ingang bracht hij de
beeltenis van een reusachtigen sleutel, en buiten op de poort die van
een even reusachtige hand aan. Op een bijzonder duisteren nacht klom
hij op den heuvel en sprak daar allerlei tooverformulieren uit. Den
volgenden morgen begaf hij zich naar Aben Habuz, en deelde hem mede,
dat hij zijn werk beëindigd had, en dat het paradijs, dat slechts
zichtbaar zou zijn voor hem en zijn geliefde, hem wachtte.

Den dag daarna beklom de Koning den heuvel in gezelschap
van de prinses, die een wit paard bereed. Naast hem schreed
de sterrenwichelaar, steunende op zijn met hieroglyphen bedekten
staf. Zoo naderden zij de poort, en Ibrahim wees hun de geheimzinnige
hand en sleutel. »Zoolang deze hand den sleutel niet grijpt, zal geen
sterveling macht krijgen over den meester van dit paradijs,« zeide hij.

Terwijl hij sprak, reed de prinses op haar paard door de poort.

»Zie,« riep de sterrenwichelaar uit, »kwamen wij niet overeen, dat
het eerste lastdier, dat door de poort zou rijden, met zijn lading
mij zou toekomen?«

Aben Habuz glimlachte eerst over hetgeen hij als een grap van den
astroloog beschouwde. Maar toen hij bemerkte, dat het hem ernst was,
werd hij woedend.

»Vermetele sterrenwichelaar,« schreeuwde hij, »durft gij uwe oogen
op te slaan naar haar, die ik onder alle vrouwen heb uitverkoren?«

»Gij hebt uw koninklijk woord gegeven,« antwoordde Ibrahim. »Ik eisch
de prinses op.«

»Hond der woestijn!« riep Aben Habuz, »gij zult gevoelen, wat het
zeggen wil, mijn toorn te hebben opgewekt, gij bedrieger!«

»Daar lach ik om,« riep Ibrahim spottend. »Geen sterfelijke hand kan
mij deren. Vaarwel! geniet van uw paradijs, en heersch met genoegen
over uw rijk. Wat mij betreft, ik ga daarheen, waar gij mij niet volgen
kunt.« En dit zeggende, greep hij het paard bij den teugel, sloeg met
zijn tooverstaf op den grond en verzonk met de prinses in het binnenste
van den heuvel. De aarde sloot zich over hunne hoofden en er was geen
spoor meer te bekennen van de opening, waardoor zij verdwenen waren.

Toen Aben Habuz eenigszins van zijn verbazing bekomen was, liet hij
een troep werklieden aanrukken om te graven. Maar het zand vulde
de opening oogenblikkelijk weer, en ook de ingang der grot van den
sterrenwichelaar was verdwenen. En wat nog erger was, de talisman,
waarmede de astroloog den vrede in Granada bewaard had, weigerde
te werken, en de oude onrust keerde weder. Maar op zekeren morgen
kwam een boer bij Aben Habuz, en vertelde hem, dat hij, toen hij
den heuvel overtrok, een spleet in de rots had ontdekt; daar was hij
doorgekropen, en had toen een blik geslagen in een onderaardschen hal,
waar de sterrenwichelaar op een kostbaren divan zat te slapen, terwijl
de prinses hem op haar zilveren lier iets voorspeelde. De Koning
slaagde er echter niet in, de rotsspleet te vinden. Ook kon hij het
paradijs niet binnengaan, dat door zijn mededinger was gesticht. De
top van den heuvel bleek een kale vlakte te zijn, die den naam van
»Het Paradijs van den Dwaas« ontving. De verdere levensdagen van den
ongelukkigen Koning werden hem tot een ondragelijken last door de
voortdurende invallen van zijne oorlogszuchtige buren.

Dit is het verhaal van den heuvel van het Alhambra, waarop een paleis
is gebouwd, dat in schoonheid de wonderen van de toovertuinen van
Irem haast evenaardt. De betooverde poort bestaat nog in haar geheel,
en is nu bekend als »De Poort der Rechtvaardigheid.« Men zegt, dat
onder deze poort de oude Sterrenwichelaar nog in zijn onderaardschen
hal woont, in een voortdurenden slaap gesust door de zilveren lier
der prinses. Zij zijn elkanders gevangenen, en zullen dat blijven
totdat de tooversleutel zal worden aangevat door de tooverhand,
en de betoovering zoo van den heuvel zal worden afgenomen.

CLEOMADES EN CLAREMOND.

Het bekoorlijke verhaal van Cleomades en Claremond is zoo goed als
zeker indirect van Moorschen oorsprong. In zijn inleiding tot Berte aux
grans piés van Adenès (Parijs 1832), zegt Paulin Paris: Ik ben zeer
geneigd te gelooven, dat het origineel van de vertelling Cleomades
werkelijk Spaansch of Moorsch is. Alle personen zijn Saracenen of
Spanjaarden, het verhaal speelt in Spanje, en zijn karakter vertoont
sterke overeenkomst met dat van andere Oostersche verhalen. Keightley
was van meening, dat Blanche van Castilië, de vrouw van Lodewijk VIII
van Frankrijk, het verhaal in Spanje had gehoord, en het verteld had
aan den Franschen dichter Adenès, die er een letterkundigen vorm aan
gegeven heeft.

Ectriva, Koningin van Zuid-Spanje, hield een groot tournooi te Sevilla,
waarbij Marchabias, Prins van Sardinië zich zóó onderscheidde, dat
hij haar hart won. Zij schonk den jongen ridder haar hand, en hun
huwelijk was zeer gelukkig, en werd gezegend met drie dochters en
één zoon. Zij gaven den jongen den naam van Cleomades, terwijl de
meisjes Melior, Soliades en Maxima werden genoemd.

Cleomades werd op jeugdigen leeftijd op reis gezonden. Maar nadat hij,
gedurende verscheidene jaren, vreemde landen had bezocht, werd hij weer
naar huis teruggeroepen om tegenwoordig te zijn bij het huwelijk zijner
zusters, die in den echt vereenigd zouden worden met drie machtige
vorsten, die allen beroemd waren als beoefenaren der tooverkunst. Het
waren Melicandus, Koning van Barbarije, Bardagans, Koning van Armenië,
en Croppart, Koning van Hongarije. De laatste had het ongeluk gebocheld
te zijn, en daarenboven had hij een scherpe tong en een wreed hart.

De drie vorsten hadden elkander op weg naar Sevilla ontmoet, en
zij hadden afgesproken het koningspaar zulke geschenken te geven,
dat het genoodzaakt zou zijn, hun ook een kostbare gave aan te
bieden. Melicandus overhandigde het koninklijke paar de gouden
beeltenis van een man, die in de rechterhand een trompet van hetzelfde
metaal hield, waarop hij blies, wanneer er verraad dreigde. Bardagans
schonk hun een gouden kip met zes kuikens, die zoo kunstig waren
nagebootst, dat zij korrels graan oppikten, en schenen te leven. Om
de twee dagen legde de kip een paarlen ei. Croppart gaf een groot
houten paard, dat buitengewoon kostbaar was opgetuigd, en dat volgens
zijn zeggen, over land en zee kon reizen met een snelheid van vijftig
mijlen per uur.

De Koning en de Koningin, die overdreven vrijgevig waren, noodigden de
vreemdelingen uit, alles te vragen, wat zij in hun macht hadden weg te
schenken. Melicandus vroeg de hand van Prinses Melior, Bardagans die
van Prinses Soliades, terwijl Croppart verzocht, dat Prinses Maxima
hem als levensgezellin zou worden gegeven. De twee oudste zusters
waren zeer ingenomen met hare a. s. echtgenooten, die beiden schoon
en beminnelijk waren, maar toen Maxima den leelijken en mismaakten
Croppart zag, liep zij naar haar broeder Cleomades, en smeekte hem,
haar te bevrijden van zulk een afschuwelijken minnaar.

Cleomades wees zijn vader op het onrecht, dat hij gedaan had, door zijn
toestemming te geven tot zulk een huwelijk. Maar Croppart hield vol,
dat de Koning zijn woord had gegeven, en dat hij niet van dit huwelijk
wenschte af te zien. Cleomades, die niet wist, wat hij beginnen moest,
zeide tot den Hongaarschen Koning, dat de waarde der geschenken van
Melicandus en Bardagans reeds gebleken was, maar dat zijn verhaal
over het houten paard wel gelogen kon zijn. Croppart bood aan, de
waarheid zijner bewering te bewijzen. Plotseling begon de gouden man
luid op zijn trompet te blazen, maar de aanwezigen volgden met zulk
een gespannen aandacht het gesprek der twistenden, dat niemand op hem
lette. De prins besteeg het kostbaar opgetuigde paard, en draaide op
verzoek van Croppart aan een stalen pen in zijn kop; maar plotseling
werd hij met zulk een snelheid de lucht ingedragen, dat hij binnen
enkele minuten uit het oog verdwenen was.

De Koning en de Koningin, lieten in hevige verontwaardiging Croppart
gevangen nemen. Maar hij zeide, dat de prins had moeten wachten,
totdat hij hem getoond zou hebben, hoe hij met zijn houten paard
moest omgaan. Intusschen vloog Cleomades mijlen en mijlen ver. Zijn
merkwaardig paard bleef de lucht klieven met een geweldige snelheid,
en toen de duisternis inviel, maakte het nog niet de minste aanstalten
om zijn vaart te verminderen. Cleomades vloog den geheelen nacht door,
en hij had in al die uren volop gelegenheid om over zijn gevaarlijken
toestand na te denken. Daar hij zich herinnerde, dat er op de schouders
van het paard juist zulke pennen waren als aan zijn kop, besloot hij
te onderzoeken, waarvoor zij dienden. Hij ontdekte, dat hij, door een
dezer pennen naar rechts of links te draaien, het paard van richting
kon laten veranderen, en dat, wanneer hij aan de andere pen draaide,
het paard zijn vaart verminderde en begon te dalen. De dag brak nu aan
en hij zag, dat hij zich boven een groote stad bevond. Door handig
met zijn paard te manoeuvreeren, slaagde hij erin te dalen op een
hoogen toren, die in den tuin van een groot paleis stond. Hij klom
door een dakraam en trad een prachtige slaapkamer binnen, waar hij
een schoone jonkvrouw op een kostbaar rustbed zag liggen. Bij zijn
nadering ontwaakte zij, en riep uit: »Antwoord mij, man, hoe hebt
gij het gewaagd dit vertrek binnen te treden? Zijt gij wellicht die
Koning Liopatris, aan wien mijn vader mij wil uithuwelijken?«

»Ja, dat ben ik,« antwoordde Cleomades. »Mag ik niet met u spreken?«
vervolgde hij, want hij had op het eerste gezicht een hartstochtelijke
liefde voor haar opgevat.

»Ga dadelijk naar den tuin terug,« zeide zij, »en daar zal ik bij
u komen.«

De prins gehoorzaamde. Na enkele oogenblikken kwam de prinses bij
hem. Maar zij waren nog niet lang te zamen geweest, toen de vader der
jonkvrouw, Koning Cornuant van Toskane, verscheen, die hem dadelijk
voor een bedrieger uitschold en hem ter dood veroordeelde. De prins
vroeg hem, zijn lot te mogen ondergaan, terwijl hij op zijn houten
paard zat. Zijn tooverpaard werd hem dus gebracht; hij besteeg het,
draaide vliegensvlug de pen om, en verdween in de lucht, terwijl hij
de prinses toeriep, dat hij haar trouw zou blijven.

Korten tijd daarna kwam hij weer te Sevilla aan, tot groote blijdschap
van zijne ouders. Zij bevalen Croppart, het land te verlaten,
maar hij dacht er niet over, aan dit bevel te voldoen, en bleef
in de vermomming van een Oostersch geneesheer in de stad. De twee
oudste prinsessen werden in den echt vereenigd met Melicandus en
Bardagans. Cleomades kon echter de schoone prinses niet vergeten,
en hij besteeg ten tweeden male zijn luchtpaard, en verdween ermede
in de richting van het koninkrijk haars vaders.

Hij had het zóó uitgerekend, dat hij in den nacht aan het paleis
zijner geliefde zou aankomen, en nadat hij in den tuin was afgestegen,
begaf hij zich naar het vertrek van Claremond, die hij in vasten slaap
aantrof. Hij wekte haar zachtjes, vertelde haar zijn naam en positie,
bekende haar zijn liefde, en gaf zich aan haar genade over.

»Wat!« riep de prinses uit, »zijt gij werkelijk die Cleomades, dien
wij allen beschouwen als het voorbeeld van een volmaakt ridder?«

De prins verzekerde haar, dat hij dezelfde Cleomades was, en om haar
te overtuigen van de waarheid dezer bewering, ontdeed hij zich van
een kostbaren armband, die het portret van zijn moeder en van hemzelf
bevatte, en hij bood haar dit kleinood ten geschenke aan. De prinses
bekende hem haar liefde, en op zijn aandringen besteeg zij met hem
het houten paard. Toen zij opstegen, zag Cleomades beneden zich in de
tuinen, den Koning, die door zijne hovelingen omringd was. Hij riep
hem toe, dat zijn dochter veilig bij hem was, stuurde zijn paard in
de richting van Sevilla, en reed snel weg.

Cleomades steeg af bij een klein, landelijk paleis in de buurt van
het Hof, en liet de prinses daar achter om uit te rusten van de
vermoeienissen van den tocht, terwijl hij verder reisde om zijne
koninklijke ouders het gebeurde mede te deelen. Nadat Claremond zich
wat verfrischt had, ondernam zij een wandeling in den tuin, om wat
lichaamsbeweging te nemen, want zij was een weinig stijf geworden
van haar luchtreis. Maar het ongeluk wilde, dat zij werd opgemerkt
door Croppart, die vermomd als Indisch geneesheer, in den tuin was
gekomen, oogenschijnlijk om geneeskrachtige kruiden te zoeken, maar
in werkelijkheid om het terrein te verkennen.

Croppart herkende zijn eigen houten paard, en hoorde de jonkvrouw den
naam Cleomades fluisteren; oogenblikkelijk vatte hij het plan op, het
jonge meisje te ontvoeren. Hij naderde haar, en bood haar aan, haar
naar Cleomades te brengen, welk aanbod zij, niets kwaads vermoedende,
aannam. Croppart nam haar toen achter zich op het paard, draaide de
pennen om, en het houten ros steeg met een duizelingwekkende snelheid
de lucht in.

Eerst dacht Claremond aan geen onraad, maar na eenigen tijd kreeg
zij argwaan, en toen zij naar beneden keek, zag zij inplaats van
dichtbevolkte steden, slechts donkere wouden en eenzame bergen. Zij
smeekte Croppart haar naar den tuin van het paleis terug te brengen,
maar hij lachte om hare smeekbeden; ten slotte bezwijmde zij, uitgeput
door leed en angst.

Croppart daalde met haar bij een bron, en besprenkelde de prinses met
water, totdat zij weder uit haar bewusteloosheid ontwaakte. Toen deelde
hij haar mede, dat hij van plan was, haar Koningin van Hongarije te
maken. Maar het ontbrak de prinses niet aan tegenwoordigheid van geest,
en zij vertelde hem, dat zij slechts een slavin was, die door hare
ouders aan Cleomades verkocht was. Deze mededeeling had tot gevolg,
dat de ruwe Croppart haar met nog minder respect bejegende dan tot
nu toe het geval was geweest, zoodat zij, om aan de beleedigende
behandeling te ontkomen, erin toestemde hem te huwen, in de eerste
stad, waar zij zouden aankomen.

Nadat hij Claremond deze belofte had afgedwongen, dronk Croppart, die
zeer dorstig was, met groote teugen uit de bron. Maar het water was
zóó ijskoud, dat het hem slecht bekwam, en hij viel bewusteloos ter
aarde. Claremond geraakte bij de bron in diepen slaap, uitgeput door
angst en vermoeienis. Zóó vond haar Mendulus, Koning van Salermo, die
zich dadelijk sterk tot het slapende meisje aangetrokken gevoelde. Hij
nam haar mede naar zijn paleis, waar hij haar in een prachtig vertrek
onderbracht. Croppart werd echter zóó zwaar ziek door het drinken
uit de ijskoude bron, dat hij spoedig daarna overleed.

Claremond vertelde Koning Mendulus, dat zij een arme vondeling was,
Trouvée genaamd, en dat zij Croppart, een reizend geneesheer, van
de eene plaats naar de andere had vergezeld, om een karig stukje
brood te verdienen. Dit belette den Koning echter niet, haar zijn
hand en kroon aan te bieden. Om aan dit nieuwe gevaar te ontkomen,
wendde Claremond krankzinnigheid voor, en zij speelde haar rol zóó
uitstekend, dat Mendulus gedwongen was haar onder de hoede te stellen
van tien vrouwen, wier taak het was haar te bewaken.

Intusschen heerschte er aan het Spaansche Hof groote onrust. Toen
Cleomades met zijne ouders naar het zomerpaleis terugkeerde, was
Claremond spoorloos verdwenen, en zijn droefheid was zóó hevig,
dat men hem naar de hoofdstad moest terugbrengen in een toestand,
die aan waanzin grensde. Toen hij hersteld was, begaf hij zich naar
het koninkrijk Toskane, in de hoop, daar iets van zijn geliefde te
vernemen. Op zijn eenzamen tocht kwam hij bij een kasteel, waar hij
twee ridders versloeg, die weigerden hem door te laten. Van hen hoorde
hij, dat een prins, Liopatris genaamd, aan wien Claremond ten huwelijk
beloofd was, aan het Hof van Toskane was aangekomen, en dat drie van
zijn ridders drie van Claremonds jonkvrouwen ervan beschuldigd hadden,
medeplichtig te zijn aan de ontvoering harer meesteres. De beide
ridders, die door Cleomades verslagen waren, dongen naar de hand van
twee dezer jonkvrouwen, en zij hadden de beleedigers uitgedaagd. Daar
nu echter één van hen door Cleomades gewond was, waren zij niet in
staat ten strijde te trekken. Cleomades zeide, dat hij bereid was in
de plaats van den gewonden ridder te gaan, en dus begaf hij zich met
zijn niet gewonden kameraad op weg naar het Hof van Koning Cornuant.

Den volgenden morgen verschenen zij in het strijdperk. De drie
beschuldigers werden verslagen, en de jonkvrouwen werden onschuldig
verklaard volgens de wetten der ridderschap. Cleomades en zijn nieuwe
wapenbroeder keerden nu in gezelschap van de drie jonkvrouwen terug
naar het kasteel vanwaar zij gekomen waren. Toen hij zich echter
ontdaan had van zijn wapenrusting, werd de dolende prins herkend door
de jonkvrouwen voor wie hij gestreden had. Groot was haar droefheid
toen zij hoorden, dat Claremond verdwenen was. Maar één van haar
smeekte Cleomades hulp te vragen aan een beroemd sterrenwichelaar,
die te Salerno woonde, en »die de meest verborgen dingen duidelijk
zag.« Cleomades besloot dadelijk den wijze te gaan raadplegen, en
dus begaf hij zich den volgenden morgen op weg naar Salerno, nadat
hij hartelijk afscheid had genomen van de gelieven.

Bij zijn aankomst te Salerno stapte Cleomades aan een herberg af,
en zonder tijd te verliezen vroeg hij den waard, waar hij den
sterrenwichelaar zou kunnen vinden.

»Edele Heer,« zeide de herbergier, »hij is helaas een jaar geleden
gestorven. En wij hebben hem juist meer dan ooit noodig, want indien
hij leefde, zou hij onzen Koning hebben kunnen helpen om het schoonste
schepsel, dat ooit geboren werd, het verstand terug te geven.« En
hij vertelde Cleomades hoe Mendulus den gebochelde en de jonkvrouw
gevonden had. Bij de vermelding van het houten paard schrikte
Cleomades hevig, maar hij behield zijn tegenwoordigheid van geest,
en deelde den waard mede, dat hij een onfeilbaar middel bezat tegen
krankzinnigheid. Hij verzocht den man hem bij den Koning te brengen,
en onder het voorwendsel, dat zijne wapenen argwaan zouden wekken,
vermomde hij zich met een valschen baard en de kleeding van een
geneesheer.

Hij werd dadelijk tot den Koning toegelaten, en toen deze het doel van
zijn komst vernam, bracht hij hem oogenblikkelijk naar de plaats waar
Claremond verpleegd werd. Cleomades had een handschoen medegebracht,
die zijn geliefde toebehoorde; hij had dien volgestopt met kruiden,
en onder het voorwendsel, dat deze genezing zouden brengen, legde hij
den handschoen tegen haar wang. Toen zij haar eigen handschoen zag,
keek zij den pseudo-geneesheer lang aan, en zij herkende haar geliefde
onder zijn vermomming; maar nog steeds veinsde zij krankzinnigheid,
en zij verzocht, dat men haar het houten paard zou brengen, opdat het
met den geleerden dokter zou kunnen redetwisten. Men bracht het in
den tuin waar zij zich bevonden, en de prinses zeide vast te gelooven,
dat zij slechts zou kunnen genezen, wanneer zij met den geneesheer het
houten paard besteeg. Mendulus gaf hiervoor zijn toestemming, en toen
zij goed en wel op het kunstros gezeten waren, draaide Cleomades de pen
om, en op hetzelfde oogenblik vlogen zij als een pijl uit de boog het
luchtruim in. Den volgenden morgen kwam het gelukkige paar te Sevilla
aan. Hun huwelijk werd dadelijk voltrokken, en Liopatris troostte
zich met Prinses Maxima, zoodat iedereen reden tot vreugde had.

DE DRIE SCHOONE PRINSESSEN.

Toen Mohammed el Haygari, of »de Linksche« in Granada regeerde,
ontmoette hij eens een troep ruiters, die terugkeerden van een
rooftocht in Christelijke landen. Onder hunne gevangenen merkte hij
een schoone en kostbaar gekleede maagd op, en men vertelde hem, dat
zij de dochter was van den bevelhebber van een vesting, die bij deze
gelegenheid veroverd en geplunderd was. De jonkvrouw was vergezeld
van een kamervrouw, en Mohammed gaf bevel, dat beide vrouwen naar
zijn harem zouden worden overgebracht. Hij drong er dagelijks bij de
gevangen jonkvrouw op aan, dat zij zijn koningin zou worden. Maar zijn
godsdienst zoowel als zijn leeftijd, waren oorzaak, dat haar familie
niet op zijn aanzoek wenschte in te gaan. Ten einde raad besloot hij
gebruik te maken van de bemiddeling der kamervrouw, en deze beloofde
hem, zijn zaak bij haar jonge meesteres te bepleiten. Zij zeide tot
de jonkvrouw, dat het onverstandig zou zijn, wanneer zij na het saaie
leven in de afgelegen vesting, zou volharden in haar weigering, en dat
zij, door Mohammed te huwen, meesteres zou kunnen worden over alles wat
haar omringde, inplaats van de gevangene des Konings te blijven. Ten
slotte gaf de Spaansche schoone toe; zij huwde den Moorschen vorst,
en nam zelfs zijn godsdienst aan, even als haar kamervrouw, die met al
het vuur, een bekeerling eigen, hare godsdienstplichten waarnam, en den
Moorschen naam Kadiga ontving. Na verloop van tijd schonk de Koningin
haar heer en meester drie dochters tegelijk. De hofastrologen trokken
den horoscoop der kinderen, en met vele onheilspellende waarschuwingen
drongen zij er bij den vader op aan, zijne dochters streng te bewaken,
wanneer zij den huwbaren leeftijd bereikt zouden hebben.

Korten tijd na de geboorte van de drieling stierf de Koningin, en
Mohammed, gedachtig aan de waarschuwing van zijne sterrenwichelaars,
besloot de prinsessen in het koninklijk paleis Salobreña op te sluiten,
een versterkt gebouw, dat uitzag op de Middellandsche Zee, en waar,
naar zijn vaste overtuiging, haar geen kwaad kon overkomen.

De jaren gingen voorbij en de prinsessen bereikten den huwbaren
leeftijd. Ofschoon zij door de vriendelijke Kadiga zeer zorgvuldig
waren opgevoed en zij altijd te zamen waren geweest, waren zij
natuurlijk zeer verschillend van karakter. Zayda, de oudste, had een
onverschrokken aard en nam in alles de leiding; Zorayda, de tweede,
had een sterk ontwikkeld schoonheidsgevoel, hetgeen waarschijnlijk de
oorzaak was, dat zij zulk een groot gedeelte van den dag voor haar
spiegel doorbracht. Zorahayda, de jongste, was zacht en verlegen,
en geneigd tot droomen. Alle drie waren zij onbeschrijfelijk schoon,
en wanneer de goedige, oude Kadiga naar het schoone drietal keek,
schudde zij meewarig het hoofd. Wanneer zij haar vroegen, waarom zij
zuchtte, ontweek zij met een grapje het antwoord, en zij ging vlug
op een ander onderwerp over.

Op zekeren dag zaten de prinsessen voor een raam, dat uitzag op de
hemelsblauwe Middellandsche Zee, en zij luisterden naar het zachte
geklots der golven tegen de met palmen begroeide kust, die grensde
aan den heuvel, waarop het kasteel Salobreña stond. Het was één
van die avonden, waarop het ons moeilijk valt te gelooven, dat wij
niet tijdelijk vertoeven in een droomenland, waar alles schoon, maar
onwezenlijk is. De ondergaande zon kleurde de nevelen lichtrood als
wierook, die opstijgt uit de urnen der schemering, en zee en horizon
aan het oog onttrekt. Van achter de sluiers van zeedampen kwam een
galei met witte zeilen te voorschijn, die naar de kust gleed en
daar het anker liet vallen. Een aantal Moorsche soldaten brachten
verscheidene Christengevangenen aan wal, onder wie zich drie kostbaar
gekleede Spaansche ridders bevonden. Ofschoon zij met ketenen beladen
waren, was hun optreden waardig en voornaam, en de prinsessen konden
hare oogen niet van hen afhouden. Nog nooit hadden zij zulke edele
jongelingen aanschouwd, want tot dusverre hadden zij nooit anders
dan de zwarte slaven en de ruwe visschers uit die streek gezien,
zoodat het niet te verwonderen was, dat de aanblik van deze jonge
ridders haar het hart sneller deed kloppen.

De prinsessen bleven de gevangenen nastaren, totdat zij uit het oog
verdwenen waren. Toen verlieten zij zuchtend het venster, en legden
zich zwijgend en nadenkend op hare rustbanken neder.

Zóó vond de zorgzame Kadiga de drie prinsessen, en zij vertelden
haar, wat zij gezien hadden, en vroegen haar allerlei over zulke,
in hare oogen, hoogere wezens; en dus beantwoordde zij hare vragen
met vele ridderverhalen uit Christelijk Spanje, hetgeen er slechts toe
bijdroeg de nieuwsgierigheid der jonkvrouwen te verhoogen, die door de
verschijning der gevangenen in zulk een hooge mate was opgewekt. Maar
het duurde niet lang, of de oude vrouw bemerkte, welk een kwaad zij
met hare verhalen gesticht had, en in een onverklaarbare angst, zond
zij een slaaf naar haar koninklijken meester met een zinnebeeldige
boodschap in den vorm van een mandje, gevuld met vijgebladeren,
waarop een perzik, een pruim en een abrikoos lagen, alle drie in
het eerste stadium van verleidelijke rijpheid, een symbool, waarvan
Mohammed, die doorkneed was in de Oostersche beeldspraak van vruchten
en bloemen, de beteekenis volkomen begreep. Gedachtig aan den raad der
sterrenwichelaars, besloot hij de prinsessen onder zijn onmiddellijke
bewaking te nemen, en hij gaf oogenblikkelijk bevel, den toren
van het Alhambra tot haar ontvangst in gereedheid te brengen. Hij
reisde zelf naar Salobreña om zijne dochters te halen, en toen hij
ze aanschouwde, en zag hoe schoon zij waren, was hij dankbaar, dat
hij zonder tijd te verliezen de jonkvrouwen onder zijn persoonlijk
toezicht had genomen. Hij was zich zóó zeer bewust van het groote
gevaar, dat drie zulke schoonheden konden loopen, dat hij zijn reis
naar Granada voorbereidde door het zenden van herauten, met het bevel,
dat de weg, dien hij met zijne dochters nemen zou, door iedereen moest
worden verlaten, op straffe des doods. Toen ondernam hij de reis naar
de hoofdstad, begeleid door een troep van de afschuwlijkste zwarte
ruiters, die hij vinden kon.

Toen de ruiterschaar Granada naderde, achterhaalde zij een troepje
Moorsche soldaten met een konvooi gevangenen. De soldaten hadden
geen tijd zich terug te trekken, en daarom wierpen zij zich met
het aangezicht ter aarde, en bevalen hunne gevangenen hetzelfde
te doen. Onder de gevangenen bevonden zich de drie ridders, die de
prinsessen op een afstand uit het venster van het kasteel Salobreña
gezien hadden, en daar zij te trotsch waren om voor hun heidenschen
vijand te kruipen, bleven zij staan.

Koning Mohammed ontstak in hevigen toorn over deze openlijke
ongehoorzaamheid; hij trok zijn zwaard, en was op het punt de
ongelukkige gevangenen het hoofd af te slaan, toen de prinsessen zich
tusschenbeide wierpen en genade voor hen smeekten. De aanvoerder van
het escorte zeide hem ook, dat de gewelddadige dood dezer ridders
ernstige gevolgen zou hebben uit hoofde van hun hoogen rang, en
hij beschreef den vertoornden vorst hoe deze dappere jongelingen
gevangen genomen waren, terwijl zij als leeuwen onder de Spaansche vlag
streden. Hierdoor eenigszins gekalmeerd, stak Mohammed het zwaard weder
in de scheede. »Ik zal hun leven sparen«, zeide hij, »maar zij moeten
voorbeeldig gestraft worden voor hun onbeschaamdheid«. Brengt hen
naar den Vermiljoenen Toren, en laat hen daar dwangarbeid verrichten.

In de verwarring van het oogenblik, waren de sluiers der drie
prinsessen op zijde geschoven, zoodat haar verblindende schoonheid
te zien kwam. In die romantische tijden was liefkrijgen op
het eerste gezicht een herhaaldelijk voorkomend verschijnsel,
en de drie edele ridders ontvlamden plotseling in liefde voor
de koninklijke jonkvrouwen, die zoo warm voor hun behoud gepleit
hadden. Merkwaardigerwijze was elk hunner bekoord door een andere
schoone, maar het zou even onbescheiden als onlogisch zijn, wanneer
wij zouden vragen naar de oorzaak van deze wonderbare bestiering
van Jonkvrouw Natuur, die in de romance misschien verstandiger wordt
voorgesteld, dan zij in werkelijkheid is.

De koninklijke stoet reed nu verder, en de gevangenen werden naar
hun kerker in den Vermiljoenen Toren gebracht. De verblijfplaats,
die voor de prinsessen in gereedheid was gebracht, overtrof in
heerlijkheid alles, wat men zich kan voorstellen. De vertrekken
bevonden zich in een toren, die eenigszins afgezonderd stond van
het eigenlijke paleis van het Alhambra; aan één kant zag men uit
op een tuin, die schoon was als de eerste schrede in het paradijs,
terwijl men aan de andere zijde het uitzicht had over een diep en
schaduwrijk ravijn, dat de terreinen van het Alhambra scheidde van
de Generalife. Maar de prinsessen waren blind voor de schoonheden
van dit heerlijk oord; zij kwijnden zichtbaar, en niemand zag de
gedruktheid der jonkvrouwen duidelijker dan de oude Kadiga, die
gemakkelijk de oorzaak ervan kon vermoeden. Vervuld van medelijden
met het eenzame bestaan der prinsessen, vertelde zij haar, dat zij,
langs den Vermiljoenen Toren komende, de ridders na hun dagtaak bij
de klanken der guitaar had hooren zingen. Op verzoek der jonkvrouwen,
bracht zij den gevangenbewaarder ertoe, de ridders aan het werk te
zetten in het ravijn onder de vensters harer vertrekken. Den volgenden
dag werkten de ridders dus in het ravijn, en toen op het heetst van
den middag de bewakers waren ingeslapen, zongen zij een Spaansch lied
bij hunne guitaren. De prinsessen luisterden, en zij hoorden, dat het
een liefdeslied was, aan haar gewijd. De jonkvrouwen antwoordden met
een romance, waarvan het refrein aldus luidde:

De roos wordt verborgen door ’t bladerenschild,
Maar het nachtegaalslied in het harte haar trilt.

Elken dag werkten de ridders in het ravijn, en dagelijks onderhielden
zij zich met de eveneens gevangen prinsessen, door middel van liederen
en romances, die de gevoelens van weerskanten vertolkten. En telkens
wanneer de bewakers hun middagslaap deden, vertoonden de prinsessen
zich op het balkon. Maar er kwam een einde aan dezen zaligen toestand,
want de familie van de drie jonge ridders betaalde een losprijs, en zij
werden naar Granada gebracht, vanwaar zij de reis naar hun vaderland
zouden aanvaarden. Zij richtten zich tot de oude Kadiga, en smeekten
haar, hen te helpen, de prinsessen naar Spanje te ontvoeren. De oude
vrouw bracht hare jonge meesteressen dit voorstel over, en daar zij
allen dadelijk bereid waren, werd er een plan tot ontvluchting beraamd.

De woeste heuvel, waarop het Alhambra gebouwd is, was in dien tijd
doorkruist met allerlei onderaardsche gangen, die van de vesting naar
verschillende plaatsen der stad voerden, en Kadiga nam op zich, de
koninklijke jonkvrouwen door één dezer gangen naar een uitvalpoort
buiten de muren van Granada te geleiden. Daar zouden de ridders
haar opwachten met vlugge paarden, die de gelieven over de grenzen
zouden brengen.

De vastgestelde nacht kwam, en toen het Alhambra in diepe rust lag,
lieten de prinsessen, begeleid door haar kamervrouw, zich langs een
touwladder uit hare vensters in den tuin zakken–allen, behalve
Zorahayda, de jongste en minst moedige, die op het beslissende
oogenblik er niet toe besluiten kon, haar vader te verlaten. Door de
nadering van de patrouille, die des nachts het paleis bewaakte, waren
hare zusters en Kadiga genoodzaakt, zonder haar te vluchten. Kruipende
vonden zij den weg door het duistere labyrinth, en zij slaagden er in,
de poort buiten de muren te bereiken. De Spaansche ridders wachtten
haar daar op. De minnaar van Zorahayda was wanhopig toen hij hoorde,
dat zij geweigerd had den toren te verlaten, maar er was geen tijd
te verliezen; de twee prinsessen stegen achter op het paard harer
geliefden, Kadiga werd op het ros van een anderen ruiter geheven,
en het gezelschap draafde in vliegende vaart weg.

Zij hadden nog niet lang gereden, toen zij het geluid van de
alarmtrompet van het Alhambra hoorden, terwijl een wachtvuur op den
hoogsten toren in vollen gloed opvlamde. Zij dreven hunne paarden
met alle macht tot den grootsten spoed aan, en slaagden er in, hunne
vervolgers steeds verder achter zich te laten; zij kozen weinig
begane paden, verborgen zich in dichte bosschen, en waren eindelijk
zoo gelukkig Cordova te bereiken, waar de prinsessen werden opgenomen
in den schoot der Kerk, en met hunne respectieve minnaars in den echt
verbonden werden.

Mohammed was haast waanzinnig van smart bij het verlies van zijne
dochters. Maar hij nam–eenigszins noodeloos–zijne maatregelen,
om zijn laatste dochter beter te bewaken. De ongelukkige Zorahayda,
die hierna strenger dan ooit bewaakt werd, had bitter berouw over
haar gebrek aan moed, en het verhaal luidt, dat zij vele nachten
over de borstwering van den toren leunde, starende in de richting van
Cordova. De overlevering, die nooit bijzonder barmhartig is tegenover
de heldin en den lezer, zegt, dat zij jong is gestorven, en haar
treurig lot was de aanleiding tot het ontstaan van menig droevige
ballade, Moorsch, zoowel als Castiliaansch, zoodat zij tenminste in
dit opzicht niet vergeefs heeft geleefd, terwijl hare meer gelukkige
zusters niet bezongen werden.

DE GESCHIEDENIS VAN PRINS AHMED.

Weer is de oude stad Granada het tooneel der legende, die wij nu
behandelen zullen. Maar op grond van overwegingen, die wij later
zullen vermelden, kunnen wij wel aannemen, dat het verhaal van
Perzischen oorsprong is. Het is de geschiedenis van Prins Ahmed,
bijgenaamd »al Kamel«, of »de Volmaakte«, om de evenwichtigheid en
schoonheid van zijn karakter. Bij de geboorte van dezen beminnelijken
prins, voorspelden de astrologen, dat zijn leven buitengewoon gelukkig
zou zijn, mits men één moeilijkheid zou kunnen overwinnen; maar die
moeilijkheid was groot genoeg om het hart van elken vorst hevig te
verontrusten. Wij zijn dan ook in het minst niet verwonderd, wanneer
wij hooren, dat zijn koninklijke vader pessimistisch gestemd werd, wat
de gelukskansen van den prins betreft, toen de wijzen hem mededeelden,
dat, wilde zijn zoon ontkomen aan een droevig lot, hij ver moest worden
gehouden van de verlokkingen der liefde, totdat hij den mannelijken
leeftijd zou hebben bereikt. De ontstelde vader deed, zooals de
meeste vaders in romances doen, hij sloot n.l. zijn pasgeboren zoon
op in een allerliefst en afgelegen paleis, dat hij voor dit doel liet
bouwen op den rand van den heuvel boven het Alhambra. Dit gebouw,
dat tegenwoordig bekend is als de Generalife, is omringd door hooge
muren, en hier groeide de prins op, onder de goede zorgen van Eben
Bonabben, een Arabisch geleerde, die vele buitengewone gaven van hart
en verstand had, welke hem geschikt maakten voor het bewaken van een
jeugdigen vorst in de omstandigheden van Ahmed.

Onder de leiding van dezen ernstigen leermeester, bereikte de prins
zijn twintigste jaar, volkomen onwetend waar het de dingen der liefde
betrof. Maar in dien tijd verloor hij zijn gewone lankmoedigheid,
en inplaats van aandachtig te luisteren naar de gesprekken van Eben
Bonabben, verwaarloosde hij zijne studieën, en nam hij de gewoonte
aan, door de tuinen van het paleis te dwalen. Zijn meester, die zag
hoe het met hem gesteld was, en dat zijn sluimerend liefdesverlangen
ontwaakt was, verdubbelde zijne zorgen, en sloot hem op in den meest
afgelegen toren aan de Generalife. Om zijn belangstelling te wekken
voor iets, dat zijne gedachten zou afleiden van bespiegelingen, die
wellicht gevaarlijk voor hem konden zijn, onderwees hij hem in de
taal der vogels, en de Prins had zooveel pleizier in deze merkwaardige
wetenschap, dat hij haar spoedig volkomen machtig was. Nadat hij met
groot succes zijn vaardigheid beproefd had, achtereenvolgens op een
havik, een uil en een vleermuis, luisterde hij naar het vogelenkoor
in den tuin. Het was lente, en elke gevederde zanger stortte zijn hart
uit in een jubelend lied van liefde, welk woord telkens herhaald werd.

»Liefde,« riep de prins eindelijk uit, »wat beteekent dat, liefde?«
Hij vroeg Eben Bonabben ernaar, die bij deze vraag in gedachte zijn
hoofd reeds op zijne schouders voelde rollen, als een waarschuwing
voor wat er gebeuren zou, wanneer hij niet in staat zou zijn, de
vraag te ontwijken. Hij vertelde Ahmed, dat liefde een van de ergste
kwellingen was, die de ongelukkige menschheid te dragen heeft, dat
zij oneenigheid bracht tusschen vrienden en broeders, en verscheidenen
der edelste mannen ten val had gebracht. Daarna verwijderde hij zich
in de grootste verwarring en liet den prins aan zijn eigen gedachten
over. Maar Ahmed merkte op, dat de vogels, die zoo lustig zongen,
volstrekt niet ongelukkig waren, en daarom twijfelde hij aan de
waarheid van de verklaringen van zijn leermeester. Den volgenden
morgen, toen hij op zijn rustbank lag, trachtende het raadsel op te
lossen, dat zijne gedachten voortdurend bezighield, vloog een duif, die
vervolgd werd door een havik, het venster binnen, en viel fladderend
op den grond. De prins raapte den verschrikten vogel op en streek de
verwarde veertjes glad. Maar de duif scheen ontroostbaar en op zijn
vraag, wat haar bedroefde, antwoordde zij, dat zij treurde om haar
doffer, dien zij met haar geheele hart liefhad.

»Zeg mij, schoone vogel, wat is dat voor een ding, de liefde, waarvan
de vogels in den tuin steeds zingen?«

»Liefde,« zeide de vogel, »is het grootste mysterie en de oorsprong van
alle leven. Ieder levend schepsel heeft zijn maat. Hebt gij zoovele
kostbare dagen van uw jeugd doorgebracht zonder de liefde te leeren
kennen? Heeft nog geen schoone prinses of bekoorlijke jonkvrouw uw
hart veroverd?«

De prins liet de duif weer vliegen en zocht Bonabben op. »Schurk,«
riep hij uit, »waarom hebt gij mij zoo totaal onwetend gelaten? Waarom
hebt gij het groote mysterie en den oorsprong van alle leven voor
mij verborgen gehouden? Waarom moet ik alleen het geluk der liefde
ontberen?« Bonabben zag, dat verdere uitvluchten noodeloos waren,
en dus openbaarde hij zijn pupil, wat de sterrenwichelaars voorspeld
hadden, en hoe het noodzakelijk gevolg hiervan de voorzorgen waren
geweest, waarmee zijn jeugd omringd was geworden. Verder zeide hij
tot den prins, dat, wanneer de Koning hoorde, hoe zijn vertrouwen
beschaamd was, hij hem stellig zou laten onthoofden. De prins was
zóó verschrikt door deze mededeeling, dat hij beloofde, zijn nieuw
verworven wetenschap voor iedereen verborgen te houden. Dit stelde
den wijze weer eenigszins gerust.

Eenige dagen na dit voorval wandelde de prins in den tuin; plotseling
zette zijn vriendin, de duif, zich op zijn schouder neer. Hij vroeg
haar, vanwaar zij kwam, en zij antwoordde, dat zij uit een ver land
gekomen was, waar zij een schoone prinses had gezien, die, evenals
Ahmed zelf, opgesloten was binnen de hooge muren van een afgelegen
kasteel, en onbekend was gebleven met het bestaan der liefde. De
wetenschap, dat er een wezen van de andere sexe bestond, dat in
dezelfde omstandigheden was opgevoed als hijzelf, werkte als een vonk
op het hart van Ahmed. Hij schreef oogenblikkelijk een brief in de
hartstochtelijkste taal aan »De Onbekende Schoone, van den gevangen
Prins Ahmed,« en gaf hem aan de duif, die beloofde, hem dadelijk aan
het voorwerp zijner aanbidding te zullen brengen.

Dag op dag wachtte Ahmed tevergeefs op de terugkomst van den
boodschapper der liefde; maar op zekeren avond fladderde de duif
eindelijk zijn kamer binnen, waar zij voor zijn voeten neerviel en
den laatsten adem uitblies. De pijl van een wreeden schutter had haar
hart doorboord, maar zij had zich tot het uiterste ingespannen om haar
zending te volbrengen. Ahmed raapte het teedere lichaam op en zag, dat
het omwonden was met een parelsnoer, waaraan een miniatuur hing, een
bekoorlijke prinses voorstellende, stralende in jeugd en schoonheid. De
prins drukte de beeltenis hartstochtelijk aan zijne lippen, en hij
besloot dadelijk te vluchten, en het origineel van het portret te
zoeken, hoe groot de gevaren en welke de hindernissen ook mochten zijn.

Hij wendde zich tot den wijzen uil met wien hij niet meer gesproken had
sedert den tijd, waarin hij nog een beginneling was in de studie der
vogeltaal. Toen nam hij al zijne juweelen en liet zich nog dienzelfden
nacht langs het balkon naar beneden glijden, klom over de buitenmuren
van de Generalife, en begaf zich, vergezeld van den wijzen ouden uil,
die erin toegestemd had als zijn cicerone op te treden, op weg naar
Sevilla, om een raaf te zoeken, die volgens het zeggen van den uil,
een groot toovenaar was, en die hem zou kunnen helpen bij het opsporen
van zijn geliefde. Zij bereikten de stad in het Zuiden, en zochten
den hoogen toren, waar de raaf woonde. Zij vonden den geleerden vogel,
die hem den raad gaf naar Cordova te gaan, en den palmboom te zoeken
van den grooten Abderahman; deze boom stond op het plein van de
voornaamste moskee, en aan zijn voet zouden zij een beroemd reiziger
vinden, die hun zou inlichten over het voorwerp hunner nasporingen.

Zij volgden de aanwijzing van den raaf, en reisden naar Cordova, waar
zij tot hun groote teleurstelling aan den voet van den boom in kwestie,
een groote volksmenigte vonden, die met belangstelling luisterde naar
het gekakel van een papegaai, wiens pluimage schitterend groen was,
en wiens levendig oog een schat van wijsheid verried. Toen de menigte
zich verspreid had, vroeg de prins den schoonen vogel naar het voorwerp
zijner liefde, en hij was verbaasd, het onwelluidend gelach te hooren,
waarmee hij naar de beeltenis der jonge prinses keek.

»Arme jongeling,« kakelde hij, »zijt gij ook het slachtoffer geworden
van de liefde? Weet dan, dat het portret, dat gij zoo innig vereert, de
beeltenis is van Prinses Aldegonda, de dochter van den Christenkoning
van Toledo.«

»Help mij, goede vogel,« riep de prins uit, »en ik zal u een hooge
betrekking aan het Hof bezorgen.«

»Heel goed,« zeide de papegaai, »het eenige, wat ik vraag is, dat ik
niet veel hoef te doen, want wij geleerden hebben een grooten afkeer
van hard werken.«

Vergezeld van den uil en den papegaai, vervolgde Ahmed zijn reis naar
Toledo om Prinses Aldegonda te zoeken. Zij vordenden slechts langzaam
door de rotsachtige passen van de Sierra Morena, en de verschroeiend
heete vlakten van La Mancha en Castilië, maar eindelijk kwamen zij in
het gezicht van Toledo, dat gelegen is aan den rand van een afgrond,
waar de Taag bruisend doorheen loopt. De praatzieke papegaai wees zijne
reisgenooten dadelijk het verblijf van Prinses Aldegonda, een statig
paleis, dat zich verhief uit de heesters van een verrukkelijken tuin.

»Ach Toledo«, riep de uil in extase uit, »Toledo, gij stad van
toovenarij en mysterie!« Welk een macht van tooverformulieren zijn er
niet uitgesproken in uwe donkere schuilhoeken. Stad van geleerdheid,
van wonderen, van duizenden geheimenissen!«

»Kletspraat«, riep de papegaai. »Wind je niet op, mijn vriend
de wijsgeer! O Toledo,« oreerde hij met uitgespreide vleugels, in
navolging van den uil, stad van noten en van wijn, van vijgen en olie,
van feesten, steekspelen en bekoorlijke señoritas! Nu, Prins, moet
ik niet naar Prinses Aldegonda vliegen, en haar uw aankomst melden?«

»Doe dat, beste van alle vogels«, antwoordde de prins met
warmte. Vertel haar, dat Ahmed, de pelgrim der liefde, naar Toledo
is gekomen om haar te zoeken.«

De papegaai spreidde dadelijk zijne vleugels uit en vloog weg met deze
boodschap. Hij vond de prinses, rustende op een divan, en nadat hij
neergedaald was, naderde hij haar met de manieren van een volmaakten
hoveling. »Schoone Prinses«, zeide hij met een diepe buiging, »ik kom
als afgezant van Prins Ahmed van Granada, die naar Toledo is gereisd
om zich te koesteren in de stralen uwer oogen.«

»O, welk een heerlijk nieuws«, riep de prinses uit. »Ik begon juist
te twijfelen aan de standvastigheid van Ahmed. Vlieg naar hem terug,
zoo vlug uwe groene vleugels u dragen kunnen en vertel hem, dat zijn
schrijven het voedsel mijner ziel is geweest, en dat zijne woorden in
mijn hart gegrift zijn. Maar ach, hij moet zich er op voorbereiden,
de kracht zijner liefde met de wapenen te bewijzen. Morgen is het mijn
zeventiende verjaardag, ter eere waarvan mijn vader een schitterend
tournooi geeft, en de prijs voor den overwinnaar zal mijn hand zijn.«

Ahmed was verrukt over het nieuws, dat de papegaai hem bracht; maar
zijn geluk over de trouw der prinses werd verduisterd door het feit,
dat hij om haar zou moeten strijden, want hij was niet geoefend
in het ridderspel. In zijn verlegenheid wendde hij zich tot den
wijzen uil, die zooals gewoonlijk goeden raad schafte door hem te
vertellen, dat er in een naburigen berg een grot was, waar op een
ijzeren tafel een betooverde wapenrusting lag; daarnaast zou hij een
betooverd strijdros vinden, dat daar gedurende vele eeuwen gestaan
had. Na eenig zoeken vond Ahmed de bewuste grot. Een lamp met eeuwig
brandende olie verspreidde een gedempt licht over de hoekige ruimte
en met behulp daarvan waren de wapenrusting en het betooverde paard
spoedig gevonden. Ahmed trok de wapenrusting aan en sprong op het
paard, dat luid-hinnekend ontwaakte en hem uit de grot wegvoerde,
terwijl de uil en de papegaai naast hem vlogen.

Den volgenden morgen begaf Ahmed zich naar het strijdperk, dat in
de nabijheid der stad gelegen was. Het was een onvergelijkelijk
schoon schouwspel, en edele ridders en lieflijke jonkvrouwen waren
bij honderden opgekomen om hun vaardigheid in het voeren der wapenen,
en haar schoonheid te vertoonen. Maar Prinses Aldegonda overtrof allen
in schoonheid, want zij straalde als de maan tusschen de sterren. Bij
de komst van Ahmed, die aangekondigd werd als »de Pelgrim der Liefde«,
steeg de opwinding ten top, want hij was een buitengewoon ridderlijke
en schitterende verschijning in zijn glinsterende wapenrusting en met
juweelen bezaaiden helm. Men deelde hem mede, dat slechts kampioenen
van vorstelijken bloede in het strijdperk werden toegelaten, en toen
hij dit vernam, maakte hij zich bekend. Toen men hoorde, dat hij een
muzelman was, begonnen de Christenridders hem te beschimpen, waarop
Ahmed in woede ontstak en den ridder, die het heftigst in zijn spot
geweest was, uitdaagde. Zij renden op elkander in, en de gespierde
tegenstander werd uit het zadel geworpen. Maar de prins ontdekte nu,
dat hij te doen had met een betooverd paard; want toen het eenmaal
in actie was, kon niets het meer tegenhouden. Het Arabische ros
wierp zich midden tusschen de ridders; Ahmeds tegenstanders vielen
als een kegelspel onder zijn opgeheven speer, zoodat het strijdperk
in een oogenblik bedekt was met hunne uitgestrekte lichamen. Maar
des middags twaalf uur, hield de betoovering waaronder het paard
handelde, plotseling op. Het ros draafde over het veld, sprong over de
afsluiting, stortte zich in de Taag, zwom door den bruisenden stroom,
en droeg den prins doodmoe maar voldaan naar de grot terug, waar het
zijn plaats weer innam naast de ijzeren tafel, waarop de prins de
wapenrusting weer neerlegde.

Ahmed gevoelde zich echter allesbehalve behagelijk, want onder degenen,
die hij uit het zadel geworpen had in zijn woesten stormloop, was
de Koning zelf, de vader van Aldegonda, die bij het zien van de
verwarring, die Ahmed onder zijne gasten aanrichtte, hevig vertoornd
hun te hulp was gekomen. Vervuld van de angstigste voorgevoelens, zond
hij zijne gevleugelde boodschappers uit om eenig bericht. De papegaai
keerde terug met een massa nieuws. Er heerschte groote ontsteltenis
in Toledo, zeide hij; de prinses was bewusteloos weggedragen, en de
algemeene opinie was, dat de prins òf een Arabisch toovenaar, òf een
van de booze geesten was, die, naar men geloofde, in de grotten der
bergen huisden.

Het was reeds dag, toen de uil terugkeerde. Hij had door de vensters
van het paleis gegluurd, en gezien, hoe de prinses den brief van
Ahmed kuste, terwijl zij luid schreide. Later was zij overgebracht
naar den hoogsten toren in het paleis, en elke gang daarheen werd
streng bewaakt. Maar een diepe en knagende melancholie had zich van
haar meester gemaakt, en men meende, dat zij het slachtoffer was van
toovenarij, zoodat er tenslotte een groote belooning–de kostbaarste
diamant uit de koninklijke schatkamer–was uitgeloofd voor hem,
die haar zou genezen.

Nu wist de wijze uil toevallig, dat er in de koninklijke schatkamer
een sandelhouten kist met stalen banden aanwezig was, die beschreven
was met geheimzinnige teekenen, die slechts door enkele geleerden
konden worden ontcijferd. Deze koffer bevatte het zijden vloerkleed,
dat uitgeweken Joden naar Spanje hadden medegebracht. Deze mededeeling
gaf den prins veel te denken. Den volgenden dag ontdeed hij zich
van zijn kostbare kleeding, en trok het eenvoudige gewaad van een
Arabier uit de woestijn aan; daarna kleurde hij zijn gelaat en
handen donkerbruin. Op deze wijze vermomd, begaf hij zich naar het
koninklijk paleis, waar hij na een oogenblik wachten tot den Koning
werd toegelaten. Toen deze hem naar de reden van zijn komst vroeg,
antwoordde hij zonder aarzelen, dat hij in staat was de prinses te
genezen, die, zooals hij zeide, ongetwijfeld door een duivel bezeten
was; hij kon dien boozen geest uitdrijven, alleen door de macht der
muziek, zooals dat bij zijn volksstam gewoonte was.

Toen de Koning zag, dat hij zoo vol vertrouwen was, bracht hij hem
dadelijk naar den hoogsten toren, waar de prinses lag, en vanwaar men
op een terras kwam, waar men het uitzicht had over de stad en het
omliggende land. De prins zette zich op dit terras neder, en begon
op zijn fluit te spelen. Maar de prinses bleef bewusteloos. Daarna
herhaalde hij, alsof hij een duivelbezwering zong, de woorden van
den brief, dien hij de prinses gezonden had, en waarin hij haar zijn
liefde verklaard had. Toen ontwaakte zij, herkende diep geroerd de
woorden, en beval, dat men den prins bij haar zou brengen. Ahmed werd
in haar kamer geleid, maar de gelieven, die het gevaar, waarin zij
verkeerden, begrepen, waren op hun hoede, en stelden zich tevreden met
het wisselen van blikken, die welsprekender waren dan woorden. Nooit
behaalde muziek een grooter triomf! De rozen keerden terug op de
bleeke wangen der prinses, en de Koning was zóó verrukt, dat hij Ahmed
verzocht het schoonste juweel uit zijn schatkamer te kiezen. De prins
wendde echter een overgroote bescheidenheid voor, en antwoordde, dat
hij geen juweelen begeerde, maar slechts een oud vloerkleed wenschte,
dat in een sandelhouten koffer geborgen was, die door de muzelmannen,
die eens in Toledo heerschten, was achtergelaten. De koffer werd
oogenblikkelijk gebracht, en men spreidde het karpet op het terras uit.

»Dit karpet«, zeide de prins, »was eens het eigendom van Koning
Salomo; het is waardig de schoonheid zelf te dragen. Laat de Prinses
het betreden.«

De Koning gaf zijn dochter toestemming het verzoek van den Arabier
in te willigen, en zij betrad het vloerkleed. Toen ging Ahmed naast
haar staan, en zeide, zich tot den verbaasden Koning wendende:

»Weet, o Koning, dat uw dochter en ik elkander reeds lang hebben
liefgehad. Herkent gij den Pelgrim der Liefde niet?«

Nauwelijks had hij deze woorden gesproken, of het kleed verhief zich
in de lucht, en tot groote ontsteltenis van alle omstanders, werden
de gelieven weggevoerd, en zij verdwenen spoedig uit het gezicht.

Het tooverkarpet daalde neder in Granada, waar Ahmed en de prinses
in den echt vereenigd werden met de praal, die hun hooge rang
eischte. Later volgde hij zijn vader op, en zijn regeering was
langdurig en gelukkig. Maar ofschoon hij nu een kroon droeg, vergat
hij toch zijne gevleugelde vrienden niet. Hij benoemde den uil tot
zijn grootvizier en den papegaai tot ceremoniemeester, en wij mogen
dit beschouwen als het teeken, dat hij in al zijne koninklijke en
huiselijke omstandigheden door wijsheid en uiterlijke waardigheid
geleid werd.

Dit boeiende verhaal is natuurlijk samengesteld uit een aantal
oorspronkelijke en afzonderlijke elementen–de gelieven, die onbekend
met de liefde opgroeiden, om een voorspelling bij hun geboorte; het
oude thema van de vogeltaal, van hulpvaardige dieren, en het onderwerp
van het betooverde karpet. Het laatste is slechts een andere vorm van
het oude begrip, dat een toovenaar zich op bovennatuurlijke wijze
door de lucht kan voortbewegen; deze kunst schijnt hij te hebben
geleerd aan de heksen der middeleeuwen, wier bezemstelen slechts het
vliegende paard vervingen. Maar uit de omstandigheid, dat het karpet
in dit verhaal voorkomt, mogen wij opmaken, dat het waarschijnlijk uit
Perzië afkomstig is, het land waar het eerst karpetten geweven werden;
vooral ook, omdat de toovenaars van primitiever volken andere en
eenvoudiger middelen gebruikten om zich door de lucht voort te bewegen.

DE GELOFTE VAN DEN HEIDEN.

Het volgende verhaal werpt een helder licht op de verdraagzaamheid,
en zelfs edelmoedigheid, die in het oude Spanje somtijds tusschen Moor
en Christen betracht werd. Het betreft de geschiedenis van Narvaez,
den generaal, die het bevel voerde over het garnizoen van Medina
Antequara, een Moorsche stad, die in handen van de Spanjaarden gevallen
was. Narvaez maakte de stad tot een middelpunt, vanwaar hij een reeks
invallen deed in het naburige district Granada, met het doel provisie
machtig te worden, en de ongelukkige bewoners van dezen streek alles
te ontnemen, wat hun nog was overgebleven.

Bij één van deze gelegenheden had Narvaez een groote ruiterschaar
uitgezonden om de omgeving te plunderen. Zij waren in den vroegen
morgen, terwijl het nog duister was, uitgetrokken, zoodat zij bij
zonsopgang reeds diep in het vijandelijk land waren doorgedrongen. De
bevelvoerende officier reed eenige honderden meters voor den troep
uit, en ontmoette tot zijn verwondering een Moorsch jongeling, die
in het duister verdwaald was, en nu huiswaarts keerde. De jonge man
hield moedig stand tegen de Spaansche ruiters, maar hij werd spoedig
overrompeld, en toen zij van hem hoorden, dat de landstreek, waarin
zij zich bevonden, niet veel meer was dan een verlaten vlakte, daar
de vroegere bewoners bij hun vlucht alles hadden meegenomen, keerden
zij naar Antequara terug, waar zij hun gevangene voor Narvaez voerden.

De gevangene, een jonge man van ongeveer drie-en-twintig jaar, was
een schoone en statige verschijning. Hij was gekleed in een los,
zijden gewaad van een warme donkerroode kleur, dat naar Moorsch
gebruik, rijk versierd was, en hij bereed een edel paard van zuiver
Arabisch ras. Uit deze omstandigheden maakte Narvaez op, dat hij een
hooggeboren ridder was. Hij deed onderzoek naar zijn naam en afkomst,
en vernam dat zijn gevangene de zoon was van den Alcayde van Ronda,
een aanzienlijk Moor en een onverzoenlijk vijand der Christenen. Maar
toen Narvaez den jongen man zelf ondervroeg, bemerkte hij tot zijn
verwondering, dat hij niet in staat was, hem te antwoorden. Tranen
stroomden langs zijn gelaat, en zijne antwoorden werden onderbroken
door snikken die uit het diepst zijner ziel schenen op te stijgen.

»Het verbaast mij, u zoo voor mij te zien,« zeide Narvaez. »Dat gij,
een ridder van goeden huize, en de zoon van zulk een dapper edelman
als uw vader is, zoo bedroefd zijt en als een vrouw schreit, terwijl
gij toch de gevaren van den oorlog kent, en er uitziet als een moedig
soldaat en een goed ridder, dat begrijp ik niet.«

»Ik schrei niet omdat ik gevangen genomen ben,« antwoordde de
jongeling; »ik stort tranen om een veel grooter leed, waarbij
vergeleken mijn gevangenschap niets is.«

Onder den indruk van den ernst van den jongen man, en begaan met
zijn ongelukkigen toestand, vroeg Narvaez hem vriendelijk naar de
reden zijner droefheid, en getroffen door de vriendelijkheid van den
generaal, zuchtte de jonge ridder diep, en antwoordde:

»Heer Gouverneur, ik heb sedert lang een jonkvrouw lief, de dochter
van den Alcayde van een zekere vesting. Menigmaal heb ik ter harer
eer gestreden tegen Christen ridders. De jonkvrouw schonk mij haar
wederliefde, en beloofde mij, mijn vrouw te zullen worden, en ik
was op weg naar haar toe, toen ik het ongeluk had uwe ruiters te
ontmoeten en hun in handen te vallen. Ik heb dus niet slechts mijn
vrijheid verloren, maar tevens mijn levensgeluk, dat ik reeds meende
te bezitten. Wanneer u dit geen reden tot weenen toeschijnt, dan weet
ik niet, waarvoor den mensch tranen geschonken zijn, en zie ik geen
kans u duidelijk te maken, hoezeer ik lijd.«

De trotsche Narvaez was diep getroffen door het droevige verhaal van
zijn gevangene, en daar hij iemand was met een gevoelig en edelmoedig
hart, besloot hij te doen wat in zijn vermogen was, om het droevig
lot van den jongeling te verzachten.

»Gij zijt een ridder uit een edel geslacht«, zeide hij, »en wanneer
gij op uw eerewoord belooft, dat gij naar hier zult terugkeeren,
zal ik u toestaan naar uw geliefde te gaan, om haar te zeggen wat de
reden is, dat gij heden niet bij haar waart.«

De Moor nam het aanbod van Narvaez dankbaar aan, gaf hem de gevraagde
belofte, en bereikte nog dienzelfden avond het kasteel, waarin
zijn geliefde woonde. Hij ging den tuin binnen en gaf het teeken,
waardoor hij haar gewoonlijk zijn aanwezigheid kenbaar maakte, en
zij kwam oogenblikkelijk naar de plaats, waar zij elkander gewoonlijk
ontmoetten. Zij begreep er niets van, dat hij niet op het afgesproken
uur bij haar gekomen was, en hij vertelde haar wat de oorzaak van zijn
wegblijven geweest was. Toen de jonkvrouw hoorde wat hem overkomen was,
barstte zij in snikken uit, en haar minnaar trachtte haar te troosten;
maar toen de morgen aanbrak, herinnerde hij zich zijn gelofte aan
Narvaez, en hoe hij zijn woord als krijgsman en als ridder gegeven had,
dat hij weer in gevangenschap zou terugkeeren.

»Er blijft mij niets anders over dan te gaan«, zeide hij. »Ik heb
mijn vrijheid verloren, en God verhoede, dat ik u, die ik zoo innig
liefheb, naar een plaats zou brengen, waar ook uw vrijheid gevaar zou
loopen. Wij moeten geduldig wachten, totdat ik uit mijn gevangenschap
verlost word, en dan keer ik oogenblikkelijk tot u weder.«

De jonkvrouw antwoordde echter: »Gij hebt mij reeds vele bewijzen
gegeven van uw oprechte liefde, maar nu toont gij mij die duidelijker
dan ooit door uw groote bezorgdheid voor mij; daarom zou het ondankbaar
van mij zijn, wanneer ik niet met u medeging om uw gevangenschap te
deelen. Ik wil met u gaan; als gij in slavernij moet leven, wil ik
het ook doen.«

De jonkvrouw liet zich door haar kamervrouw hare juweelen brengen,
en daarna steeg zij achter haar minnaar in het zadel. Zij reden den
geheelen nacht door, en kwamen in den vroegen morgen te Antequaro aan,
waar zij zich bij Narvaez aanmeldden. Deze was getroffen door den
trouw der jonkvrouw en de rechtschapenheid en standvastigheid van
den jongen Moorschen ridder. Hij schonk oogenblikkelijk beiden de
vrijheid weder, overlaadde hen met geschenken en andere eerbewijzen,
stond hun toe weder naar hun eigen land terug te keeren, én gaf hun
een vrijgeleide tot buiten de grenzen van het vijandelijk land. Deze
gebeurtenis, de liefde der jonkvrouw, de rechtschapenheid van den
Moor, en bovenal de edelmoedigheid van den Christen bevelhebber,
werden buitengewoon bewonderd door de Saraceensche ridderschap van
Granada, bezongen door hunne voornaamste dichters, en door hunne
geschiedschrijvers te boek gesteld. Een ofschoon dit verhaal in alle
opzichten het karakter van een romance draagt, heeft het bovendien
nog de verdienste, volkomen historisch te zijn.

DE DROOM VAN KONING ALFONSO.

Vol geheimzinnigheden is het verhaal hoe Don Alfonso, Koning van
Galicië één van de Christelijke Staten, die het tegen de Mooren hadden
uitgehouden, vervolgd werd door een droom, die steeds zijne nachtwaken
verontrustte, en waarvan hij den diepen zin niet kon doorgronden,
zoodat hij eindelijk er toe moest overgaan, zich om raad te wenden
tot de beoefenaren der occulte wetenschap, diezelfde vijanden, tegen
wie de droom hem waarschuwde.

In het jaar 1086 werden er voortdurend invallen gedaan in het gebied
van Alfonso en andere Christelijke vorsten, door een groot leger van
Almoravide Mooren, die uit Afrika kwamen om Centraal- en Noordelijk
Spanje te bestoken. Toen het bericht van hun nadering tot Alfonso
kwam, lag hij juist met zijne troepen voor Saragossa, maar bij het
dreigende gevaar voegde hij zich bij zijne bondgenooten te Toledo, en
maakte hij zich gereed tot den strijd met de aanvallers, die, terwijl
zij uit zichzelf reeds talrijk waren, nog versterkt werden door de
Mooren uit de verschillende Mohammedaansche Staten van Spanje. Voordat
Alfonso Toledo verliet, werd hij bezocht door een van die vreeselijke
visioenen, die, zooals de geschiedenis ons leert, zoo menigmaal den
val van volkeren voorspeld hebben. Hij droomde, dat hij op een olifant
gezeten was, en dat naast hem, op zijde van het reusachtige dier, een
atambore of Moorsche trom hing, waarop hijzelf sloeg. Maar het geweld,
dat uit het instrument voortkwam, was zóó hevig en onrustbarend,
dat hij oogenblikkelijk doodelijk verschrikt ontwaakte. In het begin
sloeg hij weinig acht op dezen droom en beschouwde hem als een gewone
nachtmerrie, maar toen hij steeds hetzelfde droomde in de opeenvolgende
nachten van zijn verblijf te Toledo, begon hij te gelooven, dat er
een ernstige waarschuwing in verborgen was. Nacht op nacht ontwaakte
hij doodelijk verschrikt, badende in het zweet en met den nagalm
van den Oosterschen trom nog in zijne ooren, totdat hij eindelijk
in de grootste onrust besloot, de geleerden van zijn Hof te vragen,
wat de beteekenis van den droom zou kunnen zijn.

Met dit doel riep hij zijne geleerden en sterrenwichelaars tot zich,
evenals de priesters en zelfs de rabijnen der Joden, zijne vasallen,
die nog bedrevener waren in het uitleggen van droomen dan zijne
Christelijke onderdanen. Toen hij hen om zich heen verzameld had,
vertelde hij hun den inhoud van zijn droom, dien hij tot in de kleinste
bijzonderheden beschreef, en hij eindigde zijn verhaal aldus: »Wat
mij in dit alles het meest verbaast en verontrust, is de eigenaardige
omstandigheid, dat ik steeds van een olifant droom, een dier dat in
ons land niet voorkomt. En ook heeft de atambore een anderen vorm dan
die bij ons, of waar dan ook in Spanje, gebruikelijk is. Ik vraag u,
wat de beteekenis van dezen droom kan zijn, en verwacht ten spoedigste
hierop uw antwoord.«

De wijzen zonderden zich nu af en keerden na eenigen tijd tot den
Koning terug.

»Heer Koning,« zeiden zij, »wij zijn van meening, dat deze droom u
is toegezonden om u kenbaar te maken, dat gij het machtige leger,
dat de Mooren tegen u op den been hebben gebracht, zult overwinnen,
dat gij hun kamp zult vernielen en groote schatten zult buitmaken,
dat gij hun gebied zult bezetten en zegevierend zult terugkeeren,
overladen met roem en eer. Ook gelooven wij, dat uw overwinning in het
geheele Oosten bekend zal worden, want de olifant, die u elken nacht
verschijnt, kan niemand anders zijn dan Juzef Aben Taxfin, Koning
der Muzelmannen, en Heer over de uitgestrekte landen van Afrika,
die evenals het bedoelde beest is opgegroeid in de woestijnen van
dat land. De eigenaardig gevormde atambore, waarop gij in uw droom
zoovele nachten geslagen hebt, duidt op uw roem, die tot in de meest
afgelegen deelen der wereld verspreid zal worden.«

Alfonso luisterde met de grootste aandacht naar deze uitlegging,
en toen de wijzen zwegen, zeide hij: »Het schijnt mij toe, dat uw
verklaring niet de juiste is, want die, welke mijn eigen hart mij
geeft, is van geheel anderen aard en kondigt mij dood en verderf aan.«

Nadat de Koning deze woorden gesproken had, wendde hij zich tot eenige
Moorsche ridders, zijne vasallen, met de vraag, of hun wellicht een
Moorsch geleerde bekend was, bedreven in het uitleggen van droomen. Zij
antwoordden, dat zij zoo iemand kenden, en dat hij te Toledo in een
der Moskeeën leeraarde; deze wijze zou zeker tot tevredenheid van
den Koning een verklaring geven van het visioen.

Alfonso gaf dadelijk bevel, dat men den wijze in zijn tegenwoordigheid
zou brengen; en spoedig daarna keerden de Moorsche ridders terug met
den man over wien zij gesproken hadden, den Fakir Mohammed Aben Iza,
die echter beslist weigerde den droom van een afvallige te verklaren;
en toen hij hoorde voor welk doel hij ontboden was, wilde hij zelfs
niet het paleis betreden.

Ten einde raad vertelden de Moorsche ridders den Koning, dat
godsdienstige gemoedsbezwaren den Fakir beletten aan een Christelijk
Hof te verschijnen, en de Koning, die de Mohammedaansche wetten goed
kende, nam genoegen met hun belofte, dat zij hem de verklaring van den
wijze zouden overbrengen. Daarna legden zij den Fakir de vraag voor,
en toen zij op een verklaring bij hem aandrongen, zeide hij: »Gaat
naar Koning Alfonso, en zegt hem, dat de vervulling van zijn droom
zeer nabij is, en dat de beteekenis ervan deze is: Hij zal overwonnen
worden in een roemloozen strijd, en vreeselijke verliezen lijden. Hij
zal vluchten met slechts weinige getrouwen, en de overwinning zal
blijvend aan den kant van de zonen van den Profeet zijn. Zegt hem
verder, dat deze verklaring uit den Koran is afgeleid: »Weet gij niet,
wat God beschikt heeft over den krijgsman van den Olifant? Heeft hij
zijn kracht niet misbruikt en zijne booze bedoelingen niet nutteloos
zien worden? Ziet gij niet, dat hij de ellenden van Babel over hen
gebracht heeft?« Deze woorden–vervolgde de Fakir, voorspelden den
val van Ibrahim, Koning der Abbassiden, toen hij met zijn leger tegen
Arabië optrok, rijdende op een grooten Olifant. Maar God zond tot zijn
vernietiging de wilde horden van Babel, die kogels van gloeiend vuur
op het leger wierpen, en zijn heerlijkheid verkeerde in ellende en
asch. Wat de atambore betreft, die Alfonso beschrijft, deze beteekent,
dat het uur van zijn ondergang nabij is.«

De Moorsche ridders keerden, zooals zij beloofd hadden, tot den Koning
terug, en deelden hem de profetische woorden van den Fakir mede. De
Koning werd doodsbleek, en riep uit: »Bij den God, dien ik vereer,
het zal uw Fakir slecht vergaan, wanneer hij gelogen heeft, want gij
kunt er op aan, dat ik hem voorbeeldig zal straffen.«

Korten tijd daarna, verzamelde Alfonso zijn leger, bestaande uit
een onnoemelijk aantal divisies voetvolk, en meer dan tachtigduizend
ruiters, onder wie bijna dertigduizend Arabieren waren. Hiermede trok
hij op tegen Koning Taxfin en zijne bondgenooten, en hij ontmoette hem
in de nabijheid van Badajoz, tusschen de struiken en vlakten, Zalacca
geheeten, ongeveer twaalf mijlen van de stad verwijderd. De legers
waren door een rivier gescheiden, en Taxfin zond een beleedigende
boodschap naar den overkant, eischende dat Alfonso òf zijn Christelijk
geloof zou afzweren, òf zich als zijn Vasal zou onderwerpen. Toen
Alfonso deze boodschap gelezen had, wierp hij den brief woedend op den
grond, en zeide uit de hoogte tot den afgezant: »Zeg tegen Taxfin,
dat hij zich niet moet schuil houden tijdens het gevecht, opdat wij
met elkander kunnen afrekenen.«

Verschillende omstandigheden beïnvloedden den strijd. De Vrijdag was de
heilige dag der Muzelmannen, de Zaterdag was de Sabbath der Joden, die
ruim vertegenwoordigd waren in het Christenleger; en de Zondag was de
rustdag der Christenen. Alfonso had Taxfin reeds om een wapenstilstand
verzocht gedurende deze dagen, en de Moor had daarin toegestemd. Maar
Alfonso vond zich gerechtigd den aanval te beginnen des Vrijdags,
op het uur van zonsopgang. Hij verdeelde zijn leger in twee divisies,
en overviel daarmede den vijand. De Moorsche Koning van Sevilla had
zijn sterrenwichelaar gevraagd een horoscoop te trekken om den afloop
van den dag te weten te komen, en daar deze zeer ongunstig voor de
Muzelmannen was uitgevallen, waren zij eenigszins ontmoedigd. Maar
toen het hun gelukt was den eersten aanval van Alfonso te weerstaan,
trok de sterrekundige een nieuwen horoscoop en bij deze gelegenheid
luidde zijn voorspelling vrij wat gunstiger. De Koning van Sevilla,
bezield door de gelukkige profetie, zette zich neder in zijn tent,
nam pen en perkament, en dichtte de volgende regels, die hij ter
bemoediging aan zijn bondgenoot Taxfin zond:

Door Godes toorn en ’t Moorsche zwaard,
Wordt ’t Christenvolk verjaagd van de aard’,
Terwijl het sterrenbeeld voorspelt
Uw grooten roem op ’t oorlogsveld.

Taxfin was zeer gesterkt door deze dichtregels, en hij reed langs
de gelederen, terwijl hij zijne manschappen toesprak. Maar hij
had hiervoor niet veel tijd, want Koning Alfonso kwam aan het
hoofd zijner troepen aangereden, en viel hem aan met alles, wat in
Christelijk Spanje een wapenrusting droeg. Er volgde een woedend en
bloedig gevecht. De Mooren hielden dapper stand, maar de geweldige
ruiterschaar der Spanjaarden rukte op hen aan en overrompelde hen
van alle kanten. Nu kwamen de Moorsche bondgenooten der Christenen in
actie; zij omsingelden de Arabieren van Andalusië, en de geschiedenis
vermeldt, dat de duisternis, die door deze reusachtige menschen- en
paardenmassa veroorzaakt werd, zóó geweldig was, dat de strijdenden
elkander niet meer konden zien, en in het blinde worstelden, alsof het
in het diepst van den nacht was. Tenslotte begonnen Taxfins troepen
zich in groote wanorde terug te trekken, terwijl het paardevolk der
Christenen steeds verder opdrong. Slechts de Mooren van Sevilla hielden
stand. Toen stelde Taxfin zich aan het hoofd van zijne reservetroepen,
en reed met zijne ruitercolonnes recht op het paviljoen van Koning
Alfonso toe, dat slechts zeer onvoldoende beschermd was, en dus
zonder veel moeite met alle kostbaarheden, die zich daarin bevonden,
den Mooren in handen viel. Alfonso, die zag, hoe Taxfin vooruitdrong,
viel hem in de flank aan, en de beide opperbevelhebbers waren spoedig
in een woedend gevecht gewikkeld. De Moorsche aanvoerder begaf
zich onder zijne manschappen, spoorde hen aan tot standvastigheid,
en riep hun toe, dat de belooning voor hun moed de kroon van het
paradijs zou zijn. Tengevolge van zijne herhaalde aanvallen, begon
het leger der Christenen achteruit te wijken, en bij een hernieuwden
aanval van Taxfins bondgenooten, die eerst verslagen waren, gaf
het allen tegenstand op. Toen Alfonso zag, dat alles verloren was,
vluchtte hij, slechts vergezeld van vijfhonderd volgelingen, voor
de zegevierende Mooren uit. Hij bereikte met moeite de stad Toledo,
waar hij met slechts honderd man aankwam.

Van dezen dag af was Alfonso een gebroken man, en toen hij eenige jaren
later het bericht kreeg van den dood van zijn zoon en de nederlaag
van zijn volk in een oorlog met de heidenen, werd hij ziek en stierf
hij. Zoo werd dus de profetie van den Fakir vervuld.

DE PRINS, DIE ZIJN KROON VERRUILDE.

Gedurende den eeuwenlangen strijd tusschen de Gothische en Arabische
rassen in Spanje, ontstonden er verscheiden kleine koninkrijken, die
even snel weer verdwenen, en waarvan de namen reeds lang vergeten
zijn. Ongeveer tweehonderd jaar nadat de heidenen vasten voet in
Spanje hadden gekregen, bestonden er in het midden van het land twee
miniatuur koninkrijken, of beter gezegd, vorstendommen, waarvan het
noordelijkste hardnekkig vasthield aan zijn Spaansche nationaliteit
terwijl het andere, dat eraan grensde, even sterk aan zijn Moorsche
zeden gehecht was. In dien tijd regeerde in het Spaansche vorstendom
een buitengewoon verlicht en bekwaam man, Don Fernando. Zijn opvoeding
was natuurlijk van dien aard geweest, dat hij zijne Moorsche buren met
den diepsten afkeer en het grootste wantrouwen beschouwde. Zij waren,
zoo hadden zijne leermeesters hem verteld, een menschenras, dat geen
naastenliefde of eer kende, een wreed, kwaadaardig en wraakgierig
volk, in het kort, het was niet te verwonderen, dat de jonge Fernando,
die voortdurend in dien geest over zijne buren had hooren spreken,
een geweldigen afkeer van hen had gekregen.

De lage heuvelrij, die de scheiding vormde tusschen de beide
vorstendommen, was eerder, een aanmoediging dan een beletsel voor
de eeuwigdurende invallen, die Moor en Christen in elkanders gebied
deden, want zij behoorde niemand toe, zoodat de troepen van beide
landen, zich daar gemakkelijk konden opstellen, voordat zij een
rooftocht ondernamen. Aan deze strooptochten nam Fernando zelf
ook deel, want het werd noodig geoordeeld, dat een vorst, die in
bijna voortdurend oorlogsgevaar leefde, goed op de hoogte was van
de praktijk der krijgskunst. Bij één van die vele miniatuurinvallen,
was de troep, die onder Fernando’s bevelen stond, ver in het Moorsche
gebied binnengedrongen, zonder eenigen tegenstand te ontmoeten, en
zoo kwam het, dat de manschappen ongedwongen en eenigszins zorgeloos
voortreden, totdat zij zich plotseling bevonden tegenover den vijand,
die hen in de flank aanviel en hunne gelederen verbrak. Het kleine
troepje Spanjaarden werd op deze wijze in tweeën verdeeld, en vluchtte
in tegenovergestelde richtingen, en Fernando, die slechts door een
klein aantal volgelingen vergezeld was, galoppeerde in de richting
van zijn eigen land, om buiten de gevechtslinie te komen.

Om zijn eigen gebied te bereiken, was hij nu gedwongen een grooten
omweg te maken, en daar hij en zijne mannen dien dag reeds veel
gereden hadden, waren hunne paarden na korten tijd zóó oververmoeid,
dat zij onmogelijk verder konden. Tot overmaat van ramp zagen zij, dat
de vijand hen dicht op de hielen zat. Zij besloten hun leven zoo duur
mogelijk te verkoopen, zooals dat Christelijke ridders betaamde, en zij
waren op het punt af te stijgen, en een gunstig terrein te zoeken voor
den komenden strijd, toen zij op eenigen afstand een gebouw zagen,
dat in ruwen steen op een kleinen heuvel was opgetrokken. »Als er
ergens een geschikte plek is, om ons te verdedigen, dan is het daar,«
zeide Fernando. »Laat ons daar stelling nemen, en gebruik maken van
de beschutting, die het gebouw ons biedt.«

Zij spoorden hunne paarden aan tot een uiterste krachtsinspanning, en
bereikten spoedig den top van den kleinen heuvel. Nadat zij afgestegen
waren, zocht Fernando den ingang van het vrij vervallen gebouw, en
hij was op het punt binnen te treden, toen hij tot zijn verbazing
een man ontdekte, die op den vloer geknield lag, in ernstig gebed
verzonken. Zijn lange baard, zijn schamele kleeding en zijn geheele
uiterlijk toonden duidelijk aan, dat hij een Moorsch kluizenaar was,
een van die vromen, die de nabijheid der menschen ontvluchten om in
vrede hunne godsdienstplichten te kunnen waarnemen. Fernando wilde
hem juist op barschen toon toespreken, en hem bevelen weg te gaan,
toen de kluizenaar, die in zijn overpeinzingen gestoord was door het
gestamp van den gespoorden voet op den vloer, opzag, en hem vroeg,
wat hij wenschte.

»Maak, dat gij wegkomt,« zeide Fernando, »want wij moeten deze plaats
tot het uiterste verdedigen tegen uwe afvallige broeders.«

De kluizenaar glimlachte. »Jonge man,« zeide hij, »hoe kunt gij een
oogenblik meenen, dat gij u in dit armzalige gebouw verdedigen kunt
tegen de velen, die u binnen enkele oogenblikken omsingelen zullen? Uw
zwaard en dat van uwe makkers zullen u evenmin kunnen beschermen
als deze vervallen muren, die in enkele minuten ineengestort zullen
zijn. Geloof mij, er is een vrij wat beter schild tegen het ruw geweld
der menschen, dan steen of staal«.

»Ik weet niet wat gij bedoelt, oude man«, zeide Fernando. »Maar ik
ben gewoon mijn vertrouwen te stellen in die zaken, die gij veracht«.

»Dat is treurig genoeg«, zeide de kluizenaar, »hebt gij in uw
eigen land niet geleerd, jonge man, dat God een beter beschermer
is voor hen, die op Hem vertrouwen, dan deze ijdele stoffelijke
bolwerken, die sterfelijke menschen opwerpen tegen de woede van hunne
medemenschen? Vertrouw op God, zeg ik u, en Hij zal u bijstaan door
middel van den minsten zijner dienaren«.

»Indien het de God der Christenen was, van wien gij spreekt«,
antwoordde Fernando, »zou ik moeten erkennen, dat gij woorden van
wijsheid hebt gesproken. Maar uit den mond van een ongeloovige klinken
zij mij godslasterlijk in de ooren«.

»Heer Ridder«, zeide de kluizenaar, »gij zijt nog jong, maar wanneer
gij ouder geworden zijt, zult gij, hoop ik, hebben leeren begrijpen,
dat God dezelfde is in alle landen, en dat verdeeldheid over Zijn
persoonlijkheid, één der middelen is, waarmede de Duivel vijandschap
zaait tusschen de geloovigen. Luister naar mijne woorden: Deze steenen
ruïne is de laatst overgebleven toren van een oude vesting, waaronder
zich een labyrinth van kerkers bevindt. Verberg u zoo spoedig mogelijk
in de duisternis van deze onderaardsche gewelven, opdat gij aan de
vervolging uwer vijanden ontkomen kunt; wanneer de nacht gedaald zal
zijn, kunt gij naar uw eigen land terugkeeren.«

»Wees voorzichtig, Don Fernando,« riep een van de metgezellen van
den Prins uit; »deze heiden tracht u in een valstrik te lokken,
opdat zijne rasgenooten ons op hun gemak kunnen vermoorden.«

»Neen,« antwoordde de Prins, »want ik kan zien, dat deze brave en vrome
man het goed met ons voorheeft, en ik vertrouw mij met een gerust hart
aan hem toe. Wijs mij den weg, goede vader, naar de plaats waarvan
gij spreekt.«

Hierop verzocht de kluizenaar de ruiters binnen te treden, en hij
wees hun een donkeren en hellenden gang, waarlangs zij hunne paarden
leidden. Nauwelijks hadden zij zich in de donkere schuilhoeken,
waarheen de gang voerde, verborgen, of de heidenen, die hen
vervolgd hadden, naderden onder luid geschreeuw. Hun aanvoerder
riep den kluizenaar toe, of hij een troepje Christenridders had zien
voorbijkomen. »Neen, er zijn hier geen Christenridders voorbijgegaan,
mijn zoon,« antwoordde de vrome man, »ga heen in vrede.« De Moorsche
kapitein besteeg daarop met een ernstigen groet zijn paard weer,
en de troep reed verder.

De kluizenaar onthaalde de Christenridders zoo goed mogelijk, en keerde
binnen enkele uren tot hen terug met de mededeeling, dat de duisternis
was ingevallen. »Nu kunt gij veilig naar uw eigen land terugkeeren«,
zeide hij.

»Hoe kan ik u beloonen?« riep Fernando uit, die diep getroffen was
door den vriendelijken eenvoud van den ouden man.

»Het eenige wat gij voor mij doen kunt, jonge man, is in het vervolg
mijne rasgenooten zachter te beoordeelen.«

»Wat gij mij vraagt is niet gemakkelijk,« zeide de Prins droevig,
»want de eerlijkheid gebiedt mij te zeggen, dat ik veel kwaads en
weinig goeds van de Mooren gehoord heb.«

»Dat verwondert mij niets,« zeide de kluizenaar glimlachend, »want
gij zult mij moeten toegeven, dat gij hen slechts ontmoet hebt met
het zwaard in de hand of als gevangenen, wier harten verbitterd waren
door hun nederlaag. Ontsluit uw geest, jonge man, of liever, bid,
dat zijne poorten, die tot nu toe gesloten waren, opengeworpen mogen
worden, om de stralen van goddelijke wijsheid binnen te laten. Tracht
het goede te zien in uwe vijanden, en geloof mij, dan zult gij genoeg
goeds in hen vinden.«

Terwijl hij sprak had Fernando inderdaad het gevoel, dat de poorten
van zijn geest, die tot nu toe vastgeroest waren met vooroordeel,
ontgrendeld werden. »Ik zal uw raad niet vergeten,« zeide hij, »want
het is niet mogelijk, dat van zulk een vroom en edel mensch iets kwaads
komt,« en met een eerbiedigen groet besteeg hij zijn paard en reed weg,
vergezeld van zijne makkers.

In den vroegen morgen bereikte hij veilig de hoofdstad, en nadat hij
zich gebaad had, en eenig voedsel had genuttigd, begaf hij zich naar
de raadszaal, waar zijne ministers met de grootste belangstelling
naar het verslag van zijne ondervindingen luisterden.

»Gij moogt van geluk spreken, uwe Majesteit,« zeide één van zijne
raadslieden; »zonder de hulp van dezen vromen man zoudt gij nu stellig
de gevangene zijn van uwe vijanden. Er zullen niet veel van zulke
geesten in Moorsche lichamen huizen.«

»Hoe zoo, Señor,« antwoordde de Prins; »is het niet mogelijk dat gij
u vergist? Wat weten wij eigenlijk van de Mooren, behalve wat wij in
een voortdurenden strijd met hen hebben gezien? Zou het niet goed zijn,
wanneer wij trachtten hen beter te leeren kennen?«

»Wat,« riep de Minister uit, »kennen wij hen niet als honden en
afvalligen, als meineedige godslasteraars en aanbidders van valsche
goden? De hemel verhoede, dat wij anderen van hun soort zouden leeren
kennen dan den heraut, wiens taak het is, ons in het gemeenschappelijk
strijdperk te roepen, opdat wij onze lansen op hun trouwelooze borst
kunnen richten«.

»Uwe woorden schijnen mij goed noch verstandig toe,« zeide Fernando
vriendelijk; »en ik wil u vertellen, heeren, dat ik dezen morgen
huiswaarts rijdende, het besluit heb genomen, deze Mooren beter
te leeren kennen. Ik zal mij daartoe naar hun land begeven, hun
instellingen en godsdienst bestudeeren, en hun als menschen inplaats
als vijanden tegemoet treden.«

»Dwaasheid,« riep de Kanselier uit; »dat is een onbekookt besluit
van een jong en onervaren vorst.«

»Ik denk er anders over,« antwoordde Fernando; »maar om
noodeloos gevaar te vermijden, heb ik besloten mij als Muzelman te
vermommen. Zooals gij weet, spreek ik de Moorsche taal als een geboren
Muzelman, en ik ken de levenswijze en de godsdienstige gebruiken
onzer buren van hooren zeggen. Ik heb mijn besluit genomen en laat
mij daar niet van afbrengen.«

»De wil van uwe Majesteit is wet«, antwoordde de Kanselier, die in
het besluit van den Prins een mogelijkheid zag voor de uitbreiding
van zijn eigen macht. Andere leden van het gevolg trachtten nog
Fernando’s besluit aan het wankelen te brengen, doch tevergeefs. De
voorbereidende maatregelen waren spoedig getroffen en drie dagen nadat
hij zijn voornemen te kennen had gegeven, trok Fernando als Moor
vermomd, over de grenzen van het land zijner vijanden. Hij besloot
zich eerst naar de hoofdstad te begeven, een vrij belangrijke plaats;
daar aangekomen, steeg hij af en zocht een khan of herberg op. Hij
trof daar allerlei soorten van reizigers aan: de koopman zat aan
dezelfde tafel als de Mullah of priester, en de soldaat deelde zijn
maal met den pelgrim. Het eerste wat Fernando bij dit volk opviel,
was hun groote matigheid. Zij aten slechts weinig en dronken niets dan
melk of water. De atmosfeer van ernst, die in de herberg heerschte,
verraste hem. Deze bescheiden, bleek uitziende mannen zaten voor het
meerendeel met neergeslagen oogen, weinig en rustig sprekende met
zachte en beschaafde stem. Wanneer hun iets gevraagd werd, spraken
zij niet dadelijk, maar zij schenen eerst rustig na te denken,
voordat zij beleefd, en in goed gekozen zinnen antwoordden. Al hunne
handelingen waren beschaafd en waardig. Fernando merkte op, dat
zij ook buitengewoon zindelijk waren, niet alleen in hun kleeding,
maar zij waschten zich voortdurend, hetzij in de herberg gedurende
de voorgeschreven uren van gebed, hetzij in de schitterend ingerichte
openbare baden der stad.

Aan den anderen kant bleek het den vermomden Prins, dat deze mannen
slaven waren van een vormendienst, hetgeen ten gevolge had een
bekrompenheid van denkbeelden, die duidelijk te voorschijn trad in
alle hunne handelingen en uitlatingen. Er scheen in hun leven geen
plaats te zijn voor eenige individualiteit. Fernando knoopte een
gesprek aan met één van de geschoren Mullahs, die zich in een hoek
van de herberg teruggetrokken had om rustiger den Koran te kunnen
lezen. Eerst toonde hij slechts weinig lust tot spreken, maar toen
hij bemerkte, dat de Prins met hem van gedachten wilde wisselen,
bracht hij het gesprek op dat onderdeel van de Mohammedaansche wet,
dat hij bezig was te bestudeeren, en hij verviel daarbij in zulk
een haarkloverij, dat het den ongelukkigen Fernando diep berouwde,
hem ooit te hebben aangesproken.

FERNANDO MAAKT VERGELIJKINGEN.

Toen Fernando zich dien avond ter ruste had begeven, maakte hij
de balans van den dag op. Deze menschen schijnen mij buitengewoon
vormelijk en conventioneel toe, dacht hij; maar daar tegenover
staat de luidruchtige babbelachtigheid van de Europeanen, hun
gebrek aan ingetogenheid en hun groote vrijpostigheid. Die Mullah
was vreeselijk lang van stof, maar zijn er onder ons ook niet een
menigte vervelende kerels? Komt het niet in alle werelddeelen voor,
dat iemand door zelfgenoegzaamheid en verwaandheid een schrik voor
zijn omgeving wordt? Ik geloof, dat een groot gedeelte der menschheid
zijne medemenschen slechts nabootst, en dat men maar zelden een sterke
persoonlijkheid aantreft.

Toen Fernando den volgenden morgen was opgestaan, bezocht hij de
groote moskee der stad. Het was voor het eerst, dat hij een Moorsche
kerk betrad, en het viel hem dadelijk op, dat daar eenzelfde stemming
heerschte als in een Christelijke Kathedraal. Er ging ook daar een
gedempt gefluister rond. Hier en daar stond een Mullah of leeraar,
die zijne leerlingen onderwees in de Mohammedaansche wetten en
godsdienstige gebruiken, en Fernando zag dit met groot genoegen, want
zulk een persoonlijk onderwijs in de leerstellingen van het Christelijk
geloof, werd in de kerken van zijn eigen land niet gegeven. Ook kon hij
zijn oogen niet sluiten voor de groote geleerdheid en ontwikkeling van
de redenaars. Deze schenen hem verre de meerderen van de bekrompen
priesters, die in zijn kerk leeraarden, van wie slechts enkelen
schrijven konden. Hij was zeer verbaasd te zien, dat in een vleugel
van de Moskee, die als schrijfkamer was ingericht, zich een aantal
oude en jonge Mullahs bevonden, die aan lessenaars gezeten, vloeiend
schreven, en bezig waren met het copieeren van exemplaren van den
Koran en andere godsdienstige werken.

Toen Fernando de Moskee verlaten had, bracht hij een bezoek aan de
universiteit, waar hij in groote bewondering geraakte voor het rijke
geestelijke leven, dat daar bloeide. In één der kamers was een leeraar,
gekleed in een witten kaftan, bezig een voordracht te houden over de
praktijk der geneeskunde, en hij deed dat met een scherpzinnigheid
en bekwaamheid, als Fernando nooit eerder had aangetroffen. Zijn
kennis van medicijnen en van de eigenschappen van planten en kruiden,
scheen uitgebreid en nauwkeurig te zijn, en toen Fernando dacht aan
de stumperige artsen, door wier onkunde jaarlijks zoovelen zijner
onderdanen ten gronde gingen, voelde hij zich diep beschaamd, dat
deze donkere geleerde vreemdelingen hun in theorie zoowel als in de
praktijk zoo ver vooruit waren. Maar hij was scherpzinnig genoeg om
in te zien, dat de spreker de medische wetenschap beschouwde als
iets, dat in het verleden reeds zijn hoogtepunt bereikt had. Hij
sprak van proefnemingen in den verleden tijd en vermeldde slechts de
groote leermeesters der oudheid: Galenus en Hippocrates, Avicenna en
Rhazes. Wanneer hij toevallig iets zeide van de leermeesters van zijn
eigen tijd, dan geschiedde dit altijd eenigszins geringschattend, en
nooit met een woord van waardeering; de oudheid was alles voor hem,
en de leerstellingen der oude meesters in de medicijnkunst waren hem
in zeker opzicht even heilig als de woorden van den Profeet.

In een schoollokaal, dat aan deze kamer grensde, bleef Fernando
eenigen tijd luisteren naar een leermeester in de astrologie. Deze
oude wetenschap had altijd een bijzondere bekoring voor hem gehad,
en hij was er zich volkomen van bewust, dat de Mooren tot hare groote
beoefenaren behoorden. De spreker beschreef uitvoerig den invloed, dien
de verschillende planeten op het lot van den mensch hadden, hoe haar
onderlinge stand het verloop van het menschelijk leven bepaalde, en hij
behandelde het karakter van personen, die onder bepaalde astrologische
voorwaarden geboren waren. Ook deze wetenschap was volgens den spreker
niet meer voor verdere ontwikkeling vatbaar; en terwijl Fernando
naar hem luisterde zeide zijn gezond verstand hem, dat hij veel
als waarheid hoorde verkondigen, dat absoluut niet wetenschappelijk
bewezen was. Er werd niets verteld van het wezen dezer planeten, niets
feitelijks over de beweging der sterren, of over hun verhouding tot de
aarde. In de aardrijkskunde-klasse heerschte echter een andere geest;
daar werd het onderwijs op moderner wijze gegeven. Er werd gewezen
op de werken van Arabische reizigers die Azië en Afrika doorkruist
hadden; de levensverhoudingen in verre landen werden besproken, en
over het algemeen veel nauwkeuriger dan in de Europeesche scholen,
die hij bezocht had; waar weinig vaststaande feiten geleerd werden,
waar de fantasie een groote rol speelde, en waar veel meer aandacht
geschonken werd aan het buitengewone dan aan het waarschijnlijke.

Nadat Fernando de universiteit verlaten had, waarvan het plein
overstroomd was met leerlingen, die blijkbaar verschillende
wetenschappelijke onderwerpen bespraken, wandelde hij naar het
dichtbevolkte marktplein, waarvan een gedeelte was ingenomen door
verkoopers van manuscripten, en het viel hem dadelijk op, dat
dit gedeelte veel drukker bezocht was dan dat, waar etenswaren en
kleederen verkocht werden. Op de minder drukke plaatsen van de markt,
vertoonden goochelaars en koorddansers, meestal bijgestaan door
gedresseerde beesten, hunne kunsten. Hier en daar twistten kleine
groepen mannen over enkele onduidelijke plaatsen van den Koran, of
van de Mohammedaansche wet, terwijl anderen in schaduwrijke hoeken
terneder zaten onder het genot van verkoelende dranken. In de kramen,
die het marktplein omringden, zag hij allerlei ambachtslieden bezig:
smeden, sandaalmakers, kleermakers, timmerlieden; maar hij merkte op,
dat het werk slechts in een zeer langzaam tempo vorderde, en dat hunne
gereedschappen van een zeer verouderd model waren, in vergelijking
tot die, welke in zijn vaderland gebruikt werden. De hand van den tijd
drukte wel zeer zwaar op het geheele ras. Het scheen op velerlei gebied
de andere volken ver vooruit te zijn, terwijl het in andere opzichten
nog volkomen vast zat aan de oude denkbeelden van het duistere
verleden. Slechts op het gebied der wetenschap was het vooraanstaand,
maar zelfs hierin steunde het geheel op de onderzoekingen van een
oudere generatie. Het was echter eigenaardig, dat Fernando gevoelde,
hoe goed hij dit conservatisme begrijpen kon. Hebben deze menschen
geen gelijk, dacht hij, dat zij zichzelf getrouw blijven? Wanneer
zij een toestand geschapen hebben, die met hunne raseigenschappen
strookt, zou het dan geen dwaasheid zijn, methoden van andere volken
over te nemen, die voor hunne omstandigheden niet deugen? Zij zijn
eenvoudig, gelukkig en tevreden; stel, dat hun plotseling allerlei
werd opgedrongen van wat in mijn rijk gebruikelijk is, zou hun geluk
dan niet verkeeren in ellende? Een langdurige ondervinding heeft hun
waarschijnlijk geleerd, dat hun tegenwoordige levenswijze de meest
geschikte voor hen is. Zou het niet mogelijk kunnen zijn, dat hun
afkeer van ons het gevolg is van het verschil tusschen de gewoonten
en instellingen der beide volken? Maar zou dit verschil misschien
alleen maar aan de oppervlakte liggen? Hunne werkelijke sympathieën
en antipathieën zijn toch eigenlijk dezelfde als de onze. Zij zijn
volkomen afhankelijk van de weersgesteldheid en van den landbouw, wat
hun voedsel betreft; zij leven in voortdurende vrees voor oorlog; hunne
zorgen zijn gelijk aan de onze, zij hebben eenzelfde regeeringsstelsel
als wij. De verschillen berusten eigenlijk alleen maar op plaats en
omstandigheden, en het is voor hen even onmogelijk zich individueel
los te maken uit de sleur der gewoonte als het voor ons Spanjaarden
is. Wij verschillen niet van hen in de wezenlijke dingen van het leven,
maar slechts in oppervlakkige kleinigheden. Hun godsdienst leert, dat
de goeden beloond en de slechten gestraft zullen worden, en dat men
trouw moet zijn in zijn liefde voor vaderland en gezin. Ten slotte
zou elk van deze bruine mannen, wanneer hij in Spanje opgegroeid
was, dezelfde vooroordeelen hebben als ikzelf, en in alle opzichten
zoo aan mij gelijk zijn, dat hij van een gewonen Spanjaard niet te
onderscheiden zou zijn.

Fernando wandelde door een der poorten der stad naar buiten. Het
landschap vertoonde veel overeenkomst met het bouwland van zijn
eigen rijk, maar het was met meer zorg bewerkt. Hier en daar lagen
kleine sneeuwwitte boerenhofsteden in de dalen verborgen, en lange
rijen maaiers en arenlezers verspreidden zich van daaruit in alle
richtingen over de velden, want het was oogsttijd. Fernando voegde
zich bij één van deze groepen, en hij bemerkte tot zijn verwondering,
dat er weinig verschil was tusschen deze menschen en landlieden in
Christelijk Spanje. Zoo nu en dan werd het werk onderbroken, en de
maaiers zetten zich in een kring, en luisterden naar het zwaarmoedige
fluitspel van één hunner. Fernando merkte op, dat zij even eenvoudig
en weinig eischend waren als de boeren van zijn eigen land. Zij
deelden hun brood en kaas met hem, en boden hem een slok geitemelk
aan uit een grooten lederen zak, en het gelukte hem met veel moeite,
deze lekkernij met een benauwd gezicht naar binnen te werken, want
vorsten zijn niet gewoon aan de scherpe geuren van zulk een drank. Na
zich op deze wijze versterkt te hebben, wandelde hij langzaam verder
over de gloeiende velden, zoo nu en dan rustende in de schaduw der
boomen, die langs den weg groeiden.

Hij had misschien 1 1/2 mijl afgelegd, toen hij bij een open vlakte
kwam, waar een troep ruiters militaire oefeningen verrichtte. Hij
volgde de manoeuvres met de belangstelling van den krijgsman, en
zag al dadelijk dat deze licht gewapende soldaten met hunne vlugge
bewegingen verre de meerderen waren van zijne eigen krijgslieden
met hun zware wapenrusting. Op commando zwenkten de eskadrons, en
legden met groote snelheid en verbluffende gelijkheid aan; en toen
het bevel »halt« gegeven werd, gehoorzaamden zij oogenblikkelijk,
zonder den regelmaat hunner rijen te verbreken. De oefeningen van één
der eskadrons brachten het dicht bij de plek, waar de Prins stond,
en de bevelvoerende officier, die hem waarschijnlijk voor een Moorsch
priester hield, groette hem hoffelijk.

»Gij kijkt met zulk een klaarblijkelijk genoegen naar ons, eerwaarde
heer,« zeide hij, »dat ik meen te mogen aannemen, dat gij vroeger
zelf soldaat zijt geweest.«

»Dat is zoo,« antwoordde Fernando; »ik was vele jaren soldaat, en heb
lang in een ander gedeelte van het land gediend; maar nu is de oorlog
niets meer voor mij, en de tijden, waarin ik voor mijn genoegen ten
strijde trok, liggen achter mij.«

»Maar«, zeide de officier, »de oorlog is toch het eenige, waartoe
een edele geest zich voelt aangetrokken. Gij zijt jong, en hebt het
leger blijkbaar te vroeg verlaten.«

»Neen,« antwoordde de Prins, »wanneer het noodig is, ben ik bereid het
zwaard weder op te vatten, maar alleen om een onrechtmatigen inval
te keeren of een beleediging te wreken. Zooals ik reeds gezegd heb,
de oorlog, om den strijd zelf, trekt mij niet meer aan.«

»Maar,« zeide de krijgsman glimlachend, »gij meent toch niet, dat wij
ons niet moeten oefenen voor het geval, dat wij aangevallen worden. Wij
weten toch niet vooruit, wanneer de onbeschaafde en woeste Christenen
uit het Noorden ons zullen overvallen?«

»Evenmin als zij weten, mijn vriend, wanneer het bij ons zal opkomen,
een strooptocht in hun rijk te ondernemen,« zeide Fernando.

»Maar,« zeide de officier weder, »wanneer wij dat doen, is het ten
slotte toch slechts een verdedigingsmaatregel, want het blijkt toch
wel, dat zij ons nooit met rust zullen laten.«

»Hebben wij wel eens getracht dat te weten te komen?« vroeg Fernando,
»ik geloof van niet, maar wij hebben wel verdragen met hen gesloten,
doch die schijnen gemaakt te zijn om verbroken te worden.«

»Ja,« zeide de officier verachtelijk, »het zijn verraderlijke honden,
deze Spanjaarden, op wier woord geen eerlijk man vertrouwen kan;
zij hebben het eene verdrag na het andere verbroken.«

»Als ik mij niet vergis,« zeide Fernando, »hebben wij hetzelfde gedaan,
alleen zorgen onze regeerders er goed voor, dat het volk niet te
weten komt, hoe oneerlijk wij ons tegenover onze vijanden gedragen,
en dat het vast gelooft, dat wij niet anders konden handelen, omdat
onze tegenstanders zoo absoluut onbetrouwbaar zijn. Mag ik U vragen,
edele heer, of gij ooit in Christelijk Spanje gereisd hebt, of andere
Christenen ontmoet hebt dan die, welke gij toevallig gevangen genomen
hebt?«

De ruiter schudde ontkennend het hoofd. »Nu ik erover nadenk«, zeide
hij, »heb ik met meer Spanjaarden het zwaard gekruist dan met hen
gesproken; maar ik wil gaarne op uw gezag aannemen, dat er onder dat
volk edele geesten zijn, want ik weet uit eigen ondervinding, dat
het dappere krijgslieden zijn, en een goed soldaat kan niet anders
dan een eerlijk man zijn. Maar gij moet mij verontschuldigen waarde
heer: ik kan niet langer blijven. In den naam van God wensch ik u
een aangename reis toe«.

FERNANDO ONTMOET ZIJN DUBBELGANGER.

Fernando vervolgde zijn weg; en de zoo juist beschreven dag moet
beschouwd worden als een voorbeeld van vele andere dagen; drie maanden
lang trok hij door het Moorsche land, bestudeerde er de instellingen
en de menschen met eigen oogen, en verkreeg op deze wijze een juist
inzicht in den volksaard.

Aan het einde van dit tijdperk, had hij zulk een hoogen dunk
gekregen van zijne vroegere vijanden, dat hij met oprecht verdriet
zijne schreden weder noordwaarts richtte naar de grenzen van zijn
eigen rijk. In zijn tegenzin om weer den vaderlandschen bodem te
betreden, besloot hij den nacht door te brengen in een kleine khan
aan de Moorsche zijde der heuvelen. Het was een armoedige herberg,
maar mooi gelegen bij den ingang van een vredig klein dal. Nadat hij
zijn paard had overgegeven aan den witgekaftanden waard, trad hij
binnen. Tot zijn groote verbazing was de eerste, dien hij ontmoette,
een jonge man, die zóó sprekend op hem geleek, dat hij verrast en
verschrikt achteruit week, want er was geen trek in het gelaat van
den vreemde, die niet weerspiegeld was in het zijne. De jonge man
schrikte eveneens, en staarde zijn evenbeeld aan; toen gleed een
glimlach over zijn vriendelijk gelaat, en hij zeide met een lach:
»Ik zie, edele heer, dat gij even verbaasd zijt als ikzelf, maar ik
hoop, dat gij niet vertoornd zijt, dat God ons zoo gelijk geschapen
heeft; want ik heb wel eens gehoord, dat menschen, die veel op elkaar
gelijken, een zeker wantrouwen tegen elkander plegen te hebben.«
»Daar is niet veel kans op, mijn vriend,« zeide Fernando, »want als
God onze geesten zoo gelijk geschapen heeft als onze lichamen, ben ik
ervan overtuigd, dat gij een oprecht en vriendelijk mensch zijt, en,«
voegde hij er lachend bij, op een tafel wijzende, »het spreekt vanzelf,
dat wij het brood samen breken.« »Uitstekend«, riep de ander uit. »Ik
neem uw uitnoodiging met het grootste genoegen van de wereld aan.«

Spoedig nadat zij aan de ruwe tafel hadden plaats genomen, waren zij
in een opgewekt gesprek gewikkeld. En waar zij reeds verrast waren
geweest over hun lichamelijke gelijkenis, waren zij het nog in veel
hoogere mate over de overeenkomst in smaak en karakter. Uren lang
bleven zij met elkander praten. Eindelijk zeide de vreemdeling: »Ik heb
het gevoel, dat wij elkander ons geheele leven gekend hebben, en daar
ik ervan overtuigd ben, dat ik u vertrouwen kan, wil ik u mijn geheim
openbaren. Weet dan, dat ik Muza ben, de Koning van dit land, en dat
ik zoo juist ben teruggekeerd van een langdurig verblijf in het land
der Christenen, wier karakter en levenswijze ik wilde bestudeeren.«

»Ik ben zeer gevleid door de vriendelijkheid en het vertrouwen van Uwe
Majesteit,« antwoordde Fernando, »en gij kunt er van overtuigd zijn,
dat uw geheim veilig bij mij is. Maar mag ik u vragen, wat uw indruk
is van de bewoners van Christelijk Spanje?«

»Ik heb zulk een achting voor hen gekregen,« antwoordde Muza, »dat
ik met den grootsten spijt hun land verlaat, want er heerscht onder
hen een geest, die zooveel meer aan den mijnen verwant is dan die
onder mijne eigen onderdanen, dat ik u de plechtige verzekering geef,
dat ik liever over hen zou regeeren dan over mijn eigen volk.«

»Uw wensch kan vervuld worden, edele Muza,« zeide Fernando opstaande;
»want ik ben Fernando, Koning der Christenen, die gedreven door
eenzelfden wensch als gij, in uw rijk heb omgezworven, en die zulk een
sympathie heb opgevat voor het karakter en de gewoonten van uw volk,
dat ik niets liever wil dan over hen te regeeren. Dat ik werkelijk
degeen ben, voor wien ik mij uitgeef, zult gij aan dit teeken kunnen
zien.« Dit zeggende, haalde hij van onder zijn burnous een gouden
keten te voorschijn, waaraan het koninklijk zegel hing. »Er bestaat
voor zoover ik zien kan, slechts één beletsel voor onze overeenkomst,
en dat is het verschil in godsdienst.«

»Neen Fernando,« zeide Muza met opgeheven handen, »ik zie de
moeilijkheid hiervan niet in, want volgens mijn opvatting, bestaat
het verschil slechts in uiterlijkheden. De innerlijke geest van ons
geloof is dezelfde, en slechts in de uitingen ligt het verschil. Beide
godsdiensten komen van den eenigen God, die ze bestemde voor het
gebruik van rassen, die verschillend van aard zijn; en wanneer gij
dit met mij eens zijt, zult gij moeten toegeven, dat het ons niet
moeilijker zal vallen elkanders godsdiensten aan te nemen dan elkaars
gewoonten.«

»Ik ben het volkomen met u eens,« antwoordde Fernando, maar ik
vrees, dat het ons niet zal gelukken onze respectieve onderdanen te
overtuigen van de eerlijkheid onzer bedoelingen. Zij moeten in geen
geval op de hoogte gebracht worden van onze overeenkomst.«–»De
buitengewone overeenkomst tusschen ons beiden, is er borg voor,
dat ons geheim bewaard blijft; maar het zal noodig zijn, dat wij
elkander eerst inlichten over de geschiedenis van ons volk en over
onze persoonlijke omstandigheden, opdat wij door onwetendheid in dit
opzicht, geen argwaan wekken.«

»Gij spreekt als een wijs man,« zeide Fernando, »laten wij dan maar
dadelijk beginnen.« Tot laat in den nacht zaten de jonge vorsten
bijeen, om elkander in te wijden in de geheimen der diplomatie van
hun land, en in hunne familieomstandigheden; en toen de dag aanbrak,
scheidden zij met alle teekenen van wederzijdsche achting. Zij
bestegen hunne paarden, en reden weg, Fernando naar de hoofdstad van
het Moorsche rijk, Muza naar die van de Christenen. Maar alvorens te
scheiden, spraken zij af, dat zij elkander tenminste eenmaal in de drie
maanden in deze herberg zouden ontmoeten.–Drie maanden vlogen voorbij,
en precies op den afgesproken dag ontmoetten de beide vorsten elkander
ten tweeden male in de herberg. De begroeting was eenigszins gedwongen.

»En hoe gaat het u, edele Muza, in het koninkrijk mijner vaderen«,
vroeg Fernando. »Helaas, uwe Majesteit,« antwoordde Muza, »het spijt
mij, te moeten zeggen, dat het maar matig is. Elken dag komen uwe
ministers met nieuwe plannen aan voor rooftochten in mijn vroeger rijk,
en ik weet niet, hoe ik mij daaronder moet houden; en dan doen zij mij
hevige verwijten over wat zij mijn trouweloosheid noemen«. »Precies
hetzelfde heb ik ondervonden«, zeide Fernando, en mag ik met alle
respect voor het ras, waaruit gij gesproten zijt, zeggen, dat zij
niet te vergelijken zijn, wat beschaving en verstand betreft, met mijn
eigen volk; dat zij vreeselijk behoudend en langzaam van begrip zijn.«

»Ik vind uwe onderdanen daarentegen veel te bewegelijk en onrustig,
en ik ontmoet bij hen niet die volslagen gehoorzaamheid, waaraan
ik tot nu toe gewoon ben geweest. Als ik het eerlijk zeggen mag,
ontbreekt het hun aan waardigheid«.

»Ik vind eenige van mijne persoonlijke omstandigheden ook verre van
aangenaam,« mopperde Fernando; »bv. uwe huwelijksinrichting.«

»En bij u het ontbreken daarvan,« antwoordde Muza.

»Over het geheel geloof ik«, zeide Fernando. »Ik ben het volkomen
met u eens«, antwoordde Muza.

»Als wij de zaak eens in de doofpot stopten«, merkte Fernando op. »Het
is beter voor een mensch, zelfs voor iemand met een ruimen blik,
onder zijn eigen volk te blijven, want hoe breed zijne opvattingen
ook mogen zijn, hij loopt onder vreemdelingen toch altijd kans veel
te ontmoeten, dat zijn vooroordeel versterkt en hem tot onaangename
vergelijkingen dwingt.«

»Ook dit ben ik met u eens,« zeide Muza. »Als eenmaal het nieuwtje
er af is«….

»Juist«, antwoordde Fernando; »ten slotte gaat er toch niets boven
het land, waarin men geboren is.«

Zoo scheidden de beide vorsten, en elk trok zijns weegs. Maar
ondanks alle smeekbeden en dreigementen van hunne ministers was geen
van beiden meer er toe te bewegen invallen in het naburige land te
doen, en er werd zelfs door kwaaddenkende menschen gefluisterd, dat
Fernando en Muza elkander zoo nu en dan bij de gemeenschappelijke
grenzen ontmoetten, om moeilijkheden op te lossen, die tusschen
hunne respectieve staten gerezen waren–een onnatuurlijke toestand,
die volgens hen vroeger of later in een politieke ramp moest eindigen.

HOOFDSTUK XII: VERHALEN OVER SPAANSCHE TOOVENARIJ.

Het schijnt, dat Spanje door de andere landen van West-Europa
beschouwd werd als de bakermat van bijgeloof, toovenarij en hekserij,
waarschijnlijk doordat er zulk een openbaarheid is gegeven aan de
ontdekkingen van de Moorsche alchemisten, de eerste scheikundigen
in Europa. Maar met de opkomst van de Inquisitie werden de occulte
wetenschappen naar den achtergrond gedrongen, want alles, wat
maar in de verte zweemde naar ketterij, werd op de strengste wijze
door deze onverdraagzame instelling onderdrukt. Daardoor zijn vele
volksliederen, die betrekking hadden op hetgeen de Spaansche boeren
geloofden, verloren gegaan, en ook menige boeiende legende is voorgoed
verdwenen. De Broeders hebben in hun zorg voor de zuivering der Kerk
niet alleen de heks, den toovenaar en den boozen geest verbannen,
maar ook de onschuldige fee, de nymphen van bosch en veld, het geheele
gezelschap vertrouwde geesten, die niemand kwaad deden en de huisvrouw
en dienstmaagd tot grooten steun waren.

Het werk, waarin voor het eerst vermeld wordt, dat de overheid van plan
was een veldtocht te ondernemen tegen de geheele wereld der geesten,
goede zoowel als kwade, is van Alfonso de Speria, een Franciscaner
monnik uit Castilië, die in 1458 of 1460 een boek schreef, dat
voornamelijk gericht was tegen ketters en ongeloovigen, en waarin ook
een hoofdstuk gewijd is aan de verschillende vormen van volksgeloof,
die hun oorsprong hadden in oude heidensche gebruiken. Het geloof in
heksen, die hij xurguine (jurguia) of bruxe noemt, schijnt afkomstig
te zijn uit de Dauphiné of Gascogne, waar zij volgens zijn verklaring,
overvloedig voor kwamen. Zij waren, zoo verhaalt hij ons, gewoon, des
nachts in grooten getale bijeen te komen op een hooggelegen vlakte,
elke heks bracht een kaars mede ter eere van Satan, die tot haar
kwam in de gestalte van een wild zwijn, en niet in die van een bok,
in welke gestalte hij meestal bij andere gelegenheden verscheen.

Llorente vertelt in zijn Geschiedenis van de Spaansche Inquistie,
dat de eerste auto-de-fé tegen de toovenarij in 1507 gehouden werd te
Calabarra, bij welke gelegenheid er dertig vrouwen, die beschuldigd
waren van hekserij, verbrand werden. In de eerste verhandeling over
Spaansche toovenarij, van Martinez de Castanaga, een Franciskaner
monnik (1529) vinden wij, dat Navarra beschouwd werd als bakermat
der hekserij, en dat deze provincie vele »zendelingen« naar Aragon
stuurde om daar de vrouwen tot de tooverkunst te bekeeren. Maar
wij lezen ook, dat de Spaansche godgeleerden van de zestiende
eeuw zóóveel verlichter waren dan die van andere landen, dat zij
toegaven, dat hekserij slechts een begoocheling was; en de straf die
zij toedienden aan hen, die er in geloofden, werd gegeven, omdat
deze afdwaling in strijd was met de voorschriften der Kerk. Pedro
de Valentin geeft in een verhandeling over dit onderwerp (1610)
toe, dat de daden, waarvan de heksen beschuldigd werden, slechts
denkbeeldig waren. Hij schreef ze gedeeltelijk toe aan de wijze,
waarop het onderzoek geleid werd, en aan den wensch van het domme
volk, dat ondervraagd werd, straffeloos uit te gaan, door datgene
te verklaren, wat hunne vervolgers blijkbaar wenschten te hooren,
en gedeeltelijk aan de uitwerking van de zalven en drankjes, die zij
moesten gebruiken, en waarin middelen voorkwamen, die slaap verwekten,
en invloed hadden op de verbeelding en de geestelijke vermogens.

DE GODSDIENST DER HEKSERIJ.

De bovengenoemde opvatting van dit merkwaardige verschijnsel
wordt tegenwoordig algemeen gedeeld. Maar de onderzoekingen van
Charles Godfrey Leland, mej. M. A. Murray en anderen, schijnen er
op te wijzen, dat de godsdienst der hekserij volstrekt niet op de
verbeelding berust. Mej. Murray beweert, dat deze cultus stamt van
een oud heidensch geloof, dat zijne eigen priesters en godsdienstige
voorschriften had, en in zekere mate het gebruik van het offeren van
kinderen had bewaard.

Het mag wel als vaststaand worden beschouwd, dat deze secte een eigen
priesterstand en vaste godsdienstige wetten had, en dat de verbeelding
slechts een kleine rol speelde bij de aanhangers van dit geloof.

DE GESCHIEDENIS VAN DR TORRALVA.

Spanje was ook nog in de zestiende eeuw beroemd om zijne toovenaars,
bij wie nog iets was overgebleven van de occulte wetenschap der
Moorsche dokters van Toledo en Granada. Misschien was wel de beroemdste
van deze betrekkelijk moderne meesters in de tooverkunst Dr. Eugenio
Torralva, de arts van het gezin van den Admiraal van Castilië. Hij
was in Rome opgevoed en had reeds op jeugdigen leeftijd uitgesproken
sceptische neigingen. Hij sloot vriendschap met een zekeren meester
Alfonso, een man, die, nadat hij eerst zijn Joodsch geloof had
verwisseld voor den Islam, overging tot het Christendom, en ten
slotte vrijdenker geworden was. Een tweede ongeschikte kameraad
was een Dominikaner monnik, Broeder Pietro genaamd, die Torralva
vertelde, dat hij een goeden geest in zijn dienst had, Zequiel, die in
de geestenwereld zijn gelijke niet had als ziener, en die bovendien
zulk een edelmoedig karakter had, dat hij slechts hen wilde dienen,
die hem een volkomen vertrouwen gaven, en die zijn hulp en vriendschap
wisten te waardeeren.

Dit alles prikkelde de nieuwsgierigheid van Dr. Torralva in hooge
mate. Hij was één van die, misschien gelukkige menschen, in wie de
liefde voor het geheimzinnige sterk is ontwikkeld en toen Pietro hem
goedgunstig zijn dienenden geest aanbood, nam hij dit aanbod met beide
handen aan. Zequiel zelf had geen bezwaar tegen de verandering van
meester, en toen Pietro hem ontbood, verscheen hij, en verzekerde hij
Torralva, dat hij hem zou dienen zoolang hij leefde, en dat hij bereid
was hem overal te volgen. Er was niets opmerkelijks aan het uiterlijk
van den geest, die een vleeschkleurig gewaad en een zwart overkleed
droeg, en er uitzag als een jonge man met een overvloed van blond haar.

Van dien tijd af verscheen Zequiel bij zijn meester met elke wisseling
van de maan; en bovendien, wanneer de geneesheer hem noodig had,
hetgeen meestal het geval was, wanneer hij in korten tijd naar een
verafgelegen plaats wilde gebracht worden. Somtijds nam de geest de
gestalte aan van een kluizenaar, op andere oogenblikken weder van
een reiziger, en hij vergezelde zijn meester zelfs naar de kerk,
uit welk feit Torralva opmaakte, dat hij een goede en Christelijk
gezinde geest was. Maar Dr. Torralva moest helaas, zooals zoovelen,
ondervinden, dat het bijwonen van een godsdienstige plechtigheid niet
den minsten waarborg geeft voor vroomheid.

Torralva bleef vele jaren in Italië wonen, maar in het jaar 1502 kreeg
hij een sterk verlangen naar zijn vaderland. Hij keerde daarheen terug,
maar schijnt een jaar later Rome toch weer tot zijn hoofdkwartier te
hebben gekozen, waar hij zich onder de bescherming stelde van zijn
ouden patroon, den Bisschop van Volterra, die in dien tijd kardinaal
geworden was. Deze invloedrijke relatie was hem van groot voordeel,
en spoedig was hij dan ook wijd en zijd als geneesheer beroemd. Maar
noch de vrome kardinaal, noch een van de andere voorname patiënten,
die zijn hulp zochten, wist, dat hij feitelijk zijn geheele medische
kennis te danken had aan zijn onzichtbaren knecht, die hem de
geheime kracht leerde van jonge planten, die andere geneesheeren niet
kenden. Zequiel was echter vrij van alle winstbejag, want wanneer
zijn meester de klinkende munten in den zak stak, waarvan geen goed
geneesheer afkeerig is, berispte de geest hem, want, zeide hij,
aangezien de dokter zijn kennis gratis kreeg, behoorde hij haar ook
kosteloos aan te wenden. Wanneer Torralva daarentegen geld noodig had,
vond hij altijd een som in zijn particulier vertrek, en hij wist zonder
dat er over gesproken werd, dat zijn dienaar het daar had neergelegd.

Torralva keerde in 1520 naar Spanje terug, en leefde daar eenigen tijd
aan het Hof van Ferdinand den Katholieke. Op zekeren dag zeide Zequiel
hem in het geheim, dat de Koning binnenkort een zeer onaangename
tijding zou krijgen. Torralva deelde dit bericht oogenblikkelijk
aan Ximenes de Cisneros, Aartsbisschop van Toledo, en aan den Grande
Capitan, Gonzálvo Hernández de Cordova mede. Dienzelfden dag kwam er
een koerier uit Afrika aan met brieven, die de mededeeling voor Zijne
Majesteit bevatten, dat een veldtocht tegen de Mooren mislukt was,
en dat de opperbevelhebber, Don Garcia de Toledo, de zoon van den
Hertog van Alva, gedood werd. Het schijnt, dat Torralva in Rome de
onvoorzichtigheid had gehad, Zequiel voor zijn beschermheer, Kardinaal
Volterra, te laten verschijnen, die, toen hij bemerkte, op welke wijze
zijn protégé de nederlaag van het Spaansche leger »voorspeld« had,
den Aartsbisschop van Toledo inlichtte over de bron, waaruit de dokter
zijn wijsheid putte. Torralva wist hiervan echter niets, en hij ging
voort politieke en andere gebeurtenissen te »voorspellen«, waardoor
hij zich spoedig een groote reputatie als ziener verwierf. Onder hen,
die hem kwamen raadplegen, bevond zich de Kardinaal van Santa Cruz,
tot wien een zekere Donna Rosales zich om raad had gewend, omdat hare
nachten verontrust werden door een afzichtelijk spook, dat zich in de
gestalte van een vermoorden man vertoonde. Haar geneesheer, Morales,
had ’s nachts bij de dame gewaakt, maar ofschoon zij de plek, waar
de griezelige verschijning opdook, nauwkeurig had aangewezen, had
hij niets kunnen zien.

Torralva vergezelde Morales naar het huis der dame, en terwijl zij
in een zijvertrek zaten, hoorden zij ongeveer een uur na middernacht
haar angstgeschrei. Zij traden haar vertrek binnen, en weer moest
Morales erkennen, dat hij de verschijning niet zag; maar Torralva,
die beter thuis was in de geestenwereld, ontdekte een gestalte,
gelijkende op een dooden man, en daarachter den wazigen vorm van
een vrouw. »Wat zoekt gij hier?« vroeg hij met luide stem, waarop
het voorste spook antwoordde: »Ik zoek een schat.« Op hetzelfde
oogenblik was de geestverschijning verdwenen. Torralva raadpleegde
Zequiel over het gebeurde, en op zijn aanraden werden de kelders
van het huis opgegraven, bij welke gelegenheid het lijk van een man
te voorschijn kwam, die door dolksteken vermoord was; en nadat men
hem een Christelijke begrafenis had bezorgd, hielden de nachtelijke
bezoeken op.

Onder de intieme vrienden van Torralva was een zekere Don Diego de
Zuñiga, een bloedverwant van den Hertog van Bejar, en een broeder van
Don Antonio, Prior-Overste van de orde van St. Jan in Castilië. Zuñiga
had den geleerden dokter geraadpleegd, hoe hij door toovermiddelen
geld zou kunnen verdienen, en Torralva zeide, dat dit mogelijk zou
zijn, door bepaalde letters op papier te schrijven met het bloed van
een vleermuis inplaats van met inkt. Dit toovermiddel moest hij om
zijn hals dragen, opdat hij aan de speeltafel geluk zou hebben.

In 1520 ging Torralva weer naar Rome. Voordat hij Spanje verliet,
vertelde hij Zuñiga, dat hij in staat was op een bezemsteel daarheen
te rijden, terwijl een wolk van vuur hem den weg zou wijzen. Bij zijn
aankomst te Rome had hij een gesprek met kardinaal Volterra en den
Prior-Overste van de Orde van St. Jan, die er ernstig op aandrongen,
dat hij alle verkeer met zijn dienenden geest zou opgeven. Naar
aanleiding van hunne vermaningen verzocht Torralva Zequiel zijn
dienst te verlaten, maar hij stuitte op heftigen tegenstand. De geest
raadde hem echter aan, naar Spanje terug te keeren, en hij beloofde
hem, dat hij de betrekking van geneesheer bij de Infante Eleanora,
Koningin-Weduwe van Portugal, en de latere echtgenoote van Frans I van
Frankrijk, krijgen zou. Op zijn raad vertrok Torralva wederom naar zijn
geboorteland, en hij kreeg inderdaad de beloofde post. In 1525 gebeurde
er iets, dat Torralva’s roem als profeet nog zeer verhoogde. Op den
vijfden Mei van dat jaar, vertelde Zequiel hem, dat het leger van den
Keizer den volgenden dag Rome zou innemen. Torralva beval den geest
hem naar Rome te brengen, opdat hij met eigen oogen deze belangrijke
gebeurtenis zou kunnen aanschouwen. Zequiel gaf hem een knoestigen stok
in de hand, en zeide hem, de oogen te sluiten. Torralvo deed, wat zijn
dienaar hem bevolen had, en toen de geest hem na eenigen tijd zeide de
oogen weder te openen, bevond hij zich in Rome, boven op een hoogen
toren. Het was middernacht toen zij daar aankwamen, en toen het dag
werd, was hij, zooals hij het gewenscht had, getuige van de vreeselijke
gebeurtenissen, die volgden, den dood van den Konstabel van Bourbon,
de vlucht van den Paus naar het Kasteel St. Angelo, den moord op de
inwoners en de drinkgelagen der overwinnaars. Nadat hij op dezelfde
wijze als waarop hij gekomen was, te Valladolid was teruggekeerd,
maakte Torralva oogenblikkelijk alles wat hij gezien had, openbaar;
en toen ongeveer een week later het nieuws van den val van Rome tot
het Hof van Spanje doordrong, was men natuurlijk buitengewoon verbaasd.

Vele personen van hoogen rang waren met den geleerden dokter
betrokken in de beoefening van de zwarte kunst en één van hen,
gekweld door berouw, deelde de Heilige Inquisitie alles mede over
zijne bovennatuurlijke praktijken. Ook Zuñiga, die zooveel voordeel
had getrokken van de occulte wetenschap van Torralva, keerde zich
tegen hem, en lichtte de Heilige Inquisitie van Cuença over hem in,
waarna de dokter gevangen genomen werd. De verschrikte toovenaar
bekende dadelijk zijn geheele verhouding tot Zequiel, dien hij bleef
beschouwen als een goeden geest, en hij schreef in de gevangenis niet
minder dan acht verklaringen over zijne bovennatuurlijke handelingen,
waarin hij zichzelf voortdurend tegensprak. Daar zijne vervolgers niet
tevreden waren met deze bekentenissen, legden zij den ongelukkigen
toovenaar op de pijnbank, en men ontlokte hem dan ook spoedig een
volledige erkenning van den duivelschen aard van zijn dienaar.

In Maart 1529 stelden de Inquisitoren zijn proces voor een jaar uit,
een gebruikelijke methode bij dit lichaam, om de slachtoffers te
temmen. Maar tot grooten schrik van Torralva verscheen er een nieuwe
getuige, die verklaarde, dat de dokter zich ook reeds in zijn jonge
jaren te Rome had bezig gehouden met de occulte wetenschappen, zoodat
Torralva in Januari 1530 opnieuw voor de rechters verschijnen moest. De
Inquisitie wees twee knappe godgeleerden aan, om zijn bekeering
te bewerken, en Torralva beloofde hun, boete te doen voor al zijne
zonden. Slechts wilde hij den dienenden geest niet verzaken, met wien
hij zoolang verbonden was geweest, en hij zeide tot zijne geestelijke
leiders, dat hij niet bij machte was Zequiel te ontslaan. Nadat hij het
eindelijk had laten voorkomen, alsof hij zijn dienaar ontsloeg, en zijn
ketterijen afzwoer, werd hij losgelaten, en trad hij in dienst van den
Admiraal van Castilië, die al zijn invloed gebruikt had om vergeving
voor hem te verkrijgen. Doordat hij in de geschiedenis van Don Quixote
voorkomt, is hij onsterfelijk geworden en is hij voor alle tijden
het type gebleven van den Spaanschen toovenaar der zestiende eeuw.

MOORSCHE TOOVERKUNST.

Bij geen enkel volk werd de tooverkunst met zulk een ernst bestudeerd
als bij de Mooren in Spanje, en het is daarom des te verwonderlijker,
dat ons slechts aanteekeningen over de desbetreffende werken
bewaard zijn gebleven. De uitspraak, dat zij beroemd waren als
toovenaren en alchemisten, vinden wij telkens door Europeesche
geschiedschrijvers herhaald. Maar de meesten hunner hebben zich niet
nader uitgesproken over hunne praktijken, en de Mooren zelf hebben
zóó weinig betrouwbare gegevens over hun werkwijze achtergelaten,
dat wij hierover betrekkelijk weinig positiefs weten, zoodat wij
onze kennis van dit geheimzinnige onderwerp met veel moeite moeten
verzamelen uit de losse aanteekeningen, die in de hedendaagsche
Europeesche en Arabische letterkunde te vinden zijn.

De eerste bekende naam, dien wij in de verweerde boeken over
Moorsch occultisme vinden, is die van den beroemden Geber, wiens
glansperiode viel in de jaren 720-750, en van wien vermeld staat,
dat hij meer dan vijfhonderd boeken schreef over den steen der
wijzen en het levenselixer. Het blijkt echter, dat hij evenmin als
zijne mede-alchemisten erin geslaagd is, deze wonderbare elementen
te vinden. Maar al is het hem niet gelukt den weg te wijzen naar de
aardsche onsterfelijkheid of onuitputtelijken rijkdom, toch schijnt
hij de menschheid zilvernitraat, sublimaat en salpeterzuur te hebben
geschonken. Hij geloofde, dat een goudpraeparaat alle ziekten moest
genezen, bij dieren zoowel als bij planten, en dat alle metalen in
een toestand van chronisch lijden waren, in zooverre, dat zij hun
oorspronkelijke en natuurlijke gestalte van goud verloren hadden. Zijne
werken, die alle in het Latijn geschreven zijn, worden niet authentiek
geacht, maar zijn Summa Perfectionis, een handboek voor den beoefenaar
der alchemie, is in verscheidene vertalingen verschenen.

De Moorsche alchemisten leerden, dat alle metalen zijn ontstaan
door samenvoeging van kwikzilver en zwavel in verschillende
verhoudingen. Zij werkten dag en nacht om allerlei praeparaten te
krijgen uit de verschillende mengsels en reacties van de weinige
scheikundige stoffen, waarover zij beschikten. Maar ofschoon zij
geloofden in de theorie der verandering der metalen, legden zij er
zich niet praktisch op toe. Het was voor hen meer een geloof, en
zij vertegenwoordigden vóór alles een school van wetenschappelijke
ambachtslieden en praktische onderzoekers. Zij hadden waarschijnlijk
hun alchemistische kennis te danken aan Bysantium, dat op zijn beurt
weer door Egypte was opgevoed in deze wetenschap; het is ook niet
onmogelijk, dat de Arabieren hun wetenschappelijke bezieling regelrecht
uit het land van den Nijl hadden gekregen, waar de »groote kunst«
der alchemie in ieder geval geboren werd.

ASTROLOGIE.

De Astrologie was ook een belangrijke tak van de verborgen studie,
waarmede de Mooren in Spanje zich zoo veelvuldig bezig hielden,
en waarvan de beoefening zooveel heeft bijgedragen om de wiskundige
wetenschappen, voornamelijk dat gedeelte, hetwelk nog steeds zijn
Arabischen naam draagt (al = het, jabara = berekenen), tot ontwikkeling
te brengen.

Het is waarschijnlijk, dat de kunst, toekomstige gebeurtenissen te
profeteeren uit den stand der sterren, tot hen gekomen is van de
Chaldeeërs, die haar in elk geval het eerst beoefenden. Zooals de
lezer zal hebben opgemerkt, wordt er in de Spaansche geschiedenis
herhaaldelijk gesproken over sterrenwichelarij. Maar hoe hoog deze
kunst ook aangeschreven stond bij de Mooren, nog hooger in aanzien was
de geheimzinniger kunst der toovenarij, door middel waarvan de geesten
der lucht gedwongen konden worden te handelen naar den wil van den
toovenaar, en zij zijne opdrachten konden vervullen in alle vier de
elementen. Wij weten helaas zoo goed als niets van de leerstellingen
der Moorsche toovenarij, hetgeen waarschijnlijk daaraan moet worden
toegeschreven, dat de Islam alle tooverpraktijken verbood. Maar wel
weten wij, dat zij gebaseerd was op de Alexandrijnsche magie, en dat
zij dus dezelfde beginselen erkende, die vastgesteld waren door den
grooten Hermes Trismegistus, die niemand anders was dan de Egyptische
Thoth, de god van het schrijven, het rekenen en de wetenschap.

Ongeveer in het eind van de tiende eeuw begonnen de Europeesche
geleerden naar Spanje te reizen, om daar de occulte en andere
wetenschappen te bestudeeren. Onder de eersten, die dit deden was
Gerbert, de latere Paus Sylvester II, die verscheidene jaren te
Cordova bleef wonen, en die de kennis van de Arabische cijfers, en
de niet minder nuttige kunst van het klokkenmaken, aan de Christenen
bracht. Het is merkwaardig, dat hij dit cijferschrift niet toepaste
bij zijne klokken, en dat wij zelfs nu nog geplaagd worden met de
oude en lastige Romeinsche cijfers. William Malmesbury vertelt ons,
dat Gerbert vele belangrijke ontdekkingen deed op het gebied der
tooverkunst, en wij hooren o.a. van hem, dat hij een schitterend
onderaardsch paleis bezocht, dat, ofschoon het verblindend schoon
was om te aanschouwen, plotseling van de aarde verdween, zoodra een
menschelijke hand het aanraakte. Het onwetende Europa zag Gerberts
wiskundige diagrammen voor tooverteekens aan, en zijn reputatie als
toovenaar steeg, naarmate hij zelf meer in discrediet kwam.

Het verhaal gaat, dat de Duivel hem beloofd had, dat hij niet zou
sterven, voordat hij de hoogmis in Jeruzalem zou hebben opgedragen. Op
zekeren dag bediende hij de mis in de Kerk van het Heilige Kruis van
Jeruzalem te Rome. Plotseling gevoelde hij zich onwel worden; hij
vroeg, waar hij zich bevond, begreep het dubbelzinnige gezegde van
den Booze, en gaf den geest. Zóó luidt de sage, die de domme menigte
spon om de nagedachtenis van dezen eenvoudigen en verlichten man.

DE DEKEN VAN SANTIAGO.

In de Conde Lucanon, een veertiende-eeuwsche Spaansche verzameling
van verhalen en preeken, waarover wij reeds eerder spraken,
komt een geschiedenis voor over den Deken van Santiago, die naar
Illan, een toovenaar in Toledo, ging, om onderwezen te worden in
de tooverkunst. De toovenaar maakte eenige bezwaren, omdat, zooals
hij zeide, de Deken een invloedrijk man was, die ongetwijfeld in de
toekomst een hooge positie zou bekleeden, en dan waarschijnlijk al
zijne vroegere verplichtingen zou vergeten. De Deken beijverde zich te
verklaren, dat, hoe ver hij het ook in de wereld brengen zou, hij zijne
vroegere vrienden altijd zou gedenken en bijstaan, en dat hij zeker
zijn leeraar in de tooverkunst nooit zou vergeten. De toovenaar nam
genoegen met deze verzekering van den geestelijke, en bracht hem naar
een rustig vertrek, nadat hij eerst zijn huishoudster had opgedragen,
een paar patrijzen voor den avondmaaltijd te koopen, maar deze niet
te braden, voordat zij nadere orders hiervoor zou hebben gekregen.

Toen de Deken en zijn onderwijzer juist aan den arbeid wilden gaan,
werden zij gestoord door een boodschapper, die met een bericht voor
den geestelijke kwam, dat zijn oom, de Aartsbisschop hem aan zijn
sterfbed liet ontbieden. Daar de Deken echter weinig lust had, de juist
begonnen les te onderbreken, maakte hij zich van zijn plicht af. Vier
dagen later verscheen er weer een boodschapper met het bericht, dat de
Aartsbisschop overleden was, en nòg later bracht hij de mededeeling,
dat de Deken gekozen was tot opvolger van zijn oom. Toen Illan
dit hoorde, vroeg hij voor zijn zoon om de vacante betrekking van
Deken. Maar de nieuwe Aartsbisschop gaf den voorkeur aan zijn eigen
broeder, hoewel hij Illan en zijn zoon uitnoodigde om hem naar zijn
Hof te vergezellen. Later werd de begeerde plaats nog eens vacant, en
wederom vroeg de toovenaar er om voor zijn zoon. Maar de Aartsbisschop
wees het verzoek af, en gaf de plaats aan één van zijn ooms.

Twee jaar later werd de Aartsbisschop Kardinaal, en werd hij naar
Rome geroepen, terwijl hem werd toegestaan zijn eigen opvolger in het
Aartsbisdom te kiezen. Wederom werd Illan teleurgesteld. Eindelijk
werd de Kardinaal tot Paus gekozen, en Illan, die hem naar Rome
vergezeld had, herinnerde hem eraan, dat hij dit keer geen enkel
excuus had, om de belofte, die hij hem zoo menig keer gedaan had,
niet te vervullen. De Paus ontstak hierover in woede, en hij
dreigde Illan met de gevangenis en den hongerdood, omdat hij zich
met ketterij en toovenarij had ingelaten. »Ondankbare!« riep de
vertoornde toovenaar uit, »nu gij mij zóó wilt laten verhongeren,
ben ik wel genoodzaakt, de patrijzen te laten opdienen, die ik voor
den avondmaaltijd besteld heb.« Dit zeggende, zwaaide hij zijn
tooverstaf, en riep zijn huishoudster toe, de patrijzen klaar te
maken. Op hetzelfde oogenblik bevond de Deken zich weder in Toledo,
nog altijd als deken van Santiago. Want inderdaad waren de jaren,
die hij als Aartsbisschop, Kardinaal en Paus had doorgebracht,
schijn geweest en zij bestonden slechts in zijn verbeelding, als
een begoocheling van den toovenaar. Dit was het middel, waardoor de
wijze zijn karakter op de proef had gesteld, voordat hij hem zijn
vertrouwen schonk. De geestelijke was zoo verbouwereerd, dat hij
niets kon antwoorden op de verwijten van Illan, die hem wegzond,
zonder hem zelfs van de patrijzen te laten mee-eten.

Op het eerste gezicht lijkt het vreemd, dat juist geneesheeren
en priesters zulk een voorname rol spelen in Spaansche
tooververhalen. Maar de oorzaak hiervan wordt ons duidelijk, wanneer
wij er even aan denken, met welk een wantrouwen de stand der geleerden
beschouwd werd door de ongeletterde en bekrompen menigte. Torquemada
vertelt de geschiedenis van een hem bekenden jongeling, een zeer
bekwamen, jongen man, die later lijfarts werd van Keizer Karel V. Toen
hij te Guadalupe studeerde, en op reis was naar Granada, werd hij
door een als geestelijke gekleeden reiziger, dien hij een kleinen
dienst bewezen had, uitgenoodigd, bij hem achter op zijn paard te
stijgen, opdat hij hem naar de plaats zijner bestemming zou kunnen
brengen. Het paard zag er zielig uit, en scheen niet in staat, het
gewicht van twee stevig gebouwde mannen te torschen, en dus dankte
de student eerst voor het aanbod. Maar de man met het uiterlijk van
den geestelijke drong zóó bij hem aan, dat hij tenslotte toegaf en
zich achter hem in het zadel zette. De ruiter verzocht den student,
niet onder het rijden in slaap te vallen en zij sukkelden verder,
zonder dat hij den indruk had, dat zij bijzonder vlug reden. Maar
bij het aanbreken van den dag, bemerkte de jongeling tot zijn groote
verbazing, dat hij zich dicht bij de stad Granada bevond, en hij nam
afscheid van den ruiter, zich verwonderende over het feit, dat hij
den afstand tusschen twee zoo ver van elkander verwijderde plaatsen
in een enkelen nacht had kunnen afleggen.

SPOKEN EN GEESTVERSCHIJNINGEN.

Zooals gemakkelijk te begrijpen is, kwam de bijgeloovigheid, een
eigenschap, die in het Spaansche karakter zoo sterk is ontwikkeld,
en die eenigszins binnen de grenzen gehouden werd door de strenge
voorschriften der Heilige Kerk, weer op een ander gebied van het
occultisme te voorschijn. Wij zien bv. het algemeen verspreide geloof
in de macht van de dooden om weer terug te keeren naar het tooneel van
hun vroeger bestaan; en dit bijgeloof wordt goed geïllustreerd door
een griezelig gedeelte van het boeiende en geheimzinnige verhaal van
Goulart, die in zijn Trésor des Histoiris Admirables toont de kunst
van het schilderen van pakkende tooneelen zoo goed te verstaan. Hij
verhaalt ons dan, hoe Juan Vasquez Ayala, en twee andere jonge
Spanjaarden, die op weg waren naar een Fransche universiteit, er niet
in slaagden een geschikt onderkomen te vinden in een of ander dorp,
waar zij den nacht wilden doorbrengen, en hoe zij genoodzaakt waren te
overnachten in een eenzaam huis, waarvan de dorpsbewoners vertelden,
dat het er spookte.

De jongelieden besloten het er op te wagen; zij leenden allerlei
huisraad van verschillende buren, en spraken af, een eventueelen
bovennatuurlijken bezoeker een warme ontvangst te bereiden.

Maar in den eersten nacht van hun verblijf daar, waren zij nauwelijks
ingeslapen, toen zij gewekt werden door een geluid als van rammelende
ketenen, dat uit den kelder van hun tijdelijke woning scheen te komen.

Zonder een zweem van angst, sprong de jonge Ayala uit bed, trok
zijne kleederen aan, en begaf zich naar beneden om te onderzoeken
wat de oorzaak zou kunnen zijn van het rumoer, waardoor hij en zijne
makkers gewekt waren. Hij droeg in de ééne hand een getrokken zwaard,
en in de andere een brandende kaars, en toen hij bij de deur kwam,
die naar de binnenplaats leidde, ontdekte hij een vreeselijk spook,
een griezelig geraamte, dat bij den ingang stond. Het spook, dat hij
onverwachts tegenover zich vond, was beladen met ketenen, die met een
somber en dof geluid rammelden. De jonge student was echter volstrekt
niet verschrikt door dezen aanblik, en hij richtte de punt van zijn
zwaard op het spook, en vroeg den indringer waarom hij zijn rust was
komen verstoren.

De geestverschijning zwaaide met de armen, schudde het hoofd, en
noodigde Ayala door een handbeweging uit, mede te gaan. De student
zeide, dat hij bereid was het spook te volgen, waarop het de trap begon
af te dalen, terwijl het zijne beenen voortsleepte als iemand, wiens
gang belemmerd wordt door ijzeren boeien. Ayala volgde hem onbevreesd,
maar bij het loopen begon zijn kaars plotseling te flikkeren en doofde
zij uit, een omstandigheid, die niet zeer geschikt was om zijn moed
te verhoogen. »Halt!« riep hij het spook toe, »je ziet toch, dat mijn
kaars is uitgegaan! Als je even wachten wilt tot ik haar weer heb
aangestoken, kom ik dadelijk terug.« Hij begaf zich haastig naar de
hal, waar een lamp brandde, en stak zijn kaars weder aan; daarna keerde
hij terug naar de plek, waar hij het spook had achtergelaten. Hij
betrad den tuin, waar hij het spook in de nabijheid van een put zag
staan. Op haar wenken volgde de jonge student de verschijning weder,
maar toen zij een klein eindje hadden afgelegd, was zijn griezelige
begeleider plotseling spoorloos verdwenen.

In de grootste verwarring keerde Ayala naar zijn kamer terug en hij
verzocht zijne makkers, hem naar den tuin te vergezellen. Maar hoe zij
ook zochten, zij konden niets vinden. Den volgenden dag berichtten zij
den alcade van het dorp, wat er dien nacht geschied was; deze liet
den tuin doorzoeken, met dat gevolg, dat er juist beneden de plek,
waar het spook verdwenen was, een geraamte werd opgegraven, dat met
ketenen beladen was. Toen men de overblijfselen een Christelijke
begrafenis bezorgd had, hielden de nachtelijke geluiden plotseling
op; maar het avontuur had de bijgeloovige Spanjaarden zóó hevig
aangegrepen, dat zij hals over kop naar huis terugkeerden, en van
hun voorgenomen reis afzagen.

Dit verhaal is een uitstekend voorbeeld van de typische
spookgeschiedenis in het primitieve stadium. Ik zal er niet verder over
uitweiden, want een boek over Spaansche romances en legenden is niet
de geschikte plaats voor een verhandeling over het occultisme. Maar
wij komen er langzamerhand toe, deze dingen uit een ander oogpunt
te beschouwen dan onze grootvaders uit een materialistisch
tijdperk deden, die met groote minachting alle bovennatuurlijke
verschijnselen voorbijgingen, zonder zich een oogenblik erin te willen
verdiepen. In elk geval behoort de schrijver van dit boek tot hen,
die er in gelooven, en die wenschen dat geloof te behouden, zoodat
de bespiegelingen van iemand, die zóó bevooroordeeld is, niet veel
waarde kunnen hebben.

Torquemada vertelt ons een griezelig verhaal van een zekeren Antonio
Costilla, een Spaansch edelman, die op zekeren dag voor familiezaken op
reis ging. Toen hij verscheidene mijlen had afgelegd, daalde de nacht
plotseling, en hij besloot weer naar huis terug te keeren. Maar tot
zijn grooten spijt kon hij door de duisternis niets onderscheiden,
en daar hij voor zich uit een licht zag branden, stuurde hij zijn
paard in die richting. Hij zag, dat het licht uit een kluizenaarshut
kwam, en nadat hij was afgestegen, trad hij de kleine kapel binnen,
en begon hij te bidden. Toen zijne oogen gewend waren geraakt aan de
duisternis, bemerkte hij, dat hij niet alleen was, want er bevonden
zich in de kapel drie personen, die op den grond lagen, in zwarte
mantels gehuld. Zij spraken geen woord tot hem, maar staarden hem met
woeste, sombere oogen aan. Door een onverklaarbaren angst gedreven,
sprong hij in het zadel, en reed weg. Na korten tijd kwam de maan
te voorschijn, en bij het licht daarvan herkende hij de drie mannen,
die hij nog in de kapel waande, maar die op zwarte paarden een eindje
voor hem uit reden.

Om een ontmoeting met hen te vermijden, sloeg hij een zijweg in,
maar tot zijn ontsteltenis zag hij hen weder eenige passen voor zich
uit. In razende vaart, en steeds voorafgegaan door de mannen, die hij
wilde ontloopen, kwam hij bij zijn eigen huis, waar hij van zijn paard
sprong, en het naar de binnenplaats bracht…. waar hij alweder de
drie mannen in hunne zwarte mantels vond. Hij rende naar binnen en liep
naar de kamer zijner vrouw, luidkeels om hulp roepende. Dadelijk kwam
het geheele gezin aangeloopen, maar ofschoon hij steeds schreeuwde,
dat de drie duivels of spoken naast het rustbed stonden, waarop hij
was neergevallen, kon niemand anders hen zien. Eenige dagen later
stierf de rampzalige Costilla, die tot het laatst toe volhield, dat
drie gestalten hem met vurige oogen aanstaarden en hem met vreeselijke
gebaren bedreigden!

Het is jammer, dat onze kennis van het bovennatuurlijke, dat zich in
Spanje zoo veelvuldig geopenbaard heeft, zoo onvolledig is. Maar de
vrees voor het lot, dat den toovenaar wachtte, leefde sterk in het
volk, en de angst voor de pijnbank en den brandstapel heeft er veel
toe bijgedragen, om de heks, den toovenaar, de fee en het spook uit
Spanje te verbannen.

HOOFDSTUK XIII: HUMORISTISCHE SPAANSCHE ROMANCES.

Cervantes’ »Don Quixote«.

Cervantes was een van de grootste satiristen, die de wereld heeft
voortgebracht, een man, die begaafd was met een fijn en merkwaardig
gevoel voor het belachelijke. Hijzelf zou de eerste geweest zijn,
die gelachen zou hebben om die moderne critici, die in hem een groot
dichter zagen, en inderdaad heeft hij op het eind van zijn leven,
toen hij zijn voornaamste werk, het humoristische heldengedicht De reis
naar den Parnassus, schreef, verklaard, dat hij de gave der dichtkunst
miste. Dat hij een merkwaardige fantasie had is wel duidelijk voor
iedereen, die de moeite neemt zijn Galatea te lezen, en Don Quixote
vloeit over van zeldzame vondsten en schitterenden geest, ofschoon
latere bladzijden van deze satire wel sterk herinneren aan sommige
stukken uit het eerste gedeelte.

Ik persoonlijk heb Don Quixote altijd een van de boeiendste en
merkwaardigste boeken gevonden, die ooit geschreven zijn; maar
waarschijnlijk om geheel andere redenen dan die het meerendeel van
het publiek voor zijn voorliefde voor dit werk heeft. Want voor
mij ligt de groote bekoring van het verhaal in het inzicht, dat
het ons geeft in de romantische literatuur en in de gewoonten van
dien tijd. Wanneer de spot gewettigd is, vermaakt hij mij kostelijk,
maar dikwijls voel ik er een onwaardigen beeldenstorm in, en heb ik
den indruk, dat zijn scherpe kritiek niet slechts gericht is op de
overdreven en belachelijke uitingen der ridderlijkheid, maar tegen den
geheelen geest en het karakter van de romance. Cervantes zou er wèl bij
gevaren zijn, wanneer hij zich uitsluitend gehouden had aan de satire;
want wanneer hij zich aan dat gedeelte der literatuur waagt, dat hij
met voorliefde belachelijk maakt, wordt hij dikwijls sentimenteeler
dan de zoetsappigste schrijvers, tegen wie hij te velde pleegt te
trekken. Zijne herders en herderinnen en zijne weggeloopen nonnetjes,
zijn lang van stof en ingebeeld, en hij was sterk beïnvloed door het
vervelende Arcadische tijdperk in de Europeesche letterkunde, dat zijn
hoogtepunt bereikte in het herdersverhaal met zijn onnatuurlijkheid
en zijn atmosfeer van nagebootsten landelijken eenvoud. Sannazaro was
met zijn Arcadia inderdaad het voorbeeld geweest, dat Cervantes langen
tijd volgde, totdat zijn eigen gezond verstand hem de minderwaardigheid
liet zien van de modellen, die hij nabootste.

De schrijver van de Pastor de Filida Luiz Galvez de Montalva, was zijn
intieme vriend, en het staat vast, dat deze een scherpe kritiek leverde
op minderwaardige rijmelaars, zooals Hebrao en Alonso Perez. Het werk
van hen, die deze school van pseudo-Arcadianisme vormden, had niets
van de bekoorlijkheid der schilderijtjes van Watteau of Fragonard,
hoe onnatuurlijk hunne herders en herderinnetjes in zijden en satijnen
kleederen ook mochten zijn. Het landschap van de Spaansche pastorale
had coulissen van bordpapier, en kunstmatige bliksemstralen schoten
over het tooneel. Het was bevolkt met onuitstaanbaar saaie wezens, die
inplaats van het werk te doen, waarvoor zij betaald werden, elkander,
en den rampzaligen reiziger, die het ongeluk had hen te ontmoeten,
gruwelijk verveelden met hun verliefd gejammer en eindelooze verhalen
over hun liefdessmart. Het was dan ook niet te verwonderen, dat het
aangeboren gezond verstand van Cervantes later in opstand kwam tegen
dezen onwaardigen en onmannelijken onzin. Maar toch is het merkwaardig,
dat hij, ondanks zijn scherpe kritiek van de ridderromance, een zwak
bleef behouden voor de dwaasheden van Arcadië, waarvan hij zich nooit
geheel heeft kunnen losmaken.

De omstandigheden des levens waren stellig van grooten invloed op
de denkbeelden van Cervantes. In zijn kwaliteit van ontvanger der
belastingen kwam hij dikwijls in aanraking met den schaduwkant van
het leven, en hij bracht een groot gedeelte van zijn tijd door in de
ongedwongen atmosfeer der herbergen, waar hij verblijf moest houden om
een hem toegewezen district te bewerken. Onder deze omstandigheden en
op deze plaatsen ontmoette hij mannen en vrouwen van vleesch en bloed,
en maakte hij kennis met de harde werkelijkheid. Zulk een ondervinding
is ongetwijfeld van groot nut voor iemand met een romantischen en
fantastischen aard en dichtersgaven. De omstandigheden temperen zijn
natuurlijken aanleg en verruimen zijn blik.

Bij zijn eerste ambtelijke reizen zal Cervantes stellig zijne
reisgenooten in de posadas, waar hij zijne tenten had opgeslagen,
hebben onthaald op hoogdravende verhalen van dolende herders
en rondtrekkende herderinnen. Wij kunnen ons gemakkelijk een
voorstelling maken van de wijze, waarop deze zoetsappige verhalen
ontvangen werden door den ruwen ezeldrijver, den eenvoudigen soldaat
en den marskramer. De kritiek van zulke menschen is niet slechts ruw,
zij is vernietigend. Is het een wonder, dat het gelach, waarmede
zijne eerste geestesproducten ontvangen werden door dit publiek,
de fantastische spinnewebben van de hersenen van Cervantes wegvaagde?

Ik heb er reeds op gewezen, dat in den tijd, waarin hij leefde, de
eigenlijke romance niet meer in de gunst van het volk stond. Dit was
gedeeltelijk het gevolg van de veranderde verhoudingen, en gedeeltelijk
van de opkomst van het Spaansche drama, dat van grooten invloed was
geweest op den smaak en het letterkundig ideaal van de bevolking. Zou
het niet mogelijk kunnen zijn, dat Cervantes, toen hij zag, dat zijne
toehoorders zijne verhalen van het Arcadische type niet bewonderden,
dit toeschreef aan de omstandigheid, dat deze eigenlijk thuis hoorden
bij de hoogere standen, en dat hij zich toen bepaalde tot de romance,
waarbij hij de droevige ondervinding opdeed, dat deze eveneens met
hoongelach begroet werd door de herbergbezoekers? Ligt het niet voor
de hand, dat te midden van de spotternijen zijner toehoorders, die zoo
in alles verschilden van de romantische personen, van wie hij gedroomd
had, het denkbeeld van Don Quixote bij hem geboren werd, en dat hij,
onder het gelach der boerenkinkels en ruwe werklieden leerde begrijpen,
dat een caricatuur van de ridderschap meer in den smaak zou vallen
bij dit publiek? Mij lijkt dit tenminste zeer waarschijnlijk toe.

Gedurende vele jaren had men groote minachting getoond voor de
onnatuurlijke ridderromance. Ernstige en degelijke schrijvers
waren ertegen te velde getrokken, en het staat vast, dat zij voor
een gedeelte van het Spaansche volk een beletsel vormde voor een
gezonde, geestelijke ontwikkeling. Zij had inderdaad verwarring
gesticht in de hoofden van dat gedeelte der bevolking, dat niet
gewoon was voor zichzelf te denken, en dat niet in staat was te
oordeelen over de fouten van een gedicht. In alle landen en in alle
tijden wordt deze groep van menschen aangetroffen, die bijzonder
gemakkelijk te beïnvloeden zijn en in bewondering komen voor de
prulligste sensatieverhalen. Het is geen overdrijving, wanneer wij
zeggen, dat in deze uiting van een ongezonde literatuur, een groot
gevaar schuilt voor de geestesgesteldheid van een volk. Zij leidt de
menschen af van hunne plichten, maakt hen ongeschikt voor ernstig werk,
maakt hen veeleischend inplaats van onafhankelijk, en brengt hen er
toe te gelooven, dat zij dezelfde deugden en gebreken hebben als de
onnatuurlijke helden en heldinnen uit hunne dierbaarste verhalen. Het
eenige wapen, dat het meer verstandige gedeelte der menschheid kan
gebruiken tegen zulk een verderfelijken toestand, is gezonde spot. Maar
het gevaar bestaat, dat bij het in opstand komen van de gevoelens van
het publiek tegen deze letterkundige buitensporigheden, niet alleen
de onzin verdwijnen zal, waardoor de onnadenkenden op een dwaalspoor
gebracht, en de verstandigen geërgerd werden, maar dat de deugden
en bekoorlijkheden, waarvan die dwaasheden de weerspiegeling zijn,
niet bewaard zullen blijven, maar tegelijkertijd zullen worden
vernietigd. Dit was tenminste het lot, dat de grootere romances
ondergingen, deze paarlen van menschelijke verbeelding, die ondanks
de reddingspogingen van iemand als Cervantes, bedolven werden bij
den ondergang der fantasie, van welke plant zij de bloesem waren;
totdat de smaak en het beter inzicht van een lateren tijd haar weder
opgroeven uit de zware aardlaag, waaronder zij begraven lagen.

DE FIGUUR VAN DON QUIXOTE.

Don Quixote, de held van de machtige satire, die den doodsteek gaf
aan den ridderstand, is eigenlijk het type van den romancelezer
uit den tijd van Cervantes. Dwaas en overdreven tot aan den grens
van krankzinnigheid, is hij volkomen blind voor de gebruiken van het
dagelijksch leven. Hij leeft in een eigen wereld, en heeft niets gemeen
met die van zijn tijd, waaraan hij zich niet kan aanpassen. In dezen
ridder van La Mancha worden de ondeugden, die de fantasie aankleven,
belichaamd, zonder dat hare deugden, die van zulk een groot nut zouden
kunnen zijn voor de gemeenschap, er in worden voorgesteld. Don Quixote
leeft in een wereld van fantasie, die bewoond wordt door de schimmen,
die hij ontmoet heeft in de boeken, waarvan zijn bibliotheek zoo
rijk voorzien was. Zijn verbeelding is dus niet eens scheppend;
door zijn verheerlijking van zijne afgoden, heeft het publiek weinig
vertrouwen in hem, en hij wordt door zijne buren beschouwd als een
beminnelijke dwaas, die niemand kwaad doet. Maar wanneer de droomer
tot daden ontwaakt, kan hij zeer gevaarlijk worden, wanneer zijne
visioenen hem op dwaalwegen leiden, of wanneer hij tracht een droom
tot werkelijkheid te maken. Dit was het geval met Don Quixote. Hij
was eigenlijk niet gek genoeg om opgesloten te worden, maar wel
om een last voor zijn omgeving te zijn, al was hij dan ook niet
gevaarlijk. Hij is het type van den romance-held, die door overdrijving
van allerlei eigenschappen, tot abnormale uitingen komt, zooals een
kleine jongen tot stelen komt door het lezen van detective verhalen,
of een winkeljuffrouw zich gaat verbeelden, dat zij de lang verloren
dochter is van een geheimzinnigen graaf.

Het is een gewoon verschijnsel bij dezen vorm van krankzinnigheid,
dat de lijder gezelschap zoekt. Hij heeft voor de uitingen van zijn
ijdelheid een publiek noodig; hij heeft behoefte, zijne plannen
en denkbeelden mede te deelen aan iemand, die met aandacht naar
hem luistert. In Sancho Panza vindt Don Quixote een eigenaardigen
vertrouweling. De onnoozele boer is absoluut niet in staat de
denkbeelden van zijn meester te begrijpen, maar hij wordt overdonderd
door het geschetter, de welbespraaktheid, en de grootsche beloften
van een prachtige betrekking en rijkdom, die de ridder met zijne
wonderlijke fantasieën hem doet. Sancho’s twistzieke vrouw verzet
zich hevig tegen zijn in dienst treden bij den dweepzieken Don;
maar wanneer een droomer en een domkop zich vereenigen, heeft het
gezond verstand niets in te brengen, en moet het rustig wachten,
totdat windmolens zijn bevochten, en er harde slagen ontvangen zijn.

Maar al begint Sancho zijn reis als een onnoozele hals, hij blijft
volstrekt niet altijd een domkop. Hij trekt voordeel uit zijne
ondervindingen, en bij elke bladzijde zien wij hem flinker en gevatter
worden en toenemen in gezond verstand. Hoe dwazer zijn meester wordt,
des te wijzer wordt Sancho, totdat hij tenslotte de gids en raadgever
wordt van den ridder van de Droevige Figuur. Naarmate wij in het
verhaal vorderen, beginnen wij te bemerken, dat de boeren-schildknaap
de rol vervult van een soort van koor, dat de buitensporigheden van
den meester aan de kaak stelt en hekelt. Maar ook afgescheiden van Don
Quixote, is Sancho Panza een boeiende en interessante figuur, met een
eigen filosofie, rijk aan wereldsche wijsheid, en overvloeiend van
praktische kennis. Wat zijn humor betreft, gelijkt hij op Falstaff,
met dat verschil, dat deze typisch Engelsch is, terwijl de humor van
Sancho Panza universeel is. Deze komische boer met de wereldbeschouwing
van een wijsgeer, en de onbewuste luimigheid van een Handy Andy,
zou in alle landen kunnen voorkomen.

HET AVONTUUR IN DE HERBERG.

De ware aard van Don Quixote komt misschien het best uit in dat
hoofdstuk, waarin verteld wordt, wat hem overkwam in de herberg, die
hij voor een kasteel aanzag. Het schijnt een doodgewone Spaansche
posada te zijn geweest. De waard en waardin waren vriendelijke
menschen, die door den ridder verheven werden tot slotheer en
slotvrouwe, en in de slordige dienstmaagd, die onsterfelijk is
geworden onder den naam van Maritornes, zag hij een dame van hoogen
rang, die bij hem woonde. Na het gruwelijke pak ransel, dat hij
van de Yangueesche paardenkoopers had gekregen, was de ongelukkige
ridder dankbaar, zijne pijnlijke ledematen te kunnen uitstrekken
in een armelijke zolderkamer, terwijl Sancho de herbergbezoekers
een beschrijving gaf van het leven van een dolenden ridder en de
wisselvalligheden van zijn bestaan, dat hem den éénen dag dwong tot
het ondergaan van een ellende, zooals de Don nu doormaakte, en hem
een volgenden dag verhief tot heerscher over vele keizerrijken. Deze
uitleggingen werden bijgewoond door den Ridder van de Droevige Figuur
in eigen persoon, die vanuit zijn bed de waardin en haar dienstmaagd
onthaalde op een toespraak in zulke verheven bewoordingen, dat zij in
de grootste bewondering voor zulk een welsprekendheid, hem beschouwden
als iemand uit een hoogere wereld. Maar Don Quixote, die ernaar
verlangde, van zijne verwondingen te genezen, droeg zijn knecht op,
den »heer van het kasteel« te verzoeken, hem eenige bestanddeelen
van een tooverdrank te verschaffen, waarvan hij in een of ander
ridderboek gelezen had; en Don Quixote begaf zich aan het werk, om
het toovermiddel te brouwen, terwijl hij vele credo’s en paternosters
opzegde. Daarna dronk hij een flinke hoeveelheid van het afschuwelijke
vocht, hetgeen treurige gevolgen had, en Sancho, die zijn voorbeeld
volgde, ondervond dezelfde narigheid in nog heviger mate, en kreeg
van zijn meester te hooren, dat het middel hem niet goed bekomen was,
omdat hij niet tot ridder geslagen was.

Nadat hij zijn paard gezadeld had, wilde de ridder zijn reis vervolgen;
maar voordat hij wegreed, verzekerde hij den »heer Gouverneur van
het Kasteel«, hoe buitengewoon erkentelijk hij hem was voor de
eerbetuigingen, die hij onder zijn dak ontvangen had. De herbergier
waagde de opmerking, dat hij zijn rekening nog betalen moest, maar Don
Quixote antwoordde, dat hij dat onmogelijk kon doen, daar hij nooit
gelezen had, dat het de gewoonte van dolende ridders was, voor kost
en inwoning te betalen. De waard protesteerde hevig, waarop de ridder
Rozinante de sporen gaf, en de poort uitreed. Toen trachtte de waard
zijn geld los te krijgen van Sancho Panza, maar zonder succes, daar de
schildknaap met dezelfde beweringen aankwam als zijn meester, waarop
eenige gasten hem beetpakten en hem in een beddelaken jonasten. Toen
Don Quixote hem hoorde schreeuwen, keerde hij terug, maar ofschoon
hij hevig opspeelde, gingen de reizigers voort, Sancho te jonassen,
totdat zij eindelijk, door vermoeidheid gedwongen, ophielden en hem
lieten loopen.

DON QUIXOTE’S LIEFDESWAANZIN.

Het zou ons te ver voeren, indien wij Don Quixote stap voor stap wilden
volgen door het land der valsche romantiek, dat hij voor zichzelf had
geschapen. Wij herinneren ons, hoe Amadis op het Versterkte Eiland
jammerde over zijn scheiding van de geliefde; en toen Don Quixote op
een plaats kwam, bekend als de Zwarte Berg, besloot hij het voorbeeld
te volgen van den grooten held uit de ridderverhalen. Voordat hij
zijn geboortedorp verliet, had hij zijn liefde geschonken aan een
boerenmeisje, dat hij den romantischen naam van Dulcinea del Toboso
gaf; en toen hij nu bij den Zwarten Berg gekomen was, besloot hij
zijne dagen door te brengen in overpeinzingen over de deugden en
bekoorlijkheden van deze voortreffelijke jonkvrouw. Nadat hij voor
Sancho Panza een voordracht gehouden had over de plicht, die in
dit opzicht op een dolenden ridder rustte, werd hij kwaad op zijn
schildknaap, omdat deze maar niet kon begrijpen, wat de oorzaak was
van zijn verliefd en opgewonden gedoe.

»Zeg eens, heer«, vroeg Sancho, »wat zijt gij van plan uit te voeren
in deze negorij?«

»Ik heb u toch al verteld«, antwoordde Don Quixote, »dat ik van plan
ben Amadis na te volgen in zijn krankzinnigheid, wanhoop en woede? Maar
tegelijkertijd wil ik Orlando Furioso’s opgewondenheid nabootsen, toen
hij waanzinnig werd, bij welke gelegenheid hij in zijn wanhoop boomen
ontwortelde, het water der heldere bronnen troebel maakte, de herders
doodsloeg, hunne kudden verjoeg, en honderdduizend andere dwaasheden
deed, die waard zijn te worden vereeuwigd in de boeken van den roem.«

»Heer,« vroeg Sancho, »ik veronderstel, dat de ridder, die dit alles
deed, reden had om krankzinnig te worden, maar welke jonkvrouw heeft
u versmaad, of een blauwtje laten loopen?«

»Dat is het juist«, riep Don Quixote, »want hieruit bestaat juist
het eigenaardig grootsche van mijn onderneming. Er is voor een ridder
volstrekt geen kunst aan, krankzinnig te worden om een goeden reden,
maar het bijzondere is juist, waanzinnig te worden zonder oorzaak,
zonder eenige noodzakelijkheid, want hierdoor krijgt zijn geliefde
een juist inzicht in de hevigheid zijner liefde. Verspil dus geen
tijd met te trachten mij af te brengen van zulk een zeldzaam gelukkig
en merkwaardig plan. Ik ben gek, en ik wil gek blijven, totdat gij
terug komt met een antwoord op den brief, dien gij voor mij naar
jonkvrouw Dulcinea brengen moet; als het antwoord gunstig uitvalt,
zal mijn boetedoening eindigen, maar in het tegenovergestelde geval,
wensch ik gek te blijven.«

»Hemelsche goedheid!« riep Sancho uit, »waarom stelt gij u zoo aan,
Heer Ridder? Al die verhalen van u over het veroveren van koninkrijken,
en het wegschenken van eilanden, lijken mij groote opsnijderij,
en deze nieuwste kuur van u….«

»Daar ik er van houd, de dingen bij den naam te noemen, wil ik je
zeggen, dat je een groote stommeling bent. Weet je dan niet, dat
alle daden en avonturen van een dolenden ridder op het eerste gezicht
dwaasheden lijken? Inderdaad zijn zij het niet, maar het lijkt zoo door
de kwaadaardigheid en de jaloerschheid van machtige toovenaars.« Zoo
sprekende kwamen zij bij een hooge rots, waaromheen de boomen, de wilde
planten en bloemen overvloedig groeiden, en hier besloot de Ridder
van de Droevige Figuur, uiting te geven aan zijn liefdessmart. Hij
wierp zich op den grond en hief een luid geweeklaag aan.

»Ga nog niet heen«, riep hij Sancho toe, »want ik wensch, dat gij
getuige zijt van hetgeen ik voor mijn geliefde doen zal, opdat gij
het haar kunt vertellen.«

»Groote goedheid,« riep Sancho uit; »wat voor dwaasheden kan ik nog
meer te zien krijgen?«

»Alleen maar, hoe ik mijn wapenrusting wegwerp, mijn kleederen
verscheur, mijn hoofd tegen de rotsen sla, en nog een heeleboel van
deze dingen doe, waarover gij verbaasd zult staan.«

»Beware mij, heer,« riep de knecht, »als het dan bepaald noodig is,
dat gij met uw bol tegen een rots slaat, doe het dan een beetje
voorzichtig, als ’t u belieft.«

HET LEGER VAN SCHAPEN.

Maar het vermakelijkste van alle avonturen van Don Quixote is zeker
wel dat, waarin hij een kudde schapen aanziet voor een leger. Hij en
Sancho reden op een sukkeldrafje over een kale vlakte, toen zij op
eenigen afstand een dichte stofwolk zagen.

»De dag is gekomen,« riep de ridder uit, »de gelukkige dag, dien
de fortuin mij heeft beschoren, waarop de kracht van mijn arm mij
zulke overwinningen zal bezorgen, dat het verre nageslacht er nog
van spreken zal. Ziet gij daarginds die stofwolk? Weet dan, dat deze
wordt opgejaagd door een reusachtig leger, dat hierheen komt, en dat
bestaat uit een onnoemelijk aantal volkeren.«

De hersenen van den dwazen ridder waren natuurlijk volgepropt met
verhalen van allerlei merkwaardige gevechten van myriaden heidenen,
verhalen, waarvan, zooals wij gezien hebben, de oude romances zoo
dikwijls gewag maken, en hij was verrukt, toen Sancho hem er op
opmerkzaam maakte, dat twee verschillende legers van tegenovergestelde
kanten schenen te naderen.

»Mooi zoo«, riep Don Quixote, »dan zullen wij den zwaksten troep
helpen. Gij moet weten, Sancho, dat het leger, dat ons tegemoet komt,
wordt aangevoerd door den grooten Alifanfaron, Keizer van het Eiland
Taprobana. De bevelhebber van het leger, dat achter ons optrekt, is
zijn gezworen vijand, Pentapolin van de Opgestroopte Mouw, de Koning
der Garamanten.«

»Zeg eens, Heer,« vroeg Sancho, »wat is de reden van de vijandschap
tusschen die twee hooge vorsten?«

»Dat is in twee woorden gezegd«, antwoordde Don Quixote, »de heiden
Alifanfaron heeft de onbeschaamdheid gehad naar de hand te dingen
van de dochter van Pentapolin, die hem gezegd heeft, dat hij niets
van hem weten wil, tenzij hij zijn valsch geloof afzweert.«

»Wanneer er een gevecht op handen is«, zeide Sancho zenuwachtig,
»zal ik mijn ezel maar buiten schot brengen, want ik vrees, dat hij
niet veel waard is in den strijd«.

»Dat is waar«, antwoordde Don Quixote. »Zoodra de ridders uit
hunne zadels beginnen te vallen, zullen wij een strijdros voor u
uitzoeken. Maar laten wij hunne gelederen eens nagaan. Die ridder
met de vergulde wapenen en het schild, waarop een gekleurde leeuw aan
de voeten eener jonkvrouw ligt, is de dappere Luarcalco, Heer van de
Zilveren Brug. Ginds ziet gij den machtigen Micocolembo, den grooten
Hertog van Quiracië, die een wapenrusting draagt, bedekt met gouden
bloemen. De reusachtige gestalte aan zijn rechterkant is de vermetele
Brandabarbaran, de vorst van de Drie Arabië’s, wiens wapenrusting
gemaakt is uit slangenhuid, en die als schild de poort van den tempel
draagt, dien Samson verwoest heeft in zijn stervensuur. Maar onze
bondgenooten komen ook naderbij. Ginds loopt Timonel van Carcaxona,
Prins van Nieuw Biskaje, die op zijn schild een goudkleurige kat in een
rood veld draagt, met het motto »Miauw«. Naast hem rijdt Espartafilardo
van het Woud, wiens blauw schild overdekt is met aspergeplanten. Maar
de heidenen dringen op. Rechts ziet gij een afdeeling van hen, die
uit den vriendelijken stroom Xanthus drinken; daar rijden de ruwe
bergbewoners van Massilia, daar achter de gouddelvers van Arabia
Felix, de verraderlijke Mundiërs, de boogschutters van Perzië, de
Meden en de Parthen, die vluchtende vechten, de zwervende Arabieren
en de zwarte Aethiopiërs«.

»Bij mijn ziel«, riep Sancho uit, »stellig zijn uwe toovenaars weer
aan den gang, want geen enkelen ridder, reus of soldaat zie ik,
van al die menschen, die gij opnoemt«.

»Stommeling!« riep Don Quixote uit, »luister dan naar het gehinnik
der ontelbare paarden, het trompetgeschal en het tromgeroffel.«

»Dat moet toovenarij zijn,« riep de verbaasde Sancho uit, »want ik
hoor niets dan het geblaat van schapen«.

»Verberg u dan, wanneer gij den strijd vreest,« antwoordde Don Quixote
schamper. »Mijn eigen arm is mij genoeg om de overwinning te brengen
aan het leger, dat ik met mijn hulp zal vereeren;« en met een luiden
strijdkreet zwaaide hij zijn lans, en wierp hij zich als een razende
in het veld, roepende: »Moed, dappere ridders! Dood aan den grooten
ongeloovige Alifanfaron van Taprobana!« Op hetzelfde oogenblik was
hij midden tusschen de schapen, links en rechts slagen uitdeelende, en
met elken lansstoot een dier doorborende. De hevig vertoornde herders
grepen hunne slingers, en begonnen op hem te mikken met steenen, zoo
groot als hun vuist. Maar vol verachting voor deze lichte artillerie,
bleef hij verwenschingen richten tot Alifanfaron, met wien hij zich
verbeeldde handgemeen te zijn, toen een steen, zoo groot als een
groote appel, zijne ribben trof. Daar hij meende levensgevaarlijk
gewond te zijn, haalde hij de aarden flesch te voorschijn, die zijn
toovermedicijn bevatte; maar juist toen hij die naar de lippen bracht,
werd hij geraakt door een steen uit den slinger van een der herders,
en zij werd totaal verbrijzeld; daarenboven brak de steen drie
zijner tanden, en wierp hij den ridder uit het zadel. De herders,
die bevreesd waren, dat zij hem gedood hadden, raapten vlug de doode
schapen op en maakten zich uit de voeten, Don Quixote meer dood dan
levend achterlatende.

DE HELM VAN MAMBRINO.

Niet minder merkwaardig is het verhaal van Cervantes, hoe Don Quixote
er in slaagde, in het bezit te komen van den helm van Mambrino. Hij
zag in de verte een ruiter, die op het hoofd iets droeg, dat als goud
schitterde. Hij wendde zich tot Sancho, en zeide: »zie, ginds komt hij,
die op het hoofd den helm van Mambrino draagt, en ik heb gezworen,
dat ik dien bezitten zal.«

»In werkelijkheid,« zegt Cervantes, »was het echter als volgt:
Er waren in dat gedeelte van het land twee dorpen, waarvan het
ééne zóó klein was, dat er zelfs geen winkel of barbier te vinden
was, zoodat de barbier van het grootste dorp, ook het kleinste
bediende. En toen nu iemand adergelaten, en een ander geschoren moest
worden, ging de barbier daarheen, waar men hem noodig had, met zijn
koperen scheerbekken, dat hij omgekeerd op het hoofd had gezet om
zijn hoed te sparen, want deze was nieuw, en het regende; en daar
het bekken juist gepoetst was, kon men het op verren afstand zien
glinsteren. Zooals Sancho goed gezien had, bereed hij een ezel, dien
Don Quixote natuurlijk voor een appelschimmel aanzag, zooals hij den
barbier voor een ridder hield, en het koperen bekken voor een gouden
helm; want in zijn verward brein paste zich elk voorwerp aan bij zijne
romantische ideeën. Toen hij dus den armen denkbeeldigen ridder zag
naderen, greep hij zijn lans of werpspies, en zonder stil te houden
om zijn niets kwaads vermoedenden tegenstander toe te spreken, reed
hij zoo woest op hem toe, als Rozinante hem dragen wilde, vastbesloten
hem te doorboren, onderwijl luidkeels roepende: »Schurk, ellendeling,
verdedig u, of geef mij oogenblikkelijk mijn rechtmatig bezit over.«

De barbier, die deze vreeselijke verschijning zoo woedend op zich
zag afkomen, en die in doodsangst verkeerde, dat de lans van Don
Quixote hem zou doorsteken, liet zich haastig van zijn ezel op den
grond glijden, stond snel weer op, en liep weg, zoo vlug als zijne
voeten hem dragen konden, zijn ezel en scheerbekken achter latende.

»Bij mijn ziel,« zeide Don Quixote, »de heiden, die dezen helm
heeft achtergelaten, is even voorzichtig geweest als de bever, die,
bemerkende, dat men hem op de hielen zit, zijn leven redt, door met
de tanden datgene af te snijden, waarvan zijn natuurlijk instinct hem
zegt, dat het de aanleiding is tot de vervolging.« »In ieder geval
is het een prachtig scheerbekken,« zeide Sancho, »en minstens acht
stuivers waard.«

Don Quixote zette het dadelijk op zijn hoofd, maar hij kon het visier
niet vinden, en toen hij bemerkte, dat het er geen had, zeide hij:
»Stellig had de heiden, voor wien de helm oorspronkelijk gemaakt
werd, een reusachtig hoofd, maar helaas ontbreekt een gedeelte van
het hoofddeksel.«

Hierop barstte Sancho in lachen uit.

»Ik denk«, vervolgde Don Quixote, »dat deze betooverde helm door een
of ander toeval in handen is gekomen van iemand, die uit geldzucht,
en ziende, dat hij van zuiver goud is, de ééne helft gesmolten heeft,
en van de andere een hoofddeksel heeft gemaakt, dat, zooals gij
terecht opmerkt, eenige overeenkomst vertoont met een scheerbekken«.

HET AVONTUUR VAN DE WINDMOLENS.

Het bekendste, zij het dan ook niet het vermakelijkste avontuur van Don
Quixote, is zeker wel dat van de windmolens. De uitdrukking »vechten
met windmolens«, is spreekwoordelijk geworden. De zwakzinnige Don en
zijn schildknaap waren bij een vlakte gekomen, waar dertig à veertig
windmolens stonden, en zoodra Don Quixote hen in het oog kreeg,
riep hij uit: »De fortuin behartigt onze belangen beter, dan wij
het hadden kunnen wenschen. Zie Sancho, daar zijn minstens dertig
woeste reuzen met wie ik strijden wil, en op wie wij een rijken buit
zullen veroveren«.

»Welke reuzen?« vroeg Sancho Panza.

»Die gij daarginds ziet«, antwoordde Don Quixote, »met hunne lange,
uitgestrekte armen«.

»Met uw verlof, heer«, zeide de schildknaap, »die dingen daar zijn
geen reuzen, maar windmolens.«

»Ach Sancho,« zeide Don Quixote, »wat zijt gij toch slecht op de
hoogte van ridderavonturen; ik zeg u, dat het reuzen zijn, dus,
als ge bang zijt, verstop u dan, en zeg uwe gebeden op, want ik heb
besloten den ongelijken strijd tegen hen allen te ondernemen«. En
na deze woorden gaf hij zijn paard de sporen, onder het geroep van:
»Blijft staan, verachtelijke wezens, en vlucht niet lafhartig voor
een enkelen ridder, die den moed heeft, u allen te bestrijden!« Op
hetzelfde oogenblik stak de wind op, en de molenwieken begonnen te
draaien, waarop de Don luidkeels uitriep: »Ellendige heidenen, al
beweegt gij meer armen dan de reus Briareus, toch zult gij gestraft
worden voor uw onbeschaamdheid!«

Daarna wijdde hij een eerbiedige gedachte aan zijn geliefde, en
wierp zich op den eersten windmolen, waarvan hij met zijn speer een
wiek dóorboorde. De wieken hielden echter niet stil, maar trokken
den ridder met zijn paard de lucht in, totdat eindelijk de lans in
stukken brak, en Rozinante met haar meester van een flinke hoogte
naar beneden tuimelde.

Sancho Panza kwam dadelijk op den gevallen ridder toeloopen, die er
leelijk gehavend uitzag.

»Ach, uw genade,« riep hij uit, »heb ik u niet gezegd, dat het
windmolens waren, en dat alleen iemand, die windmolens in zijn hoofd
heeft, er anders over denken kon.«

»Houd je mond!« antwoordde Don Quixote, die erg van streek was door den
val; »ik ben ervan overtuigd, dat die vervloekte toovenaar Freston,
die mij voortdurend vervolgt, deze reuzen in windmolens veranderd
heeft. Maar let eens op: ten slotte zullen al zijne listen en gemeene
streken machteloos blijken tegenover mijn scherp zwaard.«

DE GESCHIEDENIS VAN DEN GEVANGENE.

Een van de merkwaardigste verhalen uit de geschiedenis van Don Quixote
is dat van den gevangene, dien de held in een herberg ontmoet. Dit
verhaal is misschien niet een volkomen getrouw verslag van Cervantes’
eigen gevangenschap onder de Moorsche zeeroovers, maar het is er toch
zeker door geïnspireerd.

Op den 26en September 1575 werd het vaartuig Sol, waarop Cervantes
als vrijwilliger diende in de buurt van Marseille, gescheiden van het
overige gedeelte van het Spaansche eskadron en ontmoette een vloot van
Moorsche zeeroovers, wien het na een wanhopigen tegenstand in handen
viel. Cervantes zelf werd als slaaf verkocht aan een zekeren Dali Mami,
een Grieksch afvallige, die op zijn gevangene eenige zeer vleiende
brieven vond van Aartshertog Johan van Oostenrijk en den Hertog van
Sessa. De aard dezer brieven deed zijn nieuwen meester vermoeden,
dat Cervantes een persoon van gewicht was, en dat hij waarschijnlijk
wel in staat zou zijn, een hoogen losprijs te betalen. Maar hoewel
de grooten der aarde dikwijls zeer gaarne bereid zijn, het genie te
beloonen met welsprekende getuigschriften, die hun niets kosten dan
wat papier en inkt, zijn zij meestal volstrekt niet zoo vlug met het
neertellen van groote sommen gelds, om hunne lofspraken meer klem bij
te zetten, zoodat Cervantes in gevangenschap moest blijven zuchten. In
1576 gelukte het hem, met andere gevangenen te vluchten. Maar hun
Moorsche gids bedroog hen, en zij waren door den honger gedwongen,
naar Algiers terug te keeren. Het volgend jaar werd de broeder van
Cervantes bevrijd, en deze rustte een schip uit, om Miguel en zijne
vrienden te ontvoeren. Intusschen had de schrijver van Don Quixote
vriendschap gesloten met een Spaansch afvallige, een Navarreeschen
tuinman, Juan genaamd. Samen groeven zij in een tuin, die dicht bij de
zee gelegen was, een hol, en daarin verborgen zij één voor één veertien
Christenslaven, die gedurende verscheidene maanden in het geheim gevoed
werden, geholpen door een anderen heiden, El Dorador genaamd. Het
vaartuig, dat door Rodrigo de Cervantes gezonden was, lag bij de kust,
en was op het punt de slaven, die in het hol verborgen waren, op te
nemen, toen een Moorsche visschersboot voorbij voer, die de bevrijders
zoodanig verschrikte, dat zij weer zee moesten kiezen. Intusschen
had de valsche El Dorador het plan verraden aan Hassan Pasha, den
Dey van Algiers, en toen verscheidenen der bevrijders ten tweeden
male landden, om de vluchtelingen aan boord te nemen, omsingelden de
troepen van den Dey den tuin, en het geheele gezelschap Christenen
werd gevangen genomen. Cervantes nam, met de groote edelmoedigheid,
die zijn geheele leven kenmerkte, de volle verantwoordelijkheid voor
de samenzwering op zich. Toen hij gebonden voor Hassan gesleept werd,
volhardde hij in zijn verklaring; en ofschoon de ongelukkige tuinman
opgehangen werd, besloot Hassan Cervantes te sparen. Om een reden, die
slechts hemzelf bekend was, kocht Hassan den dichter voor vijfhonderd
kronen van Dali Mami. Misschien verwachtte de tiran een geweldigen
losprijs van iemand, wiens waardig optreden zeker niet heeft nagelaten,
indruk op hem te maken. Maar hoe het zij, Cervantes begon dadelijk
een derde plan tot ontvluchting te smeden. Hij zond een brief aan
den Spaanschen Gouverneur van Oran, wien hij om hulp vroeg. Maar deze
brief werd onderschept, en de dichter werd tot tweeduizend stokslagen
veroordeeld, die hij echter nooit heeft gekregen. Cervantes kwam toen
op het denkbeeld, de Christenbevolking van Algiers over te halen tot
een opstand, waarbij zij zich zouden meester maken van de stad. Bij dit
plan werd hij ondersteund door eenige kooplieden uit Valencia. Maar
zijn opzet werd verijdeld door het verraad van een Dominikaner
monnik, en de Valenciërs, die de gevolgen voor zich vreesden, smeekten
Cervantes te vluchten op een schip, dat op het punt stond, naar Spanje
te vertrekken. Maar Cervantes weigerde zijne vrienden in den steek te
laten, en toen hij nogmaals voor Hassan gesleept werd, met het koord
van den beul om den nek, en men hem dreigde met een onmiddellijken
dood, indien hij de namen zijner medeplichtigen niet wilde noemen,
was hij evenmin te bewegen, hen te verraden.

Intusschen stelde zijn familie alles in het werk om hem te bevrijden;
en om medelijden op te wekken, met het doel, den losprijs gemakkelijker
bijeen te brengen, gaf zijn moeder zich uit voor een weduwe, ofschoon
haar echtgenoot, een hoog bejaard geneesheer, nog in leven was. Met
geweldige moeite verzamelden zijne verwanten tweehonderdvijftig
dukaten, die zij uitbetaalden aan een monnik, die geregeld naar
Algiers ging; maar Hassan weigerde dit aan te nemen, daar hij voor
een gevangene van hoogen rang, Palafox genaamd, duizend dukaten
eischte. Het schijnt, dat de monnik als officieel tusschenpersoon
optrad, en toen Hassan bemerkte, dat hij niet meer dan vijfhonderd
dukaten voor Palafox betalen wilde, bood hij aan, Cervantes vrij
te laten voor deze som, bij wijze van koopje. Op deze wijze werd de
schrijver van Don Quixote, na vijf jaren van slavernij in vrijheid
gesteld, en hij keerde naar zijn vaderland terug. Maar zoodra de
Dominikaner monnik, die het ontvluchtingsplan aan Hassan verraden
had, hoorde, dat hij in Spanje geland was, begon hij, bevreesd, dat
Cervantes hem wegens verraad zou aanklagen, valsche berichten over
zijn levenswandel te verspreiden. Cervantes was echter volkomen in
staat, deze berichten tegen te spreken, en zijn heldenmoed als leider
der gevangenen vond algemeene erkenning. Deze geschiedenis, waarvoor
Cervantes het twijfelachtige voorrecht had, persoonlijk de »lokale
kleur« te hebben kunnen verzamelen, wordt Don Quixote verteld door
een ontvluchten slaaf, die met zijn Moorsche geliefde in de herberg
aankwam, waar de Ridder van de Droevige Figuur verblijf hield. Ik
zal mij houden aan den verhaaltrant van Cervantes, die in de eerste
persoon spreekt. Maar daar dit verhaal een belangrijk stuk van het
eerste deel van zijn beroemd boek inneemt, ben ik wel genoodzaakt,
het aanmerkelijk te bekorten.

»Mijn familie stamt uit de bergen van Leon, en ofschoon mijn vader
een flink inkomen had, was hij weinig overlegzaam geweest, en mijne
broeders en ik waren reeds op jeugdigen leeftijd gedwongen, ons
fortuin te zoeken. Een van mijne broeders besloot naar Indië te gaan,
de jongste werd priester, en ik wilde soldaat worden. Met duizend
dukaten in mijn zak, reisde ik naar Alicante, waar ik mij inscheepte
naar Genua. Vandaar trok ik naar Milaan, waar ik mij bij het leger
van den machtigen Hertog van Alva voegde, onder wien ik in Vlaanderen
diende. Eenigen tijd nadat ik in dat land was gekomen, hoorde ik,
dat Paus Pius I een verbond met Spanje had gesloten tegen de Turken,
die juist het eiland Cyprus op de Venetianen veroverd hadden. Toen ik
vernam, dat aan Aartshertog Johan v. Oostenrijk de leiding van deze
onderneming was opgedragen, keerde ik naar Italië terug, en nam ik
dienst in zijn leger; ik nam deel aan den grooten slag van Lepanto,
bij welke gelegenheid de fabel van onoverwinnelijkheid der Turken,
die zoolang de Christenen misleid had, een einde vond. Maar inplaats
van te kunnen bijdragen tot deze overwinning, was ik zoo ongelukkig
gevangen genomen te worden bij het gevecht. Nadat Rehali, de vermetele
zeeroover en Koning van Algiers, de galei Capitana van Malta genomen
had, kwam het schip van Andrea Doria, waarop ik dienst deed, de
bemanning te hulp. Ik sprong aan boord van het vijandelijk vaartuig,
dat er echter in slaagde, zich los te maken van de enterhaken, die men
uitgeworpen had en ik was in een oogenblik omringd door vijanden, die
mij overmeesterden. Ik werd naar Constantinopel gevoerd, en kwam als
slaaf op de veroverde Capitana te Navarino. Daar ik mijn vader niet
wilde vragen een losprijs voor mij te verzamelen, zond ik hem geen
bericht over mijne omstandigheden. Toen mijn meester Vehali stierf,
kwam ik in handen van een Venetiaansch afvallige, Azanaga genaamd, die
naar Algiers voer, waar ik in de gevangenis werd gezet. Daar men dacht,
dat er wel een losprijs voor mij zou worden betaald, zetten de Mooren
mij in een bagnio, en werd ik niet gedwongen tot arbeiden zooals die
gevangenen voor wie geen hoop op vrijheid bestond. Op de binnenplaats
der gevangenis zagen de vensters uit van het huis van een rijken Moor,
en op zekeren dag, toen ik daar rondliep, verscheen er uit één dier
vensters een lange stok, waaraan een linnen zak was gebonden. Deze
zak werd heen en weer bewogen, alsof men verwachtte, dat iemand haar
grijpen zou, en een van ons ging er dadelijk onder staan om te wachten
totdat de stok weer zou dalen. Maar juist toen hij hem grijpen wilde,
werd de stok weer omhoog getrokken en zijwaarts heen en weer bewogen,
als bij een ontkenning. Een tweede mijner makkers trad naar voren,
maar had evenmin succes. Dit ziende, besloot ik mijn geluk ook eens te
beproeven, en toen ik onder den stok kwam, viel hij voor mijne voeten
op den grond. Ik maakte de lap los, en vond er ongeveer tien gouden
munten, zoogenaamde zianins, in gebonden. Ik nam het geld, brak den
stok, en keek naar boven, waar ik een blanke hand zag, die haastig
het venster sloot. Korten tijd daarna vertoonde men uit hetzelfde
venster een klein houten kruis, en hieruit maakten wij op, dat een
of andere Christenvrouw in dat huis gevangen gehouden werd. Maar de
blankheid van de hand en de kostbaarheid der armbanden brachten ons
op het denkbeeld, dat wij misschien te doen hadden met een Christen
jonkvrouw, die tot den Mohammedaanschen godsdienst was overgegaan.

Gedurende de eerstvolgende weken kregen wij geen verdere bewijzen
van de aanwezigheid der jonkvrouw, ofschoon wij nauwkeurig op het
venster letten; maar wij vernamen, dat het huis behoorde aan een
hooggeplaatsten Moor, Agimorato geheeten. Maar na ruim veertien dagen
verscheen de stok opnieuw, en dit keer bevatte de linnen zak niet
minder dan veertig kronen van Spaansch goud, met een brief in Arabische
letters, waarboven een groot kruis geteekend was. Maar geen van ons
verstond Arabisch, en het was niet gemakkelijk iemand te vinden,
die den brief voor ons vertalen kon. Eindelijk besloot ik een Moor
uit Murcia in mijn vertrouwen te nemen, die mij reeds vele bewijzen
van zijn goede gezindheid had geschonken. Hij was bereid den brief
voor mij te vertalen, en zoo hoorde ik, dat de inhoud als volgt luidde:

»Als kind had ik een Christenvoedster, die mij veel over uw godsdienst
leerde, voornamelijk van Lela Marien, die gij de Maagd noemt. Toen
mijn goede slavin gestorven was, verscheen zij mij in den droom,
en beval mij, naar het land der Christenen te gaan, om de Maagd te
leeren kennen, die mij zeer genegen was. Ik heb vanuit dit venster vele
Christenen gezien, maar in geen hunner had ik dat groote vertrouwen,
dat ik in u heb. Ik ben jong en schoon, en beschik over veel geld
en andere kostbaarheden. Ik smeek u, overweeg de mogelijkheid met
mij te vluchten, en wanneer wij in uw vaderland zijn aangekomen,
zult gij mijn echtgenoot worden, wanneer gij dat begeert. Maar indien
gij dit niet wenscht, zijt gij geheel vrij, want de Maagd zal mij wel
een echtgenoot schenken. Spreek geen enkelen Moor over dezen brief,
want zij zijn allen onbetrouwbaar«.

De heiden, wien ik den brief ter vertaling had gegeven, beloofde,
dat hij ons naar zijne beste krachten helpen zou, wanneer wij zouden
trachten te vluchten; en in ons aller hart werd de hoop weer levendig,
want wij begrepen, dat de invloed en de geldmiddelen der jonkvrouw,
die vriendschap voor mij had opgevat, ons van groot nut zouden
kunnen zijn bij onze pogingen tot ontvluchting. Ik dicteerde den
afvallige een antwoord, dat hij in het Arabisch vertaalde, zoodat
ik in de gelegenheid was, de jonkvrouw mijne diensten en die mijner
makkers aan te bieden, en haar op mijn woord van Christen beloofde,
haar te zullen huwen. Spoedig daarna werd de stok weer uit het venster
neergelaten. Ik bevestigde er den brief aan, waarna hij weder omhoog
werd gehaald. Dien nacht beraadslaagden wij gevangenen, over de beste
wijze tot ontvluchten, en eindelijk besloten wij het antwoord van
Zoraida (wij hadden ontdekt, dat dit de naam der jonkvrouw was) af te
wachten, daar wij ervan overtuigd waren, dat niemand beter dan zij ons
zou kunnen raden. Gedurende eenige dagen was het bagnio vol menschen,
en al dien tijd bleef de stok onzichtbaar; maar toen wij wederom aan
onszelf waren overgelaten, werd hij weder uit het raam gestoken,
en dit keer bevatte de zak een brief en honderd gouden kronen. De
afvallige vertaalde den brief voor ons, waarin ons werd medegedeeld,
dat de schrijfster wel is waar geen ontvluchtingsplan kon beramen, maar
dat zij ons voldoende geld kon verschaffen voor onzen losprijs. Zij
opperde het plan, dat, wanneer wij zóó onze vrijheid herkregen hadden,
één van ons naar Spanje zou gaan, daar een schip zou koopen, en de
anderen zou komen halen. Zij eindigde met de mededeeling, dat zij
binnenkort met haar vader naar buiten zou vertrekken, en dat zij den
geheelen zomer in een landhuis in de nabijheid der zee zou wonen,
en zij gaf een nauwkeurige beschrijving van de ligging en omgeving
van dit zomerverblijf.

Elk onzer verklaarde zich bereid naar Spanje te gaan voor den aankoop
van het schip, dat de anderen bevrijden zou; maar de afvallige, die
in dit opzicht een man van ondervinding was, verzette zich hiertegen,
want hij had teveel van zulke ondernemingen zien mislukken, doordat
men op een enkelen persoon vertrouwd had. Hij bood dus aan een schip
in Algiers te koopen; dan zou hij zich als koopman voordoen, en op deze
wijze zou het hem mogelijk zijn, ons uit het bagnio en het vijandelijk
land weg te voeren. Intusschen antwoordde ik Zoraida, dat wij allen
haar raad zouden opvolgen, en hierop gaf zij ons door middel van
den stok, nogmaals tweeduizend gouden kronen. Hiervan gaven wij den
afvallige vijfhonderd kronen om een schip te koopen, en door de goede
diensten van een koopman uit Valencia verkreeg ik mijn vrijheid voor
achthonderd kronen. Maar op raad van dezen koopman werd die som niet
dadelijk aan den Dey uitbetaald, opdat zijn argwaan niet gewekt zou
worden; wij deelden hem dus mede, dat het geld binnenkort uit Spanje
zou worden gezonden, en intusschen kreeg ik, op mijn eerewoord, verlof,
in het huis van den Valenciaanschen koopman te blijven. Voordat Zoraida
naar het buitenverblijf haars vaders vertrok, gaf zij ons nog duizend
kronen; deze gift was vergezeld van een brief, waarin zij ons vertelde,
dat zij de sleutels van haar vaders schatkamer in bewaring had;
en ditmaal nam ik maatregelen, om drie mijner makkers los te koopen.

DE VLUCHT UIT ALGIERS.

Korten tijd daarna kocht de afvallige een schip, dat groot genoeg
was om ruim dertig personen te bergen, en waarmee hij, volgens zijn
zeggen, van plan was, verscheiden reizen te maken met een Moorschen
deelgenoot, dien hij genomen had om argwaan te vermijden. Telkens
wanneer hij langs de kust voer, wierp hij het anker uit in een kleine
baai, dicht bij het huis, waar Zoraida woonde, opdat de bedienden
gewend zouden raken aan zijn aanwezigheid daar. Hij landde zelfs bij
verschillende gelegenheden bij het huis en verzocht Zoraida’s vader
om vruchten, die hem nooit geweigerd werden, want de oude Moor was
zeer vrijgevig. Maar het gelukte hem nooit Zoraida zelf te spreken
te krijgen. Wij waren met onze plannen nu zoo ver gevorderd, dat hij
ons vroeg een dag vast te stellen, waarop wij de groote onderneming,
waarvan alles afhing, zouden wagen. Ik nam dus twaalf Spanjaarden in
dienst, die bekend waren als goede roeiers, en wier gangen niet al te
nauwkeurig werden nagegaan. Wij hadden afgesproken, dat wij in het
geheim de stad zouden verlaten in den avond van den eerstvolgenden
Vrijdag, en dat wij elkander dan zouden ontmoeten dicht bij het huis
van Agimorato. Maar het was noodig, dat Zoraida zelf ook in kennis
werd gesteld met ons plan, en dus betrad ik op zekeren dag haar tuin,
onder het voorwendsel, dat ik eenige kruiden wilde plukken. Maar bijna
op hetzelfde oogenblik ontmoette ik haar vader, die mij vroeg, wat
ik daar deed. Ik vertelde hem, dat ik een slaaf was van Arnaut Mami,
(van wien het mij bekend was, dat hij met hem bevriend was,) en dat ik
eenige kruiden noodig had voor een salade. Terwijl wij spraken kwam
Zoraida uit het tuinhuis, en daar het de gewoonte was, dat Moorsche
vrouwen zich vertoonden aan Christenslaven, riep haar vader haar tot
zich. Zij was buitengewoon kostbaar gekleed, en droeg een overvloed
van juweelen, en toen ik haar zoo voor het eerst aanschouwde, was ik
getroffen door haar groote schoonheid. Haar vader vertelde haar de
reden van mijn aanwezigheid, en zij vroeg mij, of ik spoedig losgekocht
zou worden. Gebruik makende van de lingua franca, vertelde ik haar,
dat ik reeds vrij was, en dat ik van plan was, mij den volgenden dag
op een Fransch vaartuig in te schepen.

Op hetzelfde oogenblik werd de Moor voor zaken weggeroepen, en ik
deelde Zoraida haastig mede, dat ik haar den volgenden dag zou komen
halen. Zij sloeg dadelijk hare armen om mij heen, en leidde mij naar
het huis; maar haar vader, die juist terug kwam, bespiedde ons; en
kwam hevig verschrikt op ons af. Oogenblikkelijk wendde Zoraida een
bezwijming voor, en zij vertelde Agimorato dat zij zich plotseling
onwel gevoeld had. Ik gaf haar aan haar vader over, en zij gingen
het huis binnen.

Den volgenden avond scheepten wij ons in, en lieten het anker vallen
tegenover Zoraida’s woning. Toen de duisternis was ingevallen, betraden
wij onverschrokken den tuin, en daar wij de voordeur van het huis open
vonden, begaven wij ons naar de binnenplaats. Zoraida trad ons dadelijk
tegemoet met een kleinen koffer vol kostbaarheden, en zij vertelde ons,
dat haar vader sliep. Maar het ongeluk wilde, dat wij hem door een
onwillekeurig geluid, wekten, en hij kwam aan een venster, luidkeels
roepende: Dieven, dieven! Christenen, Christenen! De afvallige vloog
dadelijk naar boven en bond hem vast, en wij droegen vader en dochter
aan boord. Ook namen wij de enkele Mooren gevangen, die zich op het
schip bevonden, waarna wij de riemen grepen, en zeewaarts voeren.

Eerst trachtten wij Majorca te bereiken, maar er stak een hevige
wind op; wij werden naar de kust gedreven, en waren zeer bevreesd,
dat wij een der groote kruisers zouden ontmoeten, die zich in de
buurt bevonden. Ik haastte mij, Agimorato te verzekeren, dat wij hem
bij de eerstkomende gelegenheid zijn vrijheid zouden hergeven, en ik
vertelde hem, dat zijn dochter Christin geworden was, en de rest van
haar leven in een Christelijk land wilde doorbrengen. Toen de oude
man dit hoorde, scheen het, alsof hij plotseling waanzinnig geworden
was. Hij stond op, en wierp zich in zee, en het gelukte ons slechts
met de grootste moeite, hem te redden. Korten tijd daarna liepen wij
een kleine baai binnen, waar wij Agimorato aan wal zetten. Nooit zal
ik de vervloekingen vergeten, waarmede hij zijn dochter overlaadde;
maar toen wij wegzeilden, vervulde hij de lucht met zijn geklaag,
en hij smeekte haar, terug te keeren. Maar zij verborg het gelaat in
de handen, en bad de Heilige Maagd, hem te behoeden.

Wij waren nog niet ver van de kust verwijderd, toen de maan verduisterd
werd, en bijna waren wij in botsing gekomen met een groot vaartuig,
waarvan men ons in het Fransch toeriep, bij te draaien. Daar wij
bemerkten, dat het een Fransch zeerooverschip was, gaven wij geen
antwoord, maar voeren zoo snel mogelijk verder, waarop de bemanning
een boot uitzette, ons schip enterde, en ons aan boord sleepte;
Zoraida werd van al hare juweelen beroofd, en wij werden in het ruim
van het schip geworpen. Toen wij den volgenden morgen de Spaansche kust
bereikten, zetten zij ons in hun sloep, met twee kruiken water en een
kleine hoeveelheid beschuiten, en de kapitein gaf in een opwelling
van medelijden de bekoorlijke Zoraida bij het afscheid ongeveer
veertig gouden kronen. Wij roeiden in de morgenschemering verder,
en kwamen eenige uren later aan land. Nadat wij verscheidene mijlen
geloopen hadden, ontmoetten wij een herder, die bij het zien van onze
Moorsche kleederen, wegliep en alarm maakte. Niet lang daarna zagen
wij een troep ruiters naderen, onder wie toevallig een bloedverwant
van een onzer makkers was. Zij namen ons bij zich op hunne paarden,
en spoedig bereikten wij de stad Velez Malaga. Daar begaven wij ons
regelrecht naar de kerk, om God te danken voor de groote genade, die
Hij ons betoond had, en daar zag en herkende Zoraida voor de eerste
maal de Heilige Maagd.

»Met een gedeelte van het geld, dat Zoraida van den zeeroover
gekregen had, kocht ik een ezel, en ik besloot te gaan onderzoeken,
of mijn vader en broeders nog in leven waren. Dit is, edele heeren, het
geheele verhaal van mijne ondervindingen«. Nauwelijks had de ontvluchte
gevangene uitgesproken, of een schitterende koets hield voor de herberg
stil. Een kostbaar gekleede heer en dame stapten uit, en traden de
posada binnen, waar Don Quixote hun met groote hoffelijkheid tegemoet
trad. De Christen vluchteling herkende in den heer zijn broeder,
die nu rechter was aan het Hof van Mexico. Deze begroette hem recht
hartelijk, en stelde hem de dame voor als zijn dochter. De man, die
zooveel ondervonden had, besloot met zijn Moorsche bruid naar Sevilla
terug te keeren, waar zij hun vader alles konden mededeelen, wat hun
overkomen was. Tevens zou die oude man dan getuige kunnen zijn van den
doop en het huwelijk van Zoraida; de grande verklaarde zich bereid voor
haar toekomst en die van zijn zwaar beproefden broeder zorg te dragen.

DE GROEI VAN CERVANTES.

Vooral in verhalen als het vorige, bemerken wij duidelijk, hoe de
stijl van Cervantes gemakkelijker en soepeler wordt naarmate de
geschiedenis vordert. Het is duidelijk, dat hij zijn best heeft
gedaan zich los te maken van de literaire kluisters van zijn tijd,
en dit met succes. Hij vindt het niet langer noodig schrijvers
als Antonio de Guevara na te bootsen, zooals hij deed in dat
gedeelte, waarin Don Quixote de Gouden Eeuw beschrijft. Hij heeft
de eigenaardige gemaaktheid van de vroegere bladzijden afgeschud,
en is menschelijker en eenvoudiger geworden. Zijne gesprekken zijn
meer in overeenstemming met de karakters, zijn dialoog is levendig,
en zijn verhaaltrant boeiend. Maar ofschoon wij in deze bladzijden
den realist zich zien ontwikkelen, heeft Cervantes toch nooit geheel
het kleed der academische welsprekendheid afgeworpen; alleen wordt
die welsprekendheid binnen de perken gehouden en heeft hij alle
aanstellerij volkomen laten varen.

Het groote en zoo snel behaalde succes van Don Quixote was echter
voornamelijk te danken aan den frisschen humor en de getrouwe wedergave
van de Spaansche typen uit Cervantes’ tijd. Naast de figuren met
wie iedereen zich vertrouwd gevoelde, plaatste hij de bijzondere
persoonlijkheid van den Ridder van de Droevige Figuur, een grillig
type uit een andere eeuw, maar wien niets ontbrak van de waardigheid
en andere grootsche eigenschappen van tijden waarvan hij den geest
trachtte na te bootsen. Om en bij het zeventiende-eeuwsche Spanje
bewoog de ouderwetsche figuur van Don Quixote zich, den gewonen gang
van zaken verstorende, en in opstand komende tegen de opvattingen van
dien tijd; het hoofd vol van de riddertijden, welker fantasieën hij op
het landschap projecteerde door middel van het veel te sterke licht
zijner verbeelding. Maar al verwekte het gebrek aan overeenstemming
tusschen het optreden van den Don en den tijd waarin hij leefde, bij
het stemmige en ernstige Spanje een onbedaarlijk gelach, men erkende
toch de typeering van hem en van Sancho Panza als een meesterlijke
schepping, en men zag in deze persoonlijkheden de belichaming van
een tot waanzin opgevoerde fantasie, en van het primitiefste gezond
verstand.

De belangrijkheid van den opzet van Don Quixote, en de fijnheid van
techniek, waarmede het is uitgewerkt, kunnen niet nalaten indruk te
maken op oordeelkundige lezers. Het werk is vol van de kennis van
een man van de wereld; het ademt verfijndheid en hoffelijkheid, en er
spreekt een geest uit, die het boek tot een meesterwerk stempelt. Hier
is geen gebrek aan samenhang, men ontmoet geen onhandige zinswendingen
of zwakheid van uitdrukking. Ik heb niet den indruk, dat Cervantes met
bijzondere gemakkelijkheid schreef, en dit is misschien wel de beste
maatstaf voor zijn groot letterkundig talent; want men ziet ook nergens
de teekenen van een moeilijk volbracht werk. Hij heeft den gelukkigen
middenweg gevonden tusschen een zorgelooze gemakkelijkheid en het
uitvoerig, en dikwijls zenuwachtig gepeuter, dat het werk van moderne
schrijvers zoo dikwijls ontsiert. Hij is accuraat en merkwaardig zuiver
in zijne uitdrukkingen, en wij kunnen ons niet voorstellen, dat hij
moeite heeft gehad met het vinden van de juiste woorden bij zijne
beschrijvingen. Wat het geheim van mijn stijl ook geweest moge zijn,
het product ervan was een zeldzaam vloeiend en afwisselend verhaal,
nauwkeurig en zuiver van uitdrukking. Het geheele tooneel is tot in
de kleinste bijzonderheden met de hand van een meester geschilderd.

HET TWEEDE DEEL VAN DON QUIXOTE.

Wij kunnen uit de groote tijdsruimte, die Cervantes liet verloopen
tusschen het eerste en het tweede deel van zijn beroemden roman,
opmaken, hoe zorgvuldig hij ervoor waakte, dat niet een minderwaardig
vervolg zijn welverdiende reputatie zou bederven; en de romanschrijver
van dezen tijd, die zich door de sensatielust van het publiek, en zijn
eigen ijdelheid laat verleiden tot veelschrijverij, zou in dit opzicht
wel eens een voorbeeld mogen nemen aan hem. Er wordt dikwijls beweerd,
dat de moderne schrijver bij de heerschende letterkundige toestanden
den tijd mist, dien hij noodig zou hebben voor een goed overdachten
opzet, een zorgvuldig ontwikkelde techniek, en een zuiveren stijl. Dit
is helaas maar al te waar! De hedendaagsche schrijver, die succes
heeft, kan zich de luxe niet permiteeren tien maanden, laat staan
tien jaren te laten verloopen tusschen zijne verschillende werken,
en het is waarschijnlijk te danken aan de koortsachtige haast,
waarmede men tegenwoordig arbeidt, dat het vervolg op een goeden
roman zoo menigmaal een groote teleurstelling brengt. Onze eeuw is
waarlijk geen eeuw van fijnproevers. Wij eten, drinken en lezen
nagenoeg alles, wat ons wordt voorgezet, en al mopperen wij een
beetje over de kwaliteit van het gebodene, wij gevoelen zeer goed,
dat klachten geen verandering kunnen brengen in de omstandigheden,
die de oorzaak zijn van het verval der letterkunde. Het Spanje uit
de dagen van Cervantes was vrij wat kritischer; het zou geen slecht
of slordig gestijleerde werken hebben verdragen, maar er waren toch
elementen voorhanden, die dikwijls de publicatie van een volgend
boekdeel verhaastten, en de voornaamste reden van dit ongewenschte
verschijnsel was ongetwijfeld letterkundige diefstal. Het schijnt,
dat Cervantes aangespoord werd tot het uitgeven van het tweede
deel van Don Quixote, door de verschijning in 1614 van een boek van
Alonso Fernández de Avellaneda, dat een minderwaardig vervolg was
op het eerste deel van zijn groot werk, en welks inleiding allerlei
onbeschaamdheden van persoonlijken aard bevatten. Dat Cervantes zeer
verstoord was over dezen letterkundigen diefstal blijkt wel uit het
feit, dat hij al zijn ander werk liet liggen om zich geheel te geven
aan het beëindigen van Don Quixote.

De laatste hoofdstukken van Don Quixote moest hij haastig afmaken,
omdat zijn mededinger zijn plan gestolen had; en zoo was hij niet
alleen gedwongen, het geheel om te werken, maar ook, het zoo spoedig
mogelijk af te maken. Maar niettegenstaande dezen tegenspoed is een
belangrijk gedeelte van het tweede boek waarlijk grootsch. Don Quixote
moge hierin minder vermakelijk zijn, hij is veel diepzinniger geworden,
en Sancho Panza wordt steeds verstandiger en helderder van oordeel. Ook
de andere karakters zijn scherper geteekend dan in het eerste deel. Het
vervolg van Don Quixote is inderdaad een groote spiegel, waarin de
Spaansche maatschappij uit de dagen van Cervantes weerkaatst wordt
door middel van een wonderbaar genie. Het geweldige succes van het
werk moet wel de grootste voldoening zijn geweest voor den stervenden
schrijver, en zal hem stellig hebben getroost voor de teleurstellingen
van een leven, dat werd doorgebracht in ballingschap en armoede.

LAZARILLO DE TORMES.

De grootste humoristische roman, die in Spanje geschreven was,
voordat Don Quixote verscheen, was Lazarillo de Tormes van Diego
Hurfado de Mendoza, een veelzijdig man, die Spaansch gezant in
Engeland is geweest. Hij was zoowel van vaders als van moeders zijde
van adellijke afkomst, en werd in 1503 te Granada geboren. Daar
hij een jongere zoon was, werd hij voor de kerk bestemd en dus
studeerde hij aan de universiteit te Salamanca, waar hij reeds
gedurende zijn studententijd den roman schreef, die hem beroemd
heeft gemaakt. De levendige beschrijvingen, het diep doordringen in
de verschillende karakters en de frissche humor, bezorgden het werk
dadelijk een belangrijke plaats in de Spaansche letterkunde van dien
tijd. Maar Mendoza veranderde reeds spoedig van beroep, en koos de
politieke loopbaan. Karel V benoemde hem tot Gouverneur van Siena,
een kleine Italiaansche republiek, die onder Spaansche heerschappij
gekomen was. Mendoza had echter een trotsch en hardvochtig karakter,
en tyranniseerde het ongelukkige volk, dat aan zijne zorgen was
toevertrouwd, op ondragelijke wijze. Zij beklaagden zich bij den
Keizer bitter over zijn gedrag, en toen er geen verbetering in den
toestand kwam, trachtte men hem te dooden. Bij een dezer aanslagen op
zijn leven, werd zijn paard onder hem gedood door een schot, dat voor
hemzelf bestemd was. Gedurende zijn afwezigheid werd Siena ingenomen
door een Fransch leger, en daar de weerlooze toestand der stad werd
toegeschreven aan de omstandigheid, dat hij eenige troepen uit Siena
verwijderd had, werd hij in 1554 naar Spanje teruggeroepen.

Terwijl hij als staatsman en officier in Italië vertoefde, was
Mendoza echter steeds werkzaam geweest op letterkundig gebied, want
hij had zijne politieke aanteekeningen geschreven, een vertaling
van Aristoteles, een verhandeling over werktuigkunde, en andere
belangrijke werken, die er echter geen van alle toe bijdroegen,
de populariteit te verhoogen, die zijn eerste roman hem bezorgd had.

Lazaro, of beter gezegd Lazarillo (het verkleinwoord van dien naam)
was de zoon van een molenaar, die zijn beroep uitoefende aan de oevers
van de rivier de Tormes, aan welke omstandigheid hij zijn naam te
danken had. Toen Lazarillo slechts tien jaren oud was, werd zijn
vader gedood in een veldtocht tegen de Mooren, en daar zijn moeder
niet in staat was hem te onderhouden, vertrouwde zij hem toe aan de
zorgen van een blinden man, die bedelend door het land trok.

Toen zij bij de brug van Salamanca kwamen, zag de jongen daar een
steenen beest, dat den vorm had van een stier, en zijn meester zeide
hem, dat wanneer hij zijn oor tegen het beeld zou leggen, hij het zou
hooren brullen. Dit deed hij, maar de oude man duwde hem met zulk een
geweld tegen het steenen beest, dat hij bijna het bewustzijn verloor;
en zijn meester lachte hem nog op den koop toe uit, zeggende, dat
de jongen van een blinden man zich nooit voor den gek mocht laten
houden. »Ik kan je geen zilver of goud geven,« zeide hij, »maar wel
iets, dat vrij wat meer waard is, nl. de wereldwijsheid, die ik door
ondervinding gekregen heb.«

De kleine Lazarillo kon slechts met de grootste moeite genoeg te eten
krijgen. De oude bedelaar bewaarde zijn brood en vleesch in een linnen
knapzak, die van boven stevig gesloten was; maar de jongen maakte
een kleine torn onder in de zak, en verschafte zich op deze wijze
de uitgezochtste stukken vleesch, spek en worst. Ook was het zijn
taak de aalmoezen in ontvangst te nemen, die weldadige menschen den
blinden man toewierpen, en een gedeelte daarvan bewaarde hij in zijn
mond, totdat hij door langdurige oefening erin slaagde, een flinke
hoeveelheid koperen munten in deze spaarpot op te bergen.

Op een warmen dag ergerde het hem, te zien, dat de bedelaar wijn dronk,
terwijl hij dorst moest lijden. De wijn werd bewaard in een grooten
aarden kruik, en van tijd tot tijd gelukte het hem, een slok van den
verkoelenden drank te bemachtigen. Maar al heel gauw ontdekte zijn
meester de praktijken van den jongen, en daarna hield hij de kruik
tusschen zijne knieën en bedekte hij de opening met zijn hand. Daarom
boorde Lazarillo in den bodem der kruik een gaatje, dat hij met
was toestopte. Wanneer de blinde bedelaar aan den maaltijd bij het
vuur zat, smolt de was, en Lazarillo hield zijn mond voor het gat,
en dronk van den wijn. Zijn meester was woedend en verbaasd toen hij
bemerkte, dat de drank verdwenen was en hij schreef die verdwijning
toe aan toovenarij. Maar toen zijn pupil een volgend keer het kunstje
herhaalde, pakte de stevige oude bedelaar met beide handen de kruik
vast, en sloeg hem er zoo hevig mede op het hoofd, dat zij brak, en de
jongen ernstig gewond werd. Van dien dag af koesterde Lazarillo een
wrok tegen den blinden ouden dwingeland, en hij wreekte zich, door
hem langs de slechtste wegen en over de modderigste paden te leiden.

Lazarillo besloot een dienst te verlaten, waar hij wel schoppen maar
geen geld kreeg, en dus bracht hij zijn meester naar de Arcade van
Escalona, waarlangs een snelle beek vloeide. Wanneer men deze wilde
oversteken, moest men òf springen, òf er tot den nek doorwaden. De
bedelaar koos de eerste methode. De slimme Lazarillo zeide hem,
dat het smalste gedeelte tegenover een grooten steenen pilaar was,
en de ongelukkige bedelaar ging een paar schreden achteruit om een
aanloop te kunnen nemen, en sprong toen met zulk een kracht over de
beek, dat hij tegen den pilaar vloog, en bewusteloos neerviel. Met
een triomfkreet holde Lazarillo weg, en nooit zag hij den blinde weer.

Zijn volgende meester was een priester, en hoe ongelukkig zijne
ondervindingen met den bedelaar ook waren geweest, zij waren niets
in vergelijking met wat hij nu te verdragen had. Want de vrome
man was boven alle beschrijving gierig en liet hem schandelijk
hongerlijden. Hij bewaarde zijn brood in een groote houten kist,
en toen de priester afwezig was, liet Lazarillo door een reizenden
ketellapper een valschen sleutel er op maken, zoodat hij zich dagelijks
kon te goed doen, totdat de gierige meester het tekort opmerkte. De
priester dacht, dat de ratten hem bestalen, en omdat er verscheidene
gaten in de kist waren, stopte hij deze zorgvuldig met kleine stukjes
hout; maar het brood bleef verdwijnen, en daar een der buren een
slang gezien had in de woning van den priester, kwam hij tot de
conclusie, dat die de boosdoener was. Om niet ontdekt te worden,
sliep Lazarillo met den sleutel van de kist in zijn mond; maar op
zekeren nacht maakte hij bij het ademhalen een fluitend geluid op de
opening van dit instrument, en de oude priester, die dacht, dat het
het gesis van een slang was, gaf zulk een hevigen slag in de richting
vanwaar het geluid kwam, dat hij Lazarillo voor geruimen tijd kreupel
maakte. Toen de jongen hersteld was, nam de oude priester hem bij de
hand, bracht hem naar buiten, en zeide: »Lazarillo, mijn zoon, gij hebt
groote natuurlijke gaven: gij zijt werkelijk veel te knap voor zulk
een oud man als ik ben, en ik wensch je nooit terug te zien. Vaarwel!«

Lazarillo vond spoedig een nieuwen meester, die een voornaam en
beschaafd man scheen. Maar hij bemerkte, dat hij nog ellendiger
bezeild was dan vroeger, want al was zijn meester een deftig heer,
hij bezat geen cent in de wereld, en hij was voor zijn dagelijksch
brood volkomen afhankelijk van hetgeen de jongen kon loskrijgen van
weldadige menschen. Op zekeren dag vroeg de waard om betaling, en de
heer vertrok, volgens zijn zeggen om geld van zijn bankier te halen;
maar hij keerde nooit terug, zoodat de ongelukkige deugniet weer
zonder meester was.

Toen kwam hij onder de goede zorgen van een verkooper van aflaten,
die van stad tot stad trok. Op een dezer reizen bevonden zij
zich in een herberg, waar zijn meester vriendschap sloot met een
alguazil of konstabel. Op een keer hielden de vrienden tot laat in
den nacht te zamen een drinkgelag, dat met een twist eindigde. En
toen de priester den volgenden dag een inleidende preek hield om
zijn waren aan te prijzen, trad de alguazil binnen en beschuldigde
hem van bedrog. De verkooper van aflaten bad onder groot vertoon van
vroomheid, dat de hemelsche machten zouden oordeelen en den alguazil
straffen, en deze viel onder hevige stuiptrekkingen ter aarde. Enkele
kerkbezoekers smeekten den monnik, dat hij zijn invloed zou gebruiken,
opdat de toorn des hemels den verrader minder zwaar zou treffen, en
de vrome man daalde van de preekstoel, en legde een bul, die hij,
naar hij zeide, van den Paus had ontvangen, op het voorhoofd van
den lijder. De man stond oogenblikkelijk quasi genezen op, en de
gemeente was zoozeer overtuigd, dat er een wonder was geschied, dat
zij den geheelen voorraad van den priester opkocht. Maar de slimme
Lazarillo begreep dadelijk, dat het een opgezette vertooning van het
tweetal was geweest. De laatste meester, dien Lazarillo kreeg, was de
Aartspriester van Salvador, in wiens dienst het hem uitstekend ging;
hij huwde een van diens dienstmaagden, maar zij bracht schande over
zijn huis, en bij den dood zijner vrouw was hij armer dan ooit.

Hier eindigt het verhaal. Het is onmogelijk in zulk een korte
schets, recht te doen wedervaren aan de groote mate van kennis van
het menschelijk hart, die uit dit kleine werk spreekt. Lazarillo de
Tormes was de voorlooper van de geheele school van Schelmen-romans,
die in lateren tijd het type van de Spaansche geestesvoortbrengselen
werd, en waaruit meesterwerken als Guzman de Alfarache, de Gil Blas van
Le Sage en de verhalen van Scarron voortkwamen, die denzelfden geest
ademen als de boeken van den Engelschen schrijver Laurence Sterne;
en nog steeds is de invloed van dit roman-type duidelijk merkbaar in
sommige werken van Maurice Hewlett en Jeffery Farnol.

GUZMAN DE ALFARACHE.

Mateo Aleman, de schrijver van den grooten Schelmenroman Guzman de
Alfarache werd in Sevilla geboren. In zijn jeugd versmaadde hij een
gouvernementsbetrekking en stak hij naar Mexico over, waar hij in
1609 een werk uitgaf over Spaansche taalkunde, benevens verscheidene
Latijnsche verhandelingen. Maar zijn naam als romanschrijver verwierf
hij door zijn Vita del Picaro Guzman de Alfarache, een werk, dat
van zijn eerste verschijning in 1599 af, overgebracht is in elke
Europeesche taal. Ofschoon het geschreven is in de meest zuivere en
klassiek letterkundige stijl, is het toch los en natuurlijk, en het
vindt zijn weerga niet in de schildering van de laagste klassen der
Castiliaansche maatschappij en van de gewoonten en denkbeelden van
den tijd, waarin hij leefde.

»Mijne voorouders,« vertelt Guzman, »kwamen oorspronkelijk uit de
Levant. Maar zij vestigden zich te Genua, en oefenden in die stad het
beroep van koopman uit op zulk een wijze, dat zij beschuldigd werden
van woeker«.

De omstandigheid, dat deze levendige avonturier uit zulk een weinig
eerbiedwaardig geslacht voortkwam, leidde er wel toe, dat hij reeds op
jeugdigen leeftijd in aanraking kwam met allerlei schurkenstreken. Maar
al waren zijne bloedverwanten allesbehalve kieskeurig waar het den
handel betrof, zij verborgen hun schandelijk gedrag onder den mantel
van schijnheiligheid en maatschappelijk fatsoen. Zij ontbraken nooit
bij de Mis, en niemand zou iets hebben kunnen inbrengen tegen hun
particulier leven. Voor de geboorte van Guzman hoorde zijn vader,
dat één zijner correspondenten te Sevilla failliet was gegaan, en
toen hij daarheen ging om zelf orde op zaken te stellen, werd hij
gevangen genomen door een Algerijnschen zeeroover; hij ging over tot
den Mohammedaanschen godsdienst en huwde een Moorsche vrouw. Toen zijn
agent te Sevilla hoorde wat zijn voornaamsten schuldeischer overkomen
was, ordende hij zijne zaken zonder diens hulp, en zoo was hij in
korten tijd beter af dan ooit tevoren. Maar het gelukte den vader
van Guzman te ontsnappen, en toen hij te Sevilla aankwam, eischte
hij een afrekening van zijn oneerlijken handelsvriend, van wien hij
een flinke som loskreeg. Daarna vestigde hij een zaak te Sevilla, en
kocht een landgoed, dat hij St. Juan de Alfarache noemde. Hier leefde
hij in overvloed, en nadat hij de weduwe van een ouden ridder gehuwd
had, was ook zijn maatschappelijke positie uitstekend. Kort daarna
werd zijn zoon Guzman geboren. Maar de Alfarache was zeer gesteld op
vroolijk gezelschap, praal en uiterlijk vertoon, en nadat hij eerst
een groot gedeelte van zijn fortuin verkwist had, duurde het niet lang,
of hij ging zelf bankroet, waarna hij de tol aan de natuur betaalde.

Zijn weduwe en de kleine Guzman bleven onverzorgd achter, en toen
de knaap in zijn veertiende jaar was, besloot hij zijn fortuin te
zoeken; hij reisde dus naar Genua, in de hoop, dat de bloedverwanten
van zijn vader bereid zouden zijn hem te helpen. Spoedig bereikte hij
een herberg, waar hij iets te eten vroeg. Men bracht hem een ommelet,
die, zooals hij zeide, beter een »eierpap« zou kunnen heeten, maar
waarop hij toch aanviel »als een varken op eikels.« Bij het verlaten
van de herberg gevoelde hij zich ellendig, en in een toestand,
die de bezwijming nabij was, ontmoette hij een ezeldrijver, wien
hij het onsmakelijke maal beschreef, dat hij juist genuttigd had;
deze lachte hartelijk om het verhaal en bood hem vriendelijk aan,
een zijner muilezels te bestijgen waarna zij spoedig in Oostelijke
richting draafden. Korten tijd daarna ontmoetten zij twee monniken,
en kwamen zij bij een herberg, waar zij weer een slecht maal kregen,
dat door den waard echter zóó werd opgehemeld, dat de arme jongen wel
gedwongen was, het zonder veel drukte te verorberen. Maar tot zijn
grooten schrik ontdekte hij later, dat het gerecht bereid was van het
vleesch van een jongen muilezel. Toen de herbergier hiervan beschuldigd
werd, was hij zoo woedend, dat hij een groot zwaard greep, waarop de
ezeldrijver een hooivork nam, en er zou zeker een moord gebeurd zijn,
wanneer niet de stedelijke politie de vechtenden gescheiden had. De
oneerlijke waard werd naar de gevangenis gebracht, maar ofschoon hij
bekende den muilezel te hebben geslacht, wilde hij niet toegeven,
dat hij den mantel van Guzman gestolen had, die spoorloos verdwenen
was, en de knaap was dus genoodzaakt de herberg te verlaten zonder
dit uitrustingstuk.

Toen Guzman en de ezeldrijver hun weg vervolgden, werden zij spoedig
achterhaald door twee personen, die op muilezels gezeten waren,
en die hen met de grootste opmerkzaamheid monsterden. Plotseling
wierpen zij zich op den ongelukkigen knaap, bewerende, dat hij eenige
kostbare juweelen gestolen had. De ezeldrijver kwam tusschen beiden,
maar ook hij werd ruw aangegrepen, en de vreemdelingen bonden de beide
reiskameraden aan hunne ezels vast. Op hetzelfde oogenblik kwamen de
twee monniken weder opdagen, die zich vermaakten met het doen van
verhalen, waarvan de strekking neerkwam op de wisselvalligheid van
’s menschen lot. Maar deze verhalen zijn veel te lang om ze hier te
vertellen en daarenboven hebben zij weinig te maken met den draad
van ons verhaal.

Het gezelschap kwam toen bij de poorten van Cazalla, waar het gerecht
uitmaakte, dat Guzman ten onrechte gevangen genomen was, en waar hem
dus de vrijheid weergegeven werd. Hij nam zijn intrek in de beste
herberg, die de stad er op nahield en den volgenden morgen begaf hij
zich te voet op weg naar Madrid.

In een herberg in een der buitenwijken der hoofdstad ontmoette hij een
weldadigen monnik, die zijn maal met hem deelde. Maar den volgenden
morgen trachtte de waard hem met zijn rekening te bedriegen, en hij was
op het punt hem bij wijze van betaling zijn jas af te nemen, toen de
ezeldrijver, die zich weer bij hem gevoegd had, tusschenbeiden kwam, en
als zijn meening te kennen gaf, dat Guzman van huis was weggeloopen. De
slechte waard zag hierin een kans om zich te verrijken, en bood aan,
den jongen in zijn dienst te nemen als staljongen; hij zou dan de
ezeldrijvers, die in de herberg overnachtten, moeten helpen bij het
stallen en voederen der ezels. Hier werd de jonge Guzman dan ingewijd
in allerlei oneerlijke praktijken, want wanneer een voorname gast
de herberg bezocht, kregen zijne muilezels of paarden slechts een
handvol voer, terwijl hem de gewone prijs berekend werd. Inderdaad
was deze herberg een broeinest van ongerechtigheden, en het leven
daar werd Guzman zóó ondragelijk, dat hij met het kleine beetje geld,
dat hij gespaard had, en de opbrengst van zijn jas en vest, met de
noorderzon vertrok, en zich bij een troep voorbijtrekkende bedelaars
voegde. Deze menschen leidden een kostelijk leven van hetgeen zij
bedelden en stroopten; het waren onverbeterlijke spelers, en ’s avonds
had Guzman volop gelegenheid, valsch te leeren spelen. Later nam hij
echter dienst als koksjongen bij een adellijk heer.

GUZMAN ALS KOKSJONGEN.

In deze betrekking maakte Guzman een prettigen tijd door, want
het ontbrak in het huis van den ridder niet aan vroolijkheid. De
jongen deed echter uitstekend zijn plicht, maar de ondeugd van het
spel kreeg hem te pakken, en dikwijls zat hij tot laat in den nacht
met de lakeien en livreiknechten aan de speeltafel. Op deze wijze
verloor hij het geld, dat hij verdiend had, dadelijk weer, en toen
hij niets meer had om aan zijn hartstocht voor het spel te voldoen,
begon hij allerlei kleinigheden, die hij in huis kon machtig worden,
te stelen, waarbij hij zijn geweten geruststelde met de overweging,
dat de anderen hetzelfde deden. Op zekeren dag had zijn meester voor
eenige vrienden een groot drinkgelag aangericht, en toen Guzman
de zaal binnenkwam, waar zij bijeen waren, vond hij hen allen in
vasten slaap. Toen zag hij op tafel een grooten zilveren drinkbeker
staan, dien hij zich vlug toeeigende. De vrouw van den kok miste het
voorwerp al heel spoedig, en er werd een onderzoek ingesteld naar de
verdwijning ervan, waarop de slimme knaap den beker naar een goudsmid
bracht, die hem zóó mooi oppoetste, dat hij geheel nieuw leek. Hij
bracht hem terug naar de koksvrouw, die in grooten angst verkeerde,
dat haar meester van het verlies zou hooren, en hij vertelde haar,
dat hij bij den juwelier juist zulk een beker gevonden had, dien hij
voor zes-en-vijftig reales kon koopen; en in haar verlangen, niet in
moeilijkheden te komen, gaf zij hem dadelijk deze som. Maar het geld,
dat op deze oneerlijke wijze verkregen was, werd oogenblikkelijk weer
aan de speeltafel verloren, zoodat Guzman even arm was als voorheen.

Eenigen tijd later kreeg de kok bevel, een schitterenden maaltijd aan
te richten voor een vreemden edelman, die eerst sedert kort in Madrid
vertoefde. De koksjongen moest hiervoor een grooten zak met wild in
ontvangst nemen, dien hij naar huis droeg. Maar daar het reeds laat
was, nam hij hem mede naar zijn eigen zolderkamer. Midden in den
nacht werd hij wakker, doordat katten vochten om een van de hazen,
die in den zak waren. Toen Guzman zag, dat men dezen haas niet miste,
en dat de lakeien links en rechts van de voorraden stalen, stak hij een
half dozijn eieren in zijn zak. Maar de chef-kok zag het en gaf hem
zulk een geweldigen schop, dat hij viel, waardoor de gebroken eieren
uit zijn zak dropen, tot groot vermaak van de omstanders. Het gelukte
hem echter, een paar patrijzen en eenige kwartels te verdonkeremanen;
deze wilde hij aan een anderen kok verkoopen; maar zijn meester,
die hem niet vertrouwde, volgde hem, en ontdekte, wat hij in zijn
schild voerde, waarop hij op staanden voet ontslagen werd, nadat hij
een flink pak ransel gekregen had.

Daarna bleef hem niets anders over dan weer terug te keeren tot zijn
vroeger beroep van boodschaplooper. Maar spoedig hoorde hij, dat
er binnenkort eenige troepen naar Genua zouden worden ingescheept,
en hij besloot zich ook te laten aanmonsteren. Een oude apotheker,
die nooit iets oneerlijks van hem ondervonden had, zond hem naar
een vreemden koopman met een groote hoeveelheid zilver, dat Guzman
in een diepen kuil bij de rivier verstopte. Toen hij den volgenden
morgen bij deze plaats terugkwam, en de zakken met geld opgroef,
ontdekte hij, dat zij vijf-en-twintig-honderd reales in zilver,
en dertig pistoles in goud bevatten. Hij nam de zakken op zijn rug,
opdat men ze voor de bagage van een reiziger zou aanzien, en begaf
zich op weg naar Toledo. Hij zorgde er echter steeds voor, den grooten
weg te vermijden, en slechts stille wegen te bewandelen.

Toen hij nog slechts twee mijlen van Toledo verwijderd was, liep hij
een bosch in, waar hij gedurende het overige gedeelte van den dag wilde
rusten, omdat hij niet in de stad wilde komen, voordat het donker was.

Hij was van plan naar Genua te gaan, en zijne bloedverwanten op
te zoeken, en hij dacht er juist over, hoe hij zijn geld het best
zou kunnen besteden om bij hen te komen en een goeden indruk op
hen te maken, toen hij een geluid hoorde, en toen hij zich haastig
omkeerde, zag hij een jongen man, ongeveer van zijn eigen leeftijd,
die achterover op den grond lag, met het hoofd tegen een boom. Guzman
deelde zijn wijn met hem, en de jongeling vertelde hem, dat hij
geen cent bezat. Guzman bood hem aan, eenige van zijne kleederen
te koopen, die hij in een bundel bij zich droeg, en hij maakte een
van zijne geldzakken open, om hem te laten zien, dat hij in staat
was te betalen. Voor honderd reales ging een prachtig pak kleeren
in zijne handen over, en nadat Guzman afscheid genomen had van
den vreemdeling, begaf hij zich naar Toledo, waar hij dadelijk
zijn intrek nam in de beste herberg. Den volgenden dag schafte
hij zich allerlei kleedingstukken aan, die hij noodig had, maar
zijn ijdelheid werd hem de baas, en hij bestelde een prachtig pak,
dat hem een schat kostte. Des Zondags ging hij naar de Cathedraal,
waar hij een bekoorlijke dame ontmoette die hem vroeg haar naar haar
huis te geleiden, om daar den avondmaaltijd te gebruiken. Guzman
bestelde voor deze gelegenheid allerlei kostbare spijzen en dranken,
maar het paar had zich nauwelijks aan tafel gezet, of er werd luid op
de deur geklopt, en de dame riep hevig verschrikt, dat haar broeder
thuisgekomen was, en dat Guzman zich zoo vlug mogelijk verbergen
moest. De eenige plaats, waar hij zich behoorlijk verstoppen kon,
was een groot, omgekeerd bad, en vanuit deze schuilplaats had hij het
genoegen te zien, hoe de heer, die zoo juist was binnengekomen, alle
kostbare gerechten, die hij betaald had, opat, en de vier flesschen
wijn, die hij voor zijn eigen gebruik had gekocht, tot op den laatsten
droppel ledigde. Spoedig na dit overvloedig maal, viel de heer in
een diepen slaap, en Guzman maakte van deze gelegenheid gebruik weg
te sluipen als een armer doch wijzer man.

Daar Guzman hoorde, dat een alguazil bijzonder belangstellend naar
hem gevraagd had, vertrok hij haastig uit Toledo, en voegde zich te
Almagro bij de soldaten, die naar Genua gingen. Hun kapitein, die
onder den indruk kwam van zijn net voorkomen, begroette hem als zijn
wapenbroeder, en behandelde hem als zijn gelijke. Guzman had in Toledo
een knechtje in zijn dienst genomen, en deze kleine schelm vertelde
overal rond, dat zijn meester een voornaam heer was. Maar de beurs
van onzen held geraakte al aardig leeg, ofschoon hij nog ongeveer de
helft van zijne oneerlijk verkregen bezittingen had. Inplaats dat het
gezelschap dadelijk scheep ging, bleef het nog ongeveer drie maanden
in Barcelona, zoodat zijne geldmiddelen spoedig uitgeput raakten,
en hij door de officieren verwaarloosd en door de soldaten gemeden
werd. Zijn kapitein had echter medelijden met hem, en bood hem een
plaats aan zijn bediendentafel aan; dit was, volgens zijn zeggen,
het eenige wat hij voor hem doen kon, want hij was zelf genoodzaakt
buitenshuis te gaan eten omdat hij niet in staat was, zijne vrienden
thuis te ontvangen. Guzman betuigde hem zijn dankbaarheid, en gaf
hem te kennen, dat hij misschien later in de gelegenheid zou zijn,
hem weer te helpen. De soldaten waren in het dorp ingekwartierd,
en Guzman verzon het systeem van in elk huis meer manschappen onder
te brengen dan noodzakelijk was; hij dreigde tenminste dit te doen,
zoodat de beangste inwoners al heel blij waren, wanneer zij hem konden
afkoopen. Op deze wijze herstelde hij den geschokten geldelijken
toestand van den kapitein volkomen, en daar hem vele geschenken
in den vorm van levensmiddelen door de angstige dorpsbewoners
werden toegezonden, hadden de jeugdige schelm en zijn chef een
goed leven. Maar nu werd hij overmoediger, en met zes van de meest
roekelooze mannen van zijn compagnie, begon hij de voorbijgangers
op den heirweg te berooven. Toen zijn kapitein dit echter hoorde,
maakte hij dadelijk een einde aan dit gevaarlijke spelletje.

Op zekeren dag bemerkte Guzman, dat onder de weinige kostbaarheden,
die den kapitein nog waren overgebleven, zich een bijzonder mooi
gouden relikwieën-kastje bevond, met diamanten versierd, en hij
vroeg hem dit voor eenige dagen te leen. De overmoedige jongeling
ging er dadelijk mee naar een juwelier, wien hij het kostbare stuk
aanbood voor tweehonderd kronen. Maar de man wilde hem er niet meer dan
honderdtwintig voor geven, op welk aanbod Guzman niet wilde ingaan. De
juwelier kwam den volgenden dag weer bij hem en hernieuwde zijn aanbod,
dat nu door den jongen man aangenomen werd. Guzman overhandigde hem
het foedraal waarin het kastje bewaard werd, en ontving hiervoor
in ruil de honderdtwintig kronen. Maar nauwelijks had de oude man
het huis verlaten, of de jonge avonturier begon te roepen: »Houd den
dief! houd den dief!« Eenige soldaten grepen den juwelier, en Guzman
riep opgewonden, dat hij hem het relikwieën-kastje van den kapitein
ontstolen had. De juwelier verzekerde de politiemannen, dat hij het
voorwerp voor honderdtwintig kronen had gekocht, doch dit werd door
Guzman ontkend. De ongelukkige goudsmid werd voor den rechter gebracht,
en daar hij wegens woekerhandel een slechte reputatie genoot, werd
hij gedwongen het kostbare voorwerp terug te geven. Maar ofschoon de
kapitein heel blij was met het geld, dat zoo onrechtmatig verkregen
was, vreesde hij toch, dat een verdere omgang met zulk een schurk als
de Alfarache, hem ten gronde zou richten. Eenige dagen later scheepten
de troepen zich in naar Genua, en toen zij daar waren aangekomen,
zeide zijn chef hem, dat het beter was, dat zij scheidden, en hij
drukte hem een pistole in de hand.

GEKWELD DOOR DUIVELS.

De jonge avonturier begon dadelijk te informeeren naar zijne
bloedverwanten, en zoo hoorde hij, dat zij de rijkste en machtigste
personen uit de republiek waren. Hij vroeg den weg naar hun woning,
waar hij allesbehalve vriendelijk ontvangen werd, te meer, daar
hij er vreeselijk slordig en verwaarloosd uitzag. Maar daar hij
ervoor gezorgd had, dat het bekend was, dat hij een familielid was,
konden zij hem moeilijk de deur wijzen. Op zekeren avond ontmoette
hij een eerwaardigen ouden man, die hem vertelde, dat hij zijn vader
gekend had, en dat hij verontwaardigd was over de wijze, waarop zijn
familie hem behandelde; daarom bood hij hem aan, bij hem zijn intrek
te nemen. Zonder hem iets te eten te geven, zond hij hem dadelijk
naar bed, waar de ongelukkige jongen niet kon inslapen van den
honger. Voordat hij zich ter ruste begaf, zeide de oude man hem, dat
het in de kamer, waarin hij zich bevond, spookte. Hongerig en onrustig
lag Guzman wakker, toen tot zijn groote ontsteltenis vier duivelsche
gestalten de kamer binnentraden en hem uit zijn bed sleepten. Zij
smeten hem in een beddelaken, en zwaaiden hem zóó hevig heen en weer,
dat hij telkens tegen de zoldering aanvloog, totdat zij uitgeput door
de inspanning, hem weer in zijn bed gooiden, waarna zij de kamer
verlieten. In den vroegen morgen verliet Guzman, stijf, pijnlijk
en terneergeslagen het huis, maar hij zwoer een duren eed, nooit
te zullen vergeten, hoe schandelijk zijn familie hem behandeld had,
en dat hij zich bij de eerste de beste gelegenheid zou weten te wreken.

GUZMAN VOEGT ZICH BIJ DE BEDELAARS VAN ROME.

Toen Guzman Genua verlaten had in dezen ellendigen toestand, waarin
hij zich vergelijkt bij een van die soldaten, die nog levend uit
den slag bij Roncevalles gekomen waren, besloot hij naar Rome te
gaan. »Italië«, zoo redeneerde hij, »is het weldadigste land van
de wereld, en iedereen, die kan bedelen, kan binnen de grenzen
van dat land reizen, zonder zich te bekommeren over zijn volgenden
maaltijd«. Een paar weken later bevond hij zich dan ook inderdaad te
Rome, met genoeg geld in zijn zak, om een nieuw pak kleeren te koopen;
maar hij weerstond de verleiding en zwierf bedelend door de straten
der keizerlijke stad. Hij ontmoette reeds spoedig een lotgenoot,
die hem inlichtte over de werkwijze en gewoonten van de bedelaars
van Rome, en die hem zooveel goeden raad gaf, dat hij al heel gauw
meer geld ontving dan hij kon uitgeven. In korten tijd was Guzman een
meester in de bedelkunst. Nadat hij op deze wijze eenige weken had
doorgebracht, maakte hij kennis met den chef-bedelaar van de stad,
die hem op de hoogte bracht van de wetten der bedelarij, die hij in
zijn autobiographie uitvoerig bespreekt. Deze wetten leerde Guzman
uit het hoofd. De bedelaars woonden te zamen, en vergaderden des
avonds om nieuwe bedelmanieren te bedenken, en zich te oefenen in
allerlei praktijken, waardoor zij medelijden konden opwekken. Des
morgens vochten zij er meestal om, wie het dichtst bij het wijwater
bij den ingang der kerken kon komen, want daar was altijd de rijkste
oogst; en ’s avonds maakten de bedelaars meestal een tocht langs de
landhuizen in de buurt van Rome, vanwaar zij beladen met levensmiddelen
terugkeerden. Bijna al deze bedelaars wendden lichaamsgebreken en
ongeneeslijke ziekten voor. Eens simuleerde Guzman in de stad Gaeta
een vreeselijke hoofdziekte, en de Gouverneur, die juist voorbijkwam,
gaf hem een aalmoes. Den volgenden dag zat hij bij den ingang van
een kerk met iets, dat een pijnlijke ziekte van het been moest
voorstellen, en het geld stroomde hem toe; maar ongelukkig kwam de
Gouverneur weer voorbij, en daar hij hem herkende, beloofde hij hem
eenige afgelegde kleeren, wanneer hij met hem mede naar huis wilde
gaan. Daar aangekomen, vroeg de Gouverneur hem, welk merkwaardig
geneesmiddel hij gebruikt had, om hem binnen een dag af te helpen van
zijn vroegere ziekte; en zonder het antwoord af te wachten, ontbood hij
een geneesheer, die het been onderzocht, en den Gouverneur verzekerde,
dat de bedelaar volkomen gezond was. Toen gaf de Gouverneur hem over
aan zijne lakeien, die hem een flink pak ransel gaven, en hem daarna
de stad uitjoegen.

Op zekeren dag had de schelm zich opgesteld bij het hek van een
Kardinaal, die bekend was om zijn medelijdend hart, en toen deze hem
hoorde klagen, gaf hij zijne bedienden bevel, den zieke naar een kamer
in zijn huis te brengen, en hem daar te verplegen. Guzman had wederom
een ernstige beenziekte voorgewend, en dus ontbood de Kardinaal
twee der beroemdste geneesheeren van Rome. Hunne voorbereidingen
waren van dien aard, dat Guzman vreesde, dat zij van plan waren,
het been af te zetten, en toen de medici dus in een aangrenzend
vertrek het geval bespraken, ging hij naar de deur om het gesprek
af te luisteren. Een van beiden gaf als zijn meening te kennen,
dat de ziekte voorgewend was, maar de andere was dit niet met hem
eens. Eindelijk kwamen zij overeen, het geval aan den Kardinaal voor
te leggen, en zij waren op het punt dit te doen, toen Guzman de
kamer, waarin zij zich bevonden, binnentrad, zijn bedrog bekende,
en hun voorstelde met hem te zamen den Kardinaal te bedriegen. De
geneesheeren stemden hierin toe, en toen Zijne Eminentie verscheen,
gaven zij een verontrustend en aandoenlijk verslag van de ernstige
ziekte van Guzman. De Kardinaal, die een edel en goedgeloovig man was,
drukte hun op het hart, niets te verzuimen, wat zou kunnen bijdragen
tot het herstel van den patiënt. De geneesheeren waren zóó verlangend
een hooge rekening te kunnen uitschrijven, dat zij Guzman dwongen
drie maanden het bed te houden; die maanden schenen hem drie eeuwen
toe, want het zwervende leven was hem een behoefte geworden, en het
viel hem zwaar daar tijdelijk afstand van te moeten doen. Aan het
einde van dien termijn, dienden de geneesheeren bij den Kardinaal hun
rekening in met de verklaring, dat de patiënt volkomen hersteld was,
en de geestelijke was zóó verrukt over deze wonderbaarlijke genezing,
en zóó ingenomen met den levendigen geest van Guzman, dat hij den
jeugdigen bedrieger aannam als zijn persoonlijken dienaar.

Guzman was echter maar matig ingenomen, met het nieuwe leven,
dat voornamelijk bestond in het wachten in een voorvertrek,
en tafeldienen. De tucht was er streng en alles wat hij stelen kon
bestond uit een paar eindjes kaars. Maar eens ontdekte hij, dat er een
groote hoeveelheid heerlijke ingemaakte vruchten in een kast bewaard
werden, en daaraan deed hij zich toen te goed. De Kardinaal ontdekte
de verduistering, doch kon den dader niet vinden. Maar toen Guzman
een volgend keer de kast plunderde, kwam Zijne Eminentie juist binnen
en betrapte hem op heeterdaad. Hij kreeg een geweldig pak slaag van
den Major-domo, zoodat hem voorloopig de lust tot stelen vergaan was.

GUZMAN BEDRIEGT DEN BANKIER.

Maar Guzman haalde zooveel gemeene streken uit in het paleis van den
Kardinaal, dat de voortreffelijke prelaat er tenslotte genoeg van
kreeg. Toen kwam hij in dienst bij den Spaanschen gezant, een vriend
van den Kardinaal, die volkomen op de hoogte was van de hebbelijkheden
van onzen held. Na geruimen tijd bij dezen hoogwaardigheidsbekleeder
te hebben gediend, besloot hij Rome te verlaten, en een reis door
Italië te maken. Even te voren had hij kennis gemaakt met een
Spanjaard, Sayavedra genaamd, met wien hij vriendschap sloot. Met
ongeveer driehonderd pistoles en eenige juweelen, die hij van den
gezant gestolen had, ondernam Guzman de reis. Maar Sayavedra had
een wasafdruk gemaakt van de sleutels van Guzman, en plunderde voor
diens vertrek zijn bagage, zoodat deze zonder de edelmoedige hulp
van den gezant, Rome niet had kunnen verlaten. Te Siena ontmoette hij
Sayavedra weer, en deze smeekte hem, zijn bedrog te vergeven, en hem
als zijn bediende mede te nemen. Guzman, die medelijden met hem had,
stemde hierin toe, en op weg naar Florence beraamden zij plannen tot
het verbeteren van hun financieelen toestand. Zij verspreidden het
gerucht, dat Guzman de neef was van den Spaanschen gezant, en hij
had zelfs de onbeschaamdheid, zijn opwachting te maken aan het Hof,
waar hij wegens deze familierelatie door den Groothertog ontvangen
werd. Daar ontmoette hij een bekoorlijke en schatrijke weduwe,
op wie hij verliefd werd. Maar haar familie informeerde naar hem,
en toen het uitkwam, dat hij indertijd langs Rome’s straten gebedeld
had, was hij gedwongen de stad te verlaten. Te Bologna won hij bij
het spel een belangrijke som, en toen hij en Sayavedra te Milaan
aankwamen, huurden zij daar kamers, en zagen uit naar middelen om
hunne juist verkregen rijkdommen productief te maken. Zij sloten
vriendschap met een deugniet, die klerk was op een bankierskantoor,
en bespraken met hem de mogelijkheid, zijn meester te ontlasten van
een gedeelte van zijn geld. Guzman bezocht den bankier, en zeide,
dat hij hem ongeveer twaalfduizend franken in goud te bewaren wilde
geven. Hij werd vriendelijk ontvangen, en de bankier noteerde zijn
naam en eenige andere bijzonderheden in zijn dagboek. Op weg naar huis
kocht Guzman een vergulde cassette, die hij vulde met stukken lood;
deze gaf hij aan Sayavedra, tegelijk met een zak met echt goud, en hij
drukte hem op het hart een praatje te maken met den herbergier en hem
te vertellen, dat hij zijn geld naar een bankierskantoor ging brengen,
wat hij natuurlijk geen oogenblik van plan was. De bankiersklerk
liet een valschen sleutel maken op de geldkist van zijn patroon, en
toen deze den volgenden Zondag naar de Mis was, opende hij de kist,
en zette er de vergulde cassette in, die nu inplaats van lood, tien
quadruples, dertig Romeinsche kronen en een geschreven opgave van den
inhoud bevatte. Daarna maakte hij het handschrift van zijn meester
na en vulde diens aanteekeningen in het dagboek aan, in dien zin,
dat hij het deed voorkomen, alsof niet alleen de vergulde cassette,
maar de geheele inhoud van de geldkist het eigendom van Guzman was. Des
Maandags begaf Guzman zich naar den bankier, en vroeg hem heel beleefd
het geld terug, dat hij hem eenige dagen geleden gezonden had. De man
ontkende natuurlijk, iets voor hem te hebben bewaard waarop Guzman zulk
een misbaar maakte, dat er een oploop ontstond, en de twist werd zóó
hevig, dat er een konstabel verscheen, die vergezeld was van den waard
van de herberg, waar Guzman zijn intrek genomen had. Guzman beweerde,
dat wanneer men de boeken van den bankier zou nazien, men zich ervan
zou kunnen overtuigen, dat de som, waarover de quaestie liep, inderdaad
genoteerd was, en toen het dagboek te voorschijn gehaald werd, bleek
dat ook werkelijk het geval te zijn. De ongelukkige bankier gaf toe,
dat hij een gedeelte van deze aanteekeningen zelf geschreven had,
en dit was genoeg om de verontwaardiging der omstanders te wekken,
want hij was zeer gehaat bij het volk om zijne woekerpraktijken en
schraapzucht. Daarenboven was Guzman in staat een nauwkeurige opgave
te doen van den inhoud der geldkist, en toen deze geopend werd,
vond men er, tot verbazing van den bankier, de vergulde cassette in,
waarvan sprake was, benevens de juiste som, die door hem genoemd
was, en zelfs de muntstukken, die hij opgegeven had, en die met de
lijst van den inhoud klopten. De waard kon bevestigen, dat Guzman de
eigenaar der cassette was, en daar dus het bewijs geleverd scheen,
overhandigde de plaatselijke rechter hem het geld, dat hij met zijne
medeplichtigen deelde. Nu besloot Guzman naar Genua terug te keeren om
zich te wreken op zijn bloedverwanten, die hem zoo gemeen behandeld
hadden bij zijn vorig bezoek aan die stad. Hij vermomde zich als
een hooge Spaansche geestelijke, en nam zijn intrek in een voorname
herberg; en toen zijn familie van zijn verblijf daar hoorde, en van de
praal, die hij ten toon spreidde, haastte zij zich hem een bezoek te
brengen. Zij herkenden in hem niet den haveloozen en verlaten deugniet,
die eenige jaren te voren hun hulp had gevraagd, en zijn oom vertelde
hem zelfs het gebeurde met de duivels, alsof zij op deze wijze een
indringer verdreven hadden. Guzman won hun vertrouwen volkomen, en
daar hij een overvloed van geld had, stelden zij hem met een gerust
hart een kostbare verzameling juweelen ter hand, die, naar hij zeide,
een vriend van hem wilde leenen, om bij zijn huwelijk te dragen. Met
deze kostbaarheden vluchtten hij en Sayavedra naar Spanje, maar op weg
daarheen werd de laatste ernstig ziek, en in een aanval van ijlkoorts
sprong hij overboord en verdronk.

Nadat Guzman in zijn vaderland teruggekeerd was, bereikte hij na vele
avonturen Madrid, waar hij zijne juweelen aan een rijken koopman
verkocht; deze hield hem voor een voornaam heer en gaf hem zijn
dochter ten huwelijk. De koopman rekende op den vermeenden rijkdom
van Guzman als steun in zijne eigen zaken; Guzman vertrouwde op
de eveneens denkbeeldige schatten van zijn schoonvader, en daar de
verkwistende jonge vrouw op de geldmiddelen van beiden teerde, was
de geheele familie in korten tijd failliet. De schok was te hevig
voor de dame, en zij stierf. Maar het gelukte haar sluwen vader,
genoeg uit de schipbreuk te redden, om opnieuw te beginnen.

Guzman had echter genoeg van de financieele wereld, en hij besloot
de rest van zijn onrechtmatig verkregen fortuin te gebruiken, om
in de theologie te gaan studeeren. Te dien einde ging hij naar de
universiteit van Alcalà de Henares, waar hij zijn candidaatsexamen
aflegde, en na vier jaren van ijverige studie in de godgeleerdheid,
wachtte hij slechts op een officieele aanstelling, om het priesterambt
te kunnen bekleeden, toen hij door verkeerde invloeden weer op den
slechten weg geraakte. Hij maakte n.l. kennis met een familie met
verscheidene dochters, op een waarvan hij verliefd werd, waarna een
huwelijk volgde. De jonggehuwden vestigden zich te Madrid, waar zij een
avontuurlijk leven leidden. Maar eenige jaren later liep de jonge vrouw
van hem weg, en nam alles van waarde, wat zij te pakken kon krijgen,
mee. Ongeveer in dezen tijd had Guzman zijn moeder weer opgezocht,
en inplaats dat zij hem van zijne kwade praktijken trachtte af te
houden, hielp zij hem bij het verzinnen van zijne gemeene streken,
zoodat het niet lang duurde, of hij werd tot vele jaren dwangarbeid
veroordeeld. Maar het toeval wilde, dat hij de overheid kon helpen
bij het ontdekken van een opstand, en als belooning hiervoor kreeg
hij zijn vrijheid terug.

En hiermede nemen wij afscheid van den meest doortrapten schurk uit
de literatuur. Maar al is Guzman de Alfarache misschien de sluwste
boosdoener, dien wij ooit in een roman ontmoet hebben, hij is ook
de vermakelijkste en meest origineele. Het is echter merkwaardig,
dat over het geheel zijn loopbaan niet erg voordeelig was, en dat hij
aan het eind van het verhaal nog even arm is als bij het begin. Het
vermakelijkste van dezen roman is misschien wel de voorgewende
onberispelijke toon, waarin hij geschreven is–een stijl, die bijna
slaafs werd nagebootst door Le Sage in zijn Gil Blas, een werk, dat
niet alleen wat zijn atmosfeer betreft, veel overeenkomst vertoont
met Guzman de Alfarache, maar dat ook verscheidene voorvallen eruit
heeft overgenomen.

BESLUIT.

Wij hebben nu alle wegen der Spaansche letterkunde bewandeld, den
ernstigen, den quasi-heroïschen en den humoristischen. Misschien is
wel geen enkel hoofdstuk van de letterkunde der wereld zóó rijk aan
kleur, zóó afwisselend en zóó gevoelig. Er klinkt een toon in van
hooge en edele schoonheid, van voorname ridderlijkheid, van grooten
ernst, hoffelijk, vlekkeloos, en niet bezoedeld door alledaagschheid
en bekrompenheid. De drinkbeker der Spaansche romantiek is gevuld met
het hartebloed van een groot, ridderlijk en dichterlijk volk, dat de
voorkeur heeft gegeven aan idealen boven de ruwe werkelijkheid, aan de
verhevenheid van een nationale aristocratie boven de leegheid eener
onware democratie. Arm Spanje! Hoe dikwijls gebruikt de Angelsakser
deze uitdrukking in medelijdende zelfgenoegzaamheid! Met de troost
van zulk een schatkamer van dichterlijken en romantischen rijkdom,
kan Spanje het vaste vertrouwen koesteren, dat de heerlijke dagen,
die door zijne trovadores bezongen, en door zijne dichters vereeuwigd
zijn in statige verzen, eenmaal zullen wederkeeren. Arm Spanje! Neen,
gelukkig Spanje! Betooverde spelonk, overvloeiende van heerlijke
liederen? Veelkleurige schatkamer der legende, glinsterend juweel
der onsterfelijke romance!

AANTEEKENINGEN

[1] De Moro latinado of de Spaansch sprekende Moor, is een voorname
figuur in de latere Spaansche geschiedenis.

[2] In Bisschop Odoor’s testament (747) zien wij het verval van het
Spaansche Latijn aangetoond, en Karel de Kale zinspeelt in een edict
van 844 op de usitato vocabulo der Spanjaarden, hun »Spreektaal.«
Over het Gothische tijdperk zie men Père Jules Pailham, in het 4e deel
van Cahier en Martin’s Nouveaux Mélanges d’Archéologie d’Histoire,
et de Littérature sur le Moyen Age (1877).

[3] Dit dialect was veel meer verwant aan de lingua rustica dan aan
het Gothisch, dat grooter invloed heeft gehad op de uitspraak en den
zinbouw van het Spaansch, dan op de woorden.

[4] »Over het geheel,« zegt Professor Saintsbury, »zijn het gemak,
de verfijndheid, en, binnen zekere grenzen, de verscheidenheid van
vorm, opmerkelijker dan de grootschheid van gevoel en van gedachten«
(Flourishing of Romance and Rise of Allegory, p. 308-369). Hij merkt
verder op, dat het Provençaalsche vers is een »uiting van kleine
kunst.«–»Knap, schoolsch, aangenaam, maar zelden uitstekende boven
het middelmatige.«

[5] Deze was getiteld El Arte de Trobar en een slecht uittreksel
daarvan vindt men in Mayan’s Origenes de la Langua Española (Madrid
1737).

[6] Over Provençaalschen invloed op Castiliaansche letterkunde zie
men Manuel Mila y Fontanal Trovadores en España (Barcelona 1887); en
E. Baret, Espagne et Provence (1857), een meer beknopte verhandeling.

[7] Toch vonden zij verscheidene Spaansch sprekende bewoners van die
streken en het was de Romaansche taal van deze menschen, die tenslotte
in Spanje overheerschend was.

[8] Madrid, 1839.

[9] Cancionero de Romances (Antwerpen, 1555).

[10] Zie het artikel over Alfonso XI in N. Antonio, Bibliotheca
Hispana Vetus.

[11] Regeerde van 1407 tot 1454.

[12] Gaston Paris, La Littérature Française au Moyen Age (Paris 1888)
en Léon Gautier, Les Epopées Françaises (Paris 1878-’92), zijn de
voornaamste kenners van de Chansons de Gestes.

[13] Zie Manuel Milo’ y Fontanal, Poesia heróico-populair Castellana
(Barcelona, 1874).

[14] Deze naam, die het eerst gebruikt werd door Graaf Willem van
Poitiers, den eersten troubadour, omvatte oorspronkelijk ieder werk,
dat in de inheemsche talen der Romance geschreven was. Later werd hij
in Spanje gebruikt als equivalent voor Cantar, en tenslotte duidde
men er mede aan lyrisch-verhalende gedichten in achtlettergrepige
assonanten.

[15] Don Quixote. Deel I, hoofdstuk VI.

[16] In het hoofdstuk, getiteld: »Moorsche Romances van Spanje«, zal
de lezer voorbeelden vinden van romantische verhalen van dit volk,
waaruit hem de verwantschap met de Spaansche romances zal blijken.

[17] Zie Dozy, History of the Moors in Spain (Engelsche vertaling)
en Recherches sur l’Histoire politique et littéraire de l’Espagne
(1881); F. J. Simonet, Inleiding tot zijn Glosario de Voces iberias
y latinas usadas entre los Muzárabes (1888); Renan, Averroës et
Averroïsme (1866).

[18] Ormsby (The Poem of the Cid), die zijne verhandeling in 1879
schreef, schijnt zeer eenvoudige begrippen te hebben gehad over wat een
Cantar was, en hij zegt, dat de Poema bijna gelijktijdig ontstond met
de »chansons de gestes«. Maar hij is waarschijnlijk minstens een eeuw
in de war, daar de eerste Chansons dateeren uit het midden der elfde
eeuw. Van trovadores en juglares had hij blijkbaar nooit gehoord. Toch
is hij allesbehalve oppervlakkig en over het geheel is zijn boek het
beste, dat in Engeland over de Poema geschreven is. Het is jammer,
zooals Saintsbury terecht opmerkt, dat noch Ticknor noch Southey,
die zoo uitvoerig over de oude Spaansche letterkunde schreven,
bekend waren met de »Chansons de gestes.« Nog betreurenswaardiger
is het, dat zooveel op het gebied van Spaansche vertalingen is
overgelaten aan Longfellow, die zoo menige mooie ballade schandelijk
verminkte. Waarschijnlijk was geen dichter beter in staat dan hij,
een ballade zoo te vertalen, dat hij haar beroofde van alle kern
en kracht. Maar hoe slecht zijne Spaansche vertalingen ook zijn,
zij zijn nog heilig, vergeleken bij wat de Italiaansche vertalers
ervan gemaakt hebben.

[19] Waarschijnlijk Anstruther in Fife.

[20] Er bestaat alle redenen te gelooven, dat deze reus Albadan
dezelfde is als de reus Albiona, één der twee monsters, »zonen
van Neptunus,« die volgens Pomponius Mela, Hercules in Ligurië
aanvielen. De naam Albion werd eens aan geheel Brittanje gegeven, en
later evenals Alba en Albany, aan Schotland, welks bevolking bekend
was als Albannach. Volgens sommigen beteekent dit »de Witte«, wat
betrekking zou hebben op de klippen van Dover! Veel waarschijnlijker is
het, dat het beteekent: »het rijk van den God Alba, het land van den
Witten God.« Alle Schotsche goden waren reuzen, evenals de Fomorianen
van Ierland.

[21] Eerst had zij Schotland bezocht, en zich vervolgens ingescheept
naar »Groot Brittanje«. Op deze tocht kwam zij bij de Kale Rots
terecht, die zich blijkbaar ergens in de Middellandsche Zee bevond. Het
is eigenaardig, dat de aardrijkskunde in dien tijd zulk een zwak
punt was voor een volk, dat zooveel gedaan heeft op het gebied van
ontdekkingen en zeevaart.

[22] William Stuart Rose, Amadis de Galliër: Een gedicht in drie
boeken.

[23] Tenzij wij een uitzondering maken voor de Anseis de Carthage–een
romance, die den ondergang van Spanje toeschrijft aan een zoon van
Karel den Groote, wiens daden overeenkomen met die van Roderick. De
Anseis is een Fransch werk.

[24] Behalve de verzameling romances, waarover wij hier spraken,
en waarin de voornaamste typen van dichtkunst vertegenwoordigd zijn,
waren er in het midden der zestiende eeuw nog bloemlezingen uitgegeven
te Antwerpen en Saragossa, respectievelijk door Martin Nucio en Esteban
de Nájera. De lezer kan ook de Primavera y Flor de Romance door Wolf
en Hofman raadplegen, waarvan een nieuwe uitgave verscheen bij Señor
Menéndez y Pelayo, de verzameling van Depping (2 dln. Leipzig 1844)
en de Engelsche vertalingen van Lockhart en Bowring.

IN DEZE SERIE VERSCHENEN REEDS

H. A. Guerber, Mythen en Legenden uit de Middeleeuwen. Haar
oorsprong en invloed op letterkunde en kunst. Bewerkt door Dr
H. W. Ph. E. v. d. Bergh v. Eysinga. Met 64 fraaie platen. Vierde druk.
Ing. f 4.90, Geb. f 6.50

H. A. Guerber, Noorsche Mythen. Uit de Edda’s en de Sagen. Bewerkt door
Dr H. W. Ph. E. v. d. Bergh v. Eysinga, Met 64 fraaie platen. Derde
druk. Ing. f 4.90, Geb. f 6.50

H. A. Guerber, Mythen van Griekenland en Rome. Haar oorsprong
en beteekenis. Bewerkt door Dr B. C. Goudsmit. Met 64 fraaie
platen. Vierde druk. Ing. f 4.90, Geb. f 6.50

Woislav M. Petrovitch, Heldensagen en Legenden van de Serviërs. Met een
voorbericht van Chedo Miyatovitch, gewezen Servische Gezant aan het
Engelsche Hof. Bewerkt door Mevr. J. P. Wesselink–v. Rossum. Met 32
prachtige gekleurde platen. Tweede druk. Ing. f 4.90, Geb. f 6.50

Dr H. Salomons, Verhalen en Legenden van Hindoes en Boeddhisten. Met
een introductie van Prof. Dr W. Caland. Met 32 prachtige gekleurde
platen. Tweede druk. Ing. f 4.90, Geb. f 6.50

T. W. Rolleston, Keltische Mythen en Legenden. Bewerkt door Dr
B. C. Goudsmit. Met 65 fraaie platen. 2e druk. Ing. f 4.90, Geb. f 6.50

F. Hadland Davis, Mythen en Legenden van Japan. Bewerkt door Dr
B. C. Goudsmit. Met 32 prachtige gekleurde platen. Derde druk.
Ing. f 4.90, Geb. f 6.50

Josef Cohen, Nederlandsche Sagen en Legenden I en II. Met
32 illustratiën in kleurendruk en zwart van Pol Dom. 2e druk.
Per deel Ing. f 4.90, Geb. f 6.50

Lewis Spence, Mythen en Legenden van Egypte. Voor Nederland bewerkt
door Dr J. W. van Rooijen. Met 8 gekleurde en zwarte platen. Tweede
druk. Ing. f 4.90, Geb. f 6.50

Nelly Montijn-De Fouw, Sagen van Koning Arthur en de Ridders van
de Tafelronde. Geïllustreerd door Arthur Rackham.
Ing. f 10.-, Geb. f 12.50

Dr H. van Prooye-Salomons, De Geschiedenis van Koning Nala. Een
Episode uit het Mahabharata. Ing. f 3.90, Geb. f 4.90

UITGAVEN VAN W. J. THIEME & CIE TE ZUTPHEN.

Dr C. te Lintum, De Geschiedenis van het Amerikaansche Volk, met
vele illustraties. Ing. f 2.75, Geb. f 3.90

E. M. Tappan Ph. D., De Geschiedenis van het Romeinsche Volk. Bewerkt
door Dr B. C. Goudsmit. Met vele illustraties. Tweede druk.
Ing. f 2.75. Geb. f 3.90

E. M. Tappan Ph. D., De Geschiedenis van het Grieksche Volk. Bewerkt
door Dr B. C. Goudsmit. Met vele illustraties. Tweede druk.
Ing. f 2.75, Geb. f 3.90

W. Jansen, Geschiedenis der Wijsbegeerte.
I. Van Thales tot Plotinus. Ing. f 4.35, Geb. f 5.25
II. Van Origenez tot Leibnitz. Ing. f 5.50, Geb. f 6.50

Dr Jos. Schrijnen, Nederlandsche Volkskunde. Compleet in 2 deelen. Per
deel Ing. f 4.50, Geb. f 5.75

Jonathan Swift, Gulliver’s Reizen. Vertaald naar de nieuwe uitgave
van Padraci Colum. Geïllustreerd door Willy Pogány. Met 12 gekleurde
en vele zwarte platen. Ing. f 4.90, Geb. f 5.90

M. de Cervantes, Don Quyote de la Mancha. Vrij bewerkt naar Albert
Geyer door G. D. Ell. Met 8 gekleurde en vele zwarte platen naar
George Scholz. Geb. f 3.90

De Sprookjes van Andersen. Naar het Deensch bewerkt door Ph. R. F. C
de Bruyn. Met twaalf gekleurde platen van Wanda Zeigner-Ebel.
Geb. f 3.90

H. Beecher Stowe, De Kleine Vossen. 7e druk. Ing. f 1.75, Geb. f 2.50

Dr E. Vogel, Fotografisch Zakboek. Een handleiding en vraagbaak
voor aanvangers en meergevorderden. Vrij bewerkt en aangevuld door
J. J. M. M. v. d. Bergh. 5e druk. Ing. f 2.60, Geb. f 3.95

Dr P. G. Buekers, Plantenboek. Bewerkt naar Christiansen, Taschenbuch
einheimischer Pflanzen. Met 48 fraai gekleurde platen. Geb. f 2.50

Kerst Zwart, Het Vogelboek. Zangers en Krassers bij huis en schuur,
in tuin en park, langs weg en gracht, in veld en bosch, aan plas
en strand. Met 109 gekleurde afbeeldingen van vogels. Tweede druk.
Ing. f 3.25, Geb. f 4.25

End of Project Gutenberg’s Legenden en Romances van Spanje, by Lewis Spence

*** END OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK LEGENDEN EN ROMANCES VAN SPANJE ***

***** This file should be named 31198-8.txt or 31198-8.zip *****
This and all associated files of various formats will be found in:
http://www.gutenberg.org/files/31198/

Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed
Proofreading Team at https://www.pgdp.net/c/

Updated editions will replace the previous one–the old editions
will be renamed.

Creating the works from public domain print editions means that no
one owns a United States copyright in these works, so the Foundation
(and you!) can copy and distribute it in the United States without
permission and without paying copyright royalties. Special rules,
set forth in the General Terms of Use part of this license, apply to
copying and distributing Project Gutenberg-tm electronic works to
protect the PROJECT GUTENBERG-tm concept and trademark. Project
Gutenberg is a registered trademark, and may not be used if you
charge for the eBooks, unless you receive specific permission. If you
do not charge anything for copies of this eBook, complying with the
rules is very easy. You may use this eBook for nearly any purpose
such as creation of derivative works, reports, performances and
research. They may be modified and printed and given away–you may do
practically ANYTHING with public domain eBooks. Redistribution is
subject to the trademark license, especially commercial
redistribution.

*** START: FULL LICENSE ***

THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE
PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK

To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free
distribution of electronic works, by using or distributing this work
(or any other work associated in any way with the phrase “Project
Gutenberg”), you agree to comply with all the terms of the Full Project
Gutenberg-tm License (available with this file or online at
http://www.gutenberg.org/wiki/Gutenberg:The_Project_Gutenberg_License.

Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project Gutenberg-tm
electronic works

1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm
electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to
and accept all the terms of this license and intellectual property
(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all
the terms of this agreement, you must cease using and return or destroy
all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your possession.
If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a Project
Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound by the
terms of this agreement, you may obtain a refund from the person or
entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph 1.E.8.

1.B. “Project Gutenberg” is a registered trademark. It may only be
used on or associated in any way with an electronic work by people who
agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few
things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works
even without complying with the full terms of this agreement. See
paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project
Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this agreement
and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm electronic
works. See paragraph 1.E below.

1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation (“the Foundation”
or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection of Project
Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual works in the
collection are in the public domain in the United States. If an
individual work is in the public domain in the United States and you are
located in the United States, we do not claim a right to prevent you from
copying, distributing, performing, displaying or creating derivative
works based on the work as long as all references to Project Gutenberg
are removed. Of course, we hope that you will support the Project
Gutenberg-tm mission of promoting free access to electronic works by
freely sharing Project Gutenberg-tm works in compliance with the terms of
this agreement for keeping the Project Gutenberg-tm name associated with
the work. You can easily comply with the terms of this agreement by
keeping this work in the same format with its attached full Project
Gutenberg-tm License when you share it without charge with others.

1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern
what you can do with this work. Copyright laws in most countries are in
a constant state of change. If you are outside the United States, check
the laws of your country in addition to the terms of this agreement
before downloading, copying, displaying, performing, distributing or
creating derivative works based on this work or any other Project
Gutenberg-tm work. The Foundation makes no representations concerning
the copyright status of any work in any country outside the United
States.

1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg:

1.E.1. The following sentence, with active links to, or other immediate
access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear prominently
whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work on which the
phrase “Project Gutenberg” appears, or with which the phrase “Project
Gutenberg” is associated) is accessed, displayed, performed, viewed,
copied or distributed:

This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with
almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or
re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included
with this eBook or online at www.gutenberg.net

1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is derived
from the public domain (does not contain a notice indicating that it is
posted with permission of the copyright holder), the work can be copied
and distributed to anyone in the United States without paying any fees
or charges. If you are redistributing or providing access to a work
with the phrase “Project Gutenberg” associated with or appearing on the
work, you must comply either with the requirements of paragraphs 1.E.1
through 1.E.7 or obtain permission for the use of the work and the
Project Gutenberg-tm trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or
1.E.9.

1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted
with the permission of the copyright holder, your use and distribution
must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any additional
terms imposed by the copyright holder. Additional terms will be linked
to the Project Gutenberg-tm License for all works posted with the
permission of the copyright holder found at the beginning of this work.

1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm
License terms from this work, or any files containing a part of this
work or any other work associated with Project Gutenberg-tm.

1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this
electronic work, or any part of this electronic work, without
prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with
active links or immediate access to the full terms of the Project
Gutenberg-tm License.

1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary,
compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including any
word processing or hypertext form. However, if you provide access to or
distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format other than
“Plain Vanilla ASCII” or other format used in the official version
posted on the official Project Gutenberg-tm web site (www.gutenberg.net),
you must, at no additional cost, fee or expense to the user, provide a
copy, a means of exporting a copy, or a means of obtaining a copy upon
request, of the work in its original “Plain Vanilla ASCII” or other
form. Any alternate format must include the full Project Gutenberg-tm
License as specified in paragraph 1.E.1.

1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying,
performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works
unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9.

1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing
access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works provided
that

– You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from
the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method
you already use to calculate your applicable taxes. The fee is
owed to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he
has agreed to donate royalties under this paragraph to the
Project Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments
must be paid within 60 days following each date on which you
prepare (or are legally required to prepare) your periodic tax
returns. Royalty payments should be clearly marked as such and
sent to the Project Gutenberg Literary Archive Foundation at the
address specified in Section 4, “Information about donations to
the Project Gutenberg Literary Archive Foundation.”

– You provide a full refund of any money paid by a user who notifies
you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he
does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm
License. You must require such a user to return or
destroy all copies of the works possessed in a physical medium
and discontinue all use of and all access to other copies of
Project Gutenberg-tm works.

– You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of any
money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the
electronic work is discovered and reported to you within 90 days
of receipt of the work.

– You comply with all other terms of this agreement for free
distribution of Project Gutenberg-tm works.

1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project Gutenberg-tm
electronic work or group of works on different terms than are set
forth in this agreement, you must obtain permission in writing from
both the Project Gutenberg Literary Archive Foundation and Michael
Hart, the owner of the Project Gutenberg-tm trademark. Contact the
Foundation as set forth in Section 3 below.

1.F.

1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable
effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread
public domain works in creating the Project Gutenberg-tm
collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm electronic
works, and the medium on which they may be stored, may contain
“Defects,” such as, but not limited to, incomplete, inaccurate or
corrupt data, transcription errors, a copyright or other intellectual
property infringement, a defective or damaged disk or other medium, a
computer virus, or computer codes that damage or cannot be read by
your equipment.

1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES – Except for the “Right
of Replacement or Refund” described in paragraph 1.F.3, the Project
Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project
Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project
Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all
liability to you for damages, costs and expenses, including legal
fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT
LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE
PROVIDED IN PARAGRAPH F3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE
TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE
LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR
INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH
DAMAGE.

1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND – If you discover a
defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can
receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a
written explanation to the person you received the work from. If you
received the work on a physical medium, you must return the medium with
your written explanation. The person or entity that provided you with
the defective work may elect to provide a replacement copy in lieu of a
refund. If you received the work electronically, the person or entity
providing it to you may choose to give you a second opportunity to
receive the work electronically in lieu of a refund. If the second copy
is also defective, you may demand a refund in writing without further
opportunities to fix the problem.

1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth
in paragraph 1.F.3, this work is provided to you ‘AS-IS’ WITH NO OTHER
WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT LIMITED TO
WARRANTIES OF MERCHANTIBILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE.

1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied
warranties or the exclusion or limitation of certain types of damages.
If any disclaimer or limitation set forth in this agreement violates the
law of the state applicable to this agreement, the agreement shall be
interpreted to make the maximum disclaimer or limitation permitted by
the applicable state law. The invalidity or unenforceability of any
provision of this agreement shall not void the remaining provisions.

1.F.6. INDEMNITY – You agree to indemnify and hold the Foundation, the
trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone
providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in accordance
with this agreement, and any volunteers associated with the production,
promotion and distribution of Project Gutenberg-tm electronic works,
harmless from all liability, costs and expenses, including legal fees,
that arise directly or indirectly from any of the following which you do
or cause to occur: (a) distribution of this or any Project Gutenberg-tm
work, (b) alteration, modification, or additions or deletions to any
Project Gutenberg-tm work, and (c) any Defect you cause.

Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm

Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of
electronic works in formats readable by the widest variety of computers
including obsolete, old, middle-aged and new computers. It exists
because of the efforts of hundreds of volunteers and donations from
people in all walks of life.

Volunteers and financial support to provide volunteers with the
assistance they need are critical to reaching Project Gutenberg-tm’s
goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will
remain freely available for generations to come. In 2001, the Project
Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure
and permanent future for Project Gutenberg-tm and future generations.
To learn more about the Project Gutenberg Literary Archive Foundation
and how your efforts and donations can help, see Sections 3 and 4
and the Foundation web page at http://www.pglaf.org.

Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary Archive
Foundation

The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non profit
501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the
state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal
Revenue Service. The Foundation’s EIN or federal tax identification
number is 64-6221541. Its 501(c)(3) letter is posted at
http://www.gutenberg.org/wiki/Category:Fundraising. Contributions to the Project Gutenberg
Literary Archive Foundation are tax deductible to the full extent
permitted by U.S. federal laws and your state’s laws.

The Foundation’s principal office is located at 4557 Melan Dr. S.
Fairbanks, AK, 99712., but its volunteers and employees are scattered
throughout numerous locations. Its business office is located at
809 North 1500 West, Salt Lake City, UT 84116, (801) 596-1887, email
business@pglaf.org. Email contact links and up to date contact
information can be found at the Foundation’s web site and official
page at http://pglaf.org

For additional contact information:
Dr. Gregory B. Newby
Chief Executive and Director
gbnewby@pglaf.org

Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg
Literary Archive Foundation

Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without wide
spread public support and donations to carry out its mission of
increasing the number of public domain and licensed works that can be
freely distributed in machine readable form accessible by the widest
array of equipment including outdated equipment. Many small donations
($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt
status with the IRS.

The Foundation is committed to complying with the laws regulating
charities and charitable donations in all 50 states of the United
States. Compliance requirements are not uniform and it takes a
considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up
with these requirements. We do not solicit donations in locations
where we have not received written confirmation of compliance. To
SEND DONATIONS or determine the status of compliance for any
particular state visit http://pglaf.org

While we cannot and do not solicit contributions from states where we
have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition
against accepting unsolicited donations from donors in such states who
approach us with offers to donate.

International donations are gratefully accepted, but we cannot make
any statements concerning tax treatment of donations received from
outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff.

Please check the Project Gutenberg Web pages for current donation
methods and addresses. Donations are accepted in a number of other
ways including including checks, online payments and credit card
donations. To donate, please visit: http://www.gutenberg.org/wiki/Gutenberg:Project_Gutenberg_Needs_Your_Donation

Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic
works.

Professor Michael S. Hart is the originator of the Project Gutenberg-tm
concept of a library of electronic works that could be freely shared
with anyone. For thirty years, he produced and distributed Project
Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of volunteer support.

Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed
editions, all of which are confirmed as Public Domain in the U.S.
unless a copyright notice is included. Thus, we do not necessarily
keep eBooks in compliance with any particular paper edition.

Most people start at our Web site which has the main PG search facility:

http://www.gutenberg.org/

This Web site includes information about Project Gutenberg-tm,
including how to make donations to the Project Gutenberg Literary
Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to
subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks.

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *